Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De Geneefse Psalmen liggen me na aan het hart, maar de huidige vertaling uit het Gereformeerd Kerkboek is sterk verouderd. Soms is dat niet erg, want herkenbaarheid is voor ouderen erg belangrijk. Maar vanaf de kansel zie ik jongeren en masse hun mond houden; ze weten niet meer wat ze zingen. Lees meer »

Matthijs van der Welle| Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Matthijs van der Welle
Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Lees alle quotes

Psalm 119

De nieuwe psalmberijming

1. Als je de weg van Gods geboden gaat,
je voeten in het rechte spoor blijft zetten
naar Hem blijft zoeken en het kwade laat,
vind je geluk dankzij zijn goede wetten.
Een zegen is wat in uw regels staat.
U vraagt van ons dat wij er steeds op letten.

2. Ach, was mijn leven maar zo wetsgetrouw
dat ik nooit met uw wet de hand zou lichten.
Als ik die houd, raak ik nooit in het nauw.
Zingend zal ik mij op uw regels richten.
Verlaat mij niet voorgoed, want vol berouw
doe ik waartoe uw woorden mij verplichten.

3. Bijzonder heilzaam is wat U ons zegt;
het houdt je zuiver in je jonge jaren.
Laat mij niet dwalen, U zoek ik oprecht.
Ik blijf uw woord diep in mijn hart bewaren,
want ik wil niet opstandig zijn en slecht.
HEER die ik eer, wil mij uw wet verklaren.

4. Breedvoerig spreek ik over heel uw wet. 
Al mag bezit een bron van blijdschap heten,
toch wint de vreugde om uw woorden het.
Van uw bevelen wil ik alles weten. 
Ik juich als ik op uw geboden let.
Wat U gezegd hebt zal ik nooit vergeten.

5. Dit vraag ik van U, HEER: wees goed voor mij,
zodat ik levenslang uw pad kan kiezen.
Breng mij de schoonheid van uw wetten bij;
laat mij ze nooit meer uit het oog verliezen. 
Ik ben niet thuis meer in de maatschappij.
Wat snak ik naar uw bindende adviezen!

6. De trotse dwaas die uw gebod veracht
wacht slechts uw straf – ik echter blijf U eren.
Geef dat geen vijand spottend om mij lacht,
want ik wil doen wat uw bevelen leren.
Bedreigd door hoge heren met hun macht,
blijf ik uw goede raad verheugd waarderen.

7. Ernstig verzwakt vraag ik U levenskracht;
blijf mij in uw geboden onderwijzen.
Toen ik U aanriep, hebt U hulp gebracht.
Laat mij het wonder zien achter uw eisen. 
U ziet mijn tranen en U hoort mijn klacht.
HEER, houd uw woord en laat mij weer herrijzen.

8. Eerlijk en echt zijn, leven in uw spoor,
dat is mijn wens; geef mij daarvoor genade.
Ik houd mijzelf uw levensregels voor.
Maak dat ik nooit met smaad wordt overladen.
U zet mij in de ruimte en daardoor 
mag ik nu rennen langs uw rechte paden.

9. Fluister mij in, HEER, wat uw wet verlangt
dan zal ik op uw wegen blijven lopen.
Geef dat mijn hart aan uw geboden hangt.
Wijs mij het spoor, dan bloeit mijn leven open.
Geef dat de zucht naar geld mij nooit bevangt,
maar dat ik op uw rijke woord blijf hopen.

10. Fraai lijkt wat leeg blijkt – houd mij daar vandaan.
Laat mij uw wegen gaan en daardoor leven.
Houd uw belofte, zie uw dienaar aan.
Goed is elk voorschrift dat U hebt gegeven.
Al ben ik bang dat ik voor schut zal staan,
ik word door liefde voor uw wet gedreven.

De verzen 11 t/m 44 volgen nog

Tekst: Adriaan Molenaar

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Als je de weg van Gods geboden gaat,
je voeten in het rechte spoor blijft zetten
naar Hem blijft zoeken en het kwade laat,
vind je geluk dankzij zijn goede wetten.
Een zegen is wat in uw regels staat.
U vraagt van ons dat wij er steeds op letten.

2. Ach, was mijn leven maar zo wetsgetrouw
dat ik nooit met uw wet de hand zou lichten.
Als ik die houd, raak ik nooit in het nauw.
Zingend zal ik mij op uw regels richten.
Verlaat mij niet voorgoed, want vol berouw
doe ik waartoe uw woorden mij verplichten.

3. Bijzonder heilzaam is wat U ons zegt;
het houdt je zuiver in je jonge jaren.
Laat mij niet dwalen, U zoek ik oprecht.
Ik blijf uw woord diep in mijn hart bewaren,
want ik wil niet opstandig zijn en slecht.
HEER die ik eer, wil mij uw wet verklaren.

4. Breedvoerig spreek ik over heel uw wet. 
Al mag bezit een bron van blijdschap heten,
toch wint de vreugde om uw woorden het.
Van uw bevelen wil ik alles weten. 
Ik juich als ik op uw geboden let.
Wat U gezegd hebt zal ik nooit vergeten.

5. Dit vraag ik van U, HEER: wees goed voor mij,
zodat ik levenslang uw pad kan kiezen.
Breng mij de schoonheid van uw wetten bij;
laat mij ze nooit meer uit het oog verliezen. 
Ik ben niet thuis meer in de maatschappij.
Wat snak ik naar uw bindende adviezen!

6. De trotse dwaas die uw gebod veracht
wacht slechts uw straf – ik echter blijf U eren.
Geef dat geen vijand spottend om mij lacht,
want ik wil doen wat uw bevelen leren.
Bedreigd door hoge heren met hun macht,
blijf ik uw goede raad verheugd waarderen.

7. Ernstig verzwakt vraag ik U levenskracht;
blijf mij in uw geboden onderwijzen.
Toen ik U aanriep, hebt U hulp gebracht.
Laat mij het wonder zien achter uw eisen. 
U ziet mijn tranen en U hoort mijn klacht.
HEER, houd uw woord en laat mij weer herrijzen.

8. Eerlijk en echt zijn, leven in uw spoor,
dat is mijn wens; geef mij daarvoor genade.
Ik houd mijzelf uw levensregels voor.
Maak dat ik nooit met smaad wordt overladen.
U zet mij in de ruimte en daardoor 
mag ik nu rennen langs uw rechte paden.

9. Fluister mij in, HEER, wat uw wet verlangt
dan zal ik op uw wegen blijven lopen.
Geef dat mijn hart aan uw geboden hangt.
Wijs mij het spoor, dan bloeit mijn leven open.
Geef dat de zucht naar geld mij nooit bevangt,
maar dat ik op uw rijke woord blijf hopen.

10. Fraai lijkt wat leeg blijkt – houd mij daar vandaan.
Laat mij uw wegen gaan en daardoor leven.
Houd uw belofte, zie uw dienaar aan.
Goed is elk voorschrift dat U hebt gegeven.
Al ben ik bang dat ik voor schut zal staan,
ik word door liefde voor uw wet gedreven.

De verzen 11 t/m 44 volgen nog

Tekst: Adriaan Molenaar

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm kan ook gezongen worden op de melodie van:
- LvdK 487 'De Heer heeft mij gezien en onverwacht'
- NLB 220 'Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon'
- NLB 221 'Zo vriendelijk en veilig als het licht'

1. Welzalig zijn d' oprechten van gemoed,
Die, ongeveinsd, des HEEREN wet betrachten;
Die Hij op 't spoor der godsvrucht wand'len doet;
Welzalig, die, bij dagen en bij nachten,
Gods wil bepeinst, en Hem als 't hoogste goed,
Van harte zoekt met ingespannen krachten.

2. Die, wars van 't kwaad, niet in de zonde leeft;
Maar zijnen gang bestiert naar 's HEEREN wetten.
Gij, grote God, die ons bevelen geeft,
Gij eist, dat w' op Uw woord gestadig letten,
En dat w' ons hart, aan Uwen wil verkleefd,
Geduriglijk op Uwe wegen zetten.

3. Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest!
Mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken!
'k Hield dan Uw wet, dan leefd' ik onbevreesd;
Dan zou geen schaamt' mijn aangezicht bedekken,
Wanneer ik steeds opmerkend waar' geweest,
Hoe Uw geboon mij tot Uw liefde wekken.

4. Ik zal, oprecht van hart, Uw Naam, o HEER',
Gestaag den roem van Uwe grootheid geven,
Als ik 't gezag en 't heilig oogmerk leer
Van 't vlekk'loos recht, door Uwe hand beschreven.
'k Zal Uw geboon bewaren tot Uw eer;
Verlaat mij toch niet gans'lijk in dit leven.

5. Waarmede zal de jongeling zijn pad,
Door ijdelheen omsingeld, rein bewaren?
Gewis, als hij het houdt naar 't heilig blad.
U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren;
Laat mij van 't spoor, in Uw geboon vervat,
Niet dwalen, HEER' ; laat mij niet hulp'loos varen.

6. 'k Heb in mijn hart Uw rede weggelegd,
Opdat ik mij mocht wachten voor de zonden.
Gij zijt, o HEER' , gezegend; leer Uw knecht
Door 't Godd'lijk woord, een helder licht bevonden,
En door Uw Geest, al d' eisen van Uw recht;
Zo wordt Uw eer nooit stout door mij geschonden.

7. 'k Heb and'ren al de rechten van Uw mond
Met lust verteld, hen vlijtig onderwezen.
Uit al den schat van 't grote wereldrond
Is nooit de vreugd in mijn gemoed gerezen,
Die 'k steeds in Uw getuigenissen vond,
Door mij betracht, en and'ren aangeprezen.

8. Ik zal, o God, bepeinzen Uwe wet,
In 't onderzoek van Uw bevelen waken;
Terwijl mijn ziel op Uwe paden let.
In Uw geboon zal zich mijn geest vermaken,
En, daar ik hulp verwacht op mijn gebed,
Uw heilig woord vergeten, noch verzaken.

9. Doe bij Uw knecht weldadigheid, o HEER',
Opdat ik leev', Uw woorden moog' bewaren,
En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer',
Mijn oog verlicht', de nevels op doe klaren;
Dat mijne ziel de wond'ren zie en eer',
Die in Uw wet alom zich openbaren.

10. Ik ben, o HEER', een vreemd'ling hier beneen;
Laat Uw geboon op reis mij niet ontbreken;
Daar mijne ziel, omringd door duisterheen,
Zo dikwijls van verlangen is bezweken,
Om U te zien ter hoge vierschaar treen,
Tot straf van hen, die snood zijn afgeweken.

11. Gij scheldt en straft vervloekte hovaardij,
Gewend op wijd van Uw geboon te dwalen.
Dat toch Uw gunst mijn ziel van smaad bevrij',
Die op mijn hoofd veracht'lijk neer zou dalen;
Daar 'k U mijn dienst, naar Uw getuig'nis, wij',
Om nooit Uw straf mij op den hals te halen.

12. Wanneer ik zelfs door vorsten werd beticht,
In 't hoog gestoelt' op Uwen knecht gebeten,
Heb ik mijn weg naar Uw geboon gericht,
En die betracht met een oprecht geweten;
Ook waren zij mijn raadslien en mijn licht;
'k Heb, met vermaak, mijn tijd daarin gesleten.

13. Hoe kleeft mijn ziel aan 't stof! Ai, zie mijn nood;
Herstel mij, doe mij naar Uw woord herleven.
'k Lei voor Uw oog mijn weg en handel bloot;
En welk een angst mij immermeer deed beven,
Gij hebt verhoord; maak voorts Uw weldaan groot,
En laat Uw wet mij onderrichting geven.

14. Och, dat ik klaar en onderscheiden zag,
Hoe 'k mij naar Uw bevelen moet gedragen,
Uw wond'ren recht betrachten dag aan dag!
Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klagen;
Ai, richt mij op, verander mijn geklag;
Wil, naar Uw woord, mij gunstig onderschragen.

15. Weer snood bedrog, o God, van mijn gemoed;
Laat Uw gena mij Uwe wetten leren.
Ik kies den weg der waarheid voor mijn voet,
Om mij van 't pad der zonden af te keren;
Uw rechten, die zo heilig zijn en goed,
Steld' ik mij voor; die wil ik need'rig eren.

16. Mijn hart kleeft vast aan waarheid en aan deugd;
Het zal op uw getuigenissen hopen;
Beschaam mij niet; wil mij, in U verheugd,
Tot Uwe vrees, o HEER, gestadig nopen.
Als Gij mijn hart verwijdt door ware vreugd,
Zal ik het pad van Uw geboden lopen.

17. Leer mij, o HEER', den weg, door U bepaald;
Dan zal ik dien ten einde toe bewaren;
Geef mij verstand, met Godd'lijk licht bestraald;
Dan zal mijn oog op Uwe wetten staren;
Dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt;
Dan zal zich 't hart met mijne daden paren.

18. Doe mij op 't pad van Uw geboden treen;
Schraag op dat spoor mijn wankelende gangen;
Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.
Ai, neig mijn hart en vurig zielsverlangen,
O HEER', naar Uw getuigenis alleen;
Laat gierigheid mij in haar strik niet vangen.

19. Wend, wend mijn oog van d' ijdelheden af;
Verlevendig mijn hart door Uwe wegen;
Dat mij 't betreen dier paden vreugd verschaff',
Bevestig toch aan Uwen knecht den zegen,
Waartoe Uw woord hem blijde hope gaf;
Hij is oprecht tot Uwe vrees genegen.

20. Weer van mij af de smaadheid, die ik vrees;
Uw rechten, HEER', zijn goed en vrij van vlekken,
Waarom ik die gestaag als heilig prees.
Zie al mijn lust tot Uw bevel zich strekken;
Och, dat er kracht en leven in mij reez'!
Wil die door Uw gerechtigheid verwekken.

1. Gelukzalig is de mense die leeft
In een gemoed dat oprecht is bevonden,
Die hem geheel tot Gods wetten begeeft.
Wel hem, die naarstig is tot allen stonden,
Om te houden Gods geboden zeer zoet,
En Zijn kennisse met vlijt te doorgronden.

2. Dezulken zijn niet boos, maar wijs en vroed,
Die altijd gaan in Gods wetten en wegen,
En zoeken te doen wat recht is en goed.
Gij wilt, Heer, dat een ieder zij genegen,
Te houden Uwe geboden zeer klaar.
Met vurigheid, zo Uw kinderen plegen.

3. Och waar 't, dat Gij mijn leven gans en gaar
Schiktet naar Uwe wet door Uw genade,
Dat ik niet af en viele hier noch daar.
Zo lang werd' ik bevrijd voor schand' en schade,
Als ik Uw woord met vlijt zal merken aan,
En mij zal zoeken daarmee te beraden.

4. Dan zult Gij van mij prijs en eer ontvaan
Uit een rein hart, als ik werd onderwezen
Van Uw rechten, die met dat recht bestaan.
Ik wil houden Uwe wet uitgelezen;
Dies bid ik, zijnde met krankheid bevaan,
Verlaat mij niet langer, o God geprezen!

5. Hoe zal een jongman onstraffelijk gaan
In zijn wegen? Als hij hem recht zal dragen
Naar Uw gebod en goddelijk vermaan.
Ik zoek U Heer, met een naarstig navragen;
Dies van Uwe wet en laat mij toch niet
Afwijken, nu toch ook tot genen dagen.

6. In mijn hart en gemoed, alzo men ziet,
Draag ik Uw woord, dat ik niet overtrede,
Maar trouw'lijk wandel in Uw woord met vliet.
O Heer, Uwen naam moet wezen beleden
Van mij, en hoog geprezen bovenal,
Leer mij verstaan Uwe rechten en zeden.

7. Met mijne lippen ik vertellen zal
Uwe rechten, die ik steeds wil vermonden,
Zonder iets te vergeten groot of smal,
In Uw getuig'nissen heb ik bevonden
Meer troost en vreugd', dan een mens onverzaad
Vindt in 's werelds rijkdom t' eniger stonden.

8. Ik spreke van Uw gebod vroeg en spaad',
En zoeke te verwerven nu ten tijden
't Verstand Uws wegs, daarnaar dat mij 't hart staat;
In Uw geboden zal ik mij verblijden,
En merken op Uw woord en Uwen raad,
Die ik bewaren zal ende belijden.

9. Stort Uwe gaven op mij, Uwen knecht,
Opdat ik, Heer, eeuwig daardoor mag leven,
En onderhouden Uw gebod oprecht.
Reinig mijn duister ogen, wil mij geven
Een rein gezicht, opdat ik merken kan
De wonderen Uwer wet hoog verheven.

10. Ik ben een gast, en gelijk een vreemd man;
Daarom wil mij, Heer, de kennisse schinken
Uwes woords, dat ik niet wijke daarvan.
Mijn ziel is krachteloos van steeds te dinken,
Met groot verlang naar dat rechte verstand
Uwer rechten, die schoon ende klaar blinken.

11. Gij straft de stouten en brengt ze ter schand';
Ook zijn zij, die moedwillig van U wijken,
Gans'lijk vervloekt in zulk verkeerd verstand.
Voor smaad, oneer en alles desgelijken
Behoed mij, want Uw getuig'nissen rein
Houd ik zeer vast zonder enig bezwijken.

12. Verzameld zijn nu de heren bijeen,
En met gemak in spot van mij zij spreken;
Maar Uw knecht spreekt van Uw wetten alleen;
Als ik die hebbe, mij kan niets ontbreken.
Zij zijn mijn raadsheren geacht niet kleen,
Welker troost in nood mij niet heeft bezweken.

13. Ik ben voorwaar hem gelijk, die daar leit
In 't graf bedekt; maar wil mij, o Heer krachtig,
Verkwikken, zo Gij mij hebt toegezeid.
Ik heb in nood U aangeroepen klachtig,
En Gij hebt mij verhoord; wil mij voort meer
Horen en leren Uw rechten waarachtig.

14. Onderwijs mij in Uwes gezets leer;
Zo zal ik de wonderheden betrachten
Uwes woords, en die melden t' Uwer eer.
Ik ben bedrukt, 't harte dunkt mij versmachten;
Sterk mij met Uw beloften en Uw woord;
Ik bid U, Heer, wil mij toch niet verachten.

15. Van onrechte wegen bevrijd mij voort,
En geef mij Uwe wet tot mijn oorboren
Die mij zekerlijk geleidt ongestoord.
Ik heb den weg der waarheid uitverkoren,
En sla op Uw gebod in dezen strijd
Mijn ogen, opdat ik niet ga verloren.

16. Dewijl ik dan, Heer, met een hart verblijd
Uwe wet zo naarstelijk heb bewaret,
Van schanden en oneer mij toch bevrijdt.
Ik zal vrijwillig gaan en onbezwaret
In den weg Uwer geboden altijd,
Als Uwe troost mij zal wezen verklaret.

17. Leer mij Heer, Uwen weg gans ende gaar,
Die volmaakt is, bekennen en bewaren,
Dat ik dien houde tot den eind eenpaar.
Geef mij Uwen Geest, dat ik mag ervaren,
Uw woord; ik zal dat houden onderdaan
Van harte in 't midden Uwer dienaren.

18. Geleid mij toch, maak dat ik recht mag gaan
Zonder wijken in alle Uwe paden,
Want mijnen lust heb ik alleen daaraan.
Beweeg mijn hart en wil mij wel beraden
Tot Uwe inzettingen; maar gans niet
Tot gierigheid, die niet is om verzaden.

19. Wend mijn oog af, maak dat ze niet en ziet
IJdel' dingen; wil die kracht in mij werken,
Dat ik in Uwe wegen ga met vliet.
Bevestig Heer, en wil in mij versterken
Uwe beloften; want ik, Heere goed,
Hoop op U en vrees U, zo Gij kunt merken.

20. Keer van mij den smaad, die men mij aandoet,
Dien ik vreze; maar Uw gerechtigheden
Zijn gemengeld met barmhartigheid zoet.
Ik hebbe begeerd in mijne gebeden
Uwe wet met ernst, dies vermaak mijn gemoed
Door Uw genaad' en troostelijke reden.

1. Welzalig wie de rechte wegen gaan,
wie in de regels van Gods wijsheid treden.
Zalig wie zijn getuigenis verstaan,
van ganser harte zoeken naar zijn vrede.
Geen onrecht en geen dwaling lokt hen aan.
De weg der zondaars wordt door hen gemeden.

2. Gij hebt ons hart uw orde opgelegd,
opdat wij die met ijver onderhouden.
Ach, ging ik toch de wegen van uw recht,
dan stond ik niet beschaamd, als ik vertrouwde
op wat Gij in uw liefde tot mij zegt,
als ik de schoonheid van uw wet aanschouwde.

3. U dank ik, Heer, in opgetogenheid.
Mijn hart verheugt zich over uw bevelen,
U wil ik, die de allerhoogste zijt,
in alles volgen, niets voor U verhelen.
Verlaat mij niet, ik ben U toegewijd,
verlaat mij niet, laat in uw gunst mij delen.

4. Waarmee bewaart de jeugd haar bloem, haar eer,
hoe vindt de mens reeds vroeg de rechte paden?
Hij houdt zijn leven onbesmet, wanneer
hij zich door God en zijn gebod laat raden.
Ik zoek U met mijn ganse hart, o Heer,
leid mij niet af ter zijde en ten kwade.

5. Diep in mijn hart berg ik uw heilig woord,
opdat geen zonde daar kan binnendringen.
Geprezen zijt Gij, Heer, aan ieder oord.
Leid mij in 't licht van uw verordeningen.
Dan zal ik zo dat iedereen het hoort
het hoge recht van uw verbond bezingen.

6. O God, ik ben van harte zeer verblijd
over de weg van uw getuigenissen.
In uw bevelen ligt mijn zaligheid,
ik zal mij van uw wegen vergewissen.
Ik loof U, die mijn grootste rijkdom zijt,
laat mij, o Heer, geen van uw woorden missen.

7. Zegen uw knecht die Gij uw wil gebiedt.
Ontvouw de wet die Gij ons openbaarde.
Open mijn oog, zodat het helder ziet,
dat ik de wondren van uw wet ontware.
O Heer, verberg mij uw geboden niet;
ik ben een gast en vreemdeling op aarde.

8. Mijn ziel wordt van verlangen hier verteerd
om U te dienen op de rechte wijze.
Maar wie zich overmoedig van U keert,
wie weigert om uw grote naam te prijzen,
die wordt door U, zoals uw woord ons leert,
met vloek bedreigd. Gij zult hem van U wijzen.

9. Neem van mij weg de schande en de smaad,
want ik bewaar steeds uw getuigenissen;
al smeden vorsten met elkander kwaad
tegen uw knecht, ik wil uw wet niet missen.
Zij is mijn lust, ik luister naar uw raad,
zij ondersteunt mij in het ongewisse.

10. Ik lig terneer, gekluisterd aan het stof,
maak mij dan, Here, naar uw woord weer levend!
Mijn wegen heb ik U verhaald, Godlof,
Gij hebt geantwoord en mij raad gegeven.
Leer mij dan in het licht van het geloof
uw wondren zien, naar uw bevelen leven.

11. Luister hoezeer mijn ziel van kommer schreit
en richt mij op en leid mij op uw wegen,
doe toch de weg der leugen weg van mij,
toon mij uw wet, uw wil, uw zorg, uw zegen,
want ik verkies als koers waarachtigheid
en overdenk uw woorden wel terdege.

12. Ik klem mij vast aan uw getuigenis.
O Heer, laat niet vergeefs mij op U hopen!
Gij zijt mijn licht, mijn dag bij duisternis,
Gij doet uw woorden voor mijn ogen open,
verruimt mijn hart en maakt mijn reis gewis.
Ik zal de weg van uw geboden lopen.

13. Geef mij een hart dat U met vreugde groet,
geef mij verstand - daar zal ik wel bij varen -,
dat ik niet haak naar zilver, goud en goed,
niet gretig schatten om mij heen vergare.
Als Gij de weg der wet mij weten doet,
dan zal ik die ten einde toe bewaren.

14. Bewaar mijn oog, dat niet de valse schijn,
dat niet de lege vreugd mijn hart bewege.
Slechts in uw spoor kan leven leven zijn.
Vestig mijn aandacht op de rechte wegen.
Doe uw beloften onverwrikbaar zijn,
immers uw knecht is tot uw dienst genegen.

15. Doe van mij weg de schande en de smaad,
want Gij hebt uw geboden mij gegeven
dat ik zou onderkennen goed en kwaad
door uw gerechtigheid die staat geschreven.
Vreugde der Wet! God is mijn toeverlaat.
Alleen bij uw bevelen zal ik leven.

1. Welzalig wie de rechte wegen gaan,
wie in de regels van Gods wijsheid treden.
Zalig wie zijn getuigenis verstaan,
van ganser harte zoeken naar zijn vrede.
Geen onrecht en geen dwaling lokt hen aan.
De weg der zondaars wordt door hen gemeden.

2. Gij hebt ons hart uw orde opgelegd,
opdat wij die met ijver onderhouden.
Ach, ging ik toch de wegen van uw recht,
dan stond ik niet beschaamd, als ik vertrouwde
op wat Gij in uw liefde tot mij zegt,
als ik de schoonheid van uw wet aanschouwde.

3. U dank ik, Heer, in opgetogenheid.
Mijn hart verheugt zich over uw bevelen,
U wil ik, die de allerhoogste zijt,
in alles volgen, niets voor U verhelen.
Verlaat mij niet, ik ben U toegewijd,
verlaat mij niet, laat in uw gunst mij delen.

4. Waarmee bewaart de jeugd haar bloem, haar eer,
hoe vindt de mens reeds vroeg de rechte paden?
Hij houdt zijn leven onbesmet, wanneer
hij zich door God en zijn gebod laat raden.
Ik zoek U met mijn ganse hart, o Heer,
leid mij niet af ter zijde en ten kwade.

5. Diep in mijn hart berg ik uw heilig woord,
opdat geen zonde daar kan binnendringen.
Geprezen zijt Gij, Heer, aan ieder oord.
Leid mij in 't licht van uw verordeningen.
Dan zal ik zo dat iedereen het hoort
het hoge recht van uw verbond bezingen.

6. O God, ik ben van harte zeer verblijd
over de weg van uw getuigenissen.
In uw bevelen ligt mijn zaligheid,
ik zal mij van uw wegen vergewissen.
Ik loof U, die mijn grootste rijkdom zijt,
laat mij, o Heer, geen van uw woorden missen.

7. Zegen uw knecht die Gij uw wil gebiedt.
Ontvouw de wet die Gij ons openbaarde.
Open mijn oog, zodat het helder ziet,
dat ik de wondren van uw wet ontware.
O Heer, verberg mij uw geboden niet;
ik ben een gast en vreemdeling op aarde.

8. Mijn ziel wordt van verlangen hier verteerd
om U te dienen op de rechte wijze.
Maar wie zich overmoedig van U keert,
wie weigert om uw grote naam te prijzen,
die wordt door U, zoals uw woord ons leert,
met vloek bedreigd. Gij zult hem van U wijzen.

9. Neem van mij weg de schande en de smaad,
want ik bewaar steeds uw getuigenissen;
al smeden vorsten met elkander kwaad
tegen uw knecht, ik wil uw wet niet missen.
Zij is mijn lust, ik luister naar uw raad,
zij ondersteunt mij in het ongewisse.

10. Ik lig terneer, gekluisterd aan het stof,
maak mij dan, Here, naar uw woord weer levend!
Mijn wegen heb ik U verhaald, Godlof,
Gij hebt geantwoord en mij raad gegeven.
Leer mij dan in het licht van het geloof
uw wondren zien, naar uw bevelen leven.

11. Luister hoezeer mijn ziel van kommer schreit
en richt mij op en leid mij op uw wegen,
doe toch de weg der leugen weg van mij,
toon mij uw wet, uw wil, uw zorg, uw zegen,
want ik verkies als koers waarachtigheid
en overdenk uw woorden wel terdege.

12. Ik klem mij vast aan uw getuigenis.
O Heer, laat niet vergeefs mij op U hopen!
Gij zijt mijn licht, mijn dag bij duisternis,
Gij doet uw woorden voor mijn ogen open,
verruimt mijn hart en maakt mijn reis gewis.
Ik zal de weg van uw geboden lopen.

13. Geef mij een hart dat U met vreugde groet,
geef mij verstand - daar zal ik wel bij varen -,
dat ik niet haak naar zilver, goud en goed,
niet gretig schatten om mij heen vergare.
Als Gij de weg der wet mij weten doet,
dan zal ik die ten einde toe bewaren.

14. Bewaar mijn oog, dat niet de valse schijn,
dat niet de lege vreugd mijn hart bewege.
Slechts in uw spoor kan leven leven zijn.
Vestig mijn aandacht op de rechte wegen.
Doe uw beloften onverwrikbaar zijn,
immers uw knecht is tot uw dienst genegen.

15. Doe van mij weg de schande en de smaad,
want Gij hebt uw geboden mij gegeven
dat ik zou onderkennen goed en kwaad
door uw gerechtigheid die staat geschreven.
Vreugde der Wet! God is mijn toeverlaat.
Alleen bij uw bevelen zal ik leven.