Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

In onze gemeente willen we graag de psalmen blijven zingen. Het zijn prachtige liederen waarin allerlei aspecten van het leven met God bezongen worden. Helaas was de mooie inhoud soms in lastige of ouderwetse taal verstopt. De Nieuwe Psalmberijming helpt om te begrijpen wat we zingen. Lees meer »

Ds. E.C. Vreugdenhil | Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Ds. E.C. Vreugdenhil
Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Lees alle quotes

Psalm 38

De nieuwe psalmberijming

1. In uw boosheid, HEER, bewaar mij.
Straf niet, spaar mij.
Pijnlijk drukt uw hand mij neer.
Heel mijn lichaam is geschonden
om mijn zonden.
Ik verdraag mijn schuld niet meer.

2. Mijn verdiende wonden zweren.
Zwarte kleren
draag ik elk uur van de dag.
Steeds voel ik mijn ingewanden
koortsig branden;
ik ben ziek en zwaar van slag.

3. HEER, U kent mijn hartsverlangen,
en mijn bange,
zwakke zucht naar U alleen.
Vriend en vijand laat mij vallen.
Leugens schallen
oorverdovend om mij heen.

4. Wie mij dwarszitten en haten
laat ik praten;
schijnbaar heb ik geen verweer.
Met mijn allerlaatste krachten
blijf ik wachten
totdat U mij antwoordt, HEER.

5. Geef dat ik niet uit zal glijden
nu het lijden
mij voortdurend vergezelt.
HEER, ik voel mij kwetsbaar, nietig
en verdrietig
om de zonde die mij kwelt.

6. Vijanden zijn mij te machtig.
Leugenachtig
willen ze geen goed, maar kwaad.
Houd geen afstand, HEER, maar red mij.
Snel, ontzet mij.
U bent toch mijn toeverlaat!

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. In uw boosheid, HEER, bewaar mij.
Straf niet, spaar mij.
Pijnlijk drukt uw hand mij neer.
Heel mijn lichaam is geschonden
om mijn zonden.
Ik verdraag mijn schuld niet meer.

2. Mijn verdiende wonden zweren.
Zwarte kleren
draag ik elk uur van de dag.
Steeds voel ik mijn ingewanden
koortsig branden;
ik ben ziek en zwaar van slag.

3. HEER, U kent mijn hartsverlangen,
en mijn bange,
zwakke zucht naar U alleen.
Vriend en vijand laat mij vallen.
Leugens schallen
oorverdovend om mij heen.

4. Wie mij dwarszitten en haten
laat ik praten;
schijnbaar heb ik geen verweer.
Met mijn allerlaatste krachten
blijf ik wachten
totdat U mij antwoordt, HEER.

5. Geef dat ik niet uit zal glijden
nu het lijden
mij voortdurend vergezelt.
HEER, ik voel mij kwetsbaar, nietig
en verdrietig
om de zonde die mij kwelt.

6. Vijanden zijn mij te machtig.
Leugenachtig
willen ze geen goed, maar kwaad.
Houd geen afstand, HEER, maar red mij.
Snel, ontzet mij.
U bent toch mijn toeverlaat!

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Groot en eeuwig Opperwezen,
Zeer te vrezen,
Staf mij in Uw gramschap niet;
Toon mij toch, dat Uw kastijden,
In mijn lijden,
Uit geen grimmigheid geschiedt.

2. Want Uw pijlen doen mij dragen
Bitt're plagen;
Zij doorgrieven vlees en been;
'k Voel Uw hand in d' ongelukken,
Die mij drukken,
Neergedaald op al mijn leen.

3. Door Uw gramschap, fel ontstoken,
Is verbroken
Al mijn vlees en lichaamskracht.
Rust, noch vrede wordt gevonden,
Om mijn zonden,
In mijn beend'ren, dag of nacht.

4. Want mijn hoofd is als bedolven
In de golven
Van mijn ongerechtigheen;
Zulk een last van zond' en plagen,
Niet te dragen,
Drukt mijn schouders naar beneen.

5. 'k Voel door stinkend' etterzweren
Mij verteren,
Walg'lijk zijn zij voor het oog;
Mijne dwaasheid deed die builen
Dus vervuilen,
Daar ze mij tot kwaad bewoog.

6. 'k Ben, door Uwe wet te schenden,
Krom van lenden,
Vol van druk, benauwd van hart.
Zeer gebogen en verslagen,
Moe van klagen,
Ga ik al den dag in 't zwart.

7. Mijn ontstoken ingewanden
Doen mij branden,
En voor elk veracht'lijk zijn;
'k Voel mij van de smart doorsneden;
In mijn leden
ls niets heel, of vrij van pijn.

8. Uitgeteerd door al mijn klachten
Zijn mijn krachten,
Zeer verbrijzeld en vergaan;
'k Brul van bitt're zielesmarte,
Want mijn harte
Is verzwakt, door al Uw slaan.

9. Maar wat klaag ik, HEER' der heren?
Mijn begeren
Is voor U, in al mijn leed,
Met mijn zuchten en mijn zorgen,
Niet verborgen;
Daar Gij alles ziet en weet.

10. 't Hart schokt in mij heen en weder,
Op en neder;
't Lichaam valt mij kracht'loos neer;
D' ogen, bijna blind gekreten,
Uitgebeten,
Zien het daglicht nauw'lijks meer.

11. Die voorheen mij teer beminden,
En mijn vrinden
Wijken, angstig voor mijn plaag;
Nabestaanden gaan ter zijden,
Wegens 't lijden,
En d' ellenden, die ik draag.

12. Zij, die mijnen dood bejagen,
Leggen lagen,
Dreigen mij den laatsten slag,
Spreken, hoe mij 't best te krenken;
En bedenken
Mijn verderf, den gansen dag.

13. Maar ik ben, in d' ongelukken,
Die mij drukken,
Als een dove, die niet hoort,
En uit wiens verstomde lippen
Niet kan glippen
't Flauwst geluid van enig woord.

14. Ja, ik ben als een, wiens oren
Niet meer horen,
Wat men zegge, kwaad of goed;
Wien de tegenreen ontbreken,
Om te spreken,
En die daarom zwijgen moet.

15. Want, o trouw en eeuwig Wezen,
In mijn vrezen
Staat mijn hoop op U alleen;
Gij, mijn God, zult in ellenden
Bijstand zenden,
En verhoren mijn gebeen.

16. 'k Zei:"Laat nooit mijn bitter lijden
Hen verblijden
In hun trotsen euvelmoed;
Wijl die bozen juichen zouden,
Als z' aanschouwden
't Wank'len van mijn zwakken voet."

17. Want, o HEER', ik ben aan 't zinken
En tot hinken
Ieder ogenblik gereed.
'k Heb mijn smart en onvermogen
Steeds voor ogen,
Bij 't vooruitzicht van mijn leed.

18. 'k Wil mijn misdaan, die U tergen,
Niet verbergen;
Ik bedek voor U die niet;
'k Ben vanwege al mijn zonden,
Die mij wonden,
Vol van kommer en verdriet.

19. Maar mijn vijand zie ik leven,
Hoog verheven,
Machtig, vrij van smart en nood.
Die, om valse reen verbolgen,
Mij vervolgen,
Nemen toe en worden groot.

20. Zij, die kwaad voor goed vergelden,
Last'ren, schelden,
En vervolgen mij gestaag.
Ja, zij zijn op mij gebeten,
Want zij weten,
Dat ik naar het goede jaag.

21. Zie mij, HEER', wien elk moet duchten,
Tot U vluchten.
O mijn God, verlaat mij niet;
Blijf niet, wegens mijn gebreken,
Ver geweken;
Toon, dat Gij mijn rampen ziet.

22. HEER', ik voel mijn krachten wijken,
En bezwijken,
Haast U tot mijn hulp, en red,
Red mij, Schutsheer, God der goden,
Troost in noden,
Grote Hoorder van 't gebed.

1. Wil in Uwen toorn gestadig,
Heer genadig,
Mij toch straffen niet zo zeer;
De hitt' Uwes toorns wil keren
Van mij, Heere,
Die nu gaar zwak ben en teer.

2. Want Uw pijlen hard gedreven,
In mij kleven,
Zeer stijf en diepe voorwaar;
Gij wilt, dat ik ook zal lijden,
Dat kastijden
Uwer hand, die mij drukt zwaar.

3. Mijn lijf is vol ongezonden
Nu bevonden,
Door Uwen toorne zeer groot;
Geen rust en hebben mijn benen
Al met enen,
Vanwege mijn zonden bloot.

4. Want de straffe mijner zonden,
Niet om gronden.
Zeer zwaar over mijn hoofd gaat;
Als een last zeer zwaar om dragen,
T' allen dagen
Wordt zij meerder met de daad.

5. Mijn wonden mij zeer vermoeien.
Die daar vloeien
Vol van etter, stank en bloed;
Door mijn dwaasheid, niet om sommen,
Is mij kommen
Dit verderf en tegenspoed.

6. Mijn lijden mij zo hard drukket,
Dat gebukket
Ik nu ben, ja ook gans krom;
Ik moet treurig en verslagen
In mijn klagen
Den gehele dag gaan om.

7. Want verdorret t' allen steden
Zijn mijn leden,
Door 't kruis dat mij 't hart doorsnijdt;
In mij is niet gezonds bleven;
Want mijn leven
Is vol lijdens t' aller tijd.

8. Ik, die wakker placht te wezen,
Ben mits dezen
Gaar gebroken, mat en krank;
Zodat ik, door 't kruis mijn harten,
Vol van smarten,
Schreie ganse dagen lank.

9. Mijn begeerten, Heere krachtig
En almachtig,
Zijn voor U gans openbaar;
Al mijn zuchten en gedachten
En mijn klachten,
Zijn voor U bloot ende klaar.

10. Mijn harte beeft met versagen;
Zeer verslagen
Zijn mijn krachten in 't gemein;
En mij is (dies ik moet schromen)
Gans ontnomen
't Gezicht mijner ogen rein.

11. Mijn vrienden die gaan ter zijden,
En mijn lijden
Zien zij onbarmhartig aan;
Ende die mij zijn de naaste
Met der haaste,
Wijd van mij treden en gaan.

12. Zij, die mijn ziel netten stellen
En mij kwellen
Met hen, die mij gunnen kwaad,
Denken om mij te beschamen
En al t' zamen
Houden tegen mij den raad.

13. En ik, als die niet kan horen,
Sta daar voren,
Daar ze tegen mij raadslaan;
Ik ben gaar stom tot deez' stonde,
Uit den monde
En laat ik geen woord ontgaan.

14. Ik ben geworden als ene,
Die gans gene
Sprake noch geen gehoor heeft;
Als een die, zijnde versteken,
Niet kan spreken
En geen verantwoording geeft.

15. Maar ik wil, Heer, op U bouwen
Mijn vertrouwen,
En wachten Uwen bijstand;
Gij zult ook, mijn God verkoren,
Mij verhoren,
En mij bieden Uwe hand.

16. Ik bid U, laat niet verblijden
In mijn lijden
Hen, die mij haten zeer wreed;
Want, als mijne voeten glijden
Wat bezijden
Zij verheugen in mijn leed.

17. Wil helpen, o Heere krachtig
Mij, die klachtig
Ben en tot lijden gemaakt;
Gestadiglijk is mijn harte
Vol van smarte,
Daarmee Gij mij hebt geraakt.

18. Met schaamte ik mij zeer kwelle
En vertelle
Mijne zeer grote misdaad;
Ik en doe niet dan beklagen
All' mijn dagen
All' mijn zware zonden kwaad.

19. Mijn vijanden zijn bij dezen
Hoog geprezen,
En leven in eer en pracht;
Die mij haten en aanvechten,
Gans t' onrechten,
Wassen in getal en kracht.

20. Zij al tegen mij hen stelden,
En vergelden
Met kwaad doen alle mijn deugd;
Daarom is 't, dat ze mij smaden
En beladen
Omdat ik recht doe met vreugd.

21. Wil mij, Heer! in zulker maten
Niet verlaten
Die van ieg'lijk ben veracht;
Dat van mij Uw goedheid rijke
Niet en wijke,
Want mijn hart, Heer, U verwacht.

22. Kom, Heer! wil U bij mij maken
In mijn zaken,
Tot mijn hulp U goed'lijk wendt.
Haast U tot mijnen bijstande,
Goederhande,
Gij, Die mijn heil zijt bekend.

1. Laat toch niet uw toorn, o Here,
mij verteren,
straf mij niet, o straf mij niet.
Want uw hand ligt op mijn leven.
Zie mij beven
voor de pijlen die Gij schiet.

2. Heer, ik kan geen rust meer krijgen
door uw dreigen,
enkel onvree is mijn deel.
Mijn bestaan werd mij een wonde
door mijn zonde,
niets bleef aan mijn lichaam heel.

3. Boven 't hoofd groeit mij het kwade
van mijn daden,
al te zwaar werd hun gewicht.
Met terneergeslagen ogen,
diep gebogen,
kom ik voor uw aangezicht.

4. Heel mijn dwaasheid voel ik schrijnen
in mijn pijnen,
in een rouwkleed ga ik rond.
Mijn ontstoken ingewanden
voel ik branden,
niets bleef aan mijn lijf gezond.

5. Zie, mijn leven is bezweken
en zal breken
onder 't leed, Heer, dat het torst.
In benauwdheid moet ik kreunen,
ik moet steunen
van het bonzen in mijn borst.

6. Al mijn zuchten, al mijn bange
zielsverlangen
breng ik voor uw aangezicht.
't Hart krimpt, zie mijn krachten tanen,
zie mijn tranen,
uit mijn ogen wijkt het licht.

7. Verre van mij zijn mijn vrinden,
mijn beminden
mijden mij, zien mij niet aan.
Steeds op onheil zinnend zetten
strik en netten
zij die mij naar 't leven staan.

8. Maar ik wil hun hoon niet horen,
'k sluit mijn oren
en ik houd mij doof voor hen
en ik laat geen weerwoord glippen
van mijn lippen,
of ik stom geboren ben.

9. Heer, op U wil ik vertrouwen,
op U bouwen.
Geef Gij antwoord, o mijn God.
Wil niet mijn bedreigde leven
overgeven
aan hun snoeven en hun spot.

10. Want waar zouden nog mijn voeten
steunen moeten
nu mij d' afgrond opengaat.
Heer mijn God, ik heb misdreven,
red mijn leven,
want ik ben ten einde raad.

11. Wie mij haten zijn voorspoedig,
overmoedig
dringt hun vloedgolf op mij aan.
En die kwaad voor goed vergelden
hoor ik schelden,
omdat ik uw weg wil gaan.

12. Haast U mij te hulp en red mij,
Heer, ontzet mij,
o mijn heil, wees mij nabij.
Laat uw trouw mij niet begeven,
stel mijn leven
bij U veilig, handhaaf mij!

1. Blijf mij niet in toorn kastijden,
zie mijn lijden,
straf mij niet in gramschap, Heer.
U hebt pijlen, die mij wonden,
neergezonden
en uw hand drukt mij terneer.

2. Heel mijn lichaam is gebroken
en ontstoken
door uw zware toorn, o Heer.
Al mijn zonden, die als golven
mij bedolven,
drukken door hun last mij neer.

3. Ik ben overdekt met wonden
door mijn zonden,
door mijn dwaas en boos gedrag.
Ik ga zeer terneergebogen
voor uw ogen,
diep in rouw de hele dag.

4. Want mijn lenden zijn ontstoken,
en gebroken
zijn mijn leden door mijn smart.
Hoor mij, uitgeput door slagen,
schreeuwend klagen
om het bonzen van mijn hart.

5. Heer, mijn hart ligt voor U open:
al mijn hopen,
mijn verlangen en mijn leed.
Voor uw oog zijn al mijn zorgen
niet verborgen,
daar U alles ziet en weet.

6. Heer, mijn hart dreigt te bezwijken,
krachten wijken,
in mijn ogen dooft het licht.
Weg zijn al mijn trouwe vrinden,
mijn beminden
blijven ver uit mijn gezicht.

7. Vijandschap heeft mij omgeven,
op mijn leven
loert men heel de dag, o Heer.
Maar ik sluit mijn mond en oren,
wil niets horen,
spreek geen woorden van verweer.

8. U, mijn God, blijf ik verwachten
in mijn klachten,
daar uw antwoord komen zal.
Laat geen vijand zich verblijden
om mijn lijden,
niemand juichen om mijn val.

9. Want mijn voet dreigt uit te glijden
door het lijden
dat mij steeds voor ogen staat.
Ik belijd mijn schuld en zonden,
die mij schonden,
zeer bekommerd om mijn kwaad.

10. Wie mij haten zijn voorspoedig,
overmoedig,
groot in aantal, sterk in macht.
Hen die kwaad voor goed vergelden,
hoor ik schelden,
daar ik, Heer, uw wet betracht.

11. Wil mij, Here, niet begeven,
red mijn leven,
blijf toch niet van verre staan.
Haast U, kom mij uit mijn lijden
snel bevrijden,
Heer, mijn heil, ik roep U aan.