Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De tekst van Psalm 119 heeft mij blij verrast. Tijdens de voorbereiding van een kleine preekserie uit deze lange maar zo leeswaardige psalm heb ik met genoegen het lied in De Nieuwe Psalmberijming gezongen. Fijn te weten dat het lied van de eerste Hebreeuwse letter tot en met de laatste de Here j... Lees meer »

Ds. G. (Gerrit) de Klein | Vrije Evangelische Gemeenten

Ds. G. (Gerrit) de Klein
Vrije Evangelische Gemeenten

Lees alle quotes

Psalm 132

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, denk er toch voortdurend aan
hoe David zwoegde, hoe hij leed
om zich te houden aan de eed
die hij U plechtig had gedaan.
Vergeet niet wat Hij voor U deed.

2. Hij nam zich vastberaden voor:
‘Ik keer niet naar mijn woonplaats weer,
ik leg me op mijn bed niet neer,
ik werk bezield aan één stuk door,
tot ik een plek vind voor de HEER.’

3. De ark is eindelijk ontdekt.
Ze staat in Jaär voor ons klaar.
We haastten ons en haalden haar.
Ga mee met ons en toon respect;
kniel in zijn huis, aanbid Hem daar.

4. Trek op, HEER, om naar huis te gaan.
Uw priesters zijn met heil bekleed.
Uw volk staat jubelend gereed.
Neem uw gezalfde koning aan
om wat uw dienaar David deed.

5. Tot David kwam het woord van God:
‘Je kind ontvangt de koningskroon
en daarna volgen zoon na zoon.
Leeft elk van hen naar mijn gebod,
dan houdt je koningshuis de troon.’

6. Gods liefde gaat naar Sion uit.
Hij koos als koning soeverein
die plaats uit om daar thuis te zijn.
De stad is, volgens zijn besluit,
zijn rustplaats in zijn rijksdomein.

7. ‘Mijn zegen daalt op Sion neer.
Ik maak mijn stad van honger vrij.
De priesters staan in dienst van Mij;
Ik kleed hen met mijn heil en eer.
Wie mij wil dienen, maak Ik blij.

8. Groot aanzien geef Ik Davids rijk.
Ik heb zijn zoon de macht beloofd;
zijn lamp wordt nooit meer uitgedoofd.
Ik zet zijn vijanden te kijk -
een kroon tooit zijn gezalfde hoofd.’

Tekst: Jan Boom/Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, denk er toch voortdurend aan
hoe David zwoegde, hoe hij leed
om zich te houden aan de eed
die hij U plechtig had gedaan.
Vergeet niet wat Hij voor U deed.

2. Hij nam zich vastberaden voor:
‘Ik keer niet naar mijn woonplaats weer,
ik leg me op mijn bed niet neer,
ik werk bezield aan één stuk door,
tot ik een plek vind voor de HEER.’

3. De ark is eindelijk ontdekt.
Ze staat in Jaär voor ons klaar.
We haastten ons en haalden haar.
Ga mee met ons en toon respect;
kniel in zijn huis, aanbid Hem daar.

4. Trek op, HEER, om naar huis te gaan.
Uw priesters zijn met heil bekleed.
Uw volk staat jubelend gereed.
Neem uw gezalfde koning aan
om wat uw dienaar David deed.

5. Tot David kwam het woord van God:
‘Je kind ontvangt de koningskroon
en daarna volgen zoon na zoon.
Leeft elk van hen naar mijn gebod,
dan houdt je koningshuis de troon.’

6. Gods liefde gaat naar Sion uit.
Hij koos als koning soeverein
die plaats uit om daar thuis te zijn.
De stad is, volgens zijn besluit,
zijn rustplaats in zijn rijksdomein.

7. ‘Mijn zegen daalt op Sion neer.
Ik maak mijn stad van honger vrij.
De priesters staan in dienst van Mij;
Ik kleed hen met mijn heil en eer.
Wie mij wil dienen, maak Ik blij.

8. Groot aanzien geef Ik Davids rijk.
Ik heb zijn zoon de macht beloofd;
zijn lamp wordt nooit meer uitgedoofd.
Ik zet zijn vijanden te kijk -
een kroon tooit zijn gezalfde hoofd.’

Tekst: Jan Boom/Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm (opent in nieuw venster)

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux. Gebruik voor deze psalm liednummer 7133412 bij uw rapportage aan CCLi.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Gedenk aan David, aan zijn leed;
Gedenk den duur gezworen eed,
Dien hij, o HEER', U plechtig deed;
Dien eed, waarmee zijn hart en mond
Aan Jakobs God zich dus verbond:

2. "Zo ik in mijne woning tree,
Of klimm' op mijne legerstee;
Zo ik ter nachtrust ga in vree,
Zo ik de sluim'ring zelfs geheng',
Totdat ik dezen eed volbreng':"

3. "Tot ik een rustplaats voor den HEER'
Gevonden hebb' te Zijner eer,
Waar Jakobs Machtige verkeer',
En Hij, naar mijn gemaakt bestek,
Zijn vaste woningen betrekk'."

4. Ziet, 't blij gerucht der ark liep voort,
En werd in Efratha gehoord;
Wij vonden haar in Jaars oord,
In 't bosrijk veld van Kiriath,
Dat God dusver verkoren had.

5. Wij zullen in Zijn woning gaan;
Ons buigen, waar Zijn troon zal staan,
En bidden voor Zijn voetbank aan.
Sta op tot Uwe rust, o HEER',
Met d' Arke van Uw sterkt' en eer'!

6. Bekleed, o hoogste Majesteit,
Uw priesters met gerechtigheid;
Uw gunstvolk juich', door U geleid;
Versmaad hem, dien Gij zalven liet,
Om Uwen knecht, om David, niet!

7. Tot staving van de waarheid, deed
De HEER', die van geen wank'len weet,
Aan David enen duren eed:
"Ik zal", dus sprak Hij, "uwen Zoon
Eens zetten op uw glorietroon."

8. "Houdt uw geslacht Mijn heilverbond,
En 't vast getuig'nis van Mijn mond,
Dat Ik hun leer ten allen stond;
Dan is hun 't rijksbestuur bereid,
Op uwen troon, in eeuwigheid!"

9. Want Sion is van God begeerd,
't Wordt met Zijn woning hoog vereerd;
"Hier", sprak Hij, die het al beheert,
"Hier zal Ik wonen naar Mijn lust;
Hier is in eeuwigheid Mijn rust."

10. "'k Zal Sions, 'k zal der armen spijs,
Hier zeeg'nen op de ruimste wijs;
Hier zal Ik, Mijnen Naam ter prijs,
De priesters met Mijn heil bekleen,
En 't volk doen juichen weltevreen."

11. "Daar zal Ik David door Mijn kracht,
Een hoorn van rijkdom, eer en macht
Doen rijzen uit zijn nageslacht.
'k Heb Mijn gezalfden knecht een licht,
Een held're lampe toegericht."

12. "Wat vijand tegen hem zich kant',
Mijn hand, Mijn onweerstaanb're hand,
Zal hem bekleen met schaamt' en schand';
Maar eeuwig bloeit de gloriekroon
Op 't hoofd van Davids groten Zoon."

1. Gedenk toch des Davids, o Heer,
En ook aan al zijn lijden zwaar;
Die U eed deed in 't openbaar,
En U, God Jakobs vol van eer,
Beloften altijd deed eerbaar.

2. Heer! dit beloofd' ik U (sprak hij);
Ik en wil in mijn huis niet staan,
Noch op mijn bedde slapen gaan,
Ja ook niet eenmaal sluimen vrij,
Ik zal mijn ogen niet toeslaan.

3. Totdat ik God een plaatse rein
Vinde, die voor Hem zij bekwaam;
Daar de Heer onze God eerzaam
Wonen en blijven mag allein,
En des sterken Gods hoge Naam.

4. Wij verstaan en ons werd verteld,
Dat Hem Efrata, 't schone dal,
Behaagt boven de plaatsen al;
Wij hebben gevonden in 't veld
Een oord, 't welk voor U wezen zal.

5. Daar zullen wij, zijnde verblijd,
Hem bezoeken, en t' allen stond
Hem bidden uit des harten grond.
Dies maak U op, Heer, nu ter tijd,
Gij en d' arke van Uw verbond.

6. Laat de priesters daar bekleed zijn
Met de ware gerechtigheid;
Uwe heil'gen met vrolijkheid
Vervuld, en bewaar 't rijke fijn
Uws gezalfden voor tegenheid.

7. God heeft David een eed gedaan;
Die blijft vast en onwankelbaar,
En sprak: Op Uwen stoel zeer klaar
Zal een Uwer kind'ren voortaan
Regeren met voorspoed eenpaar.

8. Is 't dat Uw kinderen Mijn woord
En Mijn lere bewaren vrij,
Die zij verstaan; zo zullen zij
Met hare kinderen nu voort,
Eeuwig regeren ongestoord.

9. God heeft verkoren Sion schoon,
Hij heeft lust te wonen aldaar;
Dit 's mijn ruste, spreekt hij voorwaar,
Mijne lust en mijns harten kroon;
Daar wil ik wonen voor en naar.

10. Haar spijs ik zeer zegenen zal,
En den armen geven haar brood.
De priesters wil ik in den nood
Met heil kleden en overal
Vervullen met blijdschap zeer groot.

11. David zal daar bloeien met spoed,
Verheven wordt zijn hoorn met kracht;
Ik heb hem tewege gebracht
Een lampe, die steeds lichten moet,
Tot allen tijden dag en nacht.

12. Ik wil met schand' en smadigheid
Zijn haters bekleden gemeen,
Hen tot schand' en oneer; meteen
Zal ik doen, dat in heerlijkheid
Davids krone bloeien zal reên.

1. Heer, denk aan David en zijn eed.
Eens riep hij de geduchte naam
van Jakobs sterke helper aan,
gedenk aan David en het leed
dat hij voor U heeft uitgestaan.

2. Geen vrede kwam den koning toe,
geen woning ter verlustiging,
geen plek waar hij ter ruste ging,
zolang zijn Heer geen vaste voet
op aarde had, geen vestiging.

3. Efratha heeft uw naam gemeld,
het veld weerklonk: de Heer is daar!
Kom ga nu mee ter bedevaart;
nu staat zijn zetel opgesteld
waar Davids mare wordt bewaard.

4. Zo zal ik naar Gods woning gaan
en buigen voor zijn groot gezag
en juichen dat ik leven mag,
zo zal ik voor mijn Koning staan,
Hem prijzen op zijn kroningsdag!

5. Hij zet zijn voeten op de nek
van alle macht en majesteit.
Houd in gedachten t' allen tijd,
dat deze afgeperkte plek
aan Hem, aan God, is toegewijd.

6. Sta op, o Heer, ga ons vooraan
tot waar uw voet een voetbank vond,
Gij en de ark van uw verbond.
Laat hier uw priesters voor U staan
en hoor het loflied uit hun mond.

7. Recht is het kleed van heiligheid,
daar zijn uw priesters mee bekleed,
wees dan, o God, tot recht gereed,
geef uw Gezalfde levenstijd,
gedenk aan David, aan zijn leed.

8. Aan hem, aan uw gezalfde zoon,
hebt Gij gezworen bij uw eer;
"Bewaart uw nageslacht mijn leer,
zij zullen zitten op uw troon
in aller tijden ommekeer".

9. Sion is van den Heer voorgoed,
Hij heeft het aan zijn eer gewijd;
"Hier is Mijn rust in eeuwigheid,
hier geef Ik brood in overvloed
en spijze alwie honger lijdt!

10. Daar staat de troon al opgericht,
daar zetelt de gezalfde Zoon,
in Davids stad, op Davids troon,
al wie Hem haatten schamen zich
en bloeien zal zijn koningskroon!"

1. O Heer, gedenk aan Davids leed,
aan al de moeite die hij deed.
Houd in gedachtenis de eed,
gezworen bij uw grote naam.
U, Jakobs Sterke, riep hij aan:

2. Ik keer niet in mijn woning weer,
geen slaap gun ik mijn ogen meer,
tot ik een plaats vind voor de Heer,
een woning, door mij toegedacht
aan Jakobs Sterke, groot in macht.

3. In Efrata werd ons verteld
waar men de ark had opgesteld.
Wij vonden haar in Jaärs veld.
Laat ons Gods woning binnengaan
en biddend voor zijn voetbank staan.

4. Sta op, o Here, in uw macht.
Uw ark, de zetel van uw kracht,
zij in uw huis tot rust gebracht.
Bekleed met recht uw priesters, Heer,
laat vromen juichen tot uw eer.

5. Als U, o Here, voor U ziet
uw knecht, die U eens zalven liet,
verwerp hem dan om David niet.
U hebt gezworen Davids zoon
te zetten op de koningstroon.

6. Van Davids zonen sprak de Heer:
Bewaren zij mijn woord en leer,
blijft mijn verbond bij hen in eer,
dan zal van hen altijd een zoon
gezeten zijn op Davids troon.

7. Want God heeft Sion hoog vereerd,
ter woning heeft hij haar begeerd.
Eens sprak Hij, die het al regeert:
Hier woon Ik tot in eeuwigheid,
dit is mijn rustplaats voor altijd.

8. Hier duld Ik nood noch tegenspoed,
hier worden armen rijk gevoed,
mijn zegen schenkt hier overvloed,
waar priesters staan, met heil bekleed,
bij 't volk dat juichend voor Mij treedt.

9. Daar zal Ik David door mijn kracht
een hoorn van redding, eer en macht
doen rijzen uit zijn nageslacht.
Ik heb mijn knecht een lamp bereid,
zijn licht zal stralen voor altijd.

10. Ik doe al wie mijn knecht weerstaan
bekleed met schaamte ondergaan.
Maar Davids troon zal veilig staan
en blinken zal de koningskroon
op 't hoofd van zijn gezalfde zoon.