Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De Geneefse Psalmen liggen me na aan het hart, maar de huidige vertaling uit het Gereformeerd Kerkboek is sterk verouderd. Soms is dat niet erg, want herkenbaarheid is voor ouderen erg belangrijk. Maar vanaf de kansel zie ik jongeren en masse hun mond houden; ze weten niet meer wat ze zingen. Lees meer »

Matthijs van der Welle| Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Matthijs van der Welle
Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Lees alle quotes

Psalm 106

De nieuwe psalmberijming

1. Eer aan de HEER om wat Hij doet,
want Hij is altijd trouw en goed!
Wie kan zijn grote macht beschrijven?
Wie geeft Hem ooit voldoende eer?
Gelukkig wie dicht bij Hem blijven
en doen wat goed is, telkens weer.

2. HEER, denk aan mij, kijk naar mij om.
Verlos uw volk, uw eigendom.
Kom mij ook liefdevol bevrijden.
Dan zie ik zegen net als zij;
dan zal ik blij zijn met de blijden;
dan welt er dank op diep in mij.

3. De zonde zit ons in het bloed.
Wat zijn we blind voor wat God doet!
We hebben ons enorm misdragen,
net als ons verre voorgeslacht.
Er werd geen acht op Hem geslagen.
Toch toonde Hij zijn trouw en macht.

4. De Rietzee gaf aan God gehoor.
Droog ging zijn volk de diepten door.
God liet geen vijand overleven.
Ja, toen vertrouwden zij Hem wel.
Hij kreeg de eer, ze zongen even;
daarna vergaten zij Hem snel.

5. Ze wachtten niet geduldig af
tot God hun vlees te eten gaf, 
maar bleven er brutaal om vragen.
Uit boosheid gaf de HEER zo veel
dat niemand het nog kon verdragen.
Er kwam geen hap meer door hun keel.

6. Ze waren uit op eigen eer
en keken op hun leiders neer.
De bende muiters werd verslonden
toen plots de aarde zich ontsloot.
Verzwolgen door een vuurzee vonden
hun medeschuldigen de dood.

7. Vervolgens dienden ze massaal
een blinkend stierkalf van metaal;
alweer vergaten ze Gods daden.
Was Mozes niet voor God gaan staan
met een beroep op zijn genade,
dan was het volk eraan gegaan.

8. Het volk geloofde zelfs niet meer
in de belofte van de HEER
dat Hij een prachtig land zou geven.
Toen zwoer Hij met geheven hand:
‘Ik dood hen en wie overleven
verdrijf ik naar een ander land.’

9. Ze trapten God weer op zijn hart:
Hij werd door Baäldienst getart.
Gekwetst liet Hij hen hevig lijden.
Maar Pinechas bezwoer het kwaad;
hij kwam verzoenend tussenbeide.
De HEER beloonde deze daad.

10. Wat kwelden zij God mateloos,
want daarna maakten zij Hem boos
door op fris water aan te dringen.
Ze hebben zo lang doorgezeurd
dat Mozes zich niet kon bedwingen:
hij sprak verbitterd voor zijn beurt.

11. Geen volk werd door hen weggevaagd,
hoewel de HEER dat had gevraagd.
Ze deden wat God had verboden:
ze bogen voor demonen neer,
voor wie ze zelfs hun baby’s doodden.
Ze waren ontrouw aan de HEER!

12. De HEER werd woest, Hij was het zat!
Hij had zijn volk zo liefgehad,
maar walgde nu van wat zij deden.
Voorlopig deed Hij troonsafstand.
Hij liet de vreemde mogendheden
zijn volk verdrukken in zijn land.

13. Ze zonken weg door eigen schuld,
maar telkens toonde God geduld.
Als Hij hun luide roepen hoorde,
hun tranen zag en hun berouw,
dan dacht Hij aan zijn eigen woorden,
dan bleef Hij toch zijn volk weer trouw.

14. HEER, red ons, maak uw woorden waar.
Breng ons, uw volk, weer bij elkaar.
Dan zullen wij uw daden prijzen.
Uw naam is groot, halleluja!
Laat iedereen God eer bewijzen.
Volg, Israël, dit voorbeeld na.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Eer aan de HEER om wat Hij doet,
want Hij is altijd trouw en goed!
Wie kan zijn grote macht beschrijven?
Wie geeft Hem ooit voldoende eer?
Gelukkig wie dicht bij Hem blijven
en doen wat goed is, telkens weer.

2. HEER, denk aan mij, kijk naar mij om.
Verlos uw volk, uw eigendom.
Kom mij ook liefdevol bevrijden.
Dan zie ik zegen net als zij;
dan zal ik blij zijn met de blijden;
dan welt er dank op diep in mij.

3. De zonde zit ons in het bloed.
Wat zijn we blind voor wat God doet!
We hebben ons enorm misdragen,
net als ons verre voorgeslacht.
Er werd geen acht op Hem geslagen.
Toch toonde Hij zijn trouw en macht.

4. De Rietzee gaf aan God gehoor.
Droog ging zijn volk de diepten door.
God liet geen vijand overleven.
Ja, toen vertrouwden zij Hem wel.
Hij kreeg de eer, ze zongen even;
daarna vergaten zij Hem snel.

5. Ze wachtten niet geduldig af
tot God hun vlees te eten gaf, 
maar bleven er brutaal om vragen.
Uit boosheid gaf de HEER zo veel
dat niemand het nog kon verdragen.
Er kwam geen hap meer door hun keel.

6. Ze waren uit op eigen eer
en keken op hun leiders neer.
De bende muiters werd verslonden
toen plots de aarde zich ontsloot.
Verzwolgen door een vuurzee vonden
hun medeschuldigen de dood.

7. Vervolgens dienden ze massaal
een blinkend stierkalf van metaal;
alweer vergaten ze Gods daden.
Was Mozes niet voor God gaan staan
met een beroep op zijn genade,
dan was het volk eraan gegaan.

8. Het volk geloofde zelfs niet meer
in de belofte van de HEER
dat Hij een prachtig land zou geven.
Toen zwoer Hij met geheven hand:
‘Ik dood hen en wie overleven
verdrijf ik naar een ander land.’

9. Ze trapten God weer op zijn hart:
Hij werd door Baäldienst getart.
Gekwetst liet Hij hen hevig lijden.
Maar Pinechas bezwoer het kwaad;
hij kwam verzoenend tussenbeide.
De HEER beloonde deze daad.

10. Wat kwelden zij God mateloos,
want daarna maakten zij Hem boos
door op fris water aan te dringen.
Ze hebben zo lang doorgezeurd
dat Mozes zich niet kon bedwingen:
hij sprak verbitterd voor zijn beurt.

11. Geen volk werd door hen weggevaagd,
hoewel de HEER dat had gevraagd.
Ze deden wat God had verboden:
ze bogen voor demonen neer,
voor wie ze zelfs hun baby’s doodden.
Ze waren ontrouw aan de HEER!

12. De HEER werd woest, Hij was het zat!
Hij had zijn volk zo liefgehad,
maar walgde nu van wat zij deden.
Voorlopig deed Hij troonsafstand.
Hij liet de vreemde mogendheden
zijn volk verdrukken in zijn land.

13. Ze zonken weg door eigen schuld,
maar telkens toonde God geduld.
Als Hij hun luide roepen hoorde,
hun tranen zag en hun berouw,
dan dacht Hij aan zijn eigen woorden,
dan bleef Hij toch zijn volk weer trouw.

14. HEER, red ons, maak uw woorden waar.
Breng ons, uw volk, weer bij elkaar.
Dan zullen wij uw daden prijzen.
Uw naam is groot, halleluja!
Laat iedereen God eer bewijzen.
Volg, Israël, dit voorbeeld na.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Looft God, den trouwen Opperheer!
Geeft, geeft Hem vrolijk roem en eer,
Wiens goedheid perken kent, noch palen.
Maar wie, hoe hoog verlicht hij zij,
Wie kan zijn mogendheên verhalen,
Zijn lof verbreiden naar waardij?

2. Welzalig elk, die 't recht betracht,
Die, t' allen tijd', Zijn wetten acht.
O HEER', laat mij, naar 't welbehagen,
Dat G' in Uw volk steeds hebt getoond,
Ook roem op Uw bescherming dragen,
En met Uw zegen zijn bekroond.

3. Geef dat mijn oog het goed' aanschouw',
't Welk Gij, uit onbezweken trouw,
Uw uitverkoor'nen toe wilt voegen;
Opdat ik U mijn rotssteen noem',
En delend in Uws volks genoegen,
Mij met Uw erfdeel blij beroem'.

4. Wij hebben God op 't hoogst misdaan;
Wij zijn van 't heilspoor afgegaan.
Ja, wij en onze vaad'ren tevens,
Verzuimend' alle trouw en plicht,
Vergramden God, den God des levens,
Die zoveel wond'ren had verricht.

5. Onz' ouders, in Egypteland,
Beveiligd door Zijn sterke hand,
Vergaten al Zijn gunstbewijzen;
Zij morden aan de Rode Zee,
In plaats van 's HEEREN gunst te prijzen;
Dies dreigde hen een zwaarder wee.

6. Doch om Zijns Naams wil, om Zijn macht
Te tonen aan dit dwaas geslacht,
Schold Hij de zee, dat z' uit moest drogen;
Hij deed hen langs haar gronden gaan,
En toond' aan 's vijands heir 't vermogen,
Dat hun in nood had bijgestaan.

7. De waat'ren keerden in hun kolk;
Waar paard en ruiter, vorst en volk,
Tot een toe, in den vloed versmoorden.
Toen had gans Isrel juichensstof,
Toen, toen geloofden z' aan Gods woorden,
Toen zong al 't volk des Hoogsten lof.

8. Maar zij vergaten 's HEEREN werk;
Zij stelden hunnen God een perk.
Zij wilden in Hem niet berusten,
Maar durfden in de wildernis,
Zijn macht beproeven, door hun lusten,
En 't hunk'ren naar Egypte's dis.

9. Toen heeft Hij hen met vlees gevoed.
Maar zond hun ziel, bij d' overvloed,
Een magerheid, die z' uit deed teren.
Zij dorsten Mozes 't hoog bewind,
En Aron 't priesterambt des HEEREN,
Benijden, door hun waan verblind.

10. Maar 't aardrijk opende zijn mond,
Waarmee 't Abirams volk verslond,
En Dathans snode vloekverwanten.
Een vuurgloed stak de tenten aan
Van 't godd'loos rot, aan alle kanten,
En deed het door de vlam vergaan.

11. Zij maakten zich, den HEER' ten spot,
Een kalf bij Horeb tot een god,
Waarvoor zij zich eerbiedig bogen.
Een os, die gras eet op het veld,
Een beeld, o gruwel in Gods ogen,
Werd toen aan Hem gelijk gesteld.

12. Hun hart vergat den Opperheer,
Hun dierb'ren Heiland, die weleer
Hen redde van d' Egyptenaren;
Die wond'ren deed in 't land van Cham,
Zich vrees'lijk maakt, in 't ruim der baren,
En Faro 't levenslicht benam.

13. Toen dreigde God hen met den dood,
En nimmer waren z' in dien nood
Zijn hooggeduchte wraak ontweken,
Zo Mozes, Zijn verkoren held,
Zich niet bij God, met ernstig smeken,
Voor hen had in de bres gesteld.

14. Zij hebben 't langgewenste land
Versmaad uit strafbaar onverstand,
En niet geloofd aan 's HEEREN woorden.
Zij morden daag'lijks in hun tent,
Dewijl zij naar Zijn stem niet hoorden,
Hoe duid'lijk ook aan hen bekend.

15. Dies zwoer d' Almachtige, dat Hij
Die snoden in de woestenij
Zou nedervellen en verderven;
Ja, dat Hij hen, met al hun zaad,
Zou bij de heid'nen om doen zwerven,
Van elk gevloekt, van elk versmaad.

16. Zij hebben zich voor 't vloekaltaar,
Verleid door Moabs docht'renschaar,
Tot Baal-peor's dienst begeven.
Zij aten 's afgods offerand'
Doch 't kostt' aan duizenden het leven;
Gods wraak ontstak in fellen brand.

17. Toen weerde Pinehas den straf,
Die moedig 't recht voldoening gaf,
En 't eerloos bloed langs d' aard deed stromen.
Die daad, ten zoen voor 't volk volbracht
Deed hem een eeuwig' eer bekomen,
Die stand hield bij zijn .

18. Zij tergden, twistend Gods gena,
Bij 't wonderwater Meriba
Verbitterden den knecht des HEEREN.
Hij sprak in onbedachtzaamheid;
Dies moest hij 't vruchtbaar land ontberen,
Den gansen volke toegezeid.

19. Zij spaarden volken, tot Gods hoon,
Die Hij bevolen had te doon,
En aan der heid'nen stam verbonden,
Vervielen zij tot afgodsdienst,
En wrochten door gelijke zonden
Zichzelf een strik, op 't onvoorzienst.

20. Men zag hen zelfs, door drift verblind,
Hun dierbaar kroost, hoe teer bemind,
Den duivelen ten offer brengen.
Men zag hen, trouw'loos en verwoed,
Op Kanans vloekaltaren plengen
Der kinderen onschuldig bloed.

21. Die onnatuurlijk' offerand',
Die bloedschuld, bracht een smet op 't land;
Zij werden onrein door hun daden,
Door hoererij en vuil gedrag.
Zij durfden Isrels God versmaden,
Maar beelden toonden zij ontzag.

22. Dit alles spoorde God tot wraak;
Zijn volk, Zijn erf, Zijn hoogst vermaak,
Werd nu een gruwel in Zijn ogen;
Hij gaf hen in der heid'nen macht,
Waardoor zij zonder mededogen,
In slaafse keet'nen zijn gebracht.

23. Hun vijand heeft hen wreed verdrukt;
Zij lagen jammerlijk gebukt;
En schoon d' Algoedheid, op hun smeken,
Hun rampen dikwijls heeft geweerd,
Zij zijn weer telkens afgeweken,
En door hun zonden uitgeteerd.

24. Nochtans was God met hen begaan;
Hij zag hun angst, hun tranen aan,
En hunner hateren verwoedheid;
Hij dacht aan Zijn gestaafd verbond,
En had berouw, naar al Zijn goedheid,
Meedogendheid met Isrels wond.

25. Dies hebt G', o God, hun last verlicht,
Zelfs voor huns vijands aangezicht.
Verlos ons ook, als onze vaad'ren;
Wil ons, nog overal verspreid,
Genadig weer bijeen vergaad'ren;
Zo word' Uw Naam en roem verbreid.

26. Geloofd zij Isrels grote God!
Zijn gunst schenk' ons dit heilgenot;
Zo zullen wij Zijn goedheid danken.
Dat al wat leeft, Hem eeuwig eer'!
Al 't volk zegg' "Amen" op mijn klanken;
Juich, aarde, loof den Opperheer!

1. Dankt God, want Hij is vriendelijk,
En Zijn goedheid duurt eeuwiglijk.
Waar is hij, die toch kan uitspreken
Des Heeren wonderwerken al?
En Zijn grootdaden, klaar gebleken,
Genoegzaam kunnen prijzen zal?

2. Wel dien, die houdt Uw gebod goed,
En in alle dingen recht doet.
Gedenk mijns, Heer, naar Uw genade
En naar Uwe vriendelijkheid;
Laat mij toekomen vroeg en spade
Uwen bijstand en goedigheid.

3. Dat wij zien en horen gemein
't Heil Uwer uitverkoor'nen rein;
En ons daarin mogen verblijden,
Dat het Uwen volke welgaat;
Dat ik mag roemen t' allen tijden
Met Uw erfdeel in dezen staat.

4. Wij en onze vaders meteen
Hebben U vergramd groot en kleen;
Gans verkeerd zijn, Heer, onze wegen,
Wij zijn trouw'loos aan U gaar zeer;
Onz' vaders in Egypte plegen
Uw werken te vergeten, Heer.

5. Zij en hebben niet recht bedacht
Uwer goedheid zeer grote kracht;
Maar aan de zee zijn zij al t' zame
Den Heere geweest zeer rebel;
Doch Hij hielp ze (door Zijnen name
En door Zijn macht) en niemand el.

6. Hij heeft gestraft de zee zeer wijd,
Zij werd droog en des waters kwijt;
Hij voerde ze door dat meer krachtig,
Als door een woestijne zeer breed;
En hielp ze door Zijn hand almachtig
Van al haar vijanden zeer wreed.

7. Hij heeft ze los en vrij gesteld
Van harer vijanden geweld.
In 't meer zijn die alle verzopen,
Die Zijn volk haten, 't welk heeft fijn
God vertrouwd, en met grote hopen
Geloofd en geroemd den God zijn.

8. Maar zij hebben vergeten zaan
De werken, die God had gedaan;
Zijnen raad zij niet en verwachten,
Maar werden in de woestijn daar
Belust, en hebben met verachten
God getergd en gelasterd zwaar.

9. Hij gaf hun harer harten lust,
Dat haar begeerte werd geblust;
Maar z' hebben haast den walg gekregen.
Zij hebben Mozes wederstaan,
En ook Aäron allerwegen,
Die de heil'ge kleders had aan.

10. Onder Dathan ging 't aardrijk op,
En viel Abiram op den kop.
't Vuur werd haast onder hen ontsteken,
't Welk de bozen heeft verbrand gaar;
En tot Oreb gans afgeweken,
Maakten en dienden 't kalf daarnaar.

11. Zo waren zij verdwaald gans zeer,
En hebben God, D'welk was haar Heer',
Bij een weidende kalf geleken;
En de werken vergeten snel,
Die God had met kracht onbezweken
In Egypte gedaan zeer wel.

12. Zijn daden vergaten zij haast,
Die toch 't land Cham maakten verbaasd;
En ook al Zijne wonderwerken,
Die bij 't Rode Meer zijn geschied.
Daarom liet God Zijn gramschap merken,
En wilde 't volk brengen tot niet.

13. Maar Mozes, Gods verkoren knecht,
Heeft hem tussen beiden gelegd,
En Gods toornigheid afgewendet,
Zodat Hij Zijn straffen naliet,
Dat Zijn volk niet gans werd geschendet,
Met zoveel plagen en verdriet.

14. Zij verachtten 't beloofde land,
Vol goederen aan elken kant;
Zijne woorden zij niet vertrouwden;
Maar murmureerden voor en naar,
In de hutten, die zij hen bouwden;
En verachtten Gods stemme klaar.

15. Daarom hief de Heer op Zijn hand
Tegen hen, en heeft ze met schand'
Met hopen ter neder geslagen.
Onder de volkeren aldaar,
Zijn zij met haar zaad door veel plagen
Verstrooid in Gods toorne zeer zwaar.

16 Baäl-peor hingen ze aan,
En hebben te eten bestaan
Der doden afgoden off'randen,
Zij maakten God met haar doen gram,
Dies nam ze de Heer uit de landen,
In den toorn die over hen kwam.

17. Toen kwam Pinehas met der daad,
En strafte een zulk schand'lijk kwaad.
Daarmee werden gestild de plagen;
Welke werk van God was geacht
Voor een werk naar Zijn welbehagen,
In der gerechtigheid volbracht.

18. Zij vergramden ook God altijd
Aan 't twistwater met haren strijd;
Mozes zij ook jammerlijk plaagden,
Bedroefden hem zo zeer zijn hart;
Dat hij wat sprak, 't welk God mishaagde,
Door ongeduldigheid en smart.

19. De heidenen, zo God beval,
Brachten zij niet om overal.
Maar spaarden die, 't welk was verboden;
En leerden doen haar boosheid groot;
Zij dienden haar vervloekt' afgoden,
Die hun waren enen aanstoot.

20. Den veldduivelen zeer onrein,
Hebben zij geofferd gemein
Haar zonen en dochteren t' zamen;
Zij vergoten 't onschuldig bloed
Harer kinderen, in de namen
Der afgoden in overvloed.

21. Zij hebben 't land met bloed bedekt
Der onschuldigen en bevlekt
Met haar onreinheid niet om lijden;
Zij hebben schand'lijk geboeleerd,
En dagelijks aan alle zijden
Met de afgoden gehoereerd.

22. God werd over 't volk zeer beroerd,
Dat Hij zo wijd hadde gevoerd,
En kreeg een walging Zijner erven.
Dies gaf Hij Zijn volk in de macht
Der heidenen, die haar verderven
En verdrukking zochten met kracht.

23. Haar haters hebben z' onder voet
Gehad en gebracht tot ootmoed.
God maakte ze vrij onbeladen;
Maar zij dreven moedwilligheid;
Niet ter wereld konde hen schaden,
Dan alleen haar eigen boosheid.

24. Toch aanzag de Heer in den nood
Zijn volk, en uit genade bloot
Hoorde Hij haar bidden en klagen.
Aan Zijn verbond heeft Hij gedacht,
En Zijns toorns heeft Hij leed gedragen,
Naar Zijn goedheid zeer hoog geacht.

25. Bij hen, daar Zijn volk was gevaan,
Vonden zij gunst van stonden aan.
Wil ons, Heer, goediglijk bevrijden,
En verlossen door Uwen Naam
Van de heidenen t' allen tijden;
Zo zullen wij U prijzen t' zaam.

26. Geloofd zij God van Israël
In eeuwigheid en niemand el;
Hij zij altijd heerlijk geprezen!
Dies moet het volk spreken verheugd;
Het moet alzo eeuwiglijk wezen,
God zij alzins geloofd met vreugd!

1. Looft nu den Heer, want Hij is goed,
die met zijn liefde ons ontmoet.
Zijn trouw houdt stand te allen tijde.
Wie prijst zijn daden woord voor woord?
Wie kan zijn heerlijkheid belijden?
Wie looft Hem zodat elk het hoort?

2. Gelukkig zijn die Hij geleidt,
die leven in gerechtigheid.
Gedenk mij naar uw welbehagen.
Dat ik met heel mijn volk U dien,
met hen van voorspoed mag gewagen,
de zegen van uw erfdeel zien.

3. Heer, wij zijn zondig, wij zijn boos,
als onze vaadren goddeloos,
die in Egypte U verachtten,
en voor uw wondren doof en blind,
U bij de Schelfzee niet gedachten,
uw gunsten sloegen in de wind.

4. Maar Hij heeft nochtans hen bevrijd.
Hij toonde hun zijn majesteit,
om zo zijn naam te doen verhogen.
Zijn dreigen dreef de zee uiteen,
en Israël ging op het droge
als door een vlakke steppe heen.

5. Hij hielp hen uit des vijands hand,
Hij brak de haat, de tegenstand,
ontketende 't geweld der golven,
en heeft Egypte 's machtig heer
tot aan de laatste man bedolven.
toen zongen zij zijn lof, zijn eer.

6. Hoe snel vergaten zij den Heer,
hoorden naar zijn bevel niet meer.
Begeerte had hun hart bevangen.
Zij tartten God in de woestijn.
Hij gaf hun toornig hun verlangen,
opdat het hun tot straf zou zijn.

7. Zij wilden naad'ren tot hun Heer,
zij eisten dat A„rons eer,
dat Mozes' ambt hun toe zou vallen.
De aarde spleet, het vuur verslond.
Dathan, Abiram, ja zij allen
verzwolgen zijn zij in de grond.

8. Zij hebben niet op God vertrouwd.
Zij maakten zich een kalf van goud,
een afgodsbeeld dat zij aanbaden.
Zij hebben voor een grazend beest
hun eer geruild, en God verraden
die steeds hun helper was geweest.

9. Hun helper , die vergaten zij,
die in Egypte hun nabij
geweest was in het huis der slaven,
hen door de Schelfzee had geleid.
Zij offerden een dier hun gaven,
alsof een kalf hen had bevrijd.

10. Toen sprak de Heer, in toorn ontbrand;
Ik roei hen uit met eigen hand.
Ontsteld trad Mozes tussen beide.
Hij smeekte; Spaar dit zondig volk
en blijf genadig ons geleiden,
ga, Heer, ons voor in vuur en wolk.

11. Het heerlijk land dat God hun wees,
versmaadden zij, verlamd door vrees.
Zij hokten in hun tenten samen,
zij die in ongeloof hun lot
aldus in eigen handen namen,
niet hoorden naar den Heer, hun God.

12. Toen straft', aan 't eind van zijn geduld,
de Heer hun mateloze schuld.
Hij hief zijn hand om te verderven.
Hij zwoer hun dood in de woestijn,
en dat hun kind'ren zouden zwerven
en balling in den vreemde zijn.

13. Zij hebben roekeloos hun lot
verbonden aan een vreemde god,
waarbij zij dodenoffers aten.
Hij, door hun hoon getergd, besloot
het onheil op hen los te laten.
Hij sloeg hen met verderf en dood.

14. Te rechter tijd hield Pinehas,
die Gods getrouwe priester was,
een strafgericht in naam des Heren.
Hij heeft Gods toorn tot rust gebracht.
Hem zal men als rechtvaardig eren,
hem en zijn hele nageslacht.

15. Zij liepen Mozes achterna
met bitt're klacht bij Meriba.
Om water was het hun begonnen.
En hij, in driftig ongeduld,
sprak woorden, dwaas en onbezonnen.
Zo werd hij schuldig door hun schuld.

16. Zij hebben Gods bevel veracht,
de heidenen niet omgebracht,
zij stonden voor hun invloed open.
Door eigen schuld is Israël
toen blind'lings in de val gelopen
van het verdwaasd afgodisch spel.

17. Zij hadden voor 't gewaande heil
hun zonen en hun dochters veil,
die moesten voor hun goden sterven;
zij deinsden niet terug om snood
het land met bloedschuld te verderven
en te ontwijden door hun dood.

18. Hoe dikwijls heeft, met schuld bedekt,
dit volk des Heren toorn verwekt.
Hoe dikwijls moest Hij hen kastijden.
Hij gaf hen in des vijands macht,
maar telkens kwam Hij hen bevrijden,
daar Hij aan zijn verbond gedacht.

19. Zij tartten steeds weer Gods geduld.
Zij zonken weg in eigen schuld.
Hun haters sloegen diepe wonden.
Zij werden eeuwenlang gekweld
en in de ballingschap gezonden,
ten prooi aan wreedheid en geweld.

20. Zij klaagden eind'lijk God hun nood,
die in zijn liefde wondergroot
hen aanzag, met hun lot bewogen.
Hij maakte, trouw aan zijn verbond,
dat Israël zelfs in 's vijands ogen
in 't vreemde land genade vond.

21. Verlos ons, Here, onze God,
verhef uw aanschijn, wend ons lot,
verzamel ons uit alle streken,
opdat wij eenmaal allen saam
van de vervulling mogen spreken,
lof brengen aan uw heil'ge naam.

22. Geprezen zij de Heer die leeft,
die Israël verkoren heeft.
Hij brengt straks heel zijn volk tezamen.
Gezegend zij zijn trouw beleid.
Zegge al het volk nu: Amen, amen.
Loof hem in alle eeuwigheid.

1. Looft nu den HEER, want Hij is goed,
die met zijn liefde ons ontmoet.
Zijn trouw houdt stand te allen tijde.
Wie prijst zijn daden woord voor woord?
Wie kan zijn heerlijkheid belijden?
Wie looft Hem zodat elk het hoort?

2. Gelukkig zijn die Hij geleidt,
die leven in gerechtigheid.
Gedenk mij naar uw welbehagen.
Dat ik met heel mijn volk U dien,
met hen van voorspoed mag gewagen,
de zegen van uw erfdeel zien.

3. HEER, wij zijn zondig, wij zijn boos,
als onze vaadren goddeloos,
die in Egypte U verachtten,
en voor uw wondren doof en blind,
U bij de Schelfzee niet gedachten,
uw gunsten sloegen in de wind.

4. Maar Hij heeft nochtans hen bevrijd.
Hij toonde hun zijn majesteit,
om zo zijn naam te doen verhogen.
Zijn dreigen dreef de zee uiteen,
en Israël ging op het droge
als door een vlakke steppe heen.

5. Hij hielp hen uit des vijands hand,
Hij brak de haat, de tegenstand,
ontketende 't geweld der golven,
en heeft Egypte's machtig heer
tot aan de laatste man bedolven.
Toen zongen zij zijn lof, zijn eer.

6. Hoe snel vergaten zij den HEER,
hoorden naar zijn bevel niet meer.
Begeerte had hun hart bevangen.
Zij tartten God in de woestijn.
Hij gaf hun toornig hun verlangen,
opdat het hun tot straf zou zijn.

7. Zij wilden naadren tot hun HEER,
zij eisten dat Aärons eer,
dat Mozes' ambt hun toe zou vallen.
De aarde spleet, het vuur verslond.
Dathan, Abiram, ja zij allen
verzwolgen zijn zij in de grond.

8. Zij hebben niet op God vertrouwd.
Zij maakten zich een kalf van goud,
een afgodsbeeld dat zij aanbaden.
Zij hebben voor een grazend beest
hun eer geruild, en God verraden
die steeds hun helper was geweest.

9. Hun helper, die vergaten zij,
die in Egypte hun nabij
geweest was in het huis der slaven,
hen door de Schelfzee had geleid.
Zij offerden een dier hun gaven,
alsof een kalf hen had bevrijd.

10. Toen sprak de HEER, in toorn ontbrand:
Ik roei hen uit met eigen hand.
Ontsteld trad Mozes tussen beide.
Hij smeekte: Spaar dit zondig volk
en blijf genadig ons geleiden,
ga, HEER, ons voor in vuur en wolk.

11. Het heerlijk land dat God hun wees,
versmaadden zij, verlamd door vrees.
Zij hokten in hun tenten samen,
zij die in ongeloof hun lot
aldus in eigen handen namen,
niet hoorden naar den HEER, hun God.

12. Toen straft', aan 't eind van zijn geduld,
de HEER hun mateloze schuld.
Hij hief zijn hand om te verderven.
Hij zwoer hun dood in de woestijn,
en dat hun kindren zouden zwerven
en balling in den vreemde zijn.

13. Zij hebben roekeloos hun lot
verbonden aan een vreemde god,
waarbij zij dodenoffers aten.
Hij, door hun hoon getergd, besloot
het onheil op hen los te laten.
Hij sloeg hen met verderf en dood.

14. Te rechter tijd hield Pinehas,
die Gods getrouwe priester was,
een strafgericht in naam des HEREN.
Hij heeft Gods toorn tot rust gebracht.
Hem zal men als rechtvaardig eren,
hem en zijn hele nageslacht.

15. Zij liepen Mozes achterna
met bittre klacht bij Meriba.
Om water was het hun begonnen.
En hij, in driftig ongeduld,
sprak woorden, dwaas en onbezonnen.
Zo werd hij schuldig door hun schuld.

16. Zij hebben Gods bevel veracht,
de heidenen niet omgebracht,
zij stonden voor hun invloed open.
Door eigen schuld is Israël
toen blindelings in de val gelopen
van het verdwaasd afgodisch spel.

17. Zij hadden voor 't gewaande heil
hun zonen en hun dochters veil,
die moesten voor hun goden sterven:
zij deinsden niet terug om snood
het land met bloedschuld te verderven
en te ontwijden door hun dood.

18. Hoe dikwijls heeft, met schuld bedekt,
dit volk des HEREN toorn verwekt.
Hoe dikwijls moest Hij hen kastijden.
Hij gaf hen is des vijands macht,
maar telkens kwam Hij hen bevrijden,
daar Hij aan zijn verbond gedacht.

19. Zij tartten steeds weer Gods geduld.
Zij zonken weg in eigen schuld.
un haters sloegen diepe wonden.
Zij werden eeuwen lang gekweld
en in de ballingschap gezonden,
ten prooi aan wreedheid en geweld.

20. Zij klaagden eindlijk God hun nood,
die in zijn liefde wondergroot
hen aanzag, met hun lot bewogen.
Hij maakte, trouw aan zijn verbond,
dat Isrel zelfs in 's vijands ogen
in 't vreemde land genade vond.

21. Verlos ons, HERE, onze God,
verhef uw aanschijn, wend ons lot,
verzamel ons uit alle streken,
opdat wij eenmaal allen saam
van de vervulling mogen spreken,
lof brengen aan uw heilge naam.

22. Geprezen zij de HEER die leeft,
die Israël verkoren heeft.
Hij brengt straks heel zijn volk tezamen.
Gezegend zij zijn trouw beleid.
Zegg' al het volk nu: Amen, amen.
Loof Hem in alle eeuwigheid.