Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De Geneefse Psalmen liggen me na aan het hart, maar de huidige vertaling uit het Gereformeerd Kerkboek is sterk verouderd. Soms is dat niet erg, want herkenbaarheid is voor ouderen erg belangrijk. Maar vanaf de kansel zie ik jongeren en masse hun mond houden; ze weten niet meer wat ze zingen. Lees meer »

Matthijs van der Welle| Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Matthijs van der Welle
Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Lees alle quotes

Psalm 139

De nieuwe psalmberijming

1. U kent mij, HEER, en U ontwart
al de geheimen van mijn hart.
U ziet mij thuis en onderweg,
terwijl U opvangt wat ik zeg. 
Ja, zelfs onuitgesproken zinnen
neemt U al waar bij mij vanbinnen.

2. Geen ogenblik ben ik alleen,
want U bent altijd om mij heen. 
Ik, nietig mens, kan er niet bij
dat U uw handen legt op mij.
Waar ik ook ga, ik zie U kijken.
Hoe kan ik ooit uw Geest ontwijken?

3. Al klom ik naar de hemel, HEER,
al lag ik bij de doden neer,
al vloog ik met de vogels mee
voorbij de allerverste zee,
dan nog kon niets mij van U scheiden;
uw hand zou mij voortdurend leiden.

4. Al kroop ik weg, het hielp mij niet,
omdat U altijd alles ziet.
Al werd het donker overdag,
zodat geen sterveling mij zag,
dan nog bleef mij uw licht beschijnen.
Nooit kan ik uit uw zicht verdwijnen.

5. Vernuftig ben ik gecreëerd, 
door U met aandacht geboetseerd.
Ik prijs U, HEER, omdat ik weet
hoe wonderbaarlijk U dat deed.
U wilde toen al voor mij zorgen;
niets van mij was voor U verborgen.

6. Nog voor mijn leven was ontstaan
wist U hoe het mij zou vergaan.
Uw boek gaat over mijn begin
en ook mijn einde staat erin.
HEER, mijn verstand is niet bij machte
iets te verstaan van uw gedachten.

7. God, spaar de goddelozen niet;
dood iedereen die bloed vergiet.
Zou ik niet haten wie U haat
en wie uw naam en aanzien schaadt?
Ik haat hen en ik kan niet anders;
het zijn mijn grootste tegenstanders.

8. Mijn hartsgeheimen leg ik, HEER,
volkomen eerlijk voor U neer.
Toets alles wat ik denk en zeg
en neem het schadelijke weg.
Doorgrond mij God, en toets mijn leven; 
wil mij voor eeuwig richting geven.

Tekst: Jan Pieter Kuijper/Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. U kent mij, HEER, en U ontwart
al de geheimen van mijn hart.
U ziet mij thuis en onderweg,
terwijl U opvangt wat ik zeg. 
Ja, zelfs onuitgesproken zinnen
neemt U al waar bij mij vanbinnen.

2. Geen ogenblik ben ik alleen,
want U bent altijd om mij heen. 
Ik, nietig mens, kan er niet bij
dat U uw handen legt op mij.
Waar ik ook ga, ik zie U kijken.
Hoe kan ik ooit uw Geest ontwijken?

3. Al klom ik naar de hemel, HEER,
al lag ik bij de doden neer,
al vloog ik met de vogels mee
voorbij de allerverste zee,
dan nog kon niets mij van U scheiden;
uw hand zou mij voortdurend leiden.

4. Al kroop ik weg, het hielp mij niet,
omdat U altijd alles ziet.
Al werd het donker overdag,
zodat geen sterveling mij zag,
dan nog bleef mij uw licht beschijnen.
Nooit kan ik uit uw zicht verdwijnen.

5. Vernuftig ben ik gecreëerd, 
door U met aandacht geboetseerd.
Ik prijs U, HEER, omdat ik weet
hoe wonderbaarlijk U dat deed.
U wilde toen al voor mij zorgen;
niets van mij was voor U verborgen.

6. Nog voor mijn leven was ontstaan
wist U hoe het mij zou vergaan.
Uw boek gaat over mijn begin
en ook mijn einde staat erin.
HEER, mijn verstand is niet bij machte
iets te verstaan van uw gedachten.

7. God, spaar de goddelozen niet;
dood iedereen die bloed vergiet.
Zou ik niet haten wie U haat
en wie uw naam en aanzien schaadt?
Ik haat hen en ik kan niet anders;
het zijn mijn grootste tegenstanders.

8. Mijn hartsgeheimen leg ik, HEER,
volkomen eerlijk voor U neer.
Toets alles wat ik denk en zeg
en neem het schadelijke weg.
Doorgrond mij God, en toets mijn leven; 
wil mij voor eeuwig richting geven.

Tekst: Jan Pieter Kuijper/Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Bladmuziek

Bij deze psalm heeft de band van De Nieuwe Psalmberijming een arrangement geschreven speciaal voor kerkcombo's. Met dit arrangement kunt u deze psalm in een eigentijdse vorm met uw gemeente zingen. Bekijk de preview of bestel de bladmuziek online via gospelmusic.nl

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 30 en 76

Video-opname

1. Niets is, o Oppermajesteit,
Bedekt voor Uw alwetendheid;
Gij kent mij, Gij doorgrondt mijn daan;
Gij weet mijn zitten en mijn staan;
Wat ik beraad', of wil betrachten,
Gij kent van verre mijn gedachten.

2. G' omringt mijn gaan en liggen, Gij,
O HEER', zijt altoos nevens mij;
Uw onbepaalde wetenschap
Kent mijnen weg van stap tot stap;
Geen woord is nog mijn tong ontgleden,
Of Gij, Gij weet alreeds mijn reden.

3. Gij hebt van acht'ren mij bezet;
Vooruit wordt mij de vlucht belet;
Ik word bepaald door Uwe hand.
Hoe zou ik met mijn zwak verstand
Naar Uwe wond're kennis streven?
Z' is mij te groot, te hoog verheven.

4. Waar zou ik Uwen Geest ontvlien?
Waar zou m', o HEER', Uw oog niet zien?
Al voer ik op naar 's hemels trans,
Daar zijt Gij, daar vertoont G' Uw glans;
Al daald' ik zelfs ter helle neder,
Daar vond ik ook Uw aanschijn weder.

5. Al nam ik van den dageraad
De vleugelen des lichts te baat;
Al waar' aan 't uiterste der zee
De plaats van mijne legerstee;
Daar zoud' ook Uwe hand mij leiden,
Uw rechterhand niet van mij scheiden.

6. Indien ik zeg: "De donkerheid
Bedekt mij voor Uw majesteit",
Dan is de nacht een helder licht,
Dat mij ontdekt aan Uw gezicht.
Voor U, o HEER', is 't aak'lig duister
Den dag gelijk in glans en luister.

7. Gij hebt mijn gans gestel doorgrond,
Zelfs voor mijn eersten levensstond.
Ik ben verbazend voortgebracht.
Op 't nagaan van Uw wond're macht,
Sla ik verrukt het oog naar boven:
'k Zal U, mijn Schepper, altoos loven.

8. Mijn ziel bepeinst uw wonderdaan,
Die al 't begrip te boven gaan.
Uw oog heeft mijn gebeent' verzeld,
Toen ik, verborgen saamgesteld,
Als een borduursel, lag verscholen:
Van mij was niets voor U verholen.

9. Gij hebt, wijl niets Uw oog weerhoudt,
Mijn ongevormden klomp beschouwd;
Ja Gij, Wiens wijsheid nimmer faalt,
Hadt mijn geboortestond bepaald;
Eer iets van mij begon te leven,
Was alles in Uw boek geschreven.

10. Hoe dierbaar zijn m' Uw wonderdaan!
Zij zijn onmoog'lijk na te gaan.
Hoe menigvuldig zijn z', o HEER'!
Zou ik die tellen 'k zou veeleer
't Getal der korr'len zands bepalen.
Uw wond'ren zijn niet af te malen.

11. Wanneer ik in den nacht ontwaak,
Ben ik bij U, mijn zielsvermaak.
O God, laat door Uw grote macht
De bozen worden omgebracht;
Doe, doe hen voor Uw arm bezwijken.
Gij, bloedvergieters, gij moet wijken.

12. Stel hunnen hoogmoed perk en paal,
Zij honen U door snode taal;
Z' ontzien zich niet U t' allen stond'
Te lasteren met hart en mond;
Daar zij, ten spot van Uw vermogen,
Al Uwer haat'ren trots verhogen.

13. Zou 'k hen niet haten in mijn hart,
Wier snode haat Uw goedheid tart?
Zou ik hen, die U weerstand bien,
Niet met verdrietig' ogen zien?
'k Zal hen altijd volkomen haten,
Die trots'lijk Uwen dienst verlaten.

14. Doorgrond m' en ken mijn hart, o HEER';
Is 't geen ik denk niet tot Uw eer?
Beproef m' en zie of mijn gemoed
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed',
En doe mij toch met vaste schreden
Den weg ter zaligheid betreden.

1. Gij hebt mij, Heer, gans'lijk doorgrond,
Gij weet mijn kracht voor dezen stond;
Hetzij dat ik zit ofte sta,
Heere, Gij slaat zulkes al ga;
Gij verstaat, Heer, door Uwe krachten,
Van verre alle mijn gedachten.

2. 't Zij dat ik wil rusten of gaan,
Gij komt mij met der haasten aan,
En doorziet scherp in dezen val
Mijn doen en ook mijn wegen al.
Daar is geen woord in mijnen monde,
Of Gij en ziet dat in den gronde.

3. Voren en achter zijt Gij Heer!
Uw hand houdt Gij over mij zeer;
Zulks te verstaan is mij voorwaar
Al veel te hoog en ook te zwaar.
Ik kan Uwe heerlijke werken
Niet verstaan noch genoeg bemerken.

4. Waar zal ik Heer, voor Uwen Geest
Vlieden om te zijn onbevreesd?
Waar zal ik gaan voor Uw aanschijn?
Vaar ik ten hemel, Gij zult zijn
Aldaar; ja daal ik in de helle,
Daar kunt Gij mij vinden en kwellen.

5. Al nam ik haast'lijk met der daad
De vleug'len van den dageraad,
Om te vlieden tot dezen tijd
Over de zee breed ende wijd;
Daar en overal t' allen stonden
Werd ik van Uw handen gevonden.

6. Spreek ik: de duisterheid met kracht
Mij dekken zal, toch werd de nacht
Zo klaar, dat mij een ieder ziet;
Want de duisternis voor U niet
Kan bergen; maar de nacht zal wezen
Zo klaar als de middag geprezen.

7. Gij hebt o Heer, in Uw geweld
Mijn nieren; ook ben ik gesteld
Van mijner moeders lichaam aan
Onder Uw bewaringe zaan.
Dies voor al zulke wonderdingen
Wil ik U Heer, lof en dank zingen.

8. Wonderbaar zijn Uw werken, Heer!
't Welk mijn ziel bekent langs zo meer,
En neemt daarop vlijtiglijk acht,
Voor U en was ook niet mijn kracht
Verborgen, als ik was te zame
Gebeeldet in 's moeders lichame.

9. Gij hebt mij ook, Heer, voortgebracht
Uit de aarde door Uwe macht;
Gij zaagt mij aan zeer goedertier',
Toen ik nog onvolmaakt was schier.
De tijd van mijn volgende leven
Was schoon in Uwen boek geschreven.

10. Hoe kost'lijk is mij Uwen raad;
't Getal mij gans te boven gaat
Uwes raads, die beroemd is wijd.
Wil ik dien tellen nu ter tijd,
Hij gaat in veelheid dat zand kleine
Verre te boven in 't gemeine.

11. Ik gedenke daaraan eenpaar
Als ik wakker ben 's morgens klaar.
O God! woudt Gij verderven snel
Alle de godd'lozen zeer fel.
De bloedhonden zouden bezwijken,
Ja ook met schande van mij wijken.

12. Want zij spreken, Heer, met hoogmoed
Van U lasterlijk zeer onvroed;
Zij verheffen hen op onrein;
Dies haat ik alle die gemein,
Die U haten; ook die gezellen,
Die hen, Heere, tegen U stellen.

13. Met rechten ernst uit 's harten grond
Haat ik, o Heer, die t' allen stond;
Zij zijn mijn vijanden niet klein.
Maar Gij, Die 't harte kent allein,
Doorzoek mijn hart, Gij wordt geware
Dat ik 't recht meen in 't openbare.

14. Mijn hart en gemoed wel doorziet.
Doorgrond mij ganselijk met vliet.
Zie of ik in de wegen kwaad
Wandele, die Gij Heere, haat;
En zijt mij altijd wel genegen,
Geleid mij ook in Uwe wegen.

1. Heer, die mij ziet zoals ik ben,
dieper dan ik mijzelf ooit ken,
kent Gij mij, Gij weet waar ik ga,
Gij volgt mij waar ik zit of sta.
Wat mij ten diepste houdt bewogen,
't ligt alles open voor uw ogen.

2. Gij zijt zo diep vertrouwd met mij:
wie weet mijn wegen zoals Gij?
Gij kent mijn leven woord voor woord,
Gij hebt mij voor ik spreek gehoord.
Ja overal, op al mijn wegen
en altijd weer komt Gij mij tegen.

3. Waar zou ik vluchten voor uw Geest?
Gij sluit mij in, ik ben bevreesd.
Gij legt uw hand op mij, Gij zijt
zo dichtbij met uw majesteit,
zo ver en zo met mij verbonden:
hoe kan ik uw geheim doorgronden?

4. Waar vlucht ik voor uw aangezicht?
Al steeg ik op in 't hemels licht,
al daald' ik tot de doden af,
Gij zult er zijn, zelfs in het graf.
Gij blijft mij, God, in alle dingen,
altijd en overal omringen.

5. Al nam ik voor mijn vlucht te baat
de vleug'len van de dageraad,
al woond' ik aan de verste zee,
uw hand gaat altijd met mij mee.
Waar ik de vleugels uit zou spreiden,
Gij houdt mij vast, Gij blijft mij leiden.

6. Wanneer ik mij geborgen dacht
in 't vallend duister van de nacht,
werd dan de nacht niet als het licht?
Hier lig ik voor uw aangezicht,
o God, hoe licht is zelfs het duister,
de nacht een dag die blinkt van luister.

7. Gij hebt mij immers zelf gemaakt,
mij met uw vingers aangeraakt,
met toegewijde tederheid
mijn nieren en mijn hart bereid,
mij in de moederschoot geweven,
mij met uw wonderen omgeven.

8. Ik loof U die mijn schepper zijt,
die met uw liefde mij geleidt,
Gij hebt mijn oerbegin aanschouwd,
in 't diepst der aarde opgebouwd.
Niets blijft er voor uw oog verborgen.
Ja, Gij omringt mij met uw zorgen.

9. Gij zijt mij overal nabij,
uw ogen waken over mij
van toen ik vormloos ben ontstaan.
Gij wist hoe het zou verder gaan.
Ja, in uw boek stond reeds te lezen,
wat eens mijn levensweg zou wezen.

10. O God, hoe diep verwonderd ga
ik uw volmaakte wijsheid na.
Hoe schoon is alles wat Gij doet.
Hoe kostelijk in overvloed
zijn uw onpeilbare gedachten,
ik overdenk die al mijn nachten.

11. Gedachten ongeëvenaard
hebt Gij, o God, geopenbaard
in al de werken van uw hand-
gedachten talloos als het zand.
Als ik ontwaak, Gij blijft mij leiden,
ik vind U altijd aan mijn zijde.

12. O God, verwerp het boos geslacht,
op leugen en verraad bedacht.
Wijk van mij, die het kwade doet,
uw handen zijn vol vuil en bloed.
Gij die Gods naam durft uit te spreken
en tegen Hem het hoofd opsteken.

13. Zou ik niet haten, die U haat,
de wijsheid van uw weg verlaat
en opstaat tegen U? Hij is
een kind van kwaad en duisternis.
Uw vijanden die U verlaten,
hoe zou ik hen, o Heer, niet haten?

14. Doorgrond, o God, mijn hart; het ligt
toch open voor uw aangezicht.
Toets mij of niet een weg in mij
mij schaadt en leidt aan U voorbij.
O God, houd mij geheel omgeven,
en leid mij op den weg ten leven.

1. Heer, U doorgrondt mij van omhoog,
mijn hart ligt open voor uw oog.
U kent mijn zitten en mijn gaan,
mijn denken zelfs kunt U verstaan.
Waar ik ook ben, U komt mij tegen,
U bent vertrouwd met al mijn wegen.

2. Mijn mond spreekt nog geen enkel woord,
of U hebt alles reeds gehoord.
Omgeeft mij niet aan elke kant
op heel mijn pad uw sterke hand?
Mijn kennis is te klein bevonden,
ik kan dit alles niet doorgronden.

3. Waar zou ik ooit uw Geest ontgaan?
Waar zou U mij niet gadeslaan?
Steeg ik ten hemel, U bent daar,
uw oog wordt mij terstond gewaar.
Zou ik in 't rijk der doden dalen,
zelfs daar zou U mij achterhalen.

4. Al vloog ik heen van uw gelaat
op vleugels van de dageraad
tot aan het uiterste der zee,
uw hand ging zelfs daar met mij mee,
uw rechterhand zou mij bereiken.
Waar zou uw Geest ooit van mij wijken?

5. Indien ik bij mijzelf al zei:
'De zwarte nacht bedekke mij,'
dan was het duister als een licht,
dat mij omgeeft voor uw gezicht.
Niets houdt de nacht voor U verborgen:
U ziet hem lichtend als de morgen.

6. Ik loof het wonderbaar beleid
waarmee U mij hebt toebereid.
Mijn hart en nieren zijn uw werk,
ja, alles van mij draagt uw merk.
U hebt het leven mij gegeven,
mij in de moederschoot geweven.

7. Uw eigen hand heeft mij gebouwd
daar waar geen mens het ooit aanschouwt.
Uw oog nam mijn gebeente waar,
mijn aanvang was U openbaar.
Zelfs had U reeds voor ik ging leven,
mijn dagen in uw boek geschreven.

8. Hoe rijk zijn uw gedachten, Heer!
het overweldigt mij steeds weer:
Nog meer dan zand in de woestijn,
zó machtig moet hun aantal zijn.
Wanneer ik, Here, zal ontwaken
mag ik nog uw nabijheid smaken.

9. Wanneer, o God, wordt door uw macht
de goddeloze omgebracht?
Ik duld in mijn omgeving niet
wie U onteert en bloed vergiet.
Doe over hen uw toorn ontwaken
die, Heer, uw naam tot leugen maken.

10. Zou ik niet haten wie U haat,
verlaten wie uw weg verlaat?
Met afschuw zien mijn ogen aan
wie tegen U zijn opgestaan.
Slechts vijandschap kan ik hun geven,
volkomen haat, zolang zij leven.

11. Doorgrond mij, ken mijn hart, o Heer.
Zijn mijn gedachten tot uw eer?
Zie of mijn wegen heilig zijn,
mijn paden recht, mijn daden rein.
En doe mij toch met vaste schreden
de weg van eeuwig heil betreden.