Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Eindelijk! Taal verandert razendsnel. Toch was de jongste officiële psalmberijming al dik 50 jaar oud. Voor de gemiddelde jongere een bijna onbegrijpelijk taalkleed. Super dat naast initiatieven als 'Psalmen voor Nu' en 'Levensliederen' er nu dit initiatief is. Lees meer »

Ds. K. de Vries | Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Ds. K. de Vries
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Lees alle quotes

Psalm 144

De nieuwe psalmberijming

1. Ik prijs de HEER, mijn rots, die mij wil leren
hoe ik mijn zwaard slagvaardig moet hanteren.
Hij is mijn burcht, Hij biedt mij veiligheid.
Hij is mijn schild, met Hem win ik de strijd.
Ik ben verwonderd, HEER, wat is de reden
dat U aan mensen aandacht wilt besteden?
Ons leven is maar kort, een zucht zijn wij;
net als een schaduw gaan we snel voorbij.

2. HEER, buig uw hemel om bij ons te komen.
Laat hete lava uit de bergen stromen.
Sla met uw bliksemschichten om U heen;
Drijf al mijn vijanden met vuur uiteen.
Reik mij uw hand, zodat ik die kan pakken;
een stroom bedrog doet mij naar adem snakken.
Mijn tegenstanders strooien leugens rond.
Stop hun gelieg, snoer hun voorgoed de mond.

3. Voor U, God, zal ik dankbaar musiceren;
ik zing een gloednieuw lied om U te eren.
U redde koningen uit doodsgevaar;
voor mij, uw dienaar, stond U altijd klaar.
Red mij ook nu, de vijand wil mij doden.
Ik zie geen uitweg, er is haast geboden.
Mijn tegenstanders strooien leugens rond.
Stop hun gelieg, snoer hun voorgoed de mond.

4. Laat onze zonen zijn als groene loten,
als jonge planten, snel omhoog geschoten.
Laat onze dochters slank en sierlijk zijn,
zoals pilaren op het tempelplein.
Geef ons veel vee en schuren vol met vruchten.
Zorg dat geen mens het land uit hoeft te vluchten.
Gelukkig is het volk als God dit geeft.
Gelukkig wie de HEER als koning heeft.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Ik prijs de HEER, mijn rots, die mij wil leren
hoe ik mijn zwaard slagvaardig moet hanteren.
Hij is mijn burcht, Hij biedt mij veiligheid.
Hij is mijn schild, met Hem win ik de strijd.
Ik ben verwonderd, HEER, wat is de reden
dat U aan mensen aandacht wilt besteden?
Ons leven is maar kort, een zucht zijn wij;
net als een schaduw gaan we snel voorbij.

2. HEER, buig uw hemel om bij ons te komen.
Laat hete lava uit de bergen stromen.
Sla met uw bliksemschichten om U heen;
Drijf al mijn vijanden met vuur uiteen.
Reik mij uw hand, zodat ik die kan pakken;
een stroom bedrog doet mij naar adem snakken.
Mijn tegenstanders strooien leugens rond.
Stop hun gelieg, snoer hun voorgoed de mond.

3. Voor U, God, zal ik dankbaar musiceren;
ik zing een gloednieuw lied om U te eren.
U redde koningen uit doodsgevaar;
voor mij, uw dienaar, stond U altijd klaar.
Red mij ook nu, de vijand wil mij doden.
Ik zie geen uitweg, er is haast geboden.
Mijn tegenstanders strooien leugens rond.
Stop hun gelieg, snoer hun voorgoed de mond.

4. Laat onze zonen zijn als groene loten,
als jonge planten, snel omhoog geschoten.
Laat onze dochters slank en sierlijk zijn,
zoals pilaren op het tempelplein.
Geef ons veel vee en schuren vol met vruchten.
Zorg dat geen mens het land uit hoeft te vluchten.
Gelukkig is het volk als God dit geeft.
Gelukkig wie de HEER als koning heeft.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Gezegend zij de HEER', die t' allen tijde
Mijn rotssteen is, mijn handen leert ten strijde,
En tot den krijg mijn vingers toebereidt;
Mijn hoge burcht, mijn goedertierenheid;
Die mij bevrijdt; mijn schild, op Wiens vermogen
Ik vast vertrouw; Wiens arm mij wil verhogen;
Die heerschappij en roem en sterkte geeft,
En die mijn volk mij onderworpen heeft.

2. Wat is de mens? Wat is in hem te prijzen,
Dat Gij, o HEER', hem gunsten wilt bewijzen,
Dat Gij hem kent? Wat is des mensen kind,
Dat Gij het acht en zo getrouw bemint?
Hij mag den naam van ijdelheid wel dragen;
Zijn tijd is kort, en al zijn levensdagen,
Hoe groot, hoe sterk hij op deez' aarde zij,
Gaan snel, gelijk een schaduwe, voorbij.

3. Daal neder; neig in gramschap fel ontstoken,
Uw heem'len, raak de bergen, dat zij roken,
En bliksem, HEER', Uw bliksems op den grond!
Verstrooi hen; zend Uw pijlen uit in 't rond;
Verniel hen; steek Uw handen uit den hogen;
Ontzet mij, toon Uw Godd'lijk alvermogen,
En ruk mij uit een zee van ramp en nood;
Der vreemden hand dreigt mij een wissen dood.

4. Hun mond is vol van last'ren, en van liegen,
Hun rechterhand bevlekt zich met bedriegen.
Ik heilig U, na al mijn zielsverdriet,
Getrouwe God, een nieuw en vrolijk lied;
Ook zal mijn luit en harp van U niet zwijgen,
Die koningen de zege doet verkrijgen;
Die Uwen knecht, die David gunstig redt,
En door Uw arm van 't boze zwaard ontzet.

5. Ontzet mij, red mij uit der vreemden handen,
Wier leugenmond mij wreev'lig aan durft randen;
Hun rechterhand wordt door de list bestierd;
Daar z' aan 't bedrog den ruimen teugel viert.
Zo zullen zich, als planten, onze zonen,
In hunne jeugd reeds groot en sterk vertonen;
De dochters zijn, als stenen, naar den eis
Gehouwen, op de hoeken eens paleis.

6. Zo word', in 't land de handel ruim gedreven,
En voorraad steeds na voorraad uitgegeven:
Zo blijk' Uw gunst, die 't vee in overvloed,
Bij duizend, ja tienduizend werpen doet.
Ons rundervee zij sterk en wel geladen;
Geen uitval of geen inbreuk moog' ons schaden;
Dat geen gekrijs de rust der stad verstoor',
Noch iemand daar van bozen oproer hoor'.

7. Welzalig is het volk, dat, dus gezegend,
Dit heug'lijk lot door 's Hemels gunst bejegent;
Welzalig is het volk, dat bij 't genot
Van overvloed, den HEER' heeft tot zijn God.

1. Geloofd zij God, mijn troost tot alle tijden,
Die mijn handen zeer sterkelijk leert strijden,
Die mijn vingeren leert krijgen zo wel,
Wiens goedheid mij bewaart, en niemand el.
Hij is mijn burcht, mijn steen, mijn heil alleine,
Mijn schild, daarop ik betrouwe zeer reine;
Hij is 't, Die (spijt der vijanden geweld)
Dit volk onder mijn koninkrijke stelt.

2. Wat is toch, Heere, de mens vol ellenden,
Dat Gij U tot hem goediglijk wilt wenden?
Wat heeft de mens met zijn kind'ren voor kracht,
Dat Gij, o Heer, op hem wilt hebben acht?
De mense mag, als men 't recht wil uitspreken,
Bij een niet met rechte zijn vergeleken;
Zijn dagen al, hoe heerlijk dat ze zijn,
Vergaan haast als ener schaduwe schijn.

3. Buig den hemel, wil toch, Heer, nederkommen;
Sla de bergen, dat ze roken alommen;
Werp bliksem uit, verstrooid de bozen al;
Schiet Uw geschut los en breng ze ten val,
Wil mij de hand bieden en mij bevrijden
Uit dit water en uit dit grote lijden,
Van de bozen maak mij toch Heere kwijt,
Van de vreemde bastaarden nu ter tijd.

4. Hare mond spreekt leugenachtige dingen.
Veel valsheid met de handen zij volbringen;
Maar ik wil U, Heer, zingen een nieuw lied,
Op mijn harp en psalter zonder verdriet.
Gij zijt de Heer, Die daar behoedt en sparet
De koningen, en zeer vlijtig bewaret
Uwen knecht David voor de zwaarden fel
Die over hem getrokken waren snel.

5. Verlos mij Heer, bevrijd mij voor de handen
Der vreemden en der bastaarden vijanden;
Want hare mond spreekt steeds niet dan valsheid,
Haar handen werken ongerechtigheid.
Laat onz' zonen jeugdig als jonge planten
Opwassen in sterkheid aan alle kanten;
Laat onz' dochters als pilaren opgaan,
Die in der koningen schoon huizen staan.

6. Laat onz' huizen zijn vol voorraad geprezen,
En onz' schaapkens vermenigvuldigd wezen,
Met veel duizenden in zeer groot getal,
Ja met tienduizenden hier overal.
Laat onz' ossen sterk wezen om te trekken,
En wil geen schaad' over ons toch verwekken;
Dat op onze straten geen klagen zij,
Geen ongeluk of verlies zij ons bij.

7. Wel dien volke, denwelke God zulks gevet,
En in stilheid zoo vredelijken levet;
Ja gelukzalig is 't volk in 't gemein,
't Welk den Heer houdt voor zijnen God allein.

1. Gezegend zij de Heer, die t' allen tijde
mijn toevlucht is, mijn hand leert hoe te strijden,
die voor 't gevecht mijn vingers vaardig maakt!
Hij is mijn burcht, die van de bergen waakt.
Gezegend Hij, de redder van mijn leven,
schild dat mij dekt, mijn vesting hoogverheven.
Gezegend zij de Heer, die mij behoedt
en die de volken brengt onder mijn voet.

2. Wat is de mens, o Heer? hoe hebt Gij reden
aan mensenkind'ren aandacht te besteden,
voor hen te zorgen, vriendelijk en mild?
Wat is de mens, dat Gij hem kennen wilt?
Een damp die uit de bodem komt gerezen
en voor de zon verdwijnt, zo is zijn wezen;
zo vluchtig als zijn adem is zijn tijd,
zijn leven als een schaduw die verglijdt.

3. Daal neder, dat de heem'len openrijten!
Beroer de bergen, dat zij rokend splijten!
Slinger de pijlen van uw bliksem neer,
verstrooi de groten door uw gramschap, Heer!
Reik mij uw hand, o Here hoogverheven,
ontworstel aan de wateren mijn leven,
ontruk mij aan de vreemden en hun nijd,
wier hand mij treft, terwijl hun mond mij vleit.

4. Een schoon nieuw lied wil in mijn ziel ontspringen,
ik zal de snaren van mijn harp doen zingen.
O God, die vorsten in de vrijheid zet,
David, uw knecht, hebt van het zwaard gered,
Grootmachtige, die bergen kunt verzetten,
de watervloed het kolken kunt beletten,
ontruk mij aan de vreemden en hun nijd,
wier hand mij treft, terwijl hun mond mij vleit.

5. Maak onze zonen, Heer, als jonge loten,
als bomen in hun jeugd hoog opgeschoten,
laat onze dochters ranke zuilen zijn
van een paleis dat blinkt in zonneschijn.
Geef dat op onze pleinen niemand klage,
behoed de kudden, doe de rund'ren dragen,
verduizendvoudig 't vee, in veld en wei,
vul onze schuur- maak ons van zorgen vrij.

6. Gelukkig is het volk dat t' allen tijde
staat maken mag, o Heer, op uw geleide.
Gelukkig 't volk, waaraan Gij welvaart geeft,
het volk dat U, o God, tot Koning heeft!

1. Gezegend zij de Heer, die t' allen tijde
mijn toevlucht is, mijn hand leert hoe te strijden,
die voor 't gevecht mijn vingers vaardig maakt!
Hij is mijn burcht, die van de bergen waakt.
Gezegend Hij, de redder van mijn leven,
schild dat mij dekt, mijn vesting hoogverheven.
Gezegend zij de Heer, die mij behoedt
en die de volken brengt onder mijn voet.

2. Wat is de mens, o Heer? hoe hebt Gij reden
aan mensenkind'ren aandacht te besteden,
voor hen te zorgen, vriendelijk en mild?
Wat is de mens, dat Gij hem kennen wilt?
Een damp die uit de bodem komt gerezen
en voor de zon verdwijnt, zo is zijn wezen;
zo vluchtig als zijn adem is zijn tijd,
zijn leven als een schaduw die verglijdt.

3. Daal neder, dat de heem'len openrijten!
Beroer de bergen, dat zij rokend splijten!
Slinger de pijlen van uw bliksem neer,
verstrooi de groten door uw gramschap, Heer!
Reik mij uw hand, o Here hoogverheven,
ontworstel aan de wateren mijn leven,
ontruk mij aan de vreemden en hun nijd,
wier hand mij treft, terwijl hun mond mij vleit.

4. Een schoon nieuw lied wil in mijn ziel ontspringen,
ik zal de snaren van mijn harp doen zingen.
O God, die vorsten in de vrijheid zet,
David, uw knecht, hebt van het zwaard gered,
Grootmachtige, die bergen kunt verzetten,
de watervloed het kolken kunt beletten,
ontruk mij aan de vreemden en hun nijd,
wier hand mij treft, terwijl hun mond mij vleit.

5. Maak onze zonen, Heer, als jonge loten,
als bomen in hun jeugd hoog opgeschoten,
laat onze dochters ranke zuilen zijn
van een paleis dat blinkt in zonneschijn.
Geef dat op onze pleinen niemand klage,
behoed de kudden, doe de rund'ren dragen,
verduizendvoudig 't vee, in veld en wei,
vul onze schuur- maak ons van zorgen vrij.

6. Gelukkig is het volk dat t' allen tijde
staat maken mag, o Heer, op uw geleide.
Gelukkig 't volk, waaraan Gij welvaart geeft,
het volk dat U, o God, tot Koning heeft!