Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Met enige regelmaat laat ik in 'mijn' gemeenten een psalm zingen uit De Nieuwe Psalmberijming. Misschien wel juist omdat ik gevoelig(er) ben geworden voor het argument dat we door psalmen te zingen het Woord van God zélf zingen. Lees meer »

Ds. L. van Rikxoort | Protestantse wijkgemeente Heemse-West en Gereformeerde Kerk Mariënberg

Ds. L. van Rikxoort
Protestantse wijkgemeente Heemse-West en Gereformeerde Kerk Mariënberg

Lees alle quotes

Psalm 102

De nieuwe psalmberijming

1. Heer, wil mijn gebed verhoren;
zonder u ben ik verloren.
Help mij uit mijn diepe nood:
het gevaar is levensgroot.
Ik zit langzaam weg te sterven,
voel mijn beenderen bederven.
Als een hoopje as, vergeten,
smeul ik weg, maar wil niet eten.

2. Als een uil in een ruïne
waak ik hier, een ongeziene,
uitgeteerd tot op het bot,
uitgelachen en bespot.
Ik eet as en drink mijn tranen
omdat God mij kwam vermanen;
als een schim zal ik verdwijnen,
als het gras moet ik verkwijnen.

3. Toch blijft u, Heer, eeuwig leven
blijft als Koning hoog verheven,
en u zult barmhartig zijn
voor uw mensen in hun pijn.
U zult Sion weer herstellen.
Wereldwijd zal men vertellen
dat wie arm is en verslagen
antwoord krijgt op biddend vragen.

4. Laat dit worden opgeschreven,
voor wie na ons zullen leven.
Volk van God, zeg het toch voort:
Onze Heer heeft ons verhoord!
Wie al lang gevangen zaten
mogen nu hun cel verlaten.
om met al Gods mensen samen
zijn genade te beamen.

5. In de volheid van mijn leven
heeft u mij als prooi gegeven
aan de klauwen van de dood;
ik verkeer in stervensnood.
U, mijn God, zult altijd wezen,
eeuwenlang zal men u vrezen!
Waarom kort u dan mijn jaren?
Laat mij toch uw trouw ervaren!

6. U, die in vervlogen tijden
heel de wereld voorbereidde,
zult de tand des tijd doorstaan
als de dingen hier vergaan.
Al raakt alles hier versleten,
niemand kan Gods jaren meten.
Ja, tot aan de laatste morgen
zal God voor zijn mensen zorgen.

Tekst: Arjen Vreugdenhil

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Heer, wil mijn gebed verhoren;
zonder u ben ik verloren.
Help mij uit mijn diepe nood:
het gevaar is levensgroot.
Ik zit langzaam weg te sterven,
voel mijn beenderen bederven.
Als een hoopje as, vergeten,
smeul ik weg, maar wil niet eten.

2. Als een uil in een ruïne
waak ik hier, een ongeziene,
uitgeteerd tot op het bot,
uitgelachen en bespot.
Ik eet as en drink mijn tranen
omdat God mij kwam vermanen;
als een schim zal ik verdwijnen,
als het gras moet ik verkwijnen.

3. Toch blijft u, Heer, eeuwig leven
blijft als Koning hoog verheven,
en u zult barmhartig zijn
voor uw mensen in hun pijn.
U zult Sion weer herstellen.
Wereldwijd zal men vertellen
dat wie arm is en verslagen
antwoord krijgt op biddend vragen.

4. Laat dit worden opgeschreven,
voor wie na ons zullen leven.
Volk van God, zeg het toch voort:
Onze Heer heeft ons verhoord!
Wie al lang gevangen zaten
mogen nu hun cel verlaten.
om met al Gods mensen samen
zijn genade te beamen.

5. In de volheid van mijn leven
heeft u mij als prooi gegeven
aan de klauwen van de dood;
ik verkeer in stervensnood.
U, mijn God, zult altijd wezen,
eeuwenlang zal men u vrezen!
Waarom kort u dan mijn jaren?
Laat mij toch uw trouw ervaren!

6. U, die in vervlogen tijden
heel de wereld voorbereidde,
zult de tand des tijd doorstaan
als de dingen hier vergaan.
Al raakt alles hier versleten,
niemand kan Gods jaren meten.
Ja, tot aan de laatste morgen
zal God voor zijn mensen zorgen.

Tekst: Arjen Vreugdenhil

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Hoor, o HEER', verhoor mijn smeken,
Laat m' Uw bijstand niet ontbreken.
Ai, veracht mijn tranen niet,
Daar Gij al mijn angsten ziet!
Als ik, in benauwde dagen,
U, mijn God, mijn leed moet klagen,
Wil dan spoedig U ontfermen,
Wil mij door Uw macht beschermen.

2. Want mijn leeftijd is door wenen,
Als een ijd'le rook, verdwenen;
Mijn gebeent', in droeven stand,
Als een haardstee uitgebrand.
Mijne ziel, door rouw bezweken,
Kwijnt, als 't gras in dorre streken;
'k Heb in mijn ellend' vergeten
Mijn gewone spijzen t' eten.

3. 'k Voel de krachten mij begeven,
't Vlees aan mijn gebeente kleven,
Wegens mijn benauwde klacht,
Die ik uitstort dag en nacht.
Ik gelijk, in 't eenzaam kwijnen,
Aan den roerdomp der woestijnen,
Aan den steenuil in de wouden,
Waar geen mensen zich onthouden.

4. 'k Slijt den nacht in eenzaam waken,
Als een mus op stille daken;
Daar mijn wreev'le vijand raast
En door hoon mijn ziel verbaast.
Zij, die mijn bederf betrachten,
Mij den gansen dag verachten,
Mij in 't openbaar onteren,
Durven roek'loos bij mij zweren.

5. D' as versterkt mijn kwijnend harte
Thans tot brood in zoveel smarte,
Daar ik mijnen drank vermeng
Met de tranen, die ik pleng.
HEER', Uw gunst had mij verheven;
Maar nu mij Uw toorn doet beven,
Zie ik mij van glans ontbloten,
Mij in 't stof terneer gestoten.

6. 'k Zie in rouw en ongenuchten,
Al mijn dagen mij ontvluchten,
Als een schaduw, die verdwijnt:
Ik verdor, als 't gras, dat kwijnt.
Maar Gij, HEER', zult eeuwig blijven;
Eeuwig zal Uw roem beklijven
En Uw Naam blijft in gedachten,
Tot de laatste nageslachten.

7. Gij zult opstaan, ons beschermen,
Over Sion U ontfermen,
Want de tijd, Uw stad voorspeld,
Aan haar leed ten perk gesteld,
Die zo lang gewenste dagen
Van Uw gunstrijk welbehagen,
Zijn, o God, in 't eind geboren.
Gij, Gij zult haar klacht verhoren.

8. Reeds verlangen Uwe knechten
Hare stenen op te rechten.
Elk heeft deernis met haar gruis;
Elk toont ijver voor Gods huis.
Albestierend Opperwezen,
Dan zal 't heidendom U vrezen;
Al de vorsten neergebogen
Doen dan huld' aan Uw vermogen.

9. Als voor 't oog der nageburen,
Gods ontferming Sions muren
Weer zal hebben opgebouwd,
En 't Zijn heerlijkheid aanschouwt;
Als Zijn goedheid op de klachten
Des verdrukten en verachten
Letten zal en 't onheil weren;
Dan zal elk Hem juichend eren.

10. Dan, dan wordt Gods trouw verheven,
En Zijn dierb're gunst beschreven
Voor het dankbaar nageslacht,
Dat met lust Zijn wet betracht.
't Volk, in later eeuw geboren,
Zal Zijn macht en goedheid horen;
Zich in Zijnen roem verblijden;
Hem Zijn lofgezangen wijden.

11. 't Zal met blij gejuich Hem loven,
Die uit Zijn paleis van boven,
Isrels leed en ongeval
Eens in gunst beschouwen zal,
En gevang'nen in hun zuchten
Horen, als zij tot Hem vluchten;
Om hen uit de wrede kaken
Van den dood eens los te maken.

12. Dus zij 's HEEREN Naam geprezen,
En in Sion eer bewezen;
Dus hoor' elk de vreugdestem,
In het blij Jeruzalem;
Als de volken saam vergaren,
Zich met 's HEEREN erfvolk paren;
Als de koningen zich buigen,
En Hem hun ontzag betuigen.

13. Ach, de HEER' heeft mij doen bukken
Voor 't gewicht der ongelukken,
Ja, mijn levenstijd verkort,
Mij met rampen overstort.
'k Riep; "O God, mijn welbehagen,
Spaar m' in 't midden van mijn dagen!
Gij, door eeuw noch tijd te krenken,
Kunt mij hulp en uitkomst schenken."

14. 't Aardrijk en de hemelbogen
Zijn gewrocht door Uw vermogen;
Alle zijn z' in hun verband,
't Kunststuk van Uw wijze hand.
Doch hoe duurzaam zij ook schijnen,
Eens zal al hun glans verdwijnen;
Maar, schoon 't alles om zal keren,
Gij blijft staand', o HEER' der heren.

15. Als een kleed zal 't al verouden;
Niets kan hier zijn stand behouden;
Wat uit stof is, neemt een end
Door den tijd, die alles schendt.
Maar Gij hebt, o Opperwezen,
Nooit verandering te vrezen;
Gij, die d' eeuwen acht als uren,
Zult all' eeuwigheid verduren.

16. Uwer knechten trouwe zonen
Zullen altoos bij U wonen;
Ja, bevestigd in hun staat,
Voor Uw aanschijn, met hun zaad,
Uwen Naam ter ere leven;
Zij, van smart en smaad ontheven,
Blijven aan Uw dienst geheiligd,
Daar Uw goedheid hen beveiligt.

1. Wil mijn gebed, Heer, verhoren,
Laat komen tot Uwe oren
Mijn zuchten, en in den nood
Verberg U niet, hij is groot
In dezen tijd der ellenden
Wil Uw oren tot mij wenden,
En als ik U bid ootmoedig,
Verhoor mij haast, o Heer goedig!

2. Verteerd is nu mijn leven zaan,
En als rook is 't geheel vergaan;
Mijn benen zijn droog door smart
Als een vuur brandt; en mijn hart
Moet gelijk 't dorre gras werden,
't Welk gemaaid ligt op der aerde;
Zodat ik hebbe vergeten
Mijn brood en mijn spijze t' eten.

3. Vlees en benen 't zamen kleven,
Door mijn zwaar zuchten en beven;
En mijn huilen en geklag
Geduurt altijd, nacht en dag.
Den roerdomp ik gelijk schijne
Die stil woont in de woestijne;
Den steenuil ben ik geleken,
Die alleen woont gans versteken.

4. Zo d' eenzaam' musse moet waken
In stilheid onder de daken,
Zo moet ik ook voor en naar
Wakker zijn met lijden zwaar.
Dagelijks aan alle enden
Mijn vijanden mij zeer schenden;
Zij spotten mijns en uit wraken,
Van mij een spreekwoord zij maken.

5. Ik ete d' asse in 't gemein,
Als brood in mijn lijden niet klein;
Vermenget is mijn drank klaar
Met mijne tranen voorwaar,
Door Uwen toorn niet om lijden;
Want Gij, Die mij hadt voortijden
Grotelijks en zeer verheven,
Hebt mij nu te grond' gedreven.

6. Als een schaduwe vergaan snel
Mijn dagen door dit lijden fel,
Ik ben verdorret als gras,
Dat voormaals afgemaaid was.
Maar Gij zult, Heer, eeuwig blijven,
En tot den eind' vast beklijven,
En de gedacht'nis geprezen,
Uwes Naams zal eeuwig wezen.

7. Gij zult U Heer, nu (och armen!)
Opmaken en U ontfarmen
Over Sion goedertier,
Uwe woonstee; want 't is schier
Meer dan tijd om te bewijzen
Uw goedheid niet om volprijzen;
De stond' is daar, wil toch merken
En Uwe woning versterken.

8. Gaarne zagen Uwe knechten
Dat Gij de stad woudt oprechten,
Want zij ganselijk gewis
Overhoop geworpen is,
Opdat U de volken vruchten,
En voor U beven en zuchten
De koningen des aardrijken,
En U eren desgelijken.

9. 't Vervallen Sion opbouwen
Zal onze God vol van trouwen,
Hij, Die ons geholpen heeft,
Ende Zijn klaarheid ons geeft;
Hij zal dat bidden en klagen
Dergenen, die schier versagen,
Verhoren en verstaan goedig,
Naar Zijn goedheid overvloedig.

10. Dat zulks toch werde beschreven,
Opdat zij, die zullen leven
Na ons, gedenken hieraan,
En den kind'ren doen verstaan.
Dat Gods volk, van Hem verkoren
En nieuw'lijk wedergeboren,
Hem love tot alle stonden
Voor deez' weldaad niet om gronden.

11. Want de Heer, naar Zijn goedheid schoon,
Heeft van boven uit Zijnen troon
Op Zijn volk genomen acht,
Dat hier onder 't kruis versmacht;
Dat Hij 't zuchten en verlangen
Hore der arme gevangen,
En vrij maak' uit des doods banden,
En Zijn volk verloss' uit schanden.

12. Opdat des Heeren Naam en eer
Bekend tot Sion werd, o Heer!
En tot Jeruzalem rein
Zijn lof verbreid zij gemein.
Als de volkeren deemoedig
T' zamen zullen komen spoedig,
En de rijken zullen eren
En dienen den Heer der heren.

13. God vernedert gans mijne kracht
Op den weg, ende heeft gebracht
Tot niet mijn dagen voorwaar;
Dies spreek ik tot Hem eenpaar:
Heer, laat mij niet zijn verslagen
In 't midden van mijne dagen;
Want steeds blijven en voortvaren,
Heer, Uwe dagen en jaren.

14. Gij hebt gemaakt vast dat aardrijk
En de hemelen al gelijk;
Door Uw kracht zeer vast zij staan,
Nochtans moeten zij vergaan.
Maar Gij zult blijven bestendig,
Daar z' oud worden en ellendig,
Als een doek zeer klein van waarde,
En 't kleed eens mensen op aarde.

15. Als een verrot kleed en gewaad
Wordt ook veranderd hare staat;
Hoe heerlijk dat z' ook nu zijn,
Vergaan toch zal hare schijn.
Maar Gij, o Heer! daarentegen
Onveranderd allerwegen,
Zult blijven in wezen krachtig,
Zonder eind een Heer almachtig.

16. Daarom zullen der oprechten,
Uwer dienaren en knechten
Kind'ren, nu en t' allen tijd
Blijven vast en zijn verblijd.
Dat zaad Uwer uitverkoren
Zal wassen en vreugd oorboren,
En zal in overvloed wezen
Rijk en vruchtbaar, Heer geprezen.

1. Heer, hoor mijn gebed, laat blijken
dat mijn klachten U bereiken.
Hul U niet in duisternis
nu 't mij bang te moede is.
Luister, luister naar mijn klagen,
want ik roep U alle dagen.
Hoor mij, Heer, wil antwoord geven,
help mij haastig, red mijn leven.

2. Zie mijn leven, Heer, verkwijnen
en als ijle rook verdwijnen.
Wat een felle vuurhaard was
smeult en sterft, wordt koude as.
Zie als gras, in 't felle gloeien
van de zon, mijn hart verschroeien.
Uitgeteerd, alleen gelaten,
klaag ik, vast ik, niets kan baten.

3. Als een vogel, die in steppen
zich wanhopig voort moet reppen,
als een witte pelikaan,
ver van alle hulp vandaan,
als een uil in 't puin verborgen,
wacht ik angstig op de morgen.
Eenzaam moet mijn hart hier waken
als een vogel op de daken.

4. Hoor mijn vijanden mij smaden,
mij met spot en hoon beladen.
Daag'lijks schenden zij mijn naam,
maken hem tot vloek en blaam.
As is 't brood dat ik moet eten,
tranen drink ik. 'k Ben vergeten
en verlaten alle dagen,
daar uw hand mij heeft geslagen.

5. Ja, uw hand vernielt mijn leven,
heeft mij in de lucht geheven,
neergesmeten met geweld.
Ach, mijn dagen zijn geteld.
'k Zie ze als een schaduw lengen,
met het duister zich vermengen.
Zoals gras in hete steppen
voel 'k mijn levenskracht verleppen.

6. Gij, Heer, troont te allen tijde,
steeds zal men uw naam belijden
van geslachte tot geslacht.
Gij zult opstaan in uw kracht.
Gij zult ons verlossing schenken,
Sion eindelijk gedenken.
Tijd is 't voor uw grote daden,
eind'lijk tijd voor uw genade.

7. Slaan w' op Sions puin de ogen,
o, hoe is ons hart bewogen,
hunkert het naar het herstel
op uw goddelijk bevel,
opdat alle volken spreken;
"God is niet van hen geweken,
God heeft Sion doen herbouwen,
doet zijn glorie haar aanschouwen".

8. Ja, God wendt zich tot het klagen
van wie Hem om bijstand vragen,
heeft hun bidden niet veracht.
Zegt het aan het nageslacht.
Laat het worden opgeschreven,
zodat zij, die later leven,
lezen van zijn gunstbewijzen
en de eeuwen door Hem prijzen.

9. Uit den hemel hoog verheven
ziet Hij neer op 't aardse leven.
Uit Zijn heiligdom omhoog
slaat Hij op zijn knechten 't oog.
Hij zal komen, de Geduchte;
hun die in de kerkers zuchten,
met de dood voor ogen leven,
Hij zal hun de vrijheid geven.

10. Ja, de Heer komt ter bevrijding,
opdat Sion blij de tijding
van zijn grote daden meldt
en Jeruzalem vertelt,
hoe verlosten huiswaarts keren
roemend in de naam des Heren.
Alle volken, alle rijken
brengen Hem hun huldeblijken.

11. Argeloos ging ik mijn wegen.
Plotseling kwam God mij tegen,
greep mij aan en brak mijn kracht.
Nu richt ik tot Hem mijn klacht;
laat niet midden in het leven
mij de duisternis omgeven,
Gij, die eeuwen telt als uren,
laat mij een geslacht lang duren.

12. In de aanvang van de tijden
hebt Gij aard' en hemel beide
opgeroepen door uw woord.
Zij vergaan, maar Gij leeft voort.
Al uw werken lijden schade,
Gij verwisselt z' als gewaden,
Gij, de Koning der getijden,
legt ze achteloos ter zijde.

13. Gij, dezelfde, gist'ren, heden,
zult de toekomst tegentreden,
zult dezelfde zijn altijd,
eindeloos in majesteit.
Zo zult Gij uw trouw betonen,
ja, uw volk zal veilig wonen.
En de komende geslachten
zal altoos uw vrede wachten.

1. Heer, hoor mijn gebed, laat blijken
dat mijn klachten U bereiken.
Hul U niet in duisternis
nu 't mij bang te moede is.
Luister, luister naar mijn klagen,
want ik roep U alle dagen.
Hoor mij, Heer, wil antwoord geven,
help mij haastig, red mijn leven.

2. Zie mijn leven, Heer, verkwijnen
en als ijle rook verdwijnen.
Wat een felle vuurhaard was
smeult en sterft, wordt koude as.
Zie als gras, in 't felle gloeien
van de zon, mijn hart verschroeien.
Uitgeteerd, alleen gelaten,
klaag ik, vast ik, niets kan baten.

3. Als een vogel, die in steppen
zich wanhopig voort moet reppen,
als een witte pelikaan,
ver van alle hulp vandaan,
als een uil in 't puin verborgen,
wacht ik angstig op de morgen.
Eenzaam moet mijn hart hier waken
als een vogel op de daken.

4. Hoor mijn vijanden mij smaden,
mij met spot en hoon beladen.
Daag'lijks schenden zij mijn naam,
maken hem tot vloek en blaam.
As is 't brood dat ik moet eten,
tranen drink ik. 'k Ben vergeten
en verlaten alle dagen,
daar uw hand mij heeft geslagen.

5. Ja, uw hand vernielt mijn leven,
heeft mij in de lucht geheven,
neergesmeten met geweld.
Ach, mijn dagen zijn geteld.
'k Zie ze als een schaduw lengen,
met het duister zich vermengen.
Zoals gras in hete steppen
voel 'k mijn levenskracht verleppen.

6. Gij, Heer, troont te allen tijde,
steeds zal men uw naam belijden
van geslachte tot geslacht.
Gij zult opstaan in uw kracht.
Gij zult ons verlossing schenken,
Sion eindelijk gedenken.
Tijd is 't voor uw grote daden,
eind'lijk tijd voor uw genade.

7. Slaan w' op Sions puin de ogen,
o, hoe is ons hart bewogen,
hunkert het naar het herstel
op uw goddelijk bevel,
opdat alle volken spreken;
"God is niet van hen geweken,
God heeft Sion doen herbouwen,
doet zijn glorie haar aanschouwen".

8. Ja, God wendt zich tot het klagen
van wie Hem om bijstand vragen,
heeft hun bidden niet veracht.
Zegt het aan het nageslacht.
Laat het worden opgeschreven,
zodat zij, die later leven,
lezen van zijn gunstbewijzen
en de eeuwen door Hem prijzen.

9. Uit den hemel hoog verheven
ziet Hij neer op 't aardse leven.
Uit Zijn heiligdom omhoog
slaat Hij op zijn knechten 't oog.
Hij zal komen, de Geduchte;
hun die in de kerkers zuchten,
met de dood voor ogen leven,
Hij zal hun de vrijheid geven.

10. Ja, de Heer komt ter bevrijding,
opdat Sion blij de tijding
van zijn grote daden meldt
en Jeruzalem vertelt,
hoe verlosten huiswaarts keren
roemend in de naam des Heren.
Alle volken, alle rijken
brengen Hem hun huldeblijken.

11. Argeloos ging ik mijn wegen.
Plotseling kwam God mij tegen,
greep mij aan en brak mijn kracht.
Nu richt ik tot Hem mijn klacht;
laat niet midden in het leven
mij de duisternis omgeven,
Gij, die eeuwen telt als uren,
laat mij een geslacht lang duren.

12. In de aanvang van de tijden
hebt Gij aard' en hemel beide
opgeroepen door uw woord.
Zij vergaan, maar Gij leeft voort.
Al uw werken lijden schade,
Gij verwisselt z' als gewaden,
Gij, de Koning der getijden,
legt ze achteloos ter zijde.

13. Gij, dezelfde, gist'ren, heden,
zult de toekomst tegentreden,
zult dezelfde zijn altijd,
eindeloos in majesteit.
Zo zult Gij uw trouw betonen,
ja, uw volk zal veilig wonen.
En de komende geslachten
zal altoos uw vrede wachten.