Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Met enige regelmaat laat ik in 'mijn' gemeenten een psalm zingen uit De Nieuwe Psalmberijming. Misschien wel juist omdat ik gevoelig(er) ben geworden voor het argument dat we door psalmen te zingen het Woord van God zélf zingen. Lees meer »

Ds. L. van Rikxoort | Protestantse wijkgemeente Heemse-West en Gereformeerde Kerk Mariënberg

Ds. L. van Rikxoort
Protestantse wijkgemeente Heemse-West en Gereformeerde Kerk Mariënberg

Lees alle quotes

Psalm 32

De nieuwe psalmberijming

1. Gelukkig wie Gods vrijspraak heeft gekregen,
zodat zijn zware zonden niet meer wegen.
Gelukkig wie ervaart dat God vergeeft,
wie in het licht van zijn genade leeft.
Wat ik verkeerd deed, bleef om aandacht vragen.
Voortdurend voelde ik het aan mij knagen.
Terwijl ik zweeg zat God mij op de huid.
Ik kwijnde weg, mijn botten droogden uit.

2. Toen ik het niet meer volhield in mijn zonden
beleed ik alles. Ik zei onomwonden:
‘Mijn overtreding, HEER, beschuldigt mij’ -
en toen vergaf U graag, U sprak mij vrij!
Daarom zal wie oprecht is U aanbidden.
U laat zich vinden, HEER – dus zelfs te midden
van storm en tegenstroom ben ik niet bang:
U bent rondom mij met een jubelzang.

3. ‘Ik help je elke dwaalweg te vermijden.
Mijn oog rust op je; laat je door Mij leiden.
Verzet je niet zoals een ezel doet,
dan raakt het kwaad je niet, dan komt het goed.’
Wie slecht is ondervindt veel tegenslagen;
wie op de HEER steunt, wordt door Hem gedragen,
Rechtvaardigen, wees vrolijk in de HEER,
Oprechten, juich; bewijs Hem zingend eer.

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Gelukkig wie Gods vrijspraak heeft gekregen,
zodat zijn zware zonden niet meer wegen.
Gelukkig wie ervaart dat God vergeeft,
wie in het licht van zijn genade leeft.
Wat ik verkeerd deed, bleef om aandacht vragen.
Voortdurend voelde ik het aan mij knagen.
Terwijl ik zweeg zat God mij op de huid.
Ik kwijnde weg, mijn botten droogden uit.

2. Toen ik het niet meer volhield in mijn zonden
beleed ik alles. Ik zei onomwonden:
‘Mijn overtreding, HEER, beschuldigt mij’ -
en toen vergaf U graag, U sprak mij vrij!
Daarom zal wie oprecht is U aanbidden.
U laat zich vinden, HEER – dus zelfs te midden
van storm en tegenstroom ben ik niet bang:
U bent rondom mij met een jubelzang.

3. ‘Ik help je elke dwaalweg te vermijden.
Mijn oog rust op je; laat je door Mij leiden.
Verzet je niet zoals een ezel doet,
dan raakt het kwaad je niet, dan komt het goed.’
Wie slecht is ondervindt veel tegenslagen;
wie op de HEER steunt, wordt door Hem gedragen,
Rechtvaardigen, wees vrolijk in de HEER,
Oprechten, juich; bewijs Hem zingend eer.

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm kan ook gezongen worden op de melodie van Psalm 18, 45 en 144

1. Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,
Die van de straf voor eeuwig is ontheven,
Wiens wanbedrijf , waardoor hij was bevlekt,
Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt.
Welzalig is de mens, wien 't mag gebeuren,
Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,
En die in 't vroom en ongeveinsd gemoed;
Geen snood bedrog maar blank' oprechtheid voedt.

2. Toen 'k zweeg en U mijn ongerechtigheden,
Weerhouden door de vrees, niet heb beleden,
Verouderden mijn beend'ren door geklag,
In mijn gebrul en angst den gansen dag.
Want, HEER', Uw hand die mij bezocht met plagen,
Deed dag en nacht mij zware smarten dragen.
Mijn levenssap droogd' uit van uur tot uur,
Gelijk het land door zomerzonnevuur.

3. 'k Bekend', o HEER', aan U oprecht mijn zonden,
'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden.
Maar ik beleed na ernstig overleg,
Mijn boze daan: Gij naamt die gunstig weg.
Dies zal tot U een ieder van de vromen,
In vindenstijd met ootmoed smekend komen.
Een zee van ramp moog' met haar golven slaan,
Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.

4. Gij zijt mij, HEER', ter schuilplaats in gevaren;
Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren.
G' omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,
Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.
Mijn leer zal u, o mens, naar 't recht doen hand'len,
En wijzen u den weg, dien gij zult 'len.
Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,
Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.

5. Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,
Of als een muil, door domheid voortgedreven;
Gebit en toom, door 's mensen hand bestierd,
Beteug'len 't woest en redeloos gediert'.
Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen;
Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;
Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,
Ziet zich omringd met Zijn weldadigheen.

6. Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,
Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.
Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t' allen tijd,
Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.

1. Wel hem, die zijn misdaad, die hij bedreven
Heeft, van God uit genade werdt vergeven;
Over wien God Zijn barmhartigheid strekt,
Daardoor Hij zijn boosheden gans bedekt.
Hoe gelukzalig is die mens bevonden,
Dien God niet toe en rekent zijne zonden!
In wiens geest niet woont enige schalkheid,
Noch geen bedrog ofte geveinsdigheid.

2. In mijn ellend', 't zij dat ik heb gezwegen
Ofte geweend, (zo ik doe allerwegen,
Schreiende tot U altijd dag en nacht),
Zo zijn toch mijn gebeenten gans versmacht.
Ik heb Uwe hand gevoeld, Heer almachtig,
Zeer straf, om mijner zonden wil voordachtig;
Zodat mijn sap geweest is door mijn leed,
Gans gelijk de droogten des zomers heet.

3. Maar mijn zonden heb ik U bekend, Heere!
En niet bedekt; dies sprak ik benauwd zere;
Ik wil den Heer belijden mijn misdaad,
En Gij vergaaft mij al mijn zonden kwaad,
Hierom zullen U tot bekwame tijden,
Alle heil'gen bidden in kruis en lijden,
Zodat hen der benauwdheid watervloed
Niet schaden zal door Uw genade goed.

4. Gij zijt mijn borcht, die mij altijd bewaret
En mij behoedt, dat mij geen angst bezwaret;
Als Gij mij verlost en bewaart altijd,
Gij geeft mij oorzaak van zingen verblijd.
Komt al tot mij, Ik wil u onderwijzen
Den weg, dien gij gaan moet niet om volprijzen;
En met Mijn ogen zal Ik met bescheid
U recht wijzen en geven dat geleid'.

5. Wilt den muilen noch den paarden tot dezen
Die niet verstaan toch gans niet gelijk wezen;
Die gij een gebit legget in den mond,
Als zij moedwillig zijn t' eniger stond.
De godd'loze wordt getemd door veel plagen,
Door tegenheid en ook zeer zware slagen;
Maar die vertrouwt op Gods genade bloot,
Zal omvangen zijn met Zijn goedheid groot.

6. Gij oprechten wilt u in God verblijden,
Zijn goedigheid wilt al t' zamen belijden.
Gij vromen, weest vrolijk ende verheugd,
Roemt onzen God op 't hoogste dat gij meugt.

1. Heil hem, wien God zijn ontrouw heeft vergeven
en toegedekt al wat hij had misdreven,
God rekent hem zijn dwalingen niet aan-
heil hem, die recht voor God is komen staan!
Ik kwijnde weg, zolang ik zwijgen wilde,
in zelfbeklag mijn levenskracht verspilde,
want dag en nacht woog zwaar op mij uw hand,
mijn leven werd zo dor als dorstig land.

2. Nu heb ik, Heer, mijn zonde U beleden;
ik weet dat ik uw wet heb overtreden.
Ik was ontrouw, ik was van kwaad vervuld,
maar Gij vergaaft het, Gij verzoent mijn schuld.
Laat daarom tot U komen uw beminden,
stoot hen niet af, doch laat U door hen vinden.
Duistere vloeden stormen op hen aan,
Gij stelt een perk, Gij zult ons vast doen staan.

3. Gij zijt, o Heer, mijn schuilplaats en mijn haven,
Gij zult aan mij al mijn beloften staven.
Wat mij benauwt, Gij stelt U aan mijn zij,
omringt met lied'ren van bevrijding mij!
Gij zult mij voortaan door uw trouw bewaken,
Gij zult mijn leven vol van vreugde maken.
Ik zal mijn weg lichtvoetig verder gaan,
Gij gaat mij voor, Gij maakt voor mij ruim baan.

4. Zo spreekt de Heer: "Mijn weg zal Ik u wijzen,
u ziet mijn oog, waarheen gij ook zult reizen.
Wees niet een dier dat koppig tegenstreeft,
zich slechts aan toom en bit gewonnen geeft".
Wie God ontvliedt heeft ondergang te vrezen-
wie tot Hem komt, mag bij Hem veilig wezen.
Gij die oprecht van hart en wandel zijt,
verheugt u in den Heer te allen tijd!

1. Welzalig hij wiens zonde is vergeven,
die van de straf genadig is ontheven,
wiens overtreding, die hem had bevlekt,
voor 't heilig oog des Heren is bedekt.
De Here rekent hem niet toe zijn zonden,
de ongerechtigheid, in hem gevonden.
Welzalig hij die zo bevrijd van schuld,
geen onoprechtheid in zijn geest meer duldt.

2. Zolang ik zweeg verteerden al mijn krachten,
ik klaagde luid, niets kon mijn pijn verzachten.
Want dag en nacht lag zwaar op mij Gods hand,
mijn merg verdroogde als in zomerbrand.
Maar ik bekende U oprecht mijn zonden,
verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden.
En toen ik dit beleed voor uw gezicht,
sprak U mij vrij van schuld in uw gericht.

3. Laat tot U komen elk van uw beminden
ten tijde, Here, dat U Zich laat vinden.
Ook als een vloedgolf hem dreigt neer te slaan,
hoe hoog ze komt, zij raakt hem zelfs niet aan.
U bent voor mij een schuilplaats in gevaren
en voor benauwdheid zult U mij bewaren.
U hebt met jubelzangen mij omringd,
nu al uw volk van uw verlossing zingt.

4. Hoor naar mijn raad, ik zal u inzicht geven
en onderrichten in de weg ten leven.
Ik leer u op de rechte paden gaan,
terwijl mijn ogen u steeds gadeslaan.
Wil in uw trots niet langer tegenstreven,
zoals een paard, door koppigheid gedreven,
of als een muildier in zijn onverstand:
met toom en bit bedwingt hen 's mensen hand.

5. Laat toch geen dwang voor u ooit nodig wezen,
wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.
Maar wie op Hem vertrouwt en schuld belijdt,
omringt Hij met zijn goedertierenheid.
Verheugt u in de Here, alle vromen,
u mag tot God met grote vreugde komen.
Rechtvaardigen, weest in de Heer verblijd
en zingt Hem lof in alle eeuwigheid!