Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De Geneefse Psalmen liggen me na aan het hart, maar de huidige vertaling uit het Gereformeerd Kerkboek is sterk verouderd. Soms is dat niet erg, want herkenbaarheid is voor ouderen erg belangrijk. Maar vanaf de kansel zie ik jongeren en masse hun mond houden; ze weten niet meer wat ze zingen. Lees meer »

Matthijs van der Welle| Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Matthijs van der Welle
Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Lees alle quotes

Psalm 104

De nieuwe psalmberijming

1. Met diep ontzag prijs ik U, hoogste HEER.
Uw grootheid, God, verbaast mij telkens weer.
Door majesteit en glans bent U omgeven. 
Uw mantel is uit zuiver licht geweven.
U spant de hemel uit zoals een tent;
daar is uw troon, voorbij het firmament. 
U rijdt op wind, de wolken zijn uw wagen;
bliksem en storm zijn dienaars die U dragen.

2. Op pijlers zette U de aarde vast;
ze wankelt nooit, geen schok die haar verrast.
De oerzee wilde haar totaal bedekken, 
maar U beval het water weg te trekken. 
Het kolkte weg: de bergen rezen hoog
de dalen daalden en het land viel droog.
U trok een grens tot waar de vloed mag komen,
zodat de aarde nooit zal overstromen.

3. Een bron ontspringt, U leidt het water voort
langs berg en veld, precies naar waar het hoort. 
Het drenkt de dieren, die verzadigd raken;
de wilde ezels laten het zich smaken.
Daarboven in de bomen klinkt een lied
van vele vogels; dit is hun gebied. 
Op hoge bergen valt royaal de regen. 
U overspoelt de aarde met uw zegen.

4. HEER, voor het vee plant U het malse gras,
de mens bewerkt het eetbare gewas.
Brood maakt hem sterk, wijn doet hem vrolijk dansen,
geurige olie laat zijn lichaam glanzen.
U plantte trotse bomen in het woud,
ooievaars hebben er hun nest gebouwd. 
Steenbokken klimmen op de hoge bergen,
waarin de klipdassen zich schuw verbergen.

5. De maanden laat U tellen door de maan,
de zon geeft voor de dag het einde aan.
Het bos wordt donker, jonge leeuwen brullen;
zij vragen God hun lege maag te vullen
en gaan op jacht. Dan keert het zonlicht weer, 
loom leggen zij zich in hun holen neer.
Het licht roept mensen op om te ontwaken
en zich weer voor hun dagtaak klaar te maken.

6. De werken die U schiep zijn ongeteld,
HEER, van uw wijsheid sta ik steeds versteld.
U hebt de aarde kunstig vormgegeven.
Ook in de zeeën wemelt het van leven;
talloze dieren mogen er bestaan,
bedrijvig varen schepen af en aan.
Het monster Leviatan zwemt eronder,
U speelt met dit enorme scheppingswonder.

7. Al wat leeft wacht op uw vrijgevigheid, 
U deelt het eten op de juiste tijd.
Mensen en dieren zoeken U doorlopend,
worden gevoed wanneer uw hand zich opent. 
Verbergt U zich, dan is hun onrust groot; 
neemt U hun adem weg, dan gaan zij dood
en worden aan de aarde teruggegeven.
Maar als U ademt komt het nieuwe leven.

8. Laat onze HEER voorgoed verheven zijn,
laat Hem verheugd over het leven zijn.
Hij ziet de aarde en Hij laat haar beven
Hij raakt de bergen aan, die rook afgeven.
Voor God zing ik zolang ik leef mijn lied
en ik hoop echt dat het Hem vreugde biedt.
Hij zal de zondaars van de aarde weren.
Met hart en ziel wil ik mijn schepper eren.

Tekst: Titia Lindeboom

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Met diep ontzag prijs ik U, hoogste HEER.
Uw grootheid, God, verbaast mij telkens weer.
Door majesteit en glans bent U omgeven. 
Uw mantel is uit zuiver licht geweven.
U spant de hemel uit zoals een tent;
daar is uw troon, voorbij het firmament. 
U rijdt op wind, de wolken zijn uw wagen;
bliksem en storm zijn dienaars die U dragen.

2. Op pijlers zette U de aarde vast;
ze wankelt nooit, geen schok die haar verrast.
De oerzee wilde haar totaal bedekken, 
maar U beval het water weg te trekken. 
Het kolkte weg: de bergen rezen hoog
de dalen daalden en het land viel droog.
U trok een grens tot waar de vloed mag komen,
zodat de aarde nooit zal overstromen.

3. Een bron ontspringt, U leidt het water voort
langs berg en veld, precies naar waar het hoort. 
Het drenkt de dieren, die verzadigd raken;
de wilde ezels laten het zich smaken.
Daarboven in de bomen klinkt een lied
van vele vogels; dit is hun gebied. 
Op hoge bergen valt royaal de regen. 
U overspoelt de aarde met uw zegen.

4. HEER, voor het vee plant U het malse gras,
de mens bewerkt het eetbare gewas.
Brood maakt hem sterk, wijn doet hem vrolijk dansen,
geurige olie laat zijn lichaam glanzen.
U plantte trotse bomen in het woud,
ooievaars hebben er hun nest gebouwd. 
Steenbokken klimmen op de hoge bergen,
waarin de klipdassen zich schuw verbergen.

5. De maanden laat U tellen door de maan,
de zon geeft voor de dag het einde aan.
Het bos wordt donker, jonge leeuwen brullen;
zij vragen God hun lege maag te vullen
en gaan op jacht. Dan keert het zonlicht weer, 
loom leggen zij zich in hun holen neer.
Het licht roept mensen op om te ontwaken
en zich weer voor hun dagtaak klaar te maken.

6. De werken die U schiep zijn ongeteld,
HEER, van uw wijsheid sta ik steeds versteld.
U hebt de aarde kunstig vormgegeven.
Ook in de zeeën wemelt het van leven;
talloze dieren mogen er bestaan,
bedrijvig varen schepen af en aan.
Het monster Leviatan zwemt eronder,
U speelt met dit enorme scheppingswonder.

7. Al wat leeft wacht op uw vrijgevigheid, 
U deelt het eten op de juiste tijd.
Mensen en dieren zoeken U doorlopend,
worden gevoed wanneer uw hand zich opent. 
Verbergt U zich, dan is hun onrust groot; 
neemt U hun adem weg, dan gaan zij dood
en worden aan de aarde teruggegeven.
Maar als U ademt komt het nieuwe leven.

8. Laat onze HEER voorgoed verheven zijn,
laat Hem verheugd over het leven zijn.
Hij ziet de aarde en Hij laat haar beven
Hij raakt de bergen aan, die rook afgeven.
Voor God zing ik zolang ik leef mijn lied
en ik hoop echt dat het Hem vreugde biedt.
Hij zal de zondaars van de aarde weren.
Met hart en ziel wil ik mijn schepper eren.

Tekst: Titia Lindeboom

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Waak op, mijn ziel, loof d' Oppermajesteit!
Wat zijt Gij groot, wat spreidt Uw heerlijkheid,
Geduchte God, al luisterrijke stralen.
Zij baart ontzag door al de hemelzalen.
Het blinkend licht bedekt U als een kleed.
De hemel, dien G' als een gordijn verbreedt,
En uitspant voor Uw Goddelijke woning,
Verbergt voor d' aard' Uw prachtigste vertoning.

2. Gij zoldert in de waat'ren Uwen troon;
De wolken, steeds gereed op Uw geboon,
Op 't hoogst vereerd, dat zij haar Koning dragen,
Verstrekken U als tot een zegewagen.
Gij wandelt op de vleug'len van den wind,
Dien G' als 't heelal aan Uwen dienst verbindt.
Een geestenheir maakt Gij Uw afgezanten,
Een vlammend vuur Uw trouwe rijkstrawanten.

3. Uw wonderkracht heeft in den morgenstond
Des vluggen tijds, deez' aarde vast gegrond.
Wat in haar kreits ooit wank'len moog' of wijken,
Zij zal, door U gevestigd, nooit bezwijken.
Zij, die ten blijk van Uwe macht verstrekt,
Was eertijds met den afgrond overdekt,
Als met een kleed. De hoogte van de golven
Hield al 't gebergt' in 't grond'loos diep bedolven.

4. De Godheid sprak en donderd' in de lucht.
De woeste zee, verschrikt door 't sterk gerucht,
Vlood haastig heen naar 't perk, haar aangewezen.
Het log gevaart' der bergen, opgerezen,
Vertoonde 't eerst zijn korts onzichtb'ren top,
En hief alom de fiere kruinen op.
't Ontelbaar tal van vruchtb're dalen daalde,
Ter juister plaats, die Gods bevel bepaalde.

5. D' ontemb're zee houdt stand, waar 't God gebiedt.
Zij overschrijdt de vaste stranden niet;
Zij ziet haar macht door hoger macht betomen,
En zal deez' aard' nooit weder overstromen.
Gods goedheid zendt de koele bronnen uit.
Zij wandelen, met ruisend stroomgeluid,
De bergen om, en dwalen en verspreien
Zich wijd en zijd door beemden en valleien.

6. Het nuttig vee en 't roofziek bosgediert',
Zelfs d' ezel, die door woeste wouden zwiert,
Die ongetemd, zich kreunt aan juk noch koorden,
Vindt lafenis aan hare frisse boorden.
't Gevogelte, dat in zijn snelle vlucht
De vlerken klapt en opstijgt naar de lucht,
Of uit het loof zijn schelle stem laat horen,
Heeft aan haar zoom zijn woningen verkoren.

7. 't Is God, Wiens hand den bergen water schenkt,
Den drogen grond uit Zijnen hemel drenkt,
Den regen geeft uit Zijne hoge zalen,
En vruchtbaarheid doet zweven in de dalen.
Dan schiet voor 't vee de teed're grasscheut uit;
Tot 's mensen dienst ontluikt dan 't geurig kruid;
Dan spruit het brood, nog in den halm besloten,
Uit d' aarde voort, door milden dauw begoten.

8. God geeft den wijn, tot vreugd voor 't hart bereid,
En d' olie, die een glans op 't aanschijn spreidt,
En 't lief'lijk brood, dat onze kracht moet voeden:
Hij wil ons dus verkwikken en behoeden.
't Is God alleen, die door Zijn sterke hand
Den Libanon met cederen beplant,
't Geboomte voedt en kracht schenkt, onder 't kweken,
Aan 't lomm'rig woud, aan schaduwrijke streken.

9. Het vogelte vindt schuilplaats in hun loof,
En vormt zijn nest uit zijn vergaarden roof.
De dennen zijn, daar z' opgaan als pilaren,
Het steil verblijf der kleppend' ooievaren.
De steenbok springt en klautert, van den top
Des heuvels, tot de kruin der bergen op.
De hoge rots houdt in verborgen holen,
Het schuw konijn voor ons gezicht verscholen.

10. De gouden zon weet, waar zij schuil moet gaan;
De wisseling der wisselende maan,
Aan tijd en loop op 't wonderbaarst verbonden,
Verschijnt ons oog op haar bepaalde stonden.
Gij, HEER', beschikt door Uw geduchte macht,
De duisternis, en 't wordt op aarde nacht;
Wanneer 't gediert' door woud en veld mag dwalen,
Om voedsel voor het hong'rig nest te halen.

11. Het donker bos weergalmt op 't hees geschreeuw
Van leeuwenwelp en fieren jongen leeuw,
Die, heet op roof, in afgelegen hoeken,
Al brullend, spijs van God, den Gever, zoeken.
Maar op de komst van licht en dageraad,
Op 't zien der zon in 't luisterrijk gewaad,
Keert elk van hen naar zijn verborgen kuilen,
Daar zij, verzaad, zich voor ons oog verschuilen.

12. Dan wordt de mens door 't rijzend morgenlicht
Gewekt, gewenkt tot arbeid, tot zijn plicht;
Hij plant, hij bouwt; men ziet hem zwoegen, draven;
Tot 's avonds toe laat hij niet af van slaven.
Hoe schoon, hoe groot, o Oppermajesteit,
Is al Uw werk, gevormd met wijs beleid!
Uw wijsheid streelt oplettende gemoed'ren;
Al 't aardrijk is vervuld met Uwe goed'ren.

13. D' onpeilb're zee bergt in haar ruimen schoot
Een talloos tal van scheps'len, klein en groot,
Die in haar diept' al weem'lend zich vergaren.
Het golvend ruim der rusteloze baren,
Wordt steeds doorkruist van schepen, wijd en zijd;
Daar zwemt en duikt het schubbig heir om strijd;
Daar laat Gij zelfs den Leviathan spelen,
Den schrik der zee in deze vreugde delen.

14. Wat in de lucht, op d' aard', in 't water leeft,
't Wacht al op U, die elk zijn spijze geeft;
't Wacht al op U, die alles kunt behoeden.
Als Uwe gunst al 't scheps'lenheir wil voeden,
En liefderijk aan hunne nooddruft denkt,
Vergaad'ren zij den voorraad, dien Gij schenkt,
En worden door Uw goedheid mild bejegend,
Elk op zijn tijd, in overvloed gezegend.

15. Verbergt G', o God, Uw glansrijk aangezicht,
Dan sidd'ren zij op 't missen van dat licht,
Dat troostrijk licht, waardoor zij 't licht verwerven.
Neemt Uwe hand hun adem weg, zij sterven;
Zij worden stof, gelijk zij zijn geweest.
Bezielt Gij hen door 't zenden van Uw Geest,
Dan ziet men hen weer leven als tevoren;
Dan wordt al d' aard met nieuwen glans herboren.

16. De heerlijkheid der hoogste Majesteit
Zij hoog geroemd en duur' in eeuwigheid;
Zij blink' alom en kenn' noch paal noch perken!
Dat zich de HEER' verblijd' in al Zijn werken.
Het aardrijk schudt, als God in gramschap blaakt;
Wanneer Zijn hand de hoge bergen raakt,
Slaan zij terstond aan 't sidderen, aan 't roken,
Inwendig door Gods almacht aangestoken.

17. Ik zal, zolang ik 't levenslicht geniet,
Gods mogendheid verheffen in mijn lied.
Ik zal mijn God met lofgezangen eren,
Terwijl ik nog op aarde mag verkeren.
Mijn aandacht zal op Hem gevestigd staan,
En met vermaak Zijn grootheid gadeslaan;
Ik zal mij in den God mijns heils verblijden,
En dag op dag aan Hem mijn psalmen wijden.

18. De zondaar zal verdelgd zijn op Gods wenk,
De boosheid zal vergaan, eer 't iemand denk'!
Waak op, mijn ziel, wil uwen Schepper eren;
Gelooft zij God; men loov' den HEER der heren!

1. Welaan, mijn ziel, gij moet God prijzen zeer;
Och, hoe groot en hoe heerlijk is nu, Heer,
Uwe goedheid overal uitgebreidet!
Gij zijt met heerlijkheid en eer bekleidet.
Gij zijt met klaarheid ganselijk bedekt,
Als waar' een kleed over U uitgestrekt;
Tot een tente hebt Gij des hemels trone,
Dien Gij uitspant als een gordijne schone.

2. Gij welft Uwe kamers met water rein;
De wolken zijn Uwe wagens niet klein;
De winden, drijvende naar Uw behagen,
Trekken met haar vleugelen Uwen wagen,
Van de winden, die licht zijn ende snel,
Maakt Gij Uwe posten en boden wel;
Vuur en tempeest zijn de dienaars bekwame
Uwer gerechtigheid alle te zame.

3. Gij hebt d' aard in haren pas vast in 't rond
Onbeweeglijk en ordent'lijk gegrond;
Zodat zij niet beweegd kan zijn ter zijden,
Maar blijft stedes vast staande t' allen tijden.
Te voren was dat gans aardrijke breed,
Overgedekt als met een zeer schoon kleed,
Door 't water 't welk daarover is gedreven
Boven de bergen, die hoog zijn verheven.

4. Maar zo haast als Gij die aanspraakt zeer straf,
Zijn zij gevloden en gelopen af,
En voor de stem Uwes donders zeer krachtig
Zijn zij zamen geweken, Heer almachtig.
De bergen, die zeer hoog verheven zijn,
En de diepe dalen schoon, groen en fijn,
Zijn tot de plaatsen haast'lijk voortgevaren,
Die hen van U voortijds bereidet waren.

5. Gij hebt de palen des meers gemaakt vast,
Daar 't niet over en komt, noch ook en wast;
Opdat het niet meer bedekte 't aardrijke,
Deedt Gij, Heer, dat heerlijk werk desgelijke.
Gij deedt 't water in de dalen aldaar,
En liet springen schone fonteinen klaar,
Die zeer liefelijk langs de bergen vlieten,
En met gerucht in de dalen voortschieten.

6. Opdat alzo alle beesten op 't veld
Drinken mochten, zijnde met dorst gekweld;
En dat in de beken en de rivieren,
Hen verkwikken alle de wilde dieren.
Aan de beken en alszins daaromtrent,
Wonen de vogelkens elk aan zijn end,
Die tussen de takken der bomen springen,
En liefelijk met zoete stemmen zingen.

7. Gij maakt de stenige bergen eenpaar,
Door Uw kracht van boven vocht en vruchtbaar;
Zodat 't aardrijk vol vruchten is niet kleine,
Die Gij verleent den mensen in 't gemeine.
Gij doet 't gras wassen op berg en in dal,
Opdat het vee daarvan mag leven al;
Gij laat dat zaad voortkomen uit der aerde,
Daarmee dat ook de mensen gevoed werden.

8. Den wijn, die 't harte des mensen maakt blij,
En brood ook om hen te sterken geeft Gij;
Gij wilt Hem daartoe met olie beschinken,
Opdat zijn aanzicht schoon en klaar mag blinken.
De bomen wassen en zeer hoog opgaan,
De cederen die op Liban staan;
Die Uw goedheid, die niemand kan volprijzen,
Zelf heeft geplant, zo de werken bewijzen.

9. Daar maken de vogelkens haren nest,
En generen hen een ieder om best;
Op de hoge dennen, tot elke jaren.
Nestelen de wijd vliegende ooi'varen.
De bergen vol van allerlei gerucht
Zijn den geiten en hinden een toevlucht.
In holen, waar de zonne niet kan schijnen,
Behelpen hen de hazen en konijnen.

10. Wat zal ik meer zeggen? De mane klaar
Maaktet Gij, om af te delen dat jaar;
Der zonne loop hebt Gij zo afgemeten,
Dat ze haren ondergang steeds kan weten.
Van de duisternis hebt Gij door Uw kracht
Zeer wijselijk, o Heer, gemaakt den nacht;
In dewelk' ieder dier naar zijn begeren,
Hem kan roeren en overal generen.

11. Alsdan komen de jonge leeuwen voort
Uit de holen briesende zeer verstoord,
Naar enen roof lopende welgemoedet;
Dat aas geeft Gij hun, Die alle ding voedet.
Zo haast als de zonne daarna opstaat,
Een ieder van hen in zijn kuile gaat,
Daar zij blijven tot den nacht zonder zorgen
En rusten gemakkelijk in 't verborgen.

12. Alsdan gaat de mens uit zonder gevaar,
Om te volbrengen zijnen arbeid zwaar,
Om 't akkerwerk, daarmee hij is beladen,
Te doen van 's morgens vroeg tot 's avonds spade.
O God! hoe heerlijk en hoe wonderbaar
Zijn Uwe wonderwerken ver en naar.
Hoe wijselijk doet Gij toch alle zaken,
Alle creaturen Uw goedheid smaken.

13. Wie kan uitspreken tot enigen tijd,
Die dieren die hen roeren in 't meer wijd?
De grote vissen met de kleinen, plegen
Daarin te zwemmen en hen te bewegen.
Daar varen de schepen niet zonder nood;
De walvissen, die schrikk'lijk zijn en groot,
Die Gij, o Heere hebt gemaakt om velen,
Ziet men alzins in de wateren spelen.

14. Alle dieren komen, o Heer, tot U vrij,
Zij zien op U en verwachten dat Gij
Hun haar spijze geeft in bekwame tijden,
Als zij nood hebben ende honger lijden.
Zo haast als Gij dan hun haar voeder geeft,
Zij nemen dat, zodat elk daarvan leeft.
Als Gij Uw hand opent en hen beg'nadigt,
Dan worden zij met goederen verzadigd.

15. Maar als Gij van haar Uw aanzicht afwendt,
Zo verschrikken zij zeer in groot ellend';
Gij neemt, Heer, den adem ende zij sterven,
En worden stof daarin zij ook verderven,
Is 't dat nog eens Uwe adem uitgaat,
Gij doet ze weder leven met der daad,
Zo zij tevoor' waren in zulke waarde,
En vernieuwt de gestaltenis der aarde.

16. Dat nu voortaan des Heeren heerlijkheid
Vast blijve staan tot in der eeuwigheid;
De Heere wil toch met genaad' aanmerken
En aanschouwen alle Zijn schone werken.
De Heer, zeg ik, Die als Hij d' aard' aanziet,
Haar doet verschrikken, dat zij van Hem vliedt;
Die de bergen door 't woord van Hem gesproken
Haast doet beven, zweten ende zeer roken.

17. Ik wil den Heere gans mijn leven lang,
Zonder stilzwijgen prijzen met lofzang.
Mijn God wil ik, zo lang als ik zal leven,
Psalmengezang en vereringe geven.
Ik bid Hem, dat Hij mijn gebed en woord
Hem laat behagen en wezen verhoord;
't Welk zo het geschiedt, ik wil mij verblijden
In den Heer mijnen God aan alle zijden.

18. D' ongelovig' en godd'lozen bekend,
Moeten vergaan en haast nemen een end.
Welaan mijn ziel, den goeden God wil loven:
De wereld gans prijze den Heer hier boven.

1. Mijn ziel, verheerlijk God om zijne macht.
Bekleed is Hij met majesteit en pracht,
het licht heeft Hij als mantel omgeslagen,
Hij maakt de wolken tot zijn zegewagen.
Hij die de hemel uitspant als een tent,
Hij bouwt zijn zalen in het firmament.
Op vleugels van de wind schrijdt Hij verheven,
storm zendt Hij uit, door vuur wordt Hij omgeven.

2. Gij grondvest het heelal, houdt het in stand,
onwrikbaar staat het bouwwerk van uw hand.
Gij deedt de vloed over de aarde golven
en hoge bergen werden diep bedolven.
Uw donder joeg het water op de vlucht,
het dal viel droog, de rots rees in de lucht.
De afgrond moest zich op uw woord betomen,
uw vloed zal d' aarde nooit meer overstromen.

3. Uw bronnen zenden beken in het dal,
zij storten neer als steile waterval,
verbreden zich tot rustige rivieren.
Van alle kant verzaam'len zich de dieren.
Zij komen langzaam nader uit het bos,
woudezels stappen op het zachte mos
het water tegemoet om er te drinken.
Vogels doen overal hun lied weerklinken.

4. Gij drenkt de bergen uit het hoge zwerk,
de vruchtbaarheid der aarde is uw werk.
De dieren grazen in de malse weiden,
de sikkel gaat de rijpe halmen snijden.
De wijn verheugt het hart, en voedzaam brood
geeft Gij genoeg voor aller mensen nood.
Zie op de Libanon Gods cederbomen,
zij staan verzadigd door zijn regenstromen.

5. Daar nest'len vogels in de hoge kruin,
bewonen eibers een cypressentuin.
De steenbok klautert op de hoge toppen,
in holen kan de klipdas zich verstoppen.
Gij deelt de tijd in naar de stand der maan
en doet de zon, nog dralend, ondergaan.
Dan worden in het bos de dieren wakker,
rumoerig breken zij zich door de takken.

6. En in het duister klinkt een hese schreeuw,
zijn voedsel zoekend brult de jonge leeuw.
Aan God den Here zelf vraagt hij om spijze.
De dag breekt aan, de morgenzon gaat rijzen;
het wordt weer stil, loom en verzadigd keert
hij naar zijn hol, waar niets zijn sluimer deert.
De mens treedt in het licht en gaat zijn plichten
getrouw tot aan de avond toe verrichten.

7. O Heer, hoe groot moet dan uw wijsheid zijn,
Gij hebt het al gemaakt, van groot tot klein.
Vol is de aarde van uw wonderwerken.
Daar is de zee, hoe wijd stelt Gij haar perken.
Hoe wemelt zij van dieren zonder tal.
De schepen varen aan van overal.
En in de schoot der zee leggen uw handen
de leviathan spelende aan banden.

8. Al wat er in uw grote schepping leeft
wacht, Heer, op U, tot Gij hun voedsel geeft.
Ontsluit G' uw hand, zij zamelen de gaven
waarmee Gij hen wilt spijzigen en laven.
Verbergt Gij uw gezicht, hen dreigt de dood,
stof worden zij weer in der aarde schoot.
Maar d' adem van uw Geest brengt hen tot leven;
het aardrijk wordt een nieuwe bloei gegeven.

9. De ere Gods zij tot in eeuwigheid.
De schepping blinke van zijn majesteit.
Ja, alles wat Hij opriep en doet leven
moge Hem ongestoorde vreugde geven.
Aanbiddelijk in grootheid is de Heer,
ziet Hij alleen maar op de aarde neer,
dan beeft zij, en de grote bergen roken
als Hij zijn hand naar hen heeft uitgestoken.

10. Ik zal den Heer lofzingen levenslang,
zolang ik ben wijd ik Hem mijn gezang.
Behage Hem het lied dat ik Hem wijdde,
dan zal ik steeds mij in den Heer verblijden.
De aarde wordt van alle zondaars rein,
de goddelozen zullen niet meer zijn.
Loof, halleluja, loof, mijn ziel, den Here,
alles in allen zal Hij triomferen.

1. Mijn ziel, verheerlijk God om zijne macht.
Bekleed is Hij met majesteit en pracht,
het licht heeft Hij als mantel omgeslagen,
Hij maakt de wolken tot zijn zegewagen.
Hij die de hemel uitspant als een tent,
Hij bouwt zijn zalen in het firmament.
Op vleugels van de wind schrijdt Hij verheven,
storm zendt Hij uit, door vuur wordt Hij omgeven.

2. Gij grondvest het heelal, houdt het in stand,
onwrikbaar staat het bouwwerk van uw hand.
Gij deedt de vloed over de aarde golven
en hoge bergen werden diep bedolven.
Uw donder joeg het water op de vlucht,
het dal viel droog, de rots rees in de lucht.
De afgrond moest zich op uw woord betomen,
uw vloed zal d' aarde nooit meer overstromen.

3. Uw bronnen zenden beken in het dal,
zij storten neer als steile waterval,
verbreden zich tot rustige rivieren.
Van alle kant verzaam'len zich de dieren.
Zij komen langzaam nader uit het bos,
woudezels stappen op het zachte mos
het water tegemoet om er te drinken.
Vogels doen overal hun lied weerklinken.

4. Gij drenkt de bergen uit het hoge zwerk,
de vruchtbaarheid der aarde is uw werk.
De dieren grazen in de malse weiden,
de sikkel gaat de rijpe halmen snijden.
De wijn verheugt het hart, en voedzaam brood
geeft Gij genoeg voor aller mensen nood.
Zie op de Libanon Gods cederbomen,
zij staan verzadigd door zijn regenstromen.

5. Daar nest'len vogels in de hoge kruin,
bewonen eibers een cypressentuin.
De steenbok klautert op de hoge toppen,
in holen kan de klipdas zich verstoppen.
Gij deelt de tijd in naar de stand der maan
en doet de zon, nog dralend, ondergaan.
Dan worden in het bos de dieren wakker,
rumoerig breken zij zich door de takken.

6. En in het duister klinkt een hese schreeuw,
zijn voedsel zoekend brult de jonge leeuw.
Aan God den Here zelf vraagt hij om spijze.
De dag breekt aan, de morgenzon gaat rijzen;
het wordt weer stil, loom en verzadigd keert
hij naar zijn hol, waar niets zijn sluimer deert.
De mens treedt in het licht en gaat zijn plichten
getrouw tot aan de avond toe verrichten.

7. O Heer, hoe groot moet dan uw wijsheid zijn,
Gij hebt het al gemaakt, van groot tot klein.
Vol is de aarde van uw wonderwerken.
Daar is de zee, hoe wijd stelt Gij haar perken.
Hoe wemelt zij van dieren zonder tal.
De schepen varen aan van overal.
En in de schoot der zee leggen uw handen
de leviathan spelende aan banden.

8. Al wat er in uw grote schepping leeft
wacht, Heer, op U, tot Gij hun voedsel geeft.
Ontsluit G' uw hand, zij zamelen de gaven
waarmee Gij hen wilt spijzigen en laven.
Verbergt Gij uw gezicht, hen dreigt de dood,
stof worden zij weer in der aarde schoot.
Maar d' adem van uw Geest brengt hen tot leven;
het aardrijk wordt een nieuwe bloei gegeven.

9. De ere Gods zij tot in eeuwigheid.
De schepping blinke van zijn majesteit.
Ja, alles wat Hij opriep en doet leven
moge Hem ongestoorde vreugde geven.
Aanbiddelijk in grootheid is de Heer,
ziet Hij alleen maar op de aarde neer,
dan beeft zij, en de grote bergen roken
als Hij zijn hand naar hen heeft uitgestoken.

10. Ik zal den Heer lofzingen levenslang,
zolang ik ben wijd ik Hem mijn gezang.
Behage Hem het lied dat ik Hem wijdde,
dan zal ik steeds mij in den Heer verblijden.
De aarde wordt van alle zondaars rein,
de goddelozen zullen niet meer zijn.
Loof, halleluja, loof, mijn ziel, den Here,
alles in allen zal Hij triomferen.