Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De Geneefse Psalmen liggen me na aan het hart, maar de huidige vertaling uit het Gereformeerd Kerkboek is sterk verouderd. Soms is dat niet erg, want herkenbaarheid is voor ouderen erg belangrijk. Maar vanaf de kansel zie ik jongeren en masse hun mond houden; ze weten niet meer wat ze zingen. Lees meer »

Matthijs van der Welle| Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Matthijs van der Welle
Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Lees alle quotes

Psalm 40

De nieuwe psalmberijming

1. Ik zocht God toen ik in de modder zonk.
Verwachtingsvol keek ik omhoog.
Ik zag hoe Hij vooroverboog;
Hij greep mij vast, zodat ik niet verdronk.
De HEER redt drenkelingen;
daar wil ik over zingen.
Zijn lied klinkt uit mijn mond.
De mensen knielen neer
uit eerbied voor de HEER.
Hij geeft hun vaste grond.

2. Gelukkig is hij die van U, HEER, houdt,
die niet met trotse mensen leeft,
geen aandacht voor bedriegers heeft,
maar zich volledig aan U toevertrouwt.
U liet ons steeds ervaren
hoe groot uw daden waren.
Doordacht was heel uw plan.
U bent mijn God en HEER.
U deed voor ons veel meer
dan ik vertellen kan.

3. Wat ik te bieden heb, maakt U niet blij.
Naar offers bent U niet op zoek.
Ik hoor de woorden uit uw boek
en ik sta klaar, want dat gaat over mij!
U hebt daar opgeschreven
hoe ik voor U moet leven.
Wat is het heerlijk, God,
dat ik U elke dag
van harte dienen mag.
Ik koester uw gebod.

4. Ik geef bezield de blijde boodschap door.
Ik zwijg niet, HEER, ik moet het kwijt!
Uw trouw en uw rechtvaardigheid
houd ik de toegestroomde mensen voor.
U toont uw medeleven;
U wilt bescherming geven.
Open uw hart voor mij.
Omring mij telkens weer
met uw ontferming, HEER.
Sta mij vol liefde bij.

5. Red mij opnieuw, want onheil drukt mij neer.
Van alle zonden die ik doe
ben ik gebroken en doodmoe.
HEER, help mij toch, kom snel: ik kan niet meer!
Laat wie mijn dood beramen
zich allemaal diep schamen.
Bestraf hun lasterpraat.
Toon uw rechtvaardigheid
en zorg dat voor altijd
het lachen hun vergaat.

6. Wie zijn geluk alleen bij U zoekt, lacht,
blij dat hij dicht bij U mag zijn.
‘De HEER is groot’ is het refrein
van hem die al zijn hulp van U verwacht.
Ik ben in mijn ellende
voor U geen onbekende.
Mijn helper, dat bent U!
HEER, U negeert mij niet;
U weet van mijn verdriet.
Mijn God, bevrijd mij nu.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Ik zocht God toen ik in de modder zonk.
Verwachtingsvol keek ik omhoog.
Ik zag hoe Hij vooroverboog;
Hij greep mij vast, zodat ik niet verdronk.
De HEER redt drenkelingen;
daar wil ik over zingen.
Zijn lied klinkt uit mijn mond.
De mensen knielen neer
uit eerbied voor de HEER.
Hij geeft hun vaste grond.

2. Gelukkig is hij die van U, HEER, houdt,
die niet met trotse mensen leeft,
geen aandacht voor bedriegers heeft,
maar zich volledig aan U toevertrouwt.
U liet ons steeds ervaren
hoe groot uw daden waren.
Doordacht was heel uw plan.
U bent mijn God en HEER.
U deed voor ons veel meer
dan ik vertellen kan.

3. Wat ik te bieden heb, maakt U niet blij.
Naar offers bent U niet op zoek.
Ik hoor de woorden uit uw boek
en ik sta klaar, want dat gaat over mij!
U hebt daar opgeschreven
hoe ik voor U moet leven.
Wat is het heerlijk, God,
dat ik U elke dag
van harte dienen mag.
Ik koester uw gebod.

4. Ik geef bezield de blijde boodschap door.
Ik zwijg niet, HEER, ik moet het kwijt!
Uw trouw en uw rechtvaardigheid
houd ik de toegestroomde mensen voor.
U toont uw medeleven;
U wilt bescherming geven.
Open uw hart voor mij.
Omring mij telkens weer
met uw ontferming, HEER.
Sta mij vol liefde bij.

5. Red mij opnieuw, want onheil drukt mij neer.
Van alle zonden die ik doe
ben ik gebroken en doodmoe.
HEER, help mij toch, kom snel: ik kan niet meer!
Laat wie mijn dood beramen
zich allemaal diep schamen.
Bestraf hun lasterpraat.
Toon uw rechtvaardigheid
en zorg dat voor altijd
het lachen hun vergaat.

6. Wie zijn geluk alleen bij U zoekt, lacht,
blij dat hij dicht bij U mag zijn.
‘De HEER is groot’ is het refrein
van hem die al zijn hulp van U verwacht.
Ik ben in mijn ellende
voor U geen onbekende.
Mijn helper, dat bent U!
HEER, U negeert mij niet;
U weet van mijn verdriet.
Mijn God, bevrijd mij nu.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. 'k Heb lang den HEER' in mijnen druk verwacht,
En Hij heeft zich tot mij geneigd.
Ik riep, door nood op nood bedreigd,
Hij gaf gehoor aan mijne jammerklacht.
Mij, in den kuil verzonken,
Mij heeft Hij hulp geschonken,
Gevoerd uit modd'rig slijk;
Mij op een rots gezet,
Waar ik, met vasten tred,
Die jammerkolk ontwijk.

2. Hij geeft m' opnieuw een danklied tot Zijn eer,
Een lofzang. Velen zullen 't zien,
En God eerbiedig hulde bien;
Hem vrezen, en vertrouwen op den HEER'.
Wel hem, die 't Opperwezen
Dus kinderlijk mag vrezen,
Op Hem vertrouwen stelt,
En, in gevaar, geen kracht
Van ijd'le trotsaards wacht,
Van leugen of geweld.

3. Mijn God, Gij hebt Uw wond'ren groot gemaakt;
Wie is 't, die 't onbepaald getal
Van Uw gedachten melden zal?
Wat geest zo vlug, wat tong zo welbespraakt?
Geen slachtvee, geen altaren,
Vol spijs ten offer, waren
Het voorwerp van Uw lust.
Gij hebt mij naar Uw woord,
Mijn oren doorgeboord,
En 't lichaam toegerust.

4. Brandofferen, noch offer voor de schuld,
Voldeden aan Uw eis, noch eer.
Toen zeid' ik: "Zie, ik kom, o HEER';
De rol des boeks is met Mijn Naam vervuld,
Mijn ziel, U opgedragen,
Wil U alleen behagen.
Mijn liefd' en ijver brandt;
Ik draag Uw heil'ge wet,
Die Gij den sterv'ling zet,
In 't binnenst' ingewand."

5. Uw heilleer wordt door mij alom verbreid:
'k Bedwing mijn tond en lippen niet.
Gij weet het, HEER', die alles ziet
Mijn hart verbergt nooit Uw gerechtigheid.
Uw waarheid doe ik horen;
Uw heil, den mens beschoren,
Vloeit daag'lijks uit mijn mond.
Uw gunst, Uw trouw, Uw woord
En Godsgeheimen, hoort
Uw talrijk volk in 't rond.

6. G' onthoudt, o HEER', dan Uw barmhartigheen,
Mij nooit in knellend zielsgevaar,
Dat mij Uw gunst en trouw bewaar',
Daar ik door ramp op ramp mij vind bestreen.
Ik voel mij aangegrepen,
Door zonden fel benepen,
Een heir niet t' overzien,
Die ik veel minder dan
Mijn hoofdhaar tellen kan;
Zij doen mijn krachten vlien.

7. 't Behaag, U mij te redden uit den nood;
O HEER', bied vaardig onderstand,
En overstort met schaamt' en schand'
Hen, die mijn ziel vervolgen tot den dood;
Laat z' achterwaarts gedreven,
Met schand' in 't vluchten sneven,
Wier lust is in mijn kwaad.
Verwoesting zij het loon,
Voor al den schimp en hoon
Van hem, die mij versmaadt.

8. Verheug het volk, verblijd hen allen, HEER',
Die naar U zoeken t' elken stond';
Leg steeds Uw vrienden in den mond:
"Den groten God zij eeuwig lof en eer!"
Schoon 'k arm ben en ellendig,
Denkt God aan mij bestendig;
Gij zijt mijn hulp, mijn kracht,
Mijn redder, o mijn God,
Bestierder van mijn lot,
Vertoef niet, hoor mijn klacht.

1. Nadat ik langen tijd hebbe verwacht
Den wille Gods in mijn ellend',
Zo heeft Hij Hem tot mij gewend,
En verhoord in den nood mijne klacht.
Uit den slijk zeer onreine
En een afgrond niet kleine
Met kracht Hij mij uittoog;
Hij heeft mijn voeten vast
Tot Zijn wegen gepast,
Op een steenrots zeer hoog.

2. In mijnen mond heeft Hij een lofzang zoet
Gegeven; dies werd Hij geëerd;
Daardoor het volk zal zijn geleerd,
Om den Heer te verwachten met lankmoed.
Welzalig zal hij wezen,
Die hoopt op God geprezen,
En op Hem vast blijft staan;
Latende hen, die stout
Liegen zeer menigvoud,
Die haast zullen vergaan.

3. Heer God, Uwe werken zijn wonderlijk,
Gij denkt op ons, Heer, goedertier;
Zodat niemand in 't leven hier
Uwe gaven kan melden zonderlijk.
Zou ik die al t' zaam loven,
't Getal gaat mij te boven
Slachtoffer nu voortaan,
Laat ik, 't welk Gij niet wilt;
Maar Gij hebt, Heere mild,
D' oren mij opgedaan.

4. Schuldoffer hebt Gij van mij begeerd niet
Voor de zonde; dan sprak Ik vrij:
Zie hier ben Ik, daar staat van Mij
Geschreven in Uw wetboek, zo elk ziet,
Dat Ik Uwen wil billig
Volbrengen zal gewillig.
Zulks doe Ik ook, Mijn God!
Al Uw voornemen goed,
Draag Ik in Mijn gemoed,
En houd ook Uw gebod.

5. Ik wil verkonden Uw gerecht'heid klaar
In de gemeenten overluid;
Gij weet uit wat hart dat zulks spruit;
Ik heb Uwe daden geroemd eenpaar.
Van Uw waarheid standvastig
En van Uw hulpe krachtig
Spreek ik tot groot en kleen:
Ik prijs, Heer, Uw goedheid,
En Uw getrouwigheid
Midden in Uw gemeent'.

6. Uwe goedheid zult Gij, Heer, nimmermeer
Van mij weren tot genen tijd;
Maar mij bijstaan in dezen strijd
En altijd bewaren tot Uwe eer.
't Kruis wil mij overvallen
Ende mijn zonden allen;
't Gezichte mij ontwijkt;
Ik heb meer lijdens stijf,
Dan haren aan mijn lijf,
't Harte mij gans bezwijkt.

7. O God! verlos mij nu genadelijk,
Kom mij te hulp, o Heer, zeer haast.
Laat toch beschaamd zijn en verbaasd,
Al die mijn dood zoeken gestadelijk,
Dat ze schande beërven,
Die mij willen bederven
En mij bespotten koen.
Hen toekome met kracht,
Dat ze hadden bedacht
Mij list'lijk aan te doen.

8. Maar in U zijn zij verheugd en verblijd,
Die met nood zijnde zeer benauwd,
Op U alleen hebben vertrouwd;
Dat ze zeggen: God zij gebenedijd,
Arm ben ik en ellendig,
Maar mijn God zeer bestendig
Zorgt voor mij nu voortaan,
Gij helpt mij door Uw kracht,
Gij hebt ook op mij acht:
Wil mij altijd bijstaan.

1. Met heel mijn hart heb ik de Heer verwacht,
Hij heeft gehoord naar mijn gebed,
mij uit de modderpoel gered,
mijn voet weer op een vaste grond gebracht.
Hij heeft mij doen herleven,
mij in de mond gegeven
een nieuw lied tot zijn eer.
Laat ieder die het zag
stil zijn van diep ontzag
en hopen op de Heer.

2. Zalig de man die op den Heer vertrouwt,
geen acht slaat op de eigenwaan
van die hun eigen wegen gaan,
maar die de leugen uit zijn leven houdt.
Mijn God, ik wil U roemen
en al uw daden noemen,
niets is aan U gelijk.
Wil ik ze tellen, Heer,
ik zie er telkens meer,
't gaat boven mijn bereik.

3. Het is geen offervuur wat U behaagt,
Gij wilt, Heer, dat ik naar U hoor
en zelf ontsluit Gij mij het oor:
Gij hebt alleen gehoorzaamheid gevraagd.
Mijn God, ik draag uw wetten,
om op uw wil te letten,
gedurig bij mij om.
Het boek schrijft over mij.
Gij hoordet hoe ik zei;
"O Here, zie, ik kom!"

4. Ik breng de blijde boodschap van uw recht
aan al wie U zijn toegedaan,
dat zij uw wonderen verstaan
in 't woord dat Gij mij op de lippen legt.
Ik spreek, dat woord met klaarheid,
opdat uw trouw en waarheid
door elk begrepen wordt.
Heer, ik weerhoud mij niet,
maar loof U in mijn lied
met een blijmoedig hart.

5. O Heer, onthoud mij uw ontferming niet
en laat uw goedertierenheid
mij toch bewaren in de tijd
dat ik word overstelpt door mijn verdriet.
Mijn ongerechtigheden
laten mij niet met vrede,
mijn moed wordt mij ontroofd.
Mijn zonden slaan mij neer.
Mijn God, ik tel er meer
dan haren op mijn hoofd.

6. O Heer, 't behage U mij bij te staan.
Gij die altijd mijn helper waart,
drijf mijn belagers achterwaarts
en doe hen met beschaamde kaken staan.
Laat nu die mij belachten,
bedreigden en verachtten,
en loerden op mijn eind,
voor U verschrikken, God,
bespott'lijk in hun spot
en stom van schaamte zijn.

7. Laat wie uw heil beminnen hier en nu
in U verheugd zijn, U ter eer
uitroepen: groot is onze Heer!
laat wie U zoeken jubelen in U!
Al leef ik in ellende,
de Here zal het wenden,
de Heer ziet naar mij om.
Gij die mijn helper zijt,
mijn God die mij bevrijdt,
o toef niet langer, kom!

1. Met heel mijn hart heb ik de Heer verwacht,
Hij heeft gehoord naar mijn gebed,
mij uit de modderpoel gered,
mijn voet weer op een vaste grond gebracht.
Hij heeft mij doen herleven,
mij in de mond gegeven
een nieuw lied tot zijn eer.
Laat ieder die het zag
stil zijn van diep ontzag
en hopen op de Heer.

2. Zalig de man die op den Heer vertrouwt,
geen acht slaat op de eigenwaan
van die hun eigen wegen gaan,
maar die de leugen uit zijn leven houdt.
Mijn God, ik wil U roemen
en al uw daden noemen,
niets is aan U gelijk.
Wil ik ze tellen, Heer,
ik zie er telkens meer,
't gaat boven mijn bereik.

3. Het is geen offervuur wat U behaagt,
Gij wilt, Heer, dat ik naar U hoor
en zelf ontsluit Gij mij het oor:
Gij hebt alleen gehoorzaamheid gevraagd.
Mijn God, ik draag uw wetten,
om op uw wil te letten,
gedurig bij mij om.
Het boek schrijft over mij.
Gij hoordet hoe ik zei;
"O Here, zie, ik kom!"

4. Ik breng de blijde boodschap van uw recht
aan al wie U zijn toegedaan,
dat zij uw wonderen verstaan
in 't woord dat Gij mij op de lippen legt.
Ik spreek, dat woord met klaarheid,
opdat uw trouw en waarheid
door elk begrepen wordt.
Heer, ik weerhoud mij niet,
maar loof U in mijn lied
met een blijmoedig hart.

5. O Heer, onthoud mij uw ontferming niet
en laat uw goedertierenheid
mij toch bewaren in de tijd
dat ik word overstelpt door mijn verdriet.
Mijn ongerechtigheden
laten mij niet met vrede,
mijn moed wordt mij ontroofd.
Mijn zonden slaan mij neer.
Mijn God, ik tel er meer
dan haren op mijn hoofd.

6. O Heer, 't behage U mij bij te staan.
Gij die altijd mijn helper waart,
drijf mijn belagers achterwaarts
en doe hen met beschaamde kaken staan.
Laat nu die mij belachten,
bedreigden en verachtten,
en loerden op mijn eind,
voor U verschrikken, God,
bespott'lijk in hun spot
en stom van schaamte zijn.

7. Laat wie uw heil beminnen hier en nu
in U verheugd zijn, U ter eer
uitroepen: groot is onze Heer!
laat wie U zoeken jubelen in U!
Al leef ik in ellende,
de Here zal het wenden,
de Heer ziet naar mij om.
Gij die mijn helper zijt,
mijn God die mij bevrijdt,
o toef niet langer, kom!