Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

In onze gemeente willen we graag de psalmen blijven zingen. Het zijn prachtige liederen waarin allerlei aspecten van het leven met God bezongen worden. Helaas was de mooie inhoud soms in lastige of ouderwetse taal verstopt. De Nieuwe Psalmberijming helpt om te begrijpen wat we zingen. Lees meer »

Ds. E.C. Vreugdenhil | Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Ds. E.C. Vreugdenhil
Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Lees alle quotes

Psalm 21

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, indrukwekkend is uw kracht!
Daarover juicht de koning.
Aan U dankt hij zijn kroning!
Zijn wens hebt U tot stand gebracht.
Als machtig eerbetoon
siert hem een gouden kroon.

2. Hij vroeg U leven en die tijd
hebt U royaal gegeven:
voor eeuwig mag hij leven.
U geeft hem glans en majesteit.
Uw goddelijk gezicht
zet hem in stralend licht.

3. Hij wankelt niet, hij bouwt op God.
Uw liefde zal hem dragen.
Zijn vijand wordt verslagen.
Wie met de Allerhoogste spot
ontkomt niet aan zijn hand,
niet aan zijn toorn die brandt.

4. Gods tegenstanders wacht de straf:
Hij zal hen ruïneren,
zijn vuur zal hen verteren.
Het nageslacht dat Hij hun gaf
wordt door die gloed verjaagd,
volkomen weggevaagd.

5. Kwaad dat door hen is uitgedacht,
het heeft geen kans van slagen.
Uw hand zal hen verjagen.
Verhef U, HEER, groot is uw kracht!
Dan klinkt ons hoogste lied,
uw macht verandert niet.

Tekst: Bob Vuijk

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, indrukwekkend is uw kracht!
Daarover juicht de koning.
Aan U dankt hij zijn kroning!
Zijn wens hebt U tot stand gebracht.
Als machtig eerbetoon
siert hem een gouden kroon.

2. Hij vroeg U leven en die tijd
hebt U royaal gegeven:
voor eeuwig mag hij leven.
U geeft hem glans en majesteit.
Uw goddelijk gezicht
zet hem in stralend licht.

3. Hij wankelt niet, hij bouwt op God.
Uw liefde zal hem dragen.
Zijn vijand wordt verslagen.
Wie met de Allerhoogste spot
ontkomt niet aan zijn hand,
niet aan zijn toorn die brandt.

4. Gods tegenstanders wacht de straf:
Hij zal hen ruïneren,
zijn vuur zal hen verteren.
Het nageslacht dat Hij hun gaf
wordt door die gloed verjaagd,
volkomen weggevaagd.

5. Kwaad dat door hen is uitgedacht,
het heeft geen kans van slagen.
Uw hand zal hen verjagen.
Verhef U, HEER, groot is uw kracht!
Dan klinkt ons hoogste lied,
uw macht verandert niet.

Tekst: Bob Vuijk

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. O HEER', de Koning is verheugd
Om Uw geducht vermogen;
Uw heil zweeft hem voor d' ogen,
En met wat blijde zielevreugd
Zal hij, door al Uw daan.
Verrukt, ten reie gaan!

2. Wat hij U smeekt, uit 's harten grond
En al zijn rein verlangen,
Hebt Gij hem doen ontvangen.
Ook hebt Gij d' uitspraak van zijn mond,
Al wat hij heeft begeerd;
Geweigerd, noch geweerd.

3. Gij, die hem gunstig hebt gered,
Zijt hem met volle stromen
Van zegen voorgekomen.
Ook hebt Gij hem op 't hoofd gezet,
Hem, die op U betrouwt,
Een kroon van 't fijnste goud.

4. Hij heeft, O God, van U begeerd
Het onvergank'lijk leven;
Gij hebt het hem gegeven.
Zo zijn de dagen hem vermeerd,
Zo leeft de Vorst altoos,
Zo leeft hij eindeloos.

5. Hoe groot en schitt'rend is zijn eer,
Door 't heil, aan hem bewezen!
Hoe is zijn roem gerezen!
O alvermogend, Opperheer,
Wat glans, wat majesteit.
Hebt Gij dien Vorst bereid!

6. Gewis, Gij zult, all' eeuwen door
Hem met Uw gunst verzellen,
En tot een zegen stellen.
Ja, Gij geleidt hem op het spoor
Der vreugde, bij het licht
Van 't Godd'lijk aangezicht.

7. De Koning rust op Uwe trouw,
O eeuwig Opperwezen.
Uw goedheid, nooit volprezen,
Duldt niet, dat hij ooit wank'len zou.
Neen, d' Allerhoogste zal
Hem hoeden voor den val.

8. Uw sterke hand zal onverwacht
Al Uwe haters vinden.
Uw wraak zal hen verslinden.
Uw rechterhand zal eens met kracht,
Vernielen en verslaan
Hen, die Uw rijk weerstaan.

9. Dan doet Uw toornig aangezicht
Hen, als een oven roken,
Door 't heetste vuur ontstoken.
Dan wordt in 's HEEREN strafgericht,
De gloed, die hen verteert,
Met vlam op vlam vermeerd.

10. De vruchten van hun huw'lijksbed
Zult Gij van d' aard verderven,
En doen door rampen sterven.
Totdat men, waar men zoek' of lett',
Geen nakroost meer bespeurt,
Dat hunnen dood betreurt.

11. Want tegen U heeft dit geslacht
Een godd'loos kwaad besloten
En met zijn bondgenoten,
Een schandelijke daad bedacht,
Doch al dat listig woen,
Zal leed noch hinder doen.

12. Want Uw alziend en toornig oog
Zal hen ten doelwit zetten.
Gij zult Uw pijlen wetten,
En doen ze, van Uw stalen boog,
Tot hun verderf gericht;
Hun vliegen in 't gezicht.

13. Verhoog, o HEER', Uw naam en kracht;
Zo zal ons vrolijk zingen
Door lucht en wolken dringen.
Zo wordt Uw heerschappij en macht
Door ons, nog eeuwen lang,
Geloofd met psalmgezang.

1. De koning zal zeer zijn verheugd,
Dat hij door Uw hand krachtig
Verlost is, Heer almachtig!
Hoe vol zal hij wezen der vreugd,
Ziende dat hij gewis
Door Uw kracht bevrijd is.

2. Zijnen lust en begeren al,
Zo gij dat overlegget,
Heer! Gij hem niet ontzegget.
En al dat hij U bidden zal,
Daarvan hij doet vermaan,
Zal hij van U ontvaan.

3. Want eer hij bidt, zijnde benauwd,
Maakt Gij hem, Heere goedig,
Met rijkdom overvloedig.
Een krone van gelouterd goud
Maakt Gij hem, die Gij stelt
Op 't hoofd, midden in 't veld.

4. Hij begeerde toch anders niet,
Dan dat Gij hem woudt geven,
Slechts enen tijd om leven.
Gij hebt hier boven (zo men ziet)
Hem vergund overvloed,
Ja 't eeuwig leven zoet.

5. Door Uw goedheid maakt Gij altijd,
Dat zijnen goeden name
Wijd verbreid werd bekwame;
Want Gij, Heer, Die goedertier zijt,
Hem prijs en ere wilt
Altijd geven zeer mild.

6. Gij versiert hem, dat hij hier naar
Enen spiegel zal wezen
Uwer goedheid geprezen;
Gij hebt Hem verheuget voorwaar,
En zijn harte verlicht
Door Uw lieflijk gezicht.

7. Opdat de koning zij bevrijd
In zijn leed en benauwen
Op God staat zijn vertrouwen;
Van God wacht hij hulp in den strijd;
Door welken hij eenpaar
Vast blijft zonder gevaar.

8. Uw hand is sterk genoeg om slaan,
Ja om neder te vellen,
Die hen tegen U stellen.
Zij werden ook tot niet gedaan,
Die Uwen prijs en eer
Hebben verachtet, Heer.

9. Uw gramschap hen verslinden zal
Als enen heten oven,
Onder vol vuurs en boven;
Zij werden ook verdorven al
Van U, daar men op ziet,
Werden z' gebracht tot niet.

10. Uitgeroeid werden zij met een,
Van der aarde met machte,
Zij en al haar geslachte,
Daar en werd gedachtenis geen,
Noch gewag vroeg of spaad',
Van haren stamme kwaad.

11. Omdat ze hebben onderstaan
Den koning te beschaden
Met allerlei boosdaden,
Tegen U zij met list raadslaan;
Maar daar werd door haar kracht
Niets bijzonders volbracht.

12. Al waar 't dat de booz' opgericht,
Te zaam tegen U kwamen,
Gij zoudt ze haast beschamen.
Gij zult ze schieten in 't aanzicht;
Daarop hebt Gij gemikt
En Uwen boog geschikt.

13. Daarom maak U toch op, o Heer!
Wil met ernst nu bewijzen
Uw kracht, niet om volprijzen;
Opdat wij altijd, t' Uwer eer,
Prijzen ons leven lang
Uwe macht met lofzang.

1. O Heer, de koning is verheugd!
Hij wil uw almacht prijzen,
U juichend dank bewijzen.
Gij schonk hem dapperheid en deugd.
Gij hebt op zijn gebed
hem door uw hulp gered.

2. Gij zijt hem tegemoet gegaan
met rijke zegeningen.
Gij hebt in alle dingen
zijn diepste hartewens verstaan.
Gij hebt u mild betoond:
Gij hebt uw knecht gekroond.

3. Al wat de koning had begeerd
van U, o God, was leven;
en Gij hebt hem gegeven
een leven dat de tijd trotseert,
een leven voor altijd
in onvergank'lijkheid.

4. Groot wordt zijn roem, zo Gij hem helpt.
Hij zal naar alle zijden
het heilzaam licht verspreiden
waarmede Gij hem overstelpt.
Vertrouwend op zijn Heer
wankelt hij nimmermeer.

5. Moge uw hand de vijand slaan
en roken doen zijn landen.
Moge Gods toorn ontbranden
en 't boos geslacht doen ondergaan.
Dan zal de aarde rein,
bevrijd de mensheid zijn.

6. Spant ook d' onzaalge nog een strik
om U ten val te brengen,
hij zal het niet volbrengen,
ja hij zal vluchten voor uw blik
die Gij op zijn gezicht
als pijlen houdt gericht.

7. Verhef U in uw kracht, o Heer,
toon uw geducht vermogen
aan sterfelijke ogen.
Wij willen zingen tot uw eer,
willen uw wondermacht
lofzingen dag en nacht.

1. O Heer, de koning is verblijd.
Hoe juicht hij om uw sterkte,
het heil dat U bewerkte.
Zijn hartewens werd werklijkheid,
de bede van uw knecht
hebt U hem niet ontzegd.

2. U schenkt de vorst wat U belooft
en treedt hem met uw zegen
op al zijn paden tegen.
Uw eigen hand plaatst op zijn hoofd
als kostbaar eerbetoon
een gouden koningskroon.

3. Hij heeft het leven U gevraagd.
U hebt aan hem gegeven
een onverganklijk leven.
U zorgt dat hem een toekomst daagt,
vol eer en majesteit,
vol vreugd en Heerlijkheid.

4. U bent het, Heer, die hem verblijdt;
op U is zijn vertrouwen,
wie hem ook mag benauwen.
Want door uw goedertierenheid
staat hij onwankelbaar,
zelfs in het grootst gevaar.

5. Uw rechterhand verschijnt met kracht
en zal uw haters vinden,
uw vuur zal hen verslinden.
Ja, U verdelgt hun nageslacht,
zodat geen mensenkind
een spoor nog van hen vindt.

6. Al wat men tegen U beraamt,
is slechts een ijdel pogen:
zij zullen niets vermogen.
De vijand vlucht geheel beschaamd,
daar U op zijn gezicht
uw pijlen hebt gericht.

7. O Heer, verhef U in uw kracht.
Wij zullen U dan prijzen,
U altijd eer bewijzen.
Bezingen zullen wij Uw macht,
U loven levenslang
met psalm en lofgezang.