Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De liederen van Jezus (de psalmen) zijn het hart van de Bijbel en geven weer wat er in het hart van een gelovige leeft aan vreugde en verdriet. Graag zingen wij uit De Nieuwe Psalmberijming omdat het Woord voor je gaat leven. Het brengt de psalmen lekker dichtbij. Lees meer »

Ds. H. Drost | Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Zwijndrecht-Groote Lindt

Ds. H. Drost
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Zwijndrecht-Groote Lindt

Lees alle quotes

Psalm 44

De nieuwe psalmberijming

1. Wij hebben, God, met eigen oren
van onze ouders mogen horen
hoe U de volken uit hun land
verdreef en hen daar hebt geplant.
Zij wonnen niet door eigen kracht:
U hebt uw rechterhand geheven,
U was het die verlossing bracht.
U wilde hun uw liefde geven.

2. God, onze koning, schonk de zege;
uw Jakob heeft het land gekregen.
Uw macht, en niet mijn zwaard of speer,
maaide de tegenstanders neer.
U was de redder in de strijd;
U wist de vijand te bedwingen.
Uw naam, God, prijzen wij altijd.
Uw daden zullen we bezingen.

3. Nu hebt U ons alleen gelaten.
U trok niet mee met de soldaten.
Ons leger zwichtte in de strijd.
Al ons bezit raakten we kwijt.
Als vee hebt U ons afgestaan;
U joeg ons weg naar verre landen.
U hebt ons van de hand gedaan.
U maakte ons, uw volk, te schande.

4. De volken die rondom ons wonen
zijn erop uit om ons te honen.
Ze lachen smalend om ons lot;
we zijn het mikpunt van hun spot.
U wilde dit, U keurt het goed
dat zij zich over ons vermaken.
Dat ons dit overkomen moet;
het schaamrood stijgt ons naar de kaken!

5. U hebt ons ervan langs gegeven,
toch zijn we U steeds trouw gebleven.
We bogen niet voor beelden neer,
toch gunt U ons geen daglicht meer.
Zou het U, God, niet zijn ontgaan
wanneer wij uw verbond verachtten?
Toch vallen vijanden ons aan;
ze willen ons als schapen slachten.

6. Waarom, HEER, slaapt U nu al tijden?
Word wakker en kom tussenbeide!
Waarom hebt U zich afgewend
en doet U of U ons niet kent?
Zwaar drukt de last van ons verdriet;
we zijn ten dode opgeschreven.
Kom ons te hulp, vergeet ons niet!
Laat ons weer uit uw liefde leven.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Wij hebben, God, met eigen oren
van onze ouders mogen horen
hoe U de volken uit hun land
verdreef en hen daar hebt geplant.
Zij wonnen niet door eigen kracht:
U hebt uw rechterhand geheven,
U was het die verlossing bracht.
U wilde hun uw liefde geven.

2. God, onze koning, schonk de zege;
uw Jakob heeft het land gekregen.
Uw macht, en niet mijn zwaard of speer,
maaide de tegenstanders neer.
U was de redder in de strijd;
U wist de vijand te bedwingen.
Uw naam, God, prijzen wij altijd.
Uw daden zullen we bezingen.

3. Nu hebt U ons alleen gelaten.
U trok niet mee met de soldaten.
Ons leger zwichtte in de strijd.
Al ons bezit raakten we kwijt.
Als vee hebt U ons afgestaan;
U joeg ons weg naar verre landen.
U hebt ons van de hand gedaan.
U maakte ons, uw volk, te schande.

4. De volken die rondom ons wonen
zijn erop uit om ons te honen.
Ze lachen smalend om ons lot;
we zijn het mikpunt van hun spot.
U wilde dit, U keurt het goed
dat zij zich over ons vermaken.
Dat ons dit overkomen moet;
het schaamrood stijgt ons naar de kaken!

5. U hebt ons ervan langs gegeven,
toch zijn we U steeds trouw gebleven.
We bogen niet voor beelden neer,
toch gunt U ons geen daglicht meer.
Zou het U, God, niet zijn ontgaan
wanneer wij uw verbond verachtten?
Toch vallen vijanden ons aan;
ze willen ons als schapen slachten.

6. Waarom, HEER, slaapt U nu al tijden?
Word wakker en kom tussenbeide!
Waarom hebt U zich afgewend
en doet U of U ons niet kent?
Zwaar drukt de last van ons verdriet;
we zijn ten dode opgeschreven.
Kom ons te hulp, vergeet ons niet!
Laat ons weer uit uw liefde leven.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux. Gebruik voor deze psalm liednummer 7133397 bij uw rapportage aan CCLi.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. O God, wij mochten met onz' oren,
Weleer van onze vaad'ren horen;
Wat werk Gij in hun dagen wrocht.
Hoe G' oudtijds hen met heil bezocht.
Gij hebt de heid'nen met Uw hand
Verdreven, dat zij 't erf verlieten;
Hen fel geplaagd, Uw volk geplant,
En op het weeld'rigst voort doen schieten.

2. Hun zwaard deed hen dit land niet erven;
Hun arm deed hen geen heil verwerven;
Maar Uwe rechterhand, Uw macht,
Heeft hun dien voorspoed toegebracht;
De glans van 't Godd'lijk aangezicht
Heeft hen de zege weg doen dragen;
Want Gij omscheent hen met het licht
Van Uw genadig welbehagen.

3. Gij zelf, o God, die, uit Uw woning,
Ons hulp verleendet, zijt mijn Koning!
Verlos ons van 't gedreigde kwaad;
Gebied het heil voor Jakobs zaad.
Gij doet ons onze weerpartij
Met hoornen stoten in de lenden;
In Uwen Naam vertreden wij
Die tegen ons de wapens wenden.

4. Stap ik vol moeds ten oreloge,
'k Vertrouw niet op mijn stalen boge;
Ik weet, dat, in den heten strijd,
Mij zwaard noch dapperheid bevrijdt;
Maar Gij verlost den vegen staat,
Van 's vijands macht, waarvoor wij duchten.
Ook doet Uw hand al wie ons haat
Met schand' en schaamte henen vluchten.

5. 't Is God, dien w' onzen Redder noemen,
In Wien w' ons al den dag beroemen.
Den lof Uws Naams, alom verbreid,
Verheffen wij in eeuwigheid.
Maar nu verstoot Gij ons, o HEER',
Wij zien ons hoofd met schand' bedekken.
Dewijl Gij met ons heir niet meer,
Ter hulp, als eertijds, uit wilt trekken.

6. Gij doet ons bevend rugwaarts wijken,
En steeds voor d' overmacht bezwijken
Van haat'ren, die ons goed en bloed
Vast roven in hun euvelmoed.
Gelijk de schapen, die men slacht,
Hebt G' ons aan hen tot spijs gegeven;
Ons onder 't heidendom gebracht,
Waar wij verstrooid, vol kommer, leven.

7. Het volk, dat Gij hebt uitverkoren,
Verkoopt G' aan die Uw erfdeel storen,
Voor geen waardij, hoe min men bied',
En hunnen prijs verhoogt Gij niet.
Gij stelt ons tot een bitt'ren smaad
Voor schamp're buren, die ons honen.
De spot en schimp straalt van 't gelaat
Der volken, die rondom ons wonen.

8. Gij doet ons tot een spreekwoord strekken
Den heid'nen, waar G' ons heen doet trekken;
En 't volk, dat ons te snood berooft,
Schudt over ons, afkerig, 't hoofd.
Mijn schande stelt men vals in 't licht,
Z' is nimmer uit mijn oog geweken;
De schaamte dekt mijn aangezicht,
Zodat ik 't hoofd niet op durf steken.

9. De stem des honers moet ik horen,
Zijn lastertaal klinkt mij in d' oren;
De boze vijand koelt zijn moed,
En dorst wraakgierig naar ons bloed.
Wij hebben echter in die smart,
Schoon wij dit alles ondervonden,
U niet vergeten in ons hart,
Noch trouw'loos Uw verbond geschonden.

10. Ons hart heeft zich van U, in noden,
Niet afgekeerd tot valse goden,
En onze gang week niet van 't pad,
Dat Gij ons voorgeschreven hadt;
Al hebt G' ons, in Uw toornegloed,
Verpletterd in een plaats der draken;
En ons verdrukt en bang gemoed
De doodsvalleien doen genaken.

11. Ja, hadden w', in dien druk gezeten,
Den Naam van onzen God vergeten,
De handen, in verlegenheid,
Tot vreemde goden uitgebreid.
Zou God, naar Zijn onkreukbaar recht
Die euveldaad niet onderzoeken?
Al wat in 't hart wordt overlegd,
Kent Hij, tot in de diepste hoeken.

12. Maar wij, om Uwentwil verdreven,
Verliezen, al den dag, het leven;
Wij worden slechts van hen geacht
Als schapen, voor het mes gebracht.
Waak op, o HEER', waarom toch zoudt
Gij slapen, en de smart vergroten?
Ontwaak, toon dat G' ons nog aanschouwt,
En ons niet eeuwig wilt verstoten.

13. Waarom, daar wij Uw bijstand vergen,
Zoudt Gij Uw aangezicht verbergen?
Waarom vergeten onz' ellend,
En onderdrukking zonder end?
Want onze ziel, die nauw'lijks leeft,
Is treurig in het stof gebogen;
Daar onze buik aan d' aarde kleeft,
Bezwijken wij in onvermogen.

14. Sta op, o God, toon medelijden,
Laat ons Uw arm van nood bevrijden;
Verlos ons uit den angst, o HEER',
Zo krijgt Uw goedheid eeuwig d' eer!

1. Heer, Uw wonderwerken verkoren
Hebben wij dikwijls met ons oren
Gehoord van ons voorvaders goed,
Die Gij voortijds deedt en nog doet.
De volkeren verdreef Uw hand,
Gij deedt ons vaders in 't land groeien;
De heid'nen dreeft Gij uit dat land,
En deed ons kind'ren daarin bloeien.

2. Onz' vaders hebben door 't zwaard krachtig
't Land niet ingenomen eendrachtig;
In den nood die hen is geschied,
Heeft hen hare arm verlost niet.
Maar hun is geweest enen schild
Uw rechterhand en Uw sterk' armen,
Ja Uw aanschijn; omdat Gij wilt
U Heer, over Uw volk ontfarmen.

3. Gij zijt, Heer, de Koning alleine,
Die heerst met macht groot in 't gemeine.
Maak dat Jakob Uw volk bemind,
Den gewoonlijken bijstand vindt.
Door Uw hulp zullen wij verslaan
Al onz' vijanden, die ons kwellen.
Door Uwen Naam worden verdaan
Al die hen, Heer, tegen ons stellen.

4. Op mijn boog wil ik niet vertrouwen,
Noch op mijn zwaard wil ik niet bouwen;
Want al die dingen meteen
En doen mij hulp noch bijstand geen,
Maar Gij alleen hebt ons bewaard
Tegen alle onze vijanden,
Ja Gij, Heer, met schande bezwaart
Al die tegen ons zijn gestanden.

5. God is alleen ons eer geprezen;
Dies moeten wij gedachtig wezen,
Hoe wij steeds zullen zij bekwaam
Om groot te maken Uwen naam.
Maar Gij, Heer, zeer ver van ons wijkt,
Gij laat ons gans worden tot schande;
Onze krijgslieden Gij bezwijkt,
Als zij in nood zijn der vijanden.

6. Gij doet, dat wij 't veld moeten laten
Voor de moorders; Heer, die ons haten
Omringen ons en ook ons goed,
Naar haren lust ende hoogmoed.
Gij maakt, dat ons de bozen wreed,
Als slachtschapen, aan alle zijden
Vereten, en verstrooien breed
Onder hen die ons zeer benijden.

7. Om niet verkoopt Gij Uw volk, Heere,
Als een ding, dat veracht is zere;
Zodat Gij (als men 't wel ziet aan)
Daarvan genen nut hebt ontvaan.
Gij maakt dat wij zijn vol van smaad
Bij alle onze nageburen.
Wij zijn in den schimp, spot en haat
Onzer bijwoners t' allen uren.

8. Wij zijn, o Heer, tot alle stonden
Der heidenen spreekwoord bevonden.
Ieder die ons ziet, ons veracht
En schudt dat hoofd, ja ons belacht.
Schaamt' ende smaad dagelijks gaan
Voor mij, die mijn ziele zeer tergen;
Met schand' en leed ben ik bevaan;
Zodat ik mijn aanzicht moet bergen.

9. Zeer veel smaadheid moeten wij horen.
Veel bitter verwijt komt ons voren,
Veel wraakgierigen zijn bijeen,
Die hen willen wreken gemeen.
Doch Gij zijt, Heer (alzo men ziet),
Van ons bij dezen niet vergeten;
Maar wij hebben ons al met vliet
Naar Uws verbonds inhoud gekweten.

10. Op niemand dan op U alleine,
Heeft, Heer, gestaan onz' hope reine.
Uit Uw voorschreven wegen goed
Is niet geweken onze voet;
Al hebt Gij ons met draken wreed
Gestraft, ja ook gans overvallen,
En ons in den kuil diep en breed
Des doods geworpen, Heer, met allen.

11. Hadden wij niet geweest gedachtig
Onz' Heeren ende Gods almachtig,
Of onz' handen tegen 't gebod
Uitgestrekt, dan alleen tot God;
De Heer, zou zulks straffen voorwaar,
Hij, Die kan zien ende doorgronden
's Mensen hart, en Wien openbaar
Alle dingen zijn t' alle stonden.

12. Om Uwentwil zijn wij geslachtet,
Ommegebracht, en ook geachtet
Als schapen, die daar zijn bereid,
Om op de bank te zijn geleid.
Waarom slaapt Gij, Heer, in den nood?
Ontwaak, zie ons, die boven maten
Benauwd zijn, en toon Uw kracht groot,
En wil ons nu toch niet verlaten.

13. Waarom is 't dat Gij U verberget,
Als men ons overlasting verget?
Waarom hebt Gij meed'lijden geen,
Als men ons benauwt in 't gemeen?
Uw strafheid, die over ons gaat,
Maakt ons vol schande en onwaarde;
Mitsdat Gij ons zo nederslaat,
Onze buik kleeft gaar aan de aarde.

14. Maak U op en sla ons toch gade,
Help ons naar Uw grote genade,
En ons door Uwe goedigheid
Verlos van deze tegenheid.

1. Heer, wat de vaderen vertelden
-nooit moe uw wond'ren te vermelden-
't verhaal van wat Gij hebt gedaan,
wij hebben het zeer goed verstaan:
hoe Gij weleer met eigen hand
rondom de volken hebt verdreven
en Israël, in hun grond geplant,
onder de zon een plaats gegeven.

2. Gij hebt ze zelf uiteengeslagen,
die onze vaad'ren rond zich zagen
en heel hun wijde grondgebied
gaaft Gij aan Israël om niet.
Nee, niet de zwaarden in hun hand,
uw arm heeft hun ruim baan gegeven,
uw gunst schonk hun 't beloofde land,
uw lichtend aanschijn deed hen leven.

3. Ja, Heer, Gij zult mijn Koning wezen.
Bij U hoeft Jakob niet te vrezen.
Spreek slechts uw woord, en Israël gaat
vrijuit te midden van het kwaad.
In uw kracht stoten wij hem neer
die ons belaagt van alle kanten,
gereed om in uw naam, o Heer,
de voet hem op de nek te planten.

4. Geen boog kan mij ter redding baten,
ik wil mij op geen zwaard verlaten.
God, Gij hebt zelf uw volk geleid,
van onze vijand ons bevrijd.
Wij loven en wij prijzen U,
wij roemen in uw groot vermogen.
Gij zijt ons heil, wij willen nu
en voor altijd uw naam verhogen.

5. Waarom hebt Gij ons dan verstoten,
tot onze ondergang besloten,
waarom ons naakt te kijk gesteld?
Gij toogt niet met ons in het veld,
maar hebt, o Heer, in 't aangezicht
van onze vijand ons verlaten.
Ons hebt Gij onheil aangericht
en heil gegund aan wie ons haten.

6. Zij zijn tot wolven ons geworden,
een wilde, felbeluste horde;
als schapen gaaft G' ons aan hen prijs,
hun vraatzucht dienden wij tot spijs.
Gij hebt ons over 't grondgebied
der volkeren uiteengedreven;
verkocht hebt Gij ons haast om niet,
Gij had ons lang reeds afgeschreven.

7. Aan allen die rondom ons wonen
gaaft Gij slechts reden ons te honen,
ja, onze schande werd in 't rond
zelfs tot een spreekwoord in hun mond.
Zij schudden over ons het hoofd,
met leedvermaak slaan zij ons gade,
wij zijn van alle steun beroofd,
een teken van uw ongenade.

8. De ganse dag staan mij voor ogen
mijn schande en mijn onvermogen,
het schaamrood stijgt mij naar 't gelaat;
o God, ik ben ten einde raad.
naar hartelust beschimpt men mij,
wordt met mijn naam de spot gedreven.
Hun blikken doden. - Waar zijt Gij?
Hun wraakzucht staat mij naar het leven

9. Heer, zie toch, onder zoveel slagen
bleven wij altijd naar U vragen,
trouw aan 't verbond dat Gij ons gaf.
Wij weken van uw weg niet af,
zelfs niet toen in de duisternis
uw slaande hand ons achterhaalde
en waar de jakhals meester is
de nacht des doods over ons daalde.

10. Want onze God zou immers weten,
wanneer zijn volk Hem had vergeten,
zich tot de goden had gewend?
Hij die de hartsgeheimen kent?
Gij ziet toch, Heer, om U alleen
sterven wij daag'lijks duizend doden,
de vijand drijft ons voor zich heen
als weerloos slachtvee voor zijn goden.

11. Waarom houdt Gij U slapend, Here
en blijft Gij uw gelaat afkeren?
Erken uw volk, -het is uw zaak!
Vergeet ons niet voorgoed, ontwaak!
Wij liggen in het stof terneer,
van d' aarde niet te onderscheiden.
Sta op, breng in ons lot een keer!
God, om uw trouw, kom ons bevrijden!

1. Wij hoorden, Heer, met eigen oren
wat U gedaan hebt lang tevoren:
U gaf ons voorgeslacht dit land,
U zelf hebt het daarin geplant.
Geen eigen zwaard, geen eigen kracht
deed hen de volkeren verjagen.
Het was uw rechterhand, uw macht:
U had in hen een welbehagen.

2. U, Here God, U bent mijn Koning:
maak Jacob vrij vanuit uw woning.
Met U slaan wij de vijand neer,
wij strijden in uw naam, o Heer,
Geen boog of zwaard heeft ons bevrijd,
wij zijn gered door uw vermogen.
Wij roemen in de Heer altijd,
wij zullen steeds uw naam verhogen.

3. Maar toch hebt U ons nu verstoten,
met hoon en schande overgoten:
U trok niet met de legers uit,
als slachtvee gaf U ons ten buit.
U dreef als ballingen ons voort,
verkocht ons aan de heidenvolken.
U kreeg daar slechts een spotprijs voor,
die onze waarde moest vertolken!

4. Wij zijn een smaad voor onze buren
en moeten spot en hoon verduren.
Zij schudden over ons het hoofd,
ons volk is van zijn eer beroofd.
Het schaamrood dekt mijn aangezicht,
mijn schande staat mij steeds voor ogen.
Ik word door hen van kwaad beticht
die niets dan haat en wraak beogen.

5. Wij moesten al dit leed ervaren,
maar bleven uw verbond bewaren.
Geen ontrouw heeft ons hart bekoord,
wij gingen in uw wegen voort.
Toch hebt U ons dit aangedaan:
U voerde ons naar woeste streken,
verbrijzelde ons broos bestaan,
niets kon de duisternis doorbreken.

6. Zie, hadden wij in onze noden
de hand gestrekt naar vreemde goden,
dan had de Here, die ons keurt,
die afval van zijn volk bespeurd.
Voorwaar, om U, die ons verstoot,
ontmoeten wij niets dan verachting,
wij worden om uw naam gedood,
wij zijn als schapen voor de slachting.

7. Waak op! Waarom toch slaapt U, Here?
Ontwaak, o God! Wil wederkeren.
Waarom verbergt U het gelaat,
zodat ons leed uw oog ontgaat?
Wij zijn in stof terneergedrukt;
sla ons in uw ontferming gade.
Naar lijf en ziel gaan wij gebukt.
Sta op, verlos ons uit genade.