Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Eindelijk! Taal verandert razendsnel. Toch was de jongste officiële psalmberijming al dik 50 jaar oud. Voor de gemiddelde jongere een bijna onbegrijpelijk taalkleed. Super dat naast initiatieven als 'Psalmen voor Nu' en 'Levensliederen' er nu dit initiatief is. Lees meer »

Ds. K. de Vries | Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Ds. K. de Vries
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Lees alle quotes

Psalm 22

De nieuwe psalmberijming

1. Mijn God, mijn God, waarom verlaat U mij?
Waarom gaat U aan mijn geroep voorbij?
‘Mijn God’, smeek ik voortdurend, ‘maak mij vrij.’
Niets laat U horen.
Mijn rusteloze klagen gaat verloren.
Ik smacht naar U, die op ons lied wil tronen.
Heilige Heer, die bij uw volk wilt wonen -
waar blijft U nu?

2. Ons voorgeslacht verloste U altijd.
Zij hielden vast aan uw betrouwbaarheid
en inderdaad, U heeft hen steeds bevrijd
wanneer zij baden.
Voor mij is er geen kruimeltje genade.
Veracht, bespot kruip ik over de aarde.
Ik ben een worm, zo zwak en zonder waarde,
vertrapt door God.

3. De mensen kijken op mijn toestand neer.
Ze grijnzen: ‘Richt je nu maar op de HEER.
Als Hij je mag, helpt Hij je vast een keer
uit de ellende.’
Vanaf mijn jeugd kon ik mij tot U wenden.
Sinds het begin voorzag U in mijn noden,
heeft U mij steun en zorgzaamheid geboden.
Grijp nu ook in.

4. Benauwdheid groeit en ik ben zielsalleen.
Er lopen wilde stieren om mij heen.
Een leeuwentroep, roofzuchtig en gemeen,
wil mij verscheuren.
Mijn hart is zwak, door niets meer op te beuren.
Droog als een scherf voel ik mezelf bezwijken.
Mijn botten kraken en mijn krachten wijken.
O God, ik sterf.

5. Als wrede honden drijven ze mij voort.
Mijn handen en mijn voeten zijn doorboord.
Ze spelen om mijn kleren, ongestoord.
Ik hang te schande.
Kom snel, HEER, red mij uit hun leeuwentanden.
Verhoor mij toch, ik smeek U haast te maken.
HEER, laat hun stierenhorens mij niet raken.
Antwoord alsnog.

6. U antwoordt toch! Ik zal U prijzen, HEER.
Te midden van uw volk geef ik U eer,
want U bent goed: U komt in het geweer
tegen de slechten.
Breng lof aan de verheven HEER, oprechten!
Want Hij bereidt een feest voor arme slaven.
Wie naar Hem zoekt, mag leven van zijn gaven
in eeuwigheid.

7. Men zal de HEER gedenken, overal.
De dag komt dat de wereld buigen zal
voor Hem die koning is van het heelal,
van alle leven.
Zelfs doden zullen Hem dan hulde geven.
Een nieuw geslacht zal al zijn daden prijzen
en aan zijn recht en goedheid eer bewijzen:
het is volbracht.

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Mijn God, mijn God, waarom verlaat U mij?
Waarom gaat U aan mijn geroep voorbij?
‘Mijn God’, smeek ik voortdurend, ‘maak mij vrij.’
Niets laat U horen.
Mijn rusteloze klagen gaat verloren.
Ik smacht naar U, die op ons lied wil tronen.
Heilige Heer, die bij uw volk wilt wonen -
waar blijft U nu?

2. Ons voorgeslacht verloste U altijd.
Zij hielden vast aan uw betrouwbaarheid
en inderdaad, U heeft hen steeds bevrijd
wanneer zij baden.
Voor mij is er geen kruimeltje genade.
Veracht, bespot kruip ik over de aarde.
Ik ben een worm, zo zwak en zonder waarde,
vertrapt door God.

3. De mensen kijken op mijn toestand neer.
Ze grijnzen: ‘Richt je nu maar op de HEER.
Als Hij je mag, helpt Hij je vast een keer
uit de ellende.’
Vanaf mijn jeugd kon ik mij tot U wenden.
Sinds het begin voorzag U in mijn noden,
heeft U mij steun en zorgzaamheid geboden.
Grijp nu ook in.

4. Benauwdheid groeit en ik ben zielsalleen.
Er lopen wilde stieren om mij heen.
Een leeuwentroep, roofzuchtig en gemeen,
wil mij verscheuren.
Mijn hart is zwak, door niets meer op te beuren.
Droog als een scherf voel ik mezelf bezwijken.
Mijn botten kraken en mijn krachten wijken.
O God, ik sterf.

5. Als wrede honden drijven ze mij voort.
Mijn handen en mijn voeten zijn doorboord.
Ze spelen om mijn kleren, ongestoord.
Ik hang te schande.
Kom snel, HEER, red mij uit hun leeuwentanden.
Verhoor mij toch, ik smeek U haast te maken.
HEER, laat hun stierenhorens mij niet raken.
Antwoord alsnog.

6. U antwoordt toch! Ik zal U prijzen, HEER.
Te midden van uw volk geef ik U eer,
want U bent goed: U komt in het geweer
tegen de slechten.
Breng lof aan de verheven HEER, oprechten!
Want Hij bereidt een feest voor arme slaven.
Wie naar Hem zoekt, mag leven van zijn gaven
in eeuwigheid.

7. Men zal de HEER gedenken, overal.
De dag komt dat de wereld buigen zal
voor Hem die koning is van het heelal,
van alle leven.
Zelfs doden zullen Hem dan hulde geven.
Een nieuw geslacht zal al zijn daden prijzen
en aan zijn recht en goedheid eer bewijzen:
het is volbracht.

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij,
En redt mij niet, terwijl ik zwoeg en strij',
En brullend klaag in d' angsten die ik lij'?
Dus fel geslagen?
't Zij ik, mijn God , bij dag moog' bitter klagen.
Gij antwoordt niet; 't Zij ik des nachts moog' kermen.
Ik heb geen rust, ook vind ik geen ontfermen,
In mijn verdriet.

2. 'k Erken nochtans, Gij, Gij zijt heilig, HEER',
En hebt Uw huis, den zetel Uwer eer.
Bij Isrel, daar Uw lof klinkt keer op keer,
In gunst doen bouwen.
Op U stond vast der vaderen betrouwen:
Gij zaagt hen aan, Gij hebt, wanneer z' in noden
Tot U om hulp, vertrouwend, zijn gevloden,
Hen bijgestaan.

3. U smeekten zij, van mensenhulp ontbloot,
En zijn gered; zij hebben in hun nood
Op U vertrouwd, van schaamte nimmer rood,
Na hun gebeden.
Maar ik, ik ben een worm, van elk vertreden;
Een worm, geen man; een spot en smaad van mensen;
Wien 't boze volk, naar zijn baldadig wensen,
Beschimpen kan.

4. Al wie mij ziet, bespot mij, boos te moe.
Men schudt het hoofd, men steekt de lip mij toe,
Daar ik 't gebed tot God vertrouwend doe,
Moet ik nog horen:
"Dat God, op Wien hij steunt, hem gunstig' oren
Verleen', hem redd';
En hem, in wien Hij heeft Zijn lust genomen,
In ruimte zet'."

5. Gij immers, HEER', Gij zijt het, door Wiens macht
Ik uit den buik weleer ben voortgebracht.
Aan 's moeders borst vertrouwd' ik op Uw kracht
Van ganser harte.
Zij wierp mij reeds op U, in barenssmarte
Gans onbevreesd; 'k Mocht nauw'lijks 't licht aanschouwen,
Of Gij, Gij zijt, o grond van mijn vertrouwen,
Mijn God geweest.

6. Wees dan mijn hulp; houd U niet ver van mij;
Mij prangt de nood, benauwdheid is nabij;
'k Heb buiten U, daar ik zo bitter lij',
Geen hulp te wachten.
Een stierenheir uit Bazan, sterk van krachten,
En fel verwoed, ' aan alle zijden.
Mijn God, hoe zwaar, hoe smart'lijk valt dit lijden
Voor mijn gemoed!

7. Zij rukken aan, met opgesperden mond,
Gelijk een leeuw, al brullend in het rond.
Ik vloei daarheen als waat'ren op den grond,
Die zich verspreiden.
Mijn beend'ren zijn in mij vaneen gescheiden,
O dood'lijk uur, !
Mijn hart is week, en smelt in d' ingewanden,
Als was voor 't vuur.

8. Mijn kracht is, als een scherf, van sap beroofd.
Mijn tong kleeft in mijn mond, door dorst gekloofd.
Gij zult eerlang mij, door den dood, het hoofd
In 't stof doen bukken.
Want van rondom zie 'k honden samenrukken;
Een muitgespan ,
Mijn handen en mijn voeten doen doorboren,
Zo fel het kan.

9. Mijn beend'ren kan ik tellen, een voor een.
Hun boos gezicht beschouwt dit wel tevreen.
Z' ontzien zich niet, om met mijn tegenheen,
Hun geest te strelen,
En onder zich mijn kleed'ren te verdelen;
Verhard in 't kwaad, .
Zij werpen 't lot, wat ieder zal genieten
Van mijn gewaad.

10. Maar Gij, o HEER', tot Wien mijn ziel zich keert,
Sta niet van ver; mijn God, die 't al regeert.
Ai, haast U toch ter hulp; ik word verteerd
Door al d' ellenden.
Red mijne ziel van 't zwaard dier boze benden,
Die schrikk'lijk woen; , red haar uit hun handen,
Daar z' eenzaam ducht 't geweld des honds, wiens tanden
Haar sidd'ren doen.

11. Verlos mij van den leeuw, die woedt en tiert.
Verhoor mij, HEER', en red mij van 't gediert',
Dat, sterk van hoorn, rondom mij henen zwiert;
Mij staat naar 't leven,
Dan word Uw Naam door mij met roem verheven;
'k Zal Uwen lof .
'k Heb, in Uw huis bij al mijn metgezellen,
Dan prijzensstof.

12. Gij, die God vreest, gij allen prijst den HEER';
Dat Jakobs zaad Zijn groten Naam vereer';
Ontzie Hem toch, o Israel, en leer
Vertrouwend wachten.
Wie mij veracht', God wou mij niet verachten,
Noch oor noch oog ;
Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d' ellenden
Riep naar omhoog.

13. Ik loof eerlang U in een grote schaar,
En, wat ik U beloofd' in 't heetst gevaar,
Betaal ik, op het heilig dankaltaar,
Bij die U vrezen,
't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,
Ten dis geleid, , zal Hem prijzen.
Zo leev' Uw hart, door 's hemels gunstbewijzen,
In eeuwigheid.

14. Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;
Haast wendt het zich tot God met hart en mond;
En, waar men ooit de wildste volken vond,
Zal God ontvangen
Aanbidding, eer en dankb're lofgezangen,
Want Hij regeert, ;
Hij heerst, zover de blindste heid'nen wonen,
Tot Hem bekeerd.

15. Wie vet is, eet, en knielt voor Isrels HEER';
Wie 't stof bewoont, bukt mede voor Hem neer;
En wie zijn ziel bij 't leven nu niet meer
Heeft kunnen houden.
Het vrome zaad van die op God betrouwden
Zal, door Zijn kracht, Hem dienen, voor Hem leven.
Het zal den HEER' eens worden aangeschreven,
ln 't nageslacht.

16. Zij komen aan, door Godd'lijk licht geleid,
Om 't nakroost, dat den HEER' wordt toebereid,
Te melden 't heil van Zijn gerechtigheid
En grote daden.

1. Waarom verlaat Gij Mij, Mijn God, Mijn Heer?
Ver is Uw hulp, doch ben Ik benauwd zeer;
Verre hebt Gij Mijn klachten versteken,
Die Mij uitbreken.
Des daags aanroep Ik U uit 's harten gronde,
Nochtans antwoordt Gij Mij tot genen stonde;
Ende des nachts laat Ik niet af van klagen,
Zeer verslagen.

2. Doch, Heer! Gij zijt die Heilig' evenwel,
Die daar woont onder Uw volk Israël,
Daar Gij wilt dat hem stedes vermere
Uw prijs en ere.
Onz' vaders hebben op U vast gebouwet,
Ja op U alleen hebben zij vertrouwet,
Die haar banden geweldig hebt ontbonden,
't Allen stonden.

3. Biddende waren zij van druk bevrijd,
Zij hoopten op Uw goedheid t' allen tijd,
En Gij beweest hun vroeg en spade
Uwe genade.
Maar Ik ben een worm en geen mens in krachten
Een ieders spot, want zij Mij al verachten;
Mij tot een spreekwoord zij te maken plegen,
Allerwegen.

4. Een ieder ziend hoe dat Gij Mij, Heer! slaat,
Bespottet Mij en belacht Mij met smaad;
Verachtende steken zij den mond op
En schudden den kop.
Dan spreken ze: Hij staat tot allen tijden
Gans op Zijnen God, Dien Hij bidt in 't lijden,
Dat Hij Hem help', is 't dat Hij Hem beminnet
En bezinnet.

5. Doch Gij hebt Mij uit Mijn moeders lichaam
Gebracht, en hulpe bewezen bekwaam;
Van Mijn moeders borst Gij Mij steeds bijstaat,
God Mijn toeverlaat!
Ja dat meer is! zo haast Ik was geboren,
Hebt Gij Mij ontvangen ende verkoren.
Ende getoond dat Gij Mijn God wilt wezen,
Hoog geprezen.

6. Daarom van Mij zover toch niet en wijkt:
De moed ontvalt Mij en 't hart Mij bezwijkt,
En daar is niemand, die Mij geeft de hand,
Hulpe noch bijstand.
Veel sterke stieren Mij als nu omringen;
De ossen vet uit Basan Mij bespringen;
Om Mij te verstrikken zij vlijt aanwenden,
Ja te schenden.

7. Zij zijn als een leeuw die verscheurt zeer strang,
Die loert om te roven een schaapken bang;
Zij ontdoen haar kelen wijd ende breed,
Schrikkelijk en wreed.
En als water vloeien weg Mijne krachten.
Mijn leven is ontsteld, en door Mijn klachten
Smelt Mijn hart als was, ook vergaat Mijn leven
Met zwaar beven.

8. Als een potscherf is verdroogd al Mijn kracht,
Aan 't gehemelte kleeft Mijn tong versmacht;
Gij hebbet Mij gemaakt vol onwaarde,
Als slijk der aarde.
Want honden omringen Mij en genaken,
De boosdoeners hen tegen Mij opmaken.
Om Mijn handen en voeten te doorsteken,
Ja te breken.

9. Mijn benen kan Ik tellen groot en klein;
't Welk ziende de boze mensen onrein.
Zijn verblijd ende bespotten, Heere!
Mij alzo zere.
Mijn kleed is nu stukwijs uitgegeven,
Mijnen rok is ook gesteld daar beneven;
Opdat zij 't lot daarover werpen prachtig,
T' zaam eendrachtig.

10. Dies wil, Heer! van Mij nu niet verre gaan;
Maar goediglijk wil Mij, o God! bijstaan,
Haast U, Gij zijt, ende anders gene,
Mijn kracht allene.
Verlos Mijn ziel van 't zwaard Mijner vijanden,
Die Mij zoeken te krijgen in de handen,
En Mij gaarne wreed'lijk hadden verslonden,
Gelijk honden.

11. Help toch uit de muilen der leeuwen fel
Mijn ziel beangst, ende versterk die wel
Tegen de eenhoornen, die hen stellen
Om Mij te kwellen.
Zo zal Ik Mijnen broederen verkonden
Uwen naam; en zal z' daartoe ook vermonden
In 't openbaar, midden in Uwe kerken.
Uwe werken.

12. Ik zal zeggen: Gij all' die den Heer vreest,
Belijdt Hem, en gij kind'ren Jakobs meest
Prijst Zijn goedheid; Hem ende niemand el,
Vreze Israël.
Want Hij heeft Zijn aanzicht niet willen wenden
Van 't gebed des mensen in zijn ellenden;
Maar wil zijn stem Hem laten komen voren,
Tot Zijn oren.

13. Zo zal Uwen lof door Mij zijn verhaald;
In Uw gemeente zal wezen betaald
Mijn belofte, onder 't volk ootmoedig,
Dat U vreest goedig.
Daar zullen de armen verzadigd wezen
Van die, die U zoeken, werd Gij geprezen;
Gij vromen zult eeuwig (zijnde verheven)
In vreugd' leven.

14. Dit bedenkende zullen zijn bekeerd
De volken; en van hen werd Gij geëerd
Ende gediend, ook met knien gebogen,
Voor Uwe ogen.
Want zij zullen weten, dat U dat rijke
Alleen behoort; want Gij hebt geen gelijke,
En dat Gij over de volken met ere
Zijt een Heere.

15. Zij zullen, Heer, U eer aandoen zeer groot,
Die verzaad zijn; ook die des hongers nood
Lijden, die zullen U, Heere prijzen
En eer bewijzen.
Daar zal hen haar zaad ganselijk begeven
Tot Uwen dienst; zij zullen, Heer verheven!
Van kindskind'ren altijd wezen gedachtig
Uws Naams krachtig.

16. Uit hen zal altijd iemand komen voort,
Om den nakomers te leren Uw woord,
Ende de goedigheid hoog geprezen,
Van U bewezen.

1. Mijn God, Mijn God, waarom verlaat Gij mij
en blijf zo ver, terwijl ik tot U schrei,
en redt mij niet, maar gaat aan mij voor bij?
Hoe blijft Gij zwijgen?
Mijn God, ik doe tot U mijn kreten stijgen
bij dag, bij nacht. Tot U slechts kan ik vluchten,
maar krijg geen rust, geen antwoord op mijn zuchten
in klacht op klacht.

2. Nochtans, op U, o God die heilig zijt
en troont op lofgezangen, U gewijd
door Israël dat gij hebt uitgeleid,
steunt ons vertrouwen,
immers, de vaad'ren bleven op U bouwen,
dat Gij hen naamt in heilige bescherming:
Gij hebt, als zij riepen om ontferming,
hen niet beschaamd.

3. Maar ik, mijn God, lig machteloos terneer.
Ik word vertrapt, ik heb geen leven meer.
Meesmuilend gaan zij tegen mij tekeer,
al die mij smaden.
Zij raden mij, terwijl zij mij verraden:
"Zoek het bij God, geef Hem uw leed te dragen,
Hij zal u redden naar zijn welbehagen",
zo klinkt hun spot.

4. Gij die mijn ogen 't levenslicht ontsloot,
mij hebt geroepen uit de moederschoot,
mij aan mijn moeders borst een rustplaats bood,
voor kwaad beveiligd,
Gij hebt mij U ten eigendom geheiligd.
Gij, die alleen mijn God zijt en mijn Vader,
blijf mij niet ver, want nu het onheil nadert
helpt mij niet een.

5. Ik ben alleen als in een leeuwenkuil.
Mijn oren zijn vervuld van hun gehuil,
en waar ik opzie, staar ik in de muil
van wilde dieren.
Buffels van Basan, sterke jonge stieren,
staan om mij heen, die met hun hoge hoornen
en bliksemende ogen op mij toornen -
ik ben alleen.

6. Ik vloei daar heen, als water in het zand.
Mijn vlees en been verloor zijn vast verband,
mijn hart werd was, dat in mijn ingewand
geen vorm bewaarde.
Hebt Gij, o God, mij uit het stof der aarde
eenmaal verhoogd, dat ik in 't stof zou sterven?
Mijn tong en keel zijn als gebroken scherven,
mijn kracht verdroogt.

7. Het grauw dringt op, als honden van rondom,
doorboort mijn hand en voet en brengt mij om.
Mijn lijf verteerde tot de lege som
van mijn geraamte.
Zij kennen voor een stervende geen schaamte,
lachen hem uit die zich niet kan verweren,
en delen reeds, al dobbelend, zijn kleren,
hun tot een buit.

8. O blijf van mij niet ver, mijn God, mijn Heer!
Mijn Sterke, spoed U, ik behoef U zeer!
Mijn vege rest zal zonder tegenweer
haast zijn verslonden.
Red dan mijn leven uit de muil der honden!
Kom uit de klauw der leeuwen mij ontzetten!
Laat toch uw hand hun boos geweld beletten!
Toon mij uw trouw!

9. Gij hebt verhoord! O God, mijn Heer, ik zal
U loven voor mijn broeders overal
en in de kring van uw verkoren tal
uw naam verkonden:
"O broeders, die den Here hebt gevonden,
laat Hem uw spel, o zaad van Jakob, prijzen,
en wil Hem vol ontzag uw eer bewijzen,
o Israël".

10. Want geenszins achtte mij de Heer gering,
die lag vernederd in vernedering.
Hij heeft mijn leven aan vernietiging
niet prijsgegeven!
Hij heeft zijn aanschijn over mij verheven
en op mijn woord, dat met geween en klagen
oprees tot Hem om zijne hulp te vragen,
heeft Hij gehoord!

11. Van U komt, Heer, het loflied dat ik zing:
laat mij vergelden al wat ik ontving.
Laat mij U loven in de grote kring
van die U vrezen!
Gij need'rig volk, gij zult gezeten wezen
aan een festijn! Die God zoekt, moet Hem prijzen!
O, haal uw hart op aan zijn gunstbewijzen,
die eeuwig zijn.

12. Dit zal gedenken wie zich nog verweert,
tot alle natie zich tot Hem bekeert
en voor de Koning die het al regeert
zich neer zal buigen.
De verste einden zullen het getuigen,
dat niets gelijk aan zijn verheven macht is,
dat Hem de heerlijkheid, dat Hem de kracht is,
het Koninkrijk!

13. Eet dan, die zit in 's werelds overvloed,
of daal in 't stof wanneer gij sterven moet, -
bij dood of leven, voor- of tegenspoed,
zult gij toch allen
voor Gods gerechtigheid ter aarde vallen!
Ook het geslacht, dat nog niet is geboren,
zal eenmaal van den Heer getuigen horen,
dat Hij 't volbracht!

1. Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij,
waarom zijt Gij tot redding niet nabij?
Hoort Gij dan niet mijn bitter noodgeschrei,
mijn angstig vragen?
Mijn God, hoe ik bij dag ook moge klagen,
Gij antwoordt niet; en ook in lange nachten
vind ik geen rust, geen antwoord op mijn klachten.
Hoort Gij dan niet?

2. Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont
op lofgezangen Israëls, Gij woont
bij 't volk waarvan Gij U de redder toont
in zijn benauwen.
De vaderen, zij bleven U vertrouwen.
Want in hun nood hebt Gij hen doen ontkomen,
op hun geroep de dreiging weggenomen.
Uw hulp was groot.

3. Ik word vertrapt, ik ben een worm, geen man,
een smaad voor 't volk dat mij beschimpen kan.
Al wie mij ziet, spreekt vol verachting van
mijn Godsvertrouwen.
'Laat hij zijn hoop maar op de Here bouwen.
Hij roept tot God, laat die hem dan bevrijden;
die redt zijn gunsteling wel uit dit lijden',
zo klinkt hun spot.

4. Gij hebt, o Here, door uw grote macht
mij uit de moederschoot eens voortgebracht.
Door U ontving ik liefdevol en zacht
rust bij mijn moeder.
Ik was bij U, mijn God en mijn behoeder,
van jongsaf aan reeds veilig en geborgen.
Gij hebt mij met uw vaderlijke zorgen
steeds bijgestaan.

5. Haast U dan nu, o God, en sta mij bij,
want grote angsten overvallen mij.
Er is geen helper, Heer, behalve Gij.
Verlos mijn leven.
Stieren uit Basan hebben mij omgeven.
Zij stormen aan, komen van alle zijden.
Hoe kan ik ooit dit gruwelijke lijden
alleen doorstaan?

6. Zij rukken aan met opgesperde mond.
Zij gaan, als leeuwen brullend, dreigend rond.
Mijn kracht vloeit weg als water in de grond.
'k Ben moegestreden.
Ontwricht, uiteengerukt zijn al mijn leden.
Een felle gloed verteert mijn ingewanden.
Mijn hart smelt weg als was - 'k heb door dit branden
geen levensmoed.

7. Mijn levenskracht is als een scherf verdroogd.
Mijn tong kleeft in mijn mond, door dorst gekloofd.
In 't stof des doods, het levenslicht gedoofd,
doet Gij mij bukken.
Rondom mij zie ik honden samenrukken.
Een bende dreigt en dringt met kracht naar voren.
Zij willen wreed mijn hand en voet doorboren.
Mijn kracht bezwijkt.

8. Mijn beendren kan ik tellen, één voor één.
Vol leedvermaak schaart men zich om mij heen.
Omtrent mijn kleding komt men overeen
het lot te werpen.
Merk op, o God, hoe zij hun wapens scherpen.
Stoot hen terneer; haast U, kom mij bevrijden.
Wees mij nabij en red mij uit mijn lijden.
Ontferm U, Heer.

9. Geef, Heer, dat ik verlost word uit mijn nood,
niet door het zwaard van bozen wordt gedood.
Stel toch niet aan de wilde honden bloot
mijn eenzaam leven.
Gij kunt in mijn ellende uitkomst geven,
mij uit de macht van leeuwemuil verlossen.
Bescherm mij voor de horens van de ossen.
Toon mij uw kracht.

10. Gij hebt gehoord, geantwoord op uw tijd,
Geprezen zij uw naam, die ik belijd.
Temidden van uw volk roep ik verblijd:
Groot is de Here!
U die God vreest, wilt Hem eerbiedig eren.
Laat zang en spel, o Jakobs zaad, Hem prijzen,
het kroost van Israël Hem dank bewijzen:
God deed ons wel.

11. Gij hebt U tot uw knecht gewend, o Heer,
toen hij in zijn ellende lag terneer.
U was nabij, wanneer hij altijd weer
vertrouwend wachtte.
U wilde nooit uw knecht in nood verachten.
Gij hebt voor hem uw aanschijn niet verborgen,
maar hem geantwoord, toen hij in zijn zorgen
verhief zijn stem.

12. Ik breng met heel de broederkring U eer.
En wat ik U beloofde, telkens weer,
betaal ik straks ten overstaan, o Heer,
van wie U vrezen.
Dan zullen armen rijk verzadigd wezen.
Wie God belijdt, zal aan de dis Hem prijzen.
Uw hart spring' op van vreugd bij al de spijzen,
voor u bereid.

13. Dan wordt erkend de grootheid van de Heer,
De hele aarde keert dan tot Hem weer.
En alle volken knielen voor Hem neer
met eerbewijzen.
Zij zullen God als Heer der volken prijzen.
Gods koninkrijk zal dan in glans verschijnen.
Uit alle volken brengen Hem de zijnen
hun huldeblijk.

14. Dan knielen alle rijken voor de Heer.
Wie daalt in 't stof, buigt zich ook voor Hem neer
en wie zichzelf in leven toch niet meer
heeft kunnen houden.
Het nakroost dient Hem, daar zij Hem vertrouwden.
Hun nageslacht zal men zijn trouw vermelden,
die nog geboren worden 't werk vertellen
dat Hij volbracht.