Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

In onze gemeente proberen we het oude van de traditie in verbinding te brengen met het nieuwe van nu. De Nieuwe Psalmberijming sluit daar perfect bij aan. Op deze manier kunnen we met jong en oud de psalmen blijven zingen. Lees meer »

Ds. E. de Jong | Doopsgezinde Gemeente te Ouddorp

Ds. E. de Jong
Doopsgezinde Gemeente te Ouddorp

Lees alle quotes

Psalm 140

De nieuwe psalmberijming

1. Verlos mij, HEER, van slechte mensen.
Red mij van wie vechtlustig zijn,
van wie mij arrogant verwensen.
Ze zijn als slangen vol venijn.

2. Stop hen die op mijn leven loeren,
bloeddorstig spannen zij een net.
Met touwen willen zij me vloeren;
de vallen zijn al klaargezet.

3. U, HEER, mijn God, wilt mij bevrijden!
U redt mij als ik niet meer kan.
Laat dat gespuis nu zelf eens lijden.
Verneder hen, doorkruis hun plan.

4. Dat hun venijn henzelf zal raken;
dat vuur van U hun hoofd verbrandt.
Wil aan hun spot een einde maken.
Jaag de bedriegers uit het land.

5. Ik weet: U helpt de vluchtelingen,
wie arm zijn, hulpeloos of zwak.
Oprechten zullen voor U zingen.
U geeft hun veilig onderdak.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Verlos mij, HEER, van slechte mensen.
Red mij van wie vechtlustig zijn,
van wie mij arrogant verwensen.
Ze zijn als slangen vol venijn.

2. Stop hen die op mijn leven loeren,
bloeddorstig spannen zij een net.
Met touwen willen zij me vloeren;
de vallen zijn al klaargezet.

3. U, HEER, mijn God, wilt mij bevrijden!
U redt mij als ik niet meer kan.
Laat dat gespuis nu zelf eens lijden.
Verneder hen, doorkruis hun plan.

4. Dat hun venijn henzelf zal raken;
dat vuur van U hun hoofd verbrandt.
Wil aan hun spot een einde maken.
Jaag de bedriegers uit het land.

5. Ik weet: U helpt de vluchtelingen,
wie arm zijn, hulpeloos of zwak.
Oprechten zullen voor U zingen.
U geeft hun veilig onderdak.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. O HEER', verlos mij uit de banden,
Waarin de boze mij beknelt;
Behoed mij voor des wreedaards handen,
Voor dwing'landij en woest geweld.

2. Red mij van hen, die kwaad bedenken,
Die daag'lijks samen zich beraan,
Om mij door 't oorlogszwaard te krenken,
En t' enenmaal terneer te slaan.

3. Hun tongen scherpen zij als slangen;
Zij smeden valsheid en bedrog;
Zij passen loos op mijne gangen,
Met monden, vol van adderspog.

4. Bescherm mij voor de goddelozen,
O HEER', o Rechter van 't heelal.
Verlos mij van 't geweld der bozen,
Die niets bedoelen dan mijn val.

5. De trotsen, nijdig om mijn zegen,
Belagen mij met koord en net;
Zij hebben heim'lijk op hun wegen
Voor mij een valstrik uitgezet.

6. Ik dacht in mijn verdriet te smoren;
Dies riep ik: "HEER', Gij zijt mijn God!
Neem mijne smekingen ter oren;
Verzacht in 't eind mijn droevig lot!"

7. O HEER', mijn rotssteen, mijne sterkte,
Gij hebt mij steeds tot heil verstrekt,
En in den strijd, waar 't elk bemerkte,
Mijn hoofd als met een schild bedekt.

8. Laat nooit des bozen wens gelukken,
Maar stuit hem, eer zijn hand mij treff';
Verhinder zijne gruwelstukken,
Opdat hij zich niet trots verheff'.

9. Doe tot vergelding, HEER' der heren.
Op mijner haat'ren moedig hoofd
Den smaad der lippen wederkeren,
Die mij van al mijn eer berooft!

10. Schud, daar zij dus mijn roem verkorten,
Schud vuur'ge kolen op hen uit.
Laat hen in 't vuur, in kuilen storten,
Geef hen aan 't nare graf ten buit.

11. Een lasteraar, een leugenspreker
Zal nooit op aard' bevestigd zijn.
Men jaag' een twist- en onrustkweker,
Totdat hij uit elks oog verdwijn'.

12. Ik weet, dat God, getrouw in 't richten,
Des armen rechtzaak, daar hij schreit,
Hoe vals hem d' ontrouw moog' betichten,
Beslissen zal naar billijkheid.

13. De vromen zullen U verhogen,
Gezegend door Uw milde hand;
D' oprechten zullen voor Uw ogen
Steeds bloeien in gewensten stand.

1. O mijn God, wil mij nu bevrijden
Voor de mensen zeer boos en kwaad;
Behoed mij nu en t' alle tijden
Voor der listigen raad en daad.

2. Die dagelijks met haars gelijken
Tegen mij denken schalkheid loos;
Ende mij strijd in alle wijken
Van nieuws aandoen met harten boos.

3. Haar listige tongen hoogmoedig,
Scherpen zij als slangen zeer fijn;
Onder haar lippen overvloedig
Hebben zij adderenvenijn.

4. Bewaar mij voor der bozen handen;
En mijn gangen tot dezen stond,
Voor de moedwillige vijanden,
Die mij willen brengen te grond.

5. De grootsen hebben nu met listen
Mijner ziele strikken bereid;
Opdat ze mij te vangen wisten,
In de wegen, daar Gij mij leidt.

6. Toen sprak ik met vasten betrouwen:
Gij zijt, o Heer, mijn God allein;
Verhoor mij in mijn zwaar benauwen,
Hoor de stemme mijns gebeds rein.

7. Heer! Gij zijt mijn wapen zeer krachtig,
Mijn helm als mij de nood bezwaart;
Als ik in 't veld benauwd was klachtig,
Gij hebt mij 't hoofd gedekt, bewaard.

8. Wil den bozen, Heer, niet toelaten
't Volbrengen haars voornemens fel;
Anders zouden zij die mij haten,
Hoogmoedig en stout worden snel.

9. Dat de overste onder dezen,
Die mij kwelt, toekome met kracht
Dat lijden en ellendig wezen,
Dat hij mij te doen was bedacht.

10. Dat hem kolen op den kop vallen,
En ganselijk te gronde gaan;
Sla ze met tempeest over allen,
Zodat ze niet meer op en staan.

11. De kwaadsprekende mens alommen
Zal niet lange blijven in staat;
Op den moedwilligen zal kommen
Zijn eigen aanslag en zijn raad.

12. God zal Zijn getrouwheid verklaren
Hem, die met onrecht is gekweld;
Zij, die de vromen hier bezwaren,
Worden voor Gods oordeel gesteld.

13. De vromen zullen Uwen Name
Die heerlijk is, prijzen o Heer!
D' oprechten zullen eeuwig t' zame
Bij U wonen in alle eer.

1. Bescherm mij, Heer, behoed mijn leven,
dat door geweld wordt overmand.
Bedwing hen die naar onrecht streven,
wier strijdlust elke dag ontbrandt.

2. Bescherm mij en bewaar mijn gangen.
Als adders spuwen zij venijn.
Hun tong is scherp als die van slangen.
Laat mij bij U geborgen zijn.

3. Zij maken in hun hoogmoed plannen,
beramen in hun hart geweld,
bewaar mij voor wie netten spannen
en vallen hebben opgesteld.

4. Mijn God, zeg ik, Gij kunt het keren,
hoor naar mijn stem die tot U schreit.
Sterke Verlosser, Here, Here,
mijn helm en pantser in de strijd.

5. Laat al hun plannen schipbreuk lijden.
Doorkruis hun wensen, grote God.
Zij rukken aan van alle zijden.
Verijdel Gij hun sluw complot.

6. Doe, Heer, het kwaad waarvan zij dromen
en van hun lippen het venijn
als vlammen op hen nederkomen
en als een vuur rondom hen zijn.

7. Vang z' in de netten die zij spannen,
hun eigen valkuil zij hun graf.
Heer, wil de lasteraars verbannen,
straf de geweldenaren af.

8. Ik weet: de Heer zal vonnis wijzen;
't verdrukte volk wordt opgericht.
In recht hersteld zal het Hem prijzen
en wonen voor zijn aangezicht.

1. Heer, red mij van de boze mensen,
gevreesd om hun ontaard gedrag,
die in hun hart het kwade wensen
en strijd verwekken heel de dag.

2. Hun tong is scherp als die van slangen,
hun lippen zijn vol boos venijn.
Zij volgen listig al mijn gangen,
terwijl hun woorden giftig zijn.

3. Behoed mij voor de goddelozen,
o Heer, voor mannen van geweld.
Langs al mijn paden zijn door bozen
verborgen strikken opgesteld.

4. U bent mijn God, zo wil ik spreken.
Ik smeek U dat U Zich ontfermt.
U bent voor mij het schild gebleken
dat in de strijd mijn hoofd beschermt.

5. Heer, mijn verlosser, al mijn sterkte,
vergun de goddeloze niet,
die zoveel onheil reeds bewerkte,
dat hij zijn plannen slagen ziet.

6. Vergeld aan hen die mij omringen
hun boze taal en onheil, Heer.
En al het kwaad dat zij begingen,
daal' op hun eigen hoofden neer.

7. Werp, Here, vuur neer op hen allen.
Laat kolen gloeien op hun hoofd.
Doe hen voorgoed in diepten vallen,
waarin de vlam niet wordt gedoofd.

8. Wil, Heer, het land van hem bevrijden
die laster spreekt en leugen dicht.
Doe de geweldenaar zelf lijden
door al het onheil dat hij sticht.

9. Ik weet dat in 't geding der armen
de Here zelf het pleit beslecht.
Hij doet in liefdevol erbarmen
de zaak van de verdrukten recht.

10. Oprechten zullen dan belijden
uw naam, die groot is in 't gericht,
rechtvaardigen zich zeer verblijden
en wonen voor uw aangezicht.