Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Ik ben alweer acht jaar verbonden aan een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. In die zetting is het belangrijk om het evangelie in eenvoudige bewoordingen te verkondigen zonder dat het kinderachtig wordt. Lees meer »

Ds. Dennis Verboom | Geestelijk verzorger bij 's Heeren Loo

Ds. Dennis Verboom
Geestelijk verzorger bij 's Heeren Loo

Lees alle quotes

Psalm 25

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, bij U zoek ik ontferming.
Ik vertrouw op U, mijn God.
Red mijn eer, geef mij bescherming
nu mijn vijand mij bespot.
Wie gelovig op U wacht,
eindigt niet met lege handen.
Maar wie dwaas uw wil veracht
voelt straks diepe schaamte branden.

2. HEER, leer mij uw waarheid kennen
en uw onderwijs verstaan.
Laat mij aan uw wegen wennen.
Wijs de juiste richting aan.
Want U bent het die mij redt.
Hele dagen, hele nachten
ben ik hoopvol in gebed:
altijd blijf ik U verwachten.

3. Denk toch niet aan mijn verleden;
denk aan uw barmhartigheid.
Spreek mij vrij en schenk mij vrede.
Scheld mij al mijn schulden kwijt.
Meer dan eens ben ik ontspoord
in mijn onbezonnen jaren.
HEER, bewijs dat U mij hoort.
Laat mij uw geduld ervaren.

4. God is goed, Hij is rechtvaardig.
Wie gefaald heeft, neemt Hij aan.
Wie zich klein maakt keurt Hij waardig
om het rechte spoor te gaan.
Wie op zijn verbond vertrouwt
zal Hij liefdevol belonen.
Aan wie zijn geboden houdt
zal Hij zich betrouwbaar tonen.

5. Gun mij vrijspraak, gun mij leven,
omdat U genadig bent.
Laat uw naam de doorslag geven;
die staat immers goed bekend.
Wie gehoorzaamt, wie U acht
hoeft niet stuurloos rond te zwerven.
U beloont hem; zijn geslacht
zal het hele land beërven.

6. Wie Hem vol ontzag verwachten
geeft de HEER – zo goed is Hij –
inzicht in zijn hartsgedachten.
Hij komt als een vriend dichtbij.
Ik blijf steeds vol goede moed
op zijn ondersteuning hopen.
Hij geleidt mij, Hij verhoedt
dat ik in de val zal lopen.

7. HEER, ik voel me zo verlaten:
zoveel zonden in mijn hart,
zoveel mensen die mij haten,
zoveel angst die mij verwart.
Laat toch zien dat U mij ziet,
dat U meevoelt met mijn lijden.
Grijp toch in, beschaam mij niet.
U alleen kunt mij bevrijden.

8. Laat oprechtheid mij bewaren;
geef mij vroomheid die niet zwicht.
Ondanks dreigende gevaren
is mijn oog op U gericht.
HEER, op wie mijn hart vertrouwt
en in wie ik ben geborgen,
maak het volk waarvan U houdt
vrij van zonden en van zorgen.

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, bij U zoek ik ontferming.
Ik vertrouw op U, mijn God.
Red mijn eer, geef mij bescherming
nu mijn vijand mij bespot.
Wie gelovig op U wacht,
eindigt niet met lege handen.
Maar wie dwaas uw wil veracht
voelt straks diepe schaamte branden.

2. HEER, leer mij uw waarheid kennen
en uw onderwijs verstaan.
Laat mij aan uw wegen wennen.
Wijs de juiste richting aan.
Want U bent het die mij redt.
Hele dagen, hele nachten
ben ik hoopvol in gebed:
altijd blijf ik U verwachten.

3. Denk toch niet aan mijn verleden;
denk aan uw barmhartigheid.
Spreek mij vrij en schenk mij vrede.
Scheld mij al mijn schulden kwijt.
Meer dan eens ben ik ontspoord
in mijn onbezonnen jaren.
HEER, bewijs dat U mij hoort.
Laat mij uw geduld ervaren.

4. God is goed, Hij is rechtvaardig.
Wie gefaald heeft, neemt Hij aan.
Wie zich klein maakt keurt Hij waardig
om het rechte spoor te gaan.
Wie op zijn verbond vertrouwt
zal Hij liefdevol belonen.
Aan wie zijn geboden houdt
zal Hij zich betrouwbaar tonen.

5. Gun mij vrijspraak, gun mij leven,
omdat U genadig bent.
Laat uw naam de doorslag geven;
die staat immers goed bekend.
Wie gehoorzaamt, wie U acht
hoeft niet stuurloos rond te zwerven.
U beloont hem; zijn geslacht
zal het hele land beërven.

6. Wie Hem vol ontzag verwachten
geeft de HEER – zo goed is Hij –
inzicht in zijn hartsgedachten.
Hij komt als een vriend dichtbij.
Ik blijf steeds vol goede moed
op zijn ondersteuning hopen.
Hij geleidt mij, Hij verhoedt
dat ik in de val zal lopen.

7. HEER, ik voel me zo verlaten:
zoveel zonden in mijn hart,
zoveel mensen die mij haten,
zoveel angst die mij verwart.
Laat toch zien dat U mij ziet,
dat U meevoelt met mijn lijden.
Grijp toch in, beschaam mij niet.
U alleen kunt mij bevrijden.

8. Laat oprechtheid mij bewaren;
geef mij vroomheid die niet zwicht.
Ondanks dreigende gevaren
is mijn oog op U gericht.
HEER, op wie mijn hart vertrouwt
en in wie ik ben geborgen,
maak het volk waarvan U houdt
vrij van zonden en van zorgen.

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. 'k Hef mijn ziel, o God der goden,
Tot U op, Gij zijt mijn God.
'k Heb op U vertrouwd in noden,
Weer van mij toch schaamt' en spot.
Dat mijn vijand nooit van vreugd
Om mij opspring' ; Die U wachten,
Dekt nooit schaamt'; maar die de deugd,
Zonder oorzaak, stout verachten.

2. HEER', ai, maak mij Uwe wegen,
Door Uw woord en Geest bekend;
Leer mij, hoe die zijn gelegen,
En waarheen G' Uw treden wendt,
Leid mij in Uw waarheid, leer
Ijv'rig mij Uw wet betrachten.
Want Gij zijt mijn heil, o HEER',
'k Blijf U al den dag verwachten.

3. Denk aan 't vaderlijk meedogen,
HEER', waarop ik biddend pleit:
Milde handen, vriend'lijk' ogen,
Zijn bij U van eeuwigheid,
Sla de zonden nimmer ga,
Die mijn jonkheid heeft bedreven.
Denk aan mij toch in gena,
Om Uw goedheid eer te geven.

4. 's HEEREN goedheid kent geen palen.
God is recht, dus zal Hij door
Onderwijzing hen, die dwalen,
Brengen in het rechte spoor.
Hij zal leiden 't zacht gemoed
In het effen recht des HEEREN.
Wie Hem need'rig valt te voet,
Zal van Hem zijn wegen leren.

5. Lout're goedheid, liefdekoorden,
Waarheid zijn des HEEREN paan
Hun, die Zijn verbond en woorden,
Als hun schatten, gadeslaan,
Wil mij, Uwen Naam ter eer,
Al mijn euveldaan vergeven!
Ik heb tegen U, o HEER',
Zwaar en menigmaal misdreven.

6. Wie heeft lust den HEER' te vrezen,
't Allerhoogst en eeuwig goed?
God zal Zelf zijn leidsman wezen,
Leren, hoe hij wand'len moet.
't Goed, dat nimmermeer vergaat,
Zal hij ongestoord verwerven,
En zijn Godgeheiligd zaad
Zal 't gezegend aard'rijk erven.

7. Gods verborgen omgang vinden
Zielen, waar Zijn vrees in woont.
't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden,
Naar Zijn vreeverbond, getoond.
d' Ogen houdt mijn stil gemoed
Opwaarts, om op God te letten:
Hij, die trouw is, zal mijn voet,
Voeren uit der bozen netten.

8. Zie op mij in gunst van boven,
Wees mij toch genadig, HEER',
Eenzaam ben ik en verschoven;
Ja, d' ellende drukt mij neer.
'k Roep U aan in angst en smart;
Duizend zorgen, duizend doden,
Kwellen mijn angstvallig hart.
Voer mij uit mijn angst en noden.

9. Sla op mijn ellenden d' ogen,
Zie mijn moeite, mijn verdriet;
Neem mijn zonden, uit meedogen.
Gunstig weg, gedenk die niet,
Zie mijn haters, daar 't getal
Vast vermeert van die mij vloeken,
En die rusteloos mijn val,
Heet en wrevelmoedig zoeken.

10. Hoed mijn ziel, en red z' uit noden,
Maak mij niet beschaamd, o HEER';
Want ik kom tot U gevloden.
Laat d' oprechtheid meer en meer,
Met de vroomheid, mij behoen.
'k Wacht op U in mijn ellenden,
Laat Uw hand, in tegenspoen,
Israel verlossing zenden.

1. Mijn hart hef ik tot U, Heere!
Mijn hoop alleen op U staat.
Behoed mij toch voor onere,
Die mij wenst mijn vijand kwaad.
Zij werden, Heer, zo 't betaamt,
Niet schaamrood, die op U bouwen;
Maar zij zullen zijn beschaamd,
Die de vromen hier benauwen.

2. Heer! wijs mij toch Uwe wegen,
Die Gij wilt dat ik zal gaan;
Tot dezelve maak genegen
Mij, en doe mij die verstaan.
Leer en stier mij naar Uw woord,
In Uwe waarheid geprezen,
Gij zijt mijn hulp; dies nu voort
Wacht ik op U in dit wezen.

3. Gedenk Heer! aan Uw goedheden,
Stel U voor ogen voortaan
Uw grote barmhartigheden
Die Gij voormaals hebt gedaan;
Doch vergeet de zonden zwaar,
Mijner jonkheid zeer lichtvaardig;
Gedenk mijns goed'lijk eenpaar;
Tot mijn hulpe zijt volvaardig.

4. God is waarachtig en goedig,
Hij is 't en blijft zulks altijd;
Ten wege brengt Hij zachtmoedig,
Den zondaar vervallen wijd.
Den ootmoedigen leert Hij
Zijn godzalige voetpaden;
Hij toont ook Zijn wegen vrij
Den armen mensen beladen.

5. Goedheid en waarheid verheven,
Zijn des Heeren wegen al,
Voor hem, die daarnaar zijn leven
En zijn gangen richten zal.
O Heer!, door Uwen naam klaar,
Wil mij goediglijk mijn zonden
Vergeven; want zere zwaar
Ende groot zijn zij bevonden.

6. Wie is hij, die altijd spoedig
Onzen God vreest bovenal?
Die werd geleerd overvloedig
Van den weg, dien hij gaan zal.
Die zal bezitten zijn goed,
Met stilheid ende met vrede;
Zijn zaad zal in overvloed
Het land ook bezitten mede.

7. De verborgenheid des Heeren
Is den mens geopenbaard,
Die God vreest en houdt in eren,
En Zijn verbond wel bewaart,
Mijn hart ende mijn gemoed
Op den Heer hen alleen zetten;
Want Hij maakt vrij mijnen voet
Uit all' der godd'lozen netten.

8. Zie mij aan met goeder harte,
Heb toch meed'lijden met mij!
Want eenzaam ende vol smarte
Ben ik Heer! en gans onvrij.
Ik werde zere benauwd,
Daag'lijks werd groter mijn lijden;
Help mij, Heer! die U vertrouwt,
Uit den nood in dezen tijden.

9. Mijn jammer wil toch aanmerken,
Mijnen angst en nood aanziet,
Mijn zonden en boze werken
Vergeef mij goed'lijk om niet!
Zie, hoe de vijanden mijn
Moedwilliglijk boven maten,
Die groot van getale zijn,
Mij zeer vijandelijk haten.

10. Voor haar list mijn ziel bewaret,
Verlos mij, dat ik met smaad
En met schand' niet zij bezwaret;
Want Gij zijt mijn toeverlaat.
Slecht, recht ben ik, mij behoed;
Want ik zal, Heer! U verwachten,
Israël uit tegenspoed
Verlos ook, door Uwe krachten.

1. Heer, ik hef mijn hart en handen
op tot U, beslecht mijn zaak.
Weer van mij de smaad en schande
van mijns vijands leedvermaak.
Ja, zij worden zeer beschaamd
die de goede trouw verachten,
maar wie uw gebod beaamt,
mag gelovig U verwachten.

2. Here, maak mij uwe wegen
door uw Woord en Geest bekend;
leer mij, hoe die zijn gelegen
en waarheen G' uw treden wendt;
leid mij in uw rechte leer,
laat mij trouw uw wet betrachten,
want Gij zijt mijn heil o Heer,
'k blijf U al den dag verwachten.

3. Denk aan 't vaderlijk meedogen,
Heer, waarop ik biddend pleit:
milde handen, vriend'lijk' ogen
zijn bij U van eeuwigheid.
Denk toch aan de zonde niet
van mijn onbedachte jaren!
Heer, die al mijn ontrouw ziet,
wil mij in uw goedheid sparen.

4. God is goed, Hij is waarachtig
en gaat zijn getrouwen voor,
brengt, aan zijn verbond gedachtig,
zondaars in het rechte spoor.
Hij zal leiden 't zacht gemoed
in het effen recht des Heren:
wie Hem need'rig valt te voet,
zal van Hem zijn wegen leren.

5. Louter goedheid zijn Gods wegen
en zijn paden zijn vertrouwd
voor wie, tot zijn heil genegen,
zijn geboden onderhoudt.
Wil mij, uwen naam ter eer,
al wat ik misdeed vergeven.
Ik heb tegen U, o Heer,
zwaar en menigmaal misdreven.

6. Wie heeft lust de Heer te vrezen,
't allerhoogst en eeuwig goed?
God zal zelf zijn leidsman wezen,
leren hoe hij wand'len moet.
Wie het heil van Hem verwacht
zal het ongestoord verwerven,
en zijn zalig nageslacht
zal 't gezegend aardrijk erven.

7. Gods verborgen omgang vinden
zielen waar zijn vrees in woont;
't heil'geheim wordt aan zijn vrinden
naar zijn vreeverbond getoond,
d' Ogen houdt mijn stil gemoed
opwaarts, om op God te letten:
Hij, die trouw is, zal mijn voet
voeren uit der bozen netten.

8. Zie op mij in gunst van boven,
wees mij toch genadig, Heer!
Eenzaam ben ik en verschoven,
ja, d' ellende drukt mij neer.
't Roep U aan in angst en smart,
duizend zorgen, duizend doden
kwellen mijn bekommerd hart:
voer mij uit mijn angst en noden!

9. Sla op mijn ellende d' ogen,
zie mijn moeite, mijn verdriet,
neem mijn zonden uit meedogen
gunstig weg, gedenk die niet.
Red mij en bewaar mijn ziel,
wil, mijn God, mij niet beschamen,
want ik schuil bij U, ik kniel
met uw ganse volk tezamen.

10. Mogen mij toch steeds behoeden
vroomheid en waarachtigheid.
Hoopvol is het mij te moede,
U verwacht ik t' allen tijd.
Here God van Israël,
red uw volk in tegenspoeden!
Toon uw goddelijk bestel,
dat uw hand ons toch behoede!

1. 'k Hef mijn ziel in vast vertrouwen
tot U op, Gij zijt mijn God.
Red mij van wie mij benauwen,
nu de vijand mij bespot.
Nooit maakt Gij beschaamd, o Heer,
wie gelovig U verwachten,
maar beschaamd staan keer op keer
die U trouweloos verachten.

2. Heer, wijs mij toch zelf de wegen
waar mijn voeten veilig gaan;
maak mijn hart ertoe genegen,
die blijmoedig in te slaan.
God mijns heils, naar wie ik smacht,
wil mij in uw waarheid leiden,
leer mij, daar ik dag en nacht
U gelovig blijf verbeiden.

3. Denk aan mij in uw ontferming,
Heer, waarop ik biddend pleit,
want uw trouw en uw bescherming
schenkt U reeds van eeuwigheid.
O, gedenk de zonden niet,
in mijn jeugd door mij bedreven.
Wilt U, die mijn schulden ziet,
in uw goedheid mij vergeven.

4. God is goed en hoog te prijzen,
trouw en recht is zijn beleid.
Zondaars wil Hij onderwijzen
in de weg der zaligheid.
Wie ootmoedig luistren wil,
zal de rechte paden leren,
hij die nederig en stil
wandelt in de weg des Heren.

5. Louter goedheid zijn Gods paden
voor wie leeft naar zijn verbond,
daaraan trouw blijft en zijn daden
slechts op Gods geboden grondt.
Zie mij schuldig voor U staan,
Heer, vergeef mijn overtreden,
neem mij om uws naams wil aan,
groot zijn uw barmhartigheden.

6. Wie heeft lust de Heer te vrezen
als het hoogst en eeuwig goed?
God zal zelf zijn leidsman wezen,
leren hoe hij wandlen moet.
Hij mag uit des Heren hand
voorspoed op zijn weg verwachten.
Het door God beloofde land
erven ook zijn nageslachten.

7. Gods vertrouwlijk' omgang vinden
zielen waar zijn vrees in woont,
daar de Heer aan zijn beminden
zijn verbondsgeheimen toont.
Ik houd, ook in tegenspoed,
steeds het oog op God geslagen,
want ik weet dat Hij mijn voet
redt uit alle hinderlagen.

8. Zie op mij in gunst van boven,
wees mij toch genadig, Heer.
'k Heb geen kracht om U te loven,
want ellende drukt mij neer.
Zie mijn eenzaamheid en smart:
duizend zorgen, duizend doden
kwellen mijn onrustig hart;
voer mij uit mijn angst en noden.

9. Sla op mijn ellenden d'ogen,
zie mijn moeite, mijn verdriet,
en vergeef, uit mededogen,
al mijn schuld, gedenk die niet.
Gun mijn vijand niet mijn val,
Heer, wil mij toch niet verlaten.
Zie hoe groot is zijn getal,
hoe boosaardig is zijn haten.

10. Red mijn ziel, wil mij bewaren,
maak mij niet beschaamd, o Heer.
Bij U schuil ik in gevaren,
zie op mij beschermend neer.
Vroomheid en oprechtheid zij
mijn geleid' in mijn ellende.
Maak uw Israël weer vrij,
wil uw volk verlossing zenden!