Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Met enige regelmaat laat ik in 'mijn' gemeenten een psalm zingen uit De Nieuwe Psalmberijming. Misschien wel juist omdat ik gevoelig(er) ben geworden voor het argument dat we door psalmen te zingen het Woord van God zélf zingen. Lees meer »

Ds. L. van Rikxoort | Protestantse wijkgemeente Heemse-West en Gereformeerde Kerk Mariënberg

Ds. L. van Rikxoort
Protestantse wijkgemeente Heemse-West en Gereformeerde Kerk Mariënberg

Lees alle quotes

Psalm 115

De nieuwe psalmberijming

1. Laat onze naam geen roem ontvangen, HEER;
geef enkel die van U de hoogste eer,
vanwege uw genade.
De volken sneren: ‘Waar is jullie God?’
Hij vult de hemel. Hij bepaalt ons lot
met zijn verheven daden.

2. De goden van de volken om ons heen
zijn enkel beelden: zilver, goud en steen,
gemaakt door zwakke mensen.
Ze ogen prachtig, helemaal compleet,
maar niemand van die goden die iets weet
of zelfs maar iets kan wensen.

3. Wie namaakgoden maakt, gaat eraan stuk.
Wie hen beschouwt als bron van zijn geluk,
gaat net als zij te gronde.
Gods volk, stel je vertrouwen op de HEER.
Hij is je schild, Hij helpt je telkens weer.
Blijf trouw aan Hem verbonden.

4. De Heer vergeet ons niet, Hij doet ons goed.
Wie bij Hem horen, gunt Hij overvloed,
allen die voor Hem leven.
Laat Hij die land en lucht heeft voortgebracht
aan u en aan uw vruchtbaar nageslacht
zijn rijke zegen geven.

5. De troonzaal van de HEER is hoog gebouwd:
Hij vult de hemel. Ons is toevertrouwd
de aarde te beheren.
Wie in het graf ligt, spreekt zijn lof niet uit,
maar wij die leven, doen dat overluid.
Laat iedereen Hem eren!

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Laat onze naam geen roem ontvangen, HEER;
geef enkel die van U de hoogste eer,
vanwege uw genade.
De volken sneren: ‘Waar is jullie God?’
Hij vult de hemel. Hij bepaalt ons lot
met zijn verheven daden.

2. De goden van de volken om ons heen
zijn enkel beelden: zilver, goud en steen,
gemaakt door zwakke mensen.
Ze ogen prachtig, helemaal compleet,
maar niemand van die goden die iets weet
of zelfs maar iets kan wensen.

3. Wie namaakgoden maakt, gaat eraan stuk.
Wie hen beschouwt als bron van zijn geluk,
gaat net als zij te gronde.
Gods volk, stel je vertrouwen op de HEER.
Hij is je schild, Hij helpt je telkens weer.
Blijf trouw aan Hem verbonden.

4. De Heer vergeet ons niet, Hij doet ons goed.
Wie bij Hem horen, gunt Hij overvloed,
allen die voor Hem leven.
Laat Hij die land en lucht heeft voortgebracht
aan u en aan uw vruchtbaar nageslacht
zijn rijke zegen geven.

5. De troonzaal van de HEER is hoog gebouwd:
Hij vult de hemel. Ons is toevertrouwd
de aarde te beheren.
Wie in het graf ligt, spreekt zijn lof niet uit,
maar wij die leven, doen dat overluid.
Laat iedereen Hem eren!

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm kan ook gezongen worden op de melodie van:
- Psalm 114

1. Niet ons, o HEER', niet ons, Uw Naam alleen
Zij, om Uw trouw en goedertierenheen,
All' eer en roem gegeven.
Waarom, o HEER', zou 't heidendom met spot,
Dan zeggen: "Waar, waar is toch nu hun God,
Bij hen zo hoog verheven?"

2. Nochtans is God het doel van onzen lof,
Hij, onze God, Hij woont in 't hemelhof
En doet al Zijn behagen.
Hun afgoon zijn van zilver en van goud;
Slechts mensenwerk, waaraan zo snood als stout
Gods eer wordt opgedragen.

3. Zij hebben wel een mond, doch die niet spreekt,
Wel ogen, doch waaraan 't gezicht ontbreekt,
't Licht kan hun niets ontdekken.
Geen klank, hoe schel, dringt immer hun in 't oor.
Men zett' hun vrij den besten wierook voor,
't Kan hun geen reuk verwekken.

4. Hun hand, hoe fraai bewerkt, tast nooit iets aan,
Hun voet, hoe welgevormd, kan nimmer gaan,
Hun keel geen klanken geven.
Hun maker deel' in hun veracht'lijk lot;
Die op hen steunt, miss' nevens hen 't genot
Van 't duurgeschatte leven.

5. Maar, Israel, vertrouw gij op den HEER'!
Hij is hun hulp, hun sterkt' en al hun eer,
Hun schild, dat nooit zal wijken.
Vertrouw op God, gij Arons nageslacht!
Hij is hun schild, hun hulp, die hun Zijn macht
Zo menigwerf deed blijken.

6. Vertrouwt op God, gij allen, die Hem vreest;
Hij is altoos hun schild, hun hulp geweest;
De HEER' was ons gedachtig.
Zijn zegen blijft op Israel verspreid;
Aarons huis is die ook toebereid;
God is getrouw en machtig.

7. Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot,
Wordt van dat heil, die weldaan, deelgenoot.
Hij zal ze groter maken,
En z' u, zowel als 't kroost, dat gij bemint,
Dat, nevens u, zich aan Gods wet verbindt,
In dubb'le maat doen smaken.

8. D' algoede God, die, door Zijn grote kracht,
Den hemel schiep, deez' aard' heeft voortgebracht,
Beschenkt u met Zijn zegen.
De hemel is Zijn eigendom, Zijn troon;
Maar 't mensdom heeft de vruchtbaar' aard', ter woon
Van onzen God verkregen.

9. In 't stille graf zingt niemand 's HEEREN lof.
Het zielloos lijf, gedompeld in het stof,
Kan Hem geen glorie geven;
Maar onze tong zingt tot in eeuwigheid
Des HEEREN lof, Zijn roem en majesteit.
Looft God, de bron van 't leven!

1. Niet ons, niet ons, maar U behoort, o Heer,
Om Uwes woords wille alleen de eer;
't Welk is en blijft waaarachtig.
Waarom zouden de heidenen met spot
Lachende zeggen: Waar is nu haar God,
Dien zij aanroepen klachtig?

2. Onze God woont in den hemel voorwaar,
Hij maakt en doet alles in 't openbaar,
Wat Hij wil in de landen.
Maar aller heidenen afgoden zijn
Niets dan goud en zilver gelouterd fijn,
Werken der mensenhanden.

3. Zij hebben monden en spreken gaar niet,
En ogen derwelken gene iets ziet;
Het zijn al dode dingen.
Zij hebben oren, maar gans geen gehoor;
Neuzen, nochtans wat men hen stellet voor,
Genen reuk zij inbringen.

4. Zij hebben handen en grijpen niets aan,
Haar voeten kunnen ganselijk niet gaan;
Haar kele kan niet spreken.
Die ze maken, zijn hen gelijk voortaan,
En die ze bezoeken, en daarop staan,
Zijn daarbij vergeleken.

5. Maar gij, Israël, hoopt op den Heer rein
Hij is uwe hulp en uw kracht allein,
En uwen schild bevonden.
Gij huis Aärons op God vast betrouwt;
Hij is uw sterkheid, als gij zijt benauwd,
Die u helpt t' allen stonden.

6. Gij die God vreest, laat uw hoop zijn gesteld
Op God, Die uw kracht is en uw geweld;
Voor Wien de bozen beven.
De Heer gedenkt onzer; Hij wil ook goed
Israëls en Aärons huis met spoed,
Zijn zegeningen geven.

7. Allen dien, die God vrezen in 't gemein,
Hetzij dat ze groot zijn of ook zeer klein,
Doet God veel goeds genadig.
De Heer zal u meer zegenen altijd,
En uwe kinderen maken verblijd,
Door Zijn goedheid weldadig.

8. Gij zijt dat volk, dien God uit liefde geeft
Veel goeds; die den hemel en d' aarde heeft
Gemaakt zere bekwame.
De hemelen zijn des Heeren allein;
Der mensenkinderen dat aardse plein
Gaf Hij in al te zame.

9. De doden en zullen, Heer, Uwen lof
Niet verkonden, noch zij die nu in 't stof
En in 't graf zijn gelegen;
Maar wij die leven, zullen overal
U altijd loven met blijde geschal
En prijzen allerwegen.

1. Niet ons, o Heer, niet ons zij eer gewijd,
doch uw voortdurende aanwezigheid,
uw trouw en uw genade.
Waar is uw God? tart ons het heidendom.
Hij onze God, gaat in zijn heiligdom
slechts met zichzelf te rade.

2. De volken denken zelf hun goden uit;
hun gouden monden geven geen geluid,
geen licht is in hun ogen;
hun handen tasten niet; geen wierooklucht
dringt tot hen door, hun oor hoort geen gerucht,
hun voet wordt niet bewogen.

3. Wie in die goden zijn behagen vindt
en wie ze maakt, wordt even doof en blind
als deze dode dingen.
Maar wij, wij hebben onze God die leeft,
die spreekt en hoort en die het leven geeft
aan alle stervelingen.

4. O Israel, vertrouw op God den Heer.
Hij is te allen tijd hun tegenweer,
hun schild, hun vast betrouwen.
Huis van A„ron, hoop op Hem die leeft,
die allerwegen zijn bescherming geeft,
uw schild, uw vast betrouwen.

5. Vertrouw op God, gij die den Here vreest,
die altijd voor de zijnen is geweest
hun schild, hun vast betrouwen.
De Heer heeft zegenrijk aan ons gedacht,
A„rons huis en Israëls geslacht
doet Hij zijn gunst aanschouwen.

6. U en uw kind'ren zeegne Hij die leeft,
die door zijn machtig woord geschapen heeft
hemel en aarde beide.
De hemel is des Heren kroondomein;
wij mensen mogen op de aarde zijn
en ons in Hem verblijden.

7. De doden geven van Gods roem geen blijk.
Zij kunnen Hem niet prijzen, die in 't rijk
der stilte nederzinken.
Maar onder ons die leven in het licht
zal blijde lofzang voor zijn aangezicht
nu en altoos weerklinken.

1. Niet ons, o Heer, maar uw naam geef de eer,
om al uw goedertierenheid, o Heer
om al uw trouw en zegen.
Waarom toch zouden heidenen met spot
minachtend vragen: Waar is nu hun God?
Hij is hun toch genegen?

2. Hij, onze God, bewoont het hemels licht.
Daar heeft Hijzelf zijn hoge troon gesticht.
Hij doet naar zijn behagen.
Hun goden zijn van zilver en van goud,
slechts mensenwerk, zodat wie op hen bouwt,
vergeefs om hulp zal vragen.

3. Hun afgod heeft een mond, die nimmer spreekt.
Hij heeft wel ogen, maar het zien ontbrekt,
een neus, maar kan niet ruiken.
Hij heeft wel oren, maar kan niets verstaan,
wel voeten, maar hij kan er niet mee gaan,
geen hand kan hij gebruiken.

4. Geen zwak geluid zelfs komt er uit zijn keel.
Zij die hem maken, krijgen als hun deel
aan hem gelijk te wezen.
Daarom zal ieder die op hem vertrouwt
en heel zijn toekomst op een afgod bouwt,
zijn einde moeten vrezen.

5. Maar Israël, vertrouw gij op de Heer.
Hij is hun hulp, hun schild en al hun eer.
Hij zal zijn volk gedenken.
Aärons huis, vertrouw op God, de Heer,
Hij is hun hulp, hun schild en al hun eer.
Hij zal zijn wegen schenken.

6. Vertrouw op God, gij die de Here vreest,
want Hij is steeds hun hulp en schild geweest,
heel Israël ten zegen.
Aärons huis zal rijk gezegend zijn.
Waar men Hem vreest, ontvangen groot en klein
die zegen op hun wegen.

7. De Here zal u en uw nageslacht
vermeerderen in aantal en in macht.
Gezegend zij uw leven.
De Here, die de hemel en de aard'
geschapen heeft en die sindsdien bewaart,
zal u zijn zegen geven.

8. De hemel is de hemel van de Heer.
De aarde heeft Hij tot zijn lof en eer
de mensen eens gegeven.
In 't stille graf brengt niemand Hem nog eer.
Maar wij, wij zullen prijzen onze Heer
van nu aan heel ons leven.