Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Eindelijk! Taal verandert razendsnel. Toch was de jongste officiële psalmberijming al dik 50 jaar oud. Voor de gemiddelde jongere een bijna onbegrijpelijk taalkleed. Super dat naast initiatieven als 'Psalmen voor Nu' en 'Levensliederen' er nu dit initiatief is. Lees meer »

Ds. K. de Vries | Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Ds. K. de Vries
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Lees alle quotes

Psalm 35

De nieuwe psalmberijming

1. Bestrijd wie mij bestrijden, HEER.
Kom, help mij, grijp uw schild, uw speer.
Sta op, verjaag wie mij belagen.
Zeg tegen mij: 'Ik zal je dragen'.
Laat hen die uit zijn op mijn dood
te kijk staan, maak hun schande groot.
HEER, stuur uw engel op hen af.
Laat hen verwaaien zoals kaf.

2. Ze hebben sluw hun val gezet
om mij te vangen in hun net.
Laat hen zelf in de valkuil stappen
waar ik onschuldig in moest trappen.
Dan vult mijn hart zich met muziek;
dan zing ik: 'Heer, U bent uniek!
U gaat naast zwakke mensen staan
en pakt de onderdrukkers aan.'

3. Zij liegen dat ik schuldig ben.
Toch was ik altijd goed voor hen.
Ik leefde mee wanneer zij leden.
Ik noemde hen in mijn gebeden.
Ik zat om hen in zak en as
alsof het om mijn moeder was.
Maar nu ik struikel, lachen zij
en komen dreigend dichterbij.

4. Hoelang nog, Heer, kijkt U ernaar?
Moordlustig staan die leeuwen klaar.
Verlos mij of ik ga verloren;
geef dat het volk mijn lied mag horen.
Laat toch niet lachen wie mij haat,
wie ruzie zoekt en zint op kwaad.
Gun hun die leven van bedrog
geen leedvermaak: 'Kijk hem nou toch!'

5. U ziet toch ook dit alles, HEER?
Blijf dan niet ver en zwijg niet meer.
Word wakker, God, kom voor mij strijden.
Verdedig mij, sta mij terzijde!
U bent rechtvaardig, HEER, mijn God,
laat hen niet lachen om mijn lot.
Laat ze niet zeggen vol venijn:
'We kregen hem ten slotte klein!'

6. Laat wie om mijn ellende lacht,
vernederd worden en veracht.
Geef blijdschap aan oprechte mensen
die wel het goede voor mij wensen.
Maak dit hun lied: ‘De HEER is groot,
Hij hielp zijn dienaar uit de nood.’
Dan zal ik zingen voor altijd;
dan prijs ik uw gerechtigheid.

Tekst: Adriaan Molenaar

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Bestrijd wie mij bestrijden, HEER.
Kom, help mij, grijp uw schild, uw speer.
Sta op, verjaag wie mij belagen.
Zeg tegen mij: 'Ik zal je dragen'.
Laat hen die uit zijn op mijn dood
te kijk staan, maak hun schande groot.
HEER, stuur uw engel op hen af.
Laat hen verwaaien zoals kaf.

2. Ze hebben sluw hun val gezet
om mij te vangen in hun net.
Laat hen zelf in de valkuil stappen
waar ik onschuldig in moest trappen.
Dan vult mijn hart zich met muziek;
dan zing ik: 'Heer, U bent uniek!
U gaat naast zwakke mensen staan
en pakt de onderdrukkers aan.'

3. Zij liegen dat ik schuldig ben.
Toch was ik altijd goed voor hen.
Ik leefde mee wanneer zij leden.
Ik noemde hen in mijn gebeden.
Ik zat om hen in zak en as
alsof het om mijn moeder was.
Maar nu ik struikel, lachen zij
en komen dreigend dichterbij.

4. Hoelang nog, Heer, kijkt U ernaar?
Moordlustig staan die leeuwen klaar.
Verlos mij of ik ga verloren;
geef dat het volk mijn lied mag horen.
Laat toch niet lachen wie mij haat,
wie ruzie zoekt en zint op kwaad.
Gun hun die leven van bedrog
geen leedvermaak: 'Kijk hem nou toch!'

5. U ziet toch ook dit alles, HEER?
Blijf dan niet ver en zwijg niet meer.
Word wakker, God, kom voor mij strijden.
Verdedig mij, sta mij terzijde!
U bent rechtvaardig, HEER, mijn God,
laat hen niet lachen om mijn lot.
Laat ze niet zeggen vol venijn:
'We kregen hem ten slotte klein!'

6. Laat wie om mijn ellende lacht,
vernederd worden en veracht.
Geef blijdschap aan oprechte mensen
die wel het goede voor mij wensen.
Maak dit hun lied: ‘De HEER is groot,
Hij hielp zijn dienaar uit de nood.’
Dan zal ik zingen voor altijd;
dan prijs ik uw gerechtigheid.

Tekst: Adriaan Molenaar

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Twist met mijn twisters, hemelheer;
Ga mijn bestrijd, ren toch te keer;
Wil spies, rondas en schild gebruiken,
Om hun gevreesd geweld te fnuiken.
Belet hun d' optocht, treed vooruit;
Zo worden z' in hun loop gestuit.
Vertroost mijn ziel in haar geween,
En zeg haar "'k Ben uw heil alleen".

2. Beschaam z' in hunnen trotsen waan,
Die mij zo wreed naar 't leven staan;
Zo worden z' achterwaarts gedreven,
En rood van schaamte; doe hen beven,
Die kwaad verzinnen tegen mij;
Dat al hun list verijdeld zij;
Verstrooi hen als de wind het kaf;
Gods engel drijv' hen van mij af.

3. Doe hen altoos onzeker gaan,
In duisternis, op gladde paan
En daar Gij zijt op hen verbolgen,
Moet, HEER', Uw engel hen vervolgen.
Zij hebben, in hun listigheid,
Een kuil, een net, voor mij bereid;
En schoon ik nimmer hun misdeed,
Steeds lagen voor mijn ziel gesmeed.

4. Mijn vijand word', eer hij 't verwacht,
Door ramp op ramp te niet gebracht;
Hij moog', in eigen net gevangen,
Het loon van zijn bedrijf erlangen;
Zo vall' hij in den kuil, weleer
Voor mij geschikt, verslagen neer;
Dan zal mijn ziel, verheugd in God,
Steeds juichen in haar heilrijk lot.

5. Mijn beend'ren spreken tot Uw eer:
"Wie, wie is U gelijk, o HEER' ?"
U, Die van d' overmacht der sterken
De zwakken redt door wond're werken,
Die voor der roov'ren woed, en zwaard,
't Nooddruftig volk getrouw bewaart?
Gij weet, hoe vals men mij belaagt,
En onverdiend ter vierschaar daagt.

6. Mijn vijand, dorstig naar mijn bloed,
Vergeldt mij wreev'lig kwaad voor goed.
Maar ik, hem ziend' in krankheid zuchten,
Nam deel in al zijn ongenuchten.
Ik vastte, met een zak omgord;
'k Had mijn gebeden uitgestort;
Ik ging in 't zwart, met rouwmisbaar,
Alsof 't mijn vriend, mijn broeder waar'.

7. 'k Had om mijn haters 't kleed gescheurd,
Als een, die om zijn moeder treurt;
Maar als ik moest met rampen strijden,
Verheugden zij zich in mijn lijden.
Zij kwamen schielijk op mij af,
Eer iets mij zulks te kennen gaf;
Elk spotte met mijn zielsverdriet,
Hun valse tong bedwong zich niet.

8. Bij dar'tle brassers aan den dis,
Wien 't huich'lend spotten eigen is,
Wier lastertaal mij snood onteerde,
Was vreugd om 't onheil, dat mij deerde.
Hoe lang zult Gij zulks zien, o God?
Vergun mijn ziel een beter lot;
Verlos haar, door Uw sterke hand,
Uit dezer leeuwen klauw en tand.

9. Ik zal, in tegenwoordheid
Van 't grote volk, Uw Majesteit
D' erkent'nis van mijn hart bewijzen;
'k Zal U voor aller ogen prijzen.
Dat zij dan, die mij zonder reen
Vervolgen, om mijn tegenheen
Niet juichen, noch in hunnen waan,
Op mij hun schimpend' ogen slaan.

10. Zij spreken nooit van vrede, neen;
Maar zij bedenken listigheen,
Ten val van hen, die, stil van zinnen,
Den vrede, 't dienstbaarst pand, beminnen.
Zij bassen m' aan met open mond;
Hun schimptaal, die mijn ziel doorwondt,
Bespot mijn leed; zij zijn verheugd
Op 't zien van al mijn ongeneugt'.

11. O HEER', Gij ziet het; zwijg niet stil;
Uw recht beslisse mijn geschil;
Ontwaak, treed toe tot mijn bescherming;
Mijn God, betoon mij Uw ontferming;
Doe mij, o hoogste Majesteit,
Eens recht naar Uw gerechtigheid;
En laat die wreden, dag aan dag,
Niet juichen om mijn droef geklag.

12. Laat hen niet zeggen in het hart:
"Geluk, mijn ziel, hij is benard!"
Men hore nimmer uit hun monden:
"Wij hebben hem in 't eind verslonden!"
Wil hen veeleer met schand' belaan,
Om al den smaad, mij aangedaan;
Opdat mijn trotse weerpartij,
Zich niet verheffe tegen mij.

13. Laat vromen, juichend t' allen tijd',
Om mijn gerechtigheid verblijd,
Dien lust, dien ijver nooit bedwingen;
Maar zeggen, onder 't vrolijk zingen :
"Verheerlijkt zij de hoogste God;
Hij schenkt Zijn knecht een vreedzaam lot!"
Dan meldt mijn tong, met diep ontzag,
Uw recht, Uw lof, den gansen dag.

1. Twist, Heer, met mijn twisters vol pracht,
Mijn bestrijders bestrijd met kracht,
Grijp den schild en wapen in handen,
Maak U op tot mijnen bijstande.
Trek dat zwaard uit, voor mij nu ga,
Hinder z' en hen toch wedersta;
Spreek tot mijne ziel: Ik ben 't alleen,
Die U bewaar, en anders geen.

2. Dat ze schaamrood zijn en verbaasd,
Verslagen en vol schanden haast,
Zij die altijd staan naar mijn leven,
En mij benauwen daar beneven.
Dat zij worden gelijk dat zand,
Dat de wind snel drijft over 't land;
Gods Engel moet ze jagen al,
En haastiglijk brengen ten val.

3. Haar weg zij glad in 't aardse dal;
Door wegen duister ende smal
Moet ze Gods Engel steeds najagen
En zonder ophouden zeer plagen.
Omdat z' hebben mij zeer gekweld
En heimelijk netten gesteld;
Ja zonder oorzaak toegeleid,
Om mij te doden met wreedheid.

4. Onverziens zij de mense kwaad
Overvallen met schand' en smaad;
Zijn voeten in 't strik moeten hangen,
Daarmeed' hij mij meende te vangen.
Doe hem toch in den kuil vergaan,
Dien hij mij te graven vangt aan;
Dan werd mijn ziel in God verblijd,
Die ze bewaard heeft t' allen tijd.

5. Dan zullen mijn benen vrolijk
Zeggen: Heer! wie is U gelijk?
Die den zwakken (zo elk kan merken)
Bevrijdt van dat geweld der sterken.
D' ellendigen Gij ook bewaart.
Dat hen de boze niet bezwaart.
Vals' getuigen zeggen mij aan,
Dat ik nooit en hebbe begaan.

6. Voor goed hebben zij kwaad gedaan
En naar mijn leven gestaan;
Maar zij met kruis zijnde geslagen,
Ik heb met vasten leed gedragen;
Voor hen heb ik uit 's harten grond,
U Heer', gebeden t' elken stond;
Voor hen Heer, zorgt al mijn gemoed,
Als voor een vriend en broeder goed.

7. Ik was bedroefd ende versaagd,
Als die over zijn moeder klaagt;
Maar als zij hoorden van mijn lijden,
Zij loechen te zaam met verblijden.
De ergste mensen die ik weet,
Zijn mij tegen met listen wreed;
Zonder schuld ben ik, Heer, veracht,
Voor hen allen dag ende nacht.

8. De spotters en vleiers meteen
Bijten t' zaam haar tanden gemeen,
Met de brassers, op mij verbolgen,
Die gaarn' de goede taaf'len volgen.
Maak U op, Heer, niet langer wacht,
Verlos mijn ziel, heb op mij acht;
Mijn ziel uit den angst trek toch snel,
Bevrijd die voor de leeuwen fel.

9. Dan zal U danken mijn hart rein,
In 't midden Uwes volks gemein;
Bij Uw volk zal ik U, Heer, prijzen
En U altijd ere bewijzen.
Geef hun geen oorzaak, Uwen knecht
Te bespotten; want met onrecht
Haten ze mij; en vol van nijd
Wenken zij mij uit smaad en spijt.

10. Zij spreken noch denken gans niet
Dan op twist, schaad' ende verdriet,
En hoe zij mij die niet ben twistig,
Zullen kunnen bedriegen listig.
Mij te spotten tot dezer stond,
Doen zij t' zaam open haren mond;
Met lachen roepen zij mij naar,
Ha, ha! ziet den schalk, hij is daar.

11. Heer! Gij, Die dezer doen wel ziet,
Laat toch dit zo voorbij gaan niet;
Wil U van mij niet verre maken,
Maar om te richten mijne zaken,
Maak U op, Heer, met grote macht;
Mij recht te doen zijt toch bedacht;
Opdat nimmermeer verblijd zijn
Over mij de vijanden mijn.

12. Opdat ze niet zeggen met vreugd:
Welaan, zijt goedsmoeds en verheugd,
Hij is vergaan! want zij mij smaden
En verblijden in mijne schaden.
Laat ze wezen vol van oneer,
Die in mijn kruis verblijden zeer;
Laat ze met schanden zijn bekleed,
Die hen tegen mij stellen wreed.

13. Maar laat hen eerlijk zijn verblijd,
Die mij goed wensen t' allen tijd;
Dat ze met vreugd prijzen en zingen
Uwe macht, en den lof voortbringen
Van U Heer, Die Uwen knecht doet
In vrede leven met voorspoed.
Zo zal mijn tong Uw goedigheid
Altijd zingen in eeuwigheid.

1. Twist, Here, met mijn twisters, strijd
tot Gij uw dienaar hebt bevrijd.
Grijp schild en zwaard, ja snel te wapen
en sla de wolven, red uw schapen.
Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil,
Ik heb voor u mijn leven veil-
maak toch te schande wie mij jaagt
ten dode toe en mij belaagt.

2. Laat hen toch worden als het kaf
en waai hen van de aarde af.
Engel des Heren, maak hun wegen
duister en treed hen wrekend tegen.
Al wie een val zet voor mijn ziel,
ach, Heer, dat hij daar zelf in viel,
en doe die mij naar 't leven staan
in eigen laag en list vergaan.

3. Zo zal mijn hart zich voor den Heer
vrolijk verhogen tot zijn eer,
en al mijn vlees en bloed zal zingen;
Geen macht kan met U mededingen.
O Heer, wie is aan u gelijk,
die den ellendige bevrijdt
en onze nooddruft veilig stelt
voor onderdrukking en geweld.

4. Boze getuigen staan gereed
en eisen wat ik zelf niet weet,
met kwaad vergelden zij het goede;
zie mij hier blootstaan aan hun woede!
Maar ik, ik ging in zak en as
alsof het voor een broeder was,
ik heb gebeden en gerouwd
toen ik hun lijden had aanschouwd.

5. Zij scholen samen als ik lijd,
over mijn leed zijn zij verblijd.
Zij spotten in hun goddeloosheid,
bedelven mij onder hun boosheid.
O Heer, hoelang nog ziet Gij toe?
Zijt Gij hun brullen nog niet moe?
Verlos mij als uw onderpand,
uit klauw en tand en tegenstand.

6. Ik zal in tegenwoordigheid
van al het volk uw majesteit
mijn grote dankbaarheid bewijzen
en U voor aller ogen prijzen.
Laat over mij niet vrolijk zijn,
wier hart gevoed is met venijn,
wier oog in redeloze haat
mij uit de hoogte gadeslaat.

7. Zij spreken toch van vrede niet,
maar zij beogen ons verdriet.
Zij brengen haat en nijd en schande
over de stillen in den lande.
Zij lachen met wijdopen mond.
O Heer, die aller hart doorgrondt,
zie hoe zij spotten over mij:
luister, o God, ga niet voorbij.

8. O Heer, Gij ziet het, zwijg niet stil.
Uw recht beslisse mijn geschil.
Ontwaak, treed toe tot mijn bescherming.
Mijn God, betoon mij uw ontferming.
Doe mij, o hoogste majesteit,
nu recht naar uw gerechtigheid,
laat over mij niet vrolijk zijn
wier hart gevuld is met venijn.

9. Laat hen niet triomfantelijk
zwelgen in al mijn ongeluk.
Maak hen beschaamd, ja laat hen samen
over hun leedvermaak zich schamen.
Die zich verhieven in mijn leed,
doe hen, met scha en schand bekleed,-
doe hen ervaren hoe Gij mij
verlost uit al hun razernij.

10. Laat vrolijk zingen, maak verblijd
wie lust heeft in gerechtigheid.
Zij overal de Heer aanbeden,
want Hij geeft zijn dienaren vrede!
Dan zal ik tot uw lof en prijs
bezingen op een nieuwe wijs
uw recht dat ik op aarde zag,
uw heil, de ganse lieve dag!

1. Twist met mijn twisters, Here God.
Stel mijn bestrijders tot een spot.
Grijp naar uw schild om mij te dekken,
wil mij aan hun geweld onttrekken.
O God, bied sterke tegenstand,
neem speer en strijdbijl in uw hand,
versla de vijand, spreek tot mij:
Ik zorg voor u, Ik maak u vrij.

2. Beschaam hen in hun trotse waan,
die mij steeds naar het leven staan.
Geef, dat zij, achterwaarts gedreven,
straks schaamrood staan. Heer, doe hen beven.
Laat, wie op boze listen zint,
als kaf verstuiven door de wind.
Ontbied daartoe uw Engel, Heer,
en stoot door Hem de vijand neer.

3. Maak dat zijn weg door duisternis
en gladheid onbegaanbaar is,
dat hij uw grote toorn moet duchten,
wanneer uw Engel hem doet vluchten.
Want zie hoe hij mij steeds belaagt
en zonder oorzaak op mij jaagt.
Zie hoe hij mij een val bereidt
en voor mijn voet zijn netten spreidt.

4. Snel moge hij ten onder gaan.
Wil, Here, onverhoeds hem slaan.
Verwar hem in zijn eigen netten,
die hij in het verborgen zette.
Dan klimt tot U mijn jubelzang
en loof ik U mijn leven lang.
De Here heeft mijn ziel bevrijd,
Hij heeft mij grote vreugd bereid.

5. Heel mijn gebeente geeft U eer.
Wie is aan U gelijk, o Heer?
U, die de zwakken wilt ontrukken
aan wie hen harteloos verdrukken.
U hebt de armen trouw bewaard
voor wie hen dreigden met het zwaard.
Valse getuigen vragen wreed
naar zaken waar ik niet van weet.

6. Zij die belust zijn op mijn bloed
vergelden mij slechts kwaad voor goed.
Zij kwamen al mijn vreugde doven
door mij van kindren te beroven.
Maar werden zij bezocht met leed,
dan was een rouwgewaad mijn kleed.
Ik bad en vastte dag aan dag
wanneer ik hen in moeite zag.

7. Ik heb om hen mijn kleed gescheurd
als één die om zijn broeder treurt,
die om zijn moeder rouw moet dragen,
zó was ik door hun leed verslagen.
Maar toen ik neerviel, lachten zij,
zij dromden samen tegen mij.
Ik werd belasterd en geplaagd,
door onbekenden wreed belaagd.

8. Luid klinkt de goddeloze spot
van hen die opstaan tegen God,
Zij knarsen tegen mij hun tanden
en wrijven zich al in de handen.
Hoe lang ziet U mijn lijden aan,
blijft U, o Heer, terzijde staan?
Als leeuwen gaan zij fel te keer.
Breek toch hun macht, verlos mij, Heer.

9. Ik zal met grote dankbaarheid
in aller tegenwoordigheid
uw naam en grote daden prijzen,
met heel uw volk uw lof doen rijzen.
Maar zie hoe mij mijn vijand tart.
Laat hem niet juichen om mijn smart.
Laat hem niet in zijn trotse waan
vol haat op mij de ogen slaan.

10. Zij spreken van de vrede niet,
maar zijn slechts uit op mijn verdriet.
En tegen stillen in den lande
beramen zij bedrog en schande.
Zij roepen honend tegen mij
hun woorden vol van spotternij.
Zij zien met grote vreugde aan
wat zij mij hebben aangedaan.

11. U ziet toch ook dit alles, Heer.
Houd U niet ver en zwijg niet meer.
Ontwaak, mijn God, schenk mij bescherming
en voer mijn rechtszaak, toon ontferming.
Richt mij naar uw gerechtigheid.
Verschijn, Heer, in uw majesteit.
Verhinder dat de vijand lacht.
Merk op mijn leed en hoor mijn klacht.

12. Dat zij niet zeggen in hun waan:
Nu is aan onze wens voldaan.
Laat dit nooit klinken uit hun monden:
Wij hebben hem dan toch verslonden.
Trek hun het kleed der schande aan
om al de smaad, mij aangedaan.
Dan kan mijn trotse weerpartij
ook niet meer pralen tegen mij.

13. Laat vromen juichen, trouwe Heer,
geef, dat zij zingen U ter eer,
die mijn rechtvaardiging verlangen.
Dan klinken blij hun lofgezangen:
Groot is de Here, onze God.
Hij schenkt zijn knecht een heilrijk lot.
Dan looft mijn tong de hele dag
uw recht, o Heer, met diep ontzag.