Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Eindelijk! Taal verandert razendsnel. Toch was de jongste officiële psalmberijming al dik 50 jaar oud. Voor de gemiddelde jongere een bijna onbegrijpelijk taalkleed. Super dat naast initiatieven als 'Psalmen voor Nu' en 'Levensliederen' er nu dit initiatief is. Lees meer »

Ds. K. de Vries | Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Ds. K. de Vries
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Lees alle quotes

Psalm 141

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, ik strek naar U beide handen
verlangend uit; verhoor en red.
Schiet mij te hulp, laat mijn gebed
als wierook geurig voor U branden.

2. Wees bij mij als ik wil gaan praten.
Geef dat ik geen onwaarheid zeg,
mijn woorden op een goudschaal leg.
Help mij het lasteren te laten.

3. Zorg dat ik mij niet laat verleiden,
dat ik niet meega in het kwaad,
niet eet en drink in overdaad
en slechte vrienden zal vermijden.

4. Van wie wijs zijn wil ik graag leren;
ik sla hun goede raad niet af.
Hun reprimande is geen straf;
ik laat me dankbaar corrigeren.

5. Als bedriegers tegen mij strijden
blijf ik volharden in gebed.
Wordt hun het kwaad betaald gezet,
dan uit ik toch mijn medelijden.

6. Ons gebeente ligt als het ware
verspreid vlak voor het open graf.
Ik wend mijn oog niet van U af
tot U mij, HEER, redt uit gevaren.

7. HEER, laat mij de val toch ontlopen,
door vijanden gezet en jaag
hen in hun eigen hinderlaag.
Houd U een uitweg voor mij open.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, ik strek naar U beide handen
verlangend uit; verhoor en red.
Schiet mij te hulp, laat mijn gebed
als wierook geurig voor U branden.

2. Wees bij mij als ik wil gaan praten.
Geef dat ik geen onwaarheid zeg,
mijn woorden op een goudschaal leg.
Help mij het lasteren te laten.

3. Zorg dat ik mij niet laat verleiden,
dat ik niet meega in het kwaad,
niet eet en drink in overdaad
en slechte vrienden zal vermijden.

4. Van wie wijs zijn wil ik graag leren;
ik sla hun goede raad niet af.
Hun reprimande is geen straf;
ik laat me dankbaar corrigeren.

5. Als bedriegers tegen mij strijden
blijf ik volharden in gebed.
Wordt hun het kwaad betaald gezet,
dan uit ik toch mijn medelijden.

6. Ons gebeente ligt als het ware
verspreid vlak voor het open graf.
Ik wend mijn oog niet van U af
tot U mij, HEER, redt uit gevaren.

7. HEER, laat mij de val toch ontlopen,
door vijanden gezet en jaag
hen in hun eigen hinderlaag.
Houd U een uitweg voor mij open.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. 'k Roep, HEER', in angst tot U gevloden,
Ai, haast U tot mijn hulp en red;
Hoor naar de stem van mijn gebed,
Daar ik U aanroep in mijn noden.

2. Mijn bee, met opgeheven handen,
Klimm' voor Uw heilig aangezicht,
Als reukwerk, voor U toegericht,
Als offers, die des avonds branden.

3. Zet, HEER', een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond,
Opdat ik mij, tot genen stond,
Iets onbedachtzaams laat' ontglippen.

4. Neig' nooit mijn hart tot kwade zaken,
Om tot godd'loosheid mij te spoen,
Met mannen, die verkeerdheid doen;
Laat mij hun lekkernij niet smaken.

5. D'oprechte sla mij zonder vrezen,
Ik reken zulks weldadigheid;
En zijn bestraffing, die niet vleit,
Zal olie op mijn schedel wezen.

6. Dat slaan zal mij het hoofd niet breken;
'k Zal, door dat liefdeblijk vermaakt,
Als een uit hen in rampspoed raakt,
Te vuur'ger om zijn redding smeken.

7. 'k Heb hunne rechters vrij gelaten;
De rots getuigt; elk heeft gehoord,
Hoe aangenaam mijn vriend'lijk woord
Was ingericht tot die mij haten.

8. Men heeft ons wreed vaneen gereten,
Verstrooid als beend'ren aan het graf,
Als iets, waar niemand acht op gaf,
Gekloofd, verdeeld, en weggemeten.

9. Doch op U zien mijn schreiend' ogen;
Op U betrouw ik in 't verdriet.
Verlaat, ontbloot mijn ziel toch niet,
O HEER', o eeuwig Alvermogen.

10. Bewaar mij voor 't geweld der strikken,
Die tot mijn val mij zijn gelegd,
Door hen, die wars van 't heilig recht,
Het boze doen all' ogenblikken.

11. Dat, die godd'loos zijn sidd'rend vrezen,
Elk hunner in zijn garen vall',
Totdat ik onverhinderd zal
Voorbijgegaan en veilig wezen.

1. Ik roep U, Heer, aan in nood niet klein,
Haast U genadelijk tot mij;
Open mij nu Uw oren vrij,
Dewijl ik roepe tot U allein.

2. Tot U klimme mijn gebed gemein,
Evenals van reukwerk zeer zoet;
Mijn handen gestrekt in ootmoed,
Ontvang als een spaad' offer zeer rein.

3. Houd altijd o Heer, toe mijnen mond;
Regeer ook mijn lippen nu meer;
Dat niets kwaads tot Uwer oneer
Daaruit komme tot eniger stond.

4. Neig mijn harte niet tot stukken loos,
Dat ik niet en hebbe te doen
Met de mensen in boosheid koen,
En niet en smake haren roof boos.

5. Dat mij de vrome vermaan eenpaar,
Ik wil 't vriendelijk dulden fijn;
Zulks zal mij op mijn hoofd ook zijn
Als een balsem liefelijk en klaar.

6. Maar zeer haast zal ik zien onverwacht
De godd'lozen in zulk ellend',
Dat ik voor hen nog in het end
Zal God moeten bidden met aandacht.

7. Als haar overheren boos en fel
Van bovenaf worden gestoord,
Dan worden mijn woorden gehoord,
Als die goed zijn en gesproken wel.

8. Gelijk 't hout en steen zijn uitgespreid,
Als men ze klieft en breekt zeer klein,
Alzo zijn onz' benen gemein
Omtrent onze graven uitgebreid.

9. O Heer! in mijn lijden en verdriet
Tot U hef ik mijn ogen vrij;
Mijn troost en mijn hope zijt Gij,
En laat mijn harte versagen niet.

10. Hoed mij, dat ik niet worde gevaan
In de strikken mij voorgesteld;
En met banden niet zij gekweld,
Die mij de bozen stedes voorslaan.

11. Zij moeten zelve wezen verstrikt
In haar eigen netten al t' zaam;
Opdat ik gezond en bekwaam,
Daarvan vrij zij en worde verkwikt.

1. U, Heer, roep ik, U geldt mijn smeken,
snel mij te hulp en hoor mij aan,
U roep ik, wil mij gadeslaan,
laat mij uw bijstand niet ontbreken.

2. Laat, Heer, mijn gebed en mijn handen
geheven zijn, tot U gericht
als reukwerk voor uw aangezicht,
als offers die des avonds branden.

3. Doe mij, Heer, te rechter tijd zwijgen,
laat mij niet spreken zonder grond,
bewaak de deuren van mijn mond,
laat niet mijn hart tot kwaad zich neigen.

4. Laat, o Heer mijn hart zich niet hechten
aan 't laag bedrijf van boos gespuis,
laat mij niet eten in hun huis
van hun verleid'lijke gerechten.

5. Slaat men mij in trouw aan de Here,
als olie op mijn hoofd zal 't zijn,
een liefdedaad, een zoete pijn
waarvan ik mij niet af zal keren.

6. Onder 't lijden zal ik nog bidden.
Gestrenge rechters, hard als steen,
Gij oordeelt hen. Ik spreek alleen
lieflijke woorden in hun midden.

7. Evenals men bij 't openbreken
der aarde 't puin terzijde gooit,
ligt ons gebeente wijd verstrooid
tussen de graven te verbleken.

8. Zo aan dood en graf prijsgegeven
hef ik tot U mijn smachtend oog,
ik schuil bij U: trek mij omhoog,
verzamel weer mijn vege leven.

9. Hoed mij voor de strik die zij spanden,
de val door bozen opgezet.
Laat zelf hen vallen in hun net
en mij ontkomen aan hun handen.

1. U, Heer, roep ik, U geldt mijn smeken,
snel mij te hulp en hoor mij aan,
U roep ik, wil mij gadeslaan,
laat mij uw bijstand niet ontbreken.

2. Laat, Heer, mijn gebed en mijn handen
geheven zijn, tot U gericht
als reukwerk voor uw aangezicht,
als offers die des avonds branden.

3. Doe mij, Heer, te rechter tijd zwijgen,
laat mij niet spreken zonder grond,
bewaak de deuren van mijn mond,
laat niet mijn hart tot kwaad zich neigen.

4. Laat, o Heer mijn hart niet hechten
aan 't laag bedrijf van boos gespuis,
laat mij niet eten in hun huis
van hun verleidlijke gerechten.

5. Slaat men mij in trouw aan de Here,
als olie op mijn hoofd zal 't zijn,
een liefdedaad, een zoete pijn
waarvan ik mij niet af zal keren.

6. Onder 't lijden zal ik nog bidden.
Gestrenge rechters, hard als steen,
Gij oordeelt hen. Ik spreek alleen
lieflijke woorden in hun midden.

7. Evenals men bij 't openbreken
der aarde 't puin terzijde gooit,
ligt ons gebeente wijd verstrooid
tussen de graven te verbleken.

8. Zo aan dood en graf prijsgegeven
hef ik tot U mijn smachtend oog,
ik schuil bij U: trek mij omhoog,
verzamel weer mijn vege leven.

9. Hoed mij voor de strik die zij spanden,
de val door bozen opgezet.
Laat zelf hen vallen in hun net
en mij ontkomen aan hun handen.