Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Ik ben alweer acht jaar verbonden aan een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. In die zetting is het belangrijk om het evangelie in eenvoudige bewoordingen te verkondigen zonder dat het kinderachtig wordt. Lees meer »

Ds. Dennis Verboom | Geestelijk verzorger bij 's Heeren Loo

Ds. Dennis Verboom
Geestelijk verzorger bij 's Heeren Loo

Lees alle quotes

Psalm 5

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, luister naar mijn bange klachten.
Mijn God en koning, hoor naar mij.
Sta mij ook deze morgen bij.
Steeds weer blijf ik na lange nachten
U, HEER, verwachten.

2. De misdaad zal beslist niet lonen,
want U verafschuwt al het kwaad.
U bent een God die leugens haat.
U laat wie recht en waarheid honen
niet bij U wonen.

3. Maar ik, ik dank U voor uw daden
wanneer ik in uw heiligdom
eerbiedig kniel en bij U kom,
omdat U mij met uw genade
hebt overladen.

4. HEER, leid mij veilig op uw wegen.
Uw liefde maakt voor mij ruim baan,
zodat ik naar U toe kan gaan.
Houd wie een aanslag willen plegen
doeltreffend tegen.

5. Hun mond kan enkel kwaad verspreiden;
hun keel is een geopend graf.
Verklaar hen schuldig, geef hun straf.
God, toon aan hen die U bestrijden
geen medelijden.

6. Maar vrolijk zijn de vluchtelingen,
omdat U hun een schuilplaats biedt.
Er komt geen einde aan hun lied.
U zult hen die uw naam bezingen
met trouw omringen.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, luister naar mijn bange klachten.
Mijn God en koning, hoor naar mij.
Sta mij ook deze morgen bij.
Steeds weer blijf ik na lange nachten
U, HEER, verwachten.

2. De misdaad zal beslist niet lonen,
want U verafschuwt al het kwaad.
U bent een God die leugens haat.
U laat wie recht en waarheid honen
niet bij U wonen.

3. Maar ik, ik dank U voor uw daden
wanneer ik in uw heiligdom
eerbiedig kniel en bij U kom,
omdat U mij met uw genade
hebt overladen.

4. HEER, leid mij veilig op uw wegen.
Uw liefde maakt voor mij ruim baan,
zodat ik naar U toe kan gaan.
Houd wie een aanslag willen plegen
doeltreffend tegen.

5. Hun mond kan enkel kwaad verspreiden;
hun keel is een geopend graf.
Verklaar hen schuldig, geef hun straf.
God, toon aan hen die U bestrijden
geen medelijden.

6. Maar vrolijk zijn de vluchtelingen,
omdat U hun een schuilplaats biedt.
Er komt geen einde aan hun lied.
U zult hen die uw naam bezingen
met trouw omringen.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 64

1. Neem, HEER', mijn bange klacht ter oren;
Zie, als 't aan woorden mij ontbreekt,
Wat d' overdenking in mij spreekt;
Verwaardig U, uit 's hemels koren,
Mijn stem te horen.

2. Sla ied're zucht, mijn hart ontgleden,
Opmerkend ga; schenk mij 't genot
Uws heils, mijn Koning en mijn God;
Ik zal tot U, met mijn gebeden,
Eerbiedig treden.

3. Ik zal, door ijvervuur aan 't blaken,
O HEER', bij 't scheem'rend morgenlicht,
Mij stellen voor Uw aangezicht;
Oprechte boezemzuchten slaken,
En biddend waken.

4. Gij, die geducht zijt in vermogen,
Verdraagt de goddeloosheid niet;
Gij zult, o God, die 't al doorziet,
Den boze voor Uw heilig' ogen,
Geenszins gedogen.

5. Wie zinloos, zonder t' overwegen
Wat hem betaamt, tot U durft gaan,
Zal voor Uw aanschijn niet bestaan;
Gij haat, en staat hun billijk tegen,
Die onrecht plegen.

6. Gij, HEER', verdelgt den leugenspreker.
Hij, die zijn hand met bloed bevlekt,
En gruw'len met bedrog bedekt,
Tergt, als de snoodste wetverbreker,
Den hoogsten Wreker.

7. Maar mij ontmoet Uw mededogen;
Ik zal, Uw woning ingeleid,
En, naar 't paleis der heiligheid
In ware Godsvrees neergebogen,
Uw gunst verhogen.

8. Leid mij in Uw gerechtigheden,
Om mijn verspied'ren wil, en richt
Uw wegen voor mijn aangezicht;
Dan zal ik veilig voorwaarts treden,
Met vaste schreden.

9. Al 't recht is van hun mond geweken,
Zij leggen 't op verderven toe;
Hun keel is nooit verslindens moe,
Hun tong tracht, vleiend, ons door treken
Naar 't hart te steken.

10. Draagt Gij, o God, hen nog geduldig?
Verwoest hun raadslag; drijf hen heen,
Daar z' Uwe wet zo stout vertreen,
Zij tergen U te menigvuldig;
Verklaar hen schuldig.

11. 't Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER', hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.

1. Verhoor, o God, mijn woorden klachtig,
Laat Uw oren op zijn gedaan;
En wil toch d' oorzake verstaan
Mijns klagens en zuchtens eendrachtig,
O Heer almachtig!

2. Hebt acht op mijn zuchten gestadig,
Mijn God en Koning groot geacht,
Dewijl ik tot U met aandacht
Mijn smeken doe, o Heer genadig
Ende weldadig.

3. Des morgens vroeg, vóór den daag'rade
Zult Gij mij verhoren eenpaar.
Want zeer vroeg zal ik U voorwaar
Bidden, wachtende vroeg en spade
Op Uw genade.

4. Gij zijt een God, die de boosheden,
Niet en bemint, maar wederstaat.
Bij U zijn de boosdaders kwaad,
Met haren doen en boze zeden,
Gans niet geleden.

5. De dwazen, die naar U niet vragen,
Zullen voor U verschijnen niet.
Want Gij die hatet, zo men ziet.
Die boosheid doen zonder versagen,
Ja met behagen.

6. Gij zult Uwe gramschap bewijzen
Over de leugenaars gemeen.
Doodslagers, bedriegers meteen,
Zijn voor God (Dien elk mens moet prijzen)
Een groot afgrijzen.

7. Maar door Uw goedheid hoog geprezen,
Die Gij mij bewijst, zal ik gaan
Om U, o Heer! te roepen aan
In Uw huis, daar zal ik mits dezen
Godvruchtig wezen.

8. Geleid mij Heer en laat toch blijken
Aan mij Uw goedheid; dat mij niet
Mijn haters brengen in 't verdriet.
Leid mij op Uw pad desgelijken,
Zonder afwijken.

9. Daar is geen waarheid in haar monden,
Haar hart is vals, arglistig, straf;
Haar keel is als een open graf;
Haar tong is vol smekens bevonden
Tot allen stonden.

10. Verderf z' en doe te niet haar namen.
Breek haar raadslagen en haar doen,
Verstrooi z' om haar boosheid zeer koen;
Want Heer! zij zoeken al te zamen
U te beschamen.

11. Maar verheug hen 't gemoed en zinnen,
Die op U betrouwen altijd.
Dat z' in U, Heer! werden verblijd,
Die Uwen Naam in 't harte binnen
Trouw'lijk beminnen.

12. Want Gij zijt mild en overvloedig,
Den vromen man; Heer goedertier!
Met Uwen gunst dekt Gij hem, schier,
Als met een schild. Gij zijt zo goedig
En zeer lankmoedig.

1. Laat mij, mijn Koning tot U spreken.
Vroeg in de morgen kom ik, Heer,
en leg mijn noden voor U neer.
Hoor naar mijn zuchten en mijn smeken:
ik wacht uw teken!

2. Gij hebt een afschuw van de zonde.
Gij haat de hand waar bloed aan kleeft,
de tong die van de leugen leeft.
Wie in geweld hun sterkte vonden
richt Gij te gronde.

3. Ik zal mij naar uw Huis begeven.
Door uwe goedertierenheid
word ik uw tempel ingeleid
en buig mij, Koning van mijn leven,
in vrees en beven.

4. Maak door uw trouw uw paden effen,
want mijn belagers staan in 't rond.
Een open groeve is hun mond,
hun tong een wapen dat ze heffen
om mij te treffen.

5. Wil, God, hun valse list beletten!
Doe vallen hen in eigen val
om de vergrijpen zonder tal,
waarmee zij zich rebels verzetten
tegen uw wetten.

6. Maar die uw lieve naam belijden,
vinden een schuilplaats aan uw hart:
zij zullen vrij van zorg en smart
juichende zich in U verblijden
te allen tijde.

7. Want gij vervult wat Gij beloofde,
die vromen met uw zegen dekt:
o Heer, uw sterke vrede strekt
tot schild en schutse voor de hoofden
van die geloofden.

1. O Here, wil mijn woorden horen,
laat U mijn zuchten niet ontgaan.
Mijn God, mijn Koning, neem mij aan!
Mijn roep om hulp ga niet verloren,
neig toch uw oren.

2. Heer, zie mij aan, want met mijn klachten
kom ik tot U bij 't morgenlicht
en buig mij voor uw aangezicht.
Ik leg U voor al mijn gedachten,
blijf U verwachten.

3. Gij haat het goddeloos begeren.
Geen drieste dwaas verdraagt het licht,
als Gij op hem uw ogen richt.
Gij laat niet in uw huis verkeren,
wie U onteren.

4. Gij oordeelt wie niet eerlijk spreken
en haat het onrecht dat Gij ziet.
Hij zal vergaan, die bloed vergiet.
De Here zal de boze breken,
zijn misdaad wreken.

5. Maar ik zal dankbaar binnentreden
het heiligdom aan U gewijd,
dank zij uw goedertierenheid.
Ik zal met ootmoed mij bekleden
in mijn gebeden.

6. Heer, houd in toom wie mij belagen,
leid mij door uw gerechtigheid.
Maak mij uw heilsweg vlak en wijd.
Doe voor mijn ogen op mijn vragen
verlossing dagen.

7. Men kan hun geen vertrouwen geven,
hun keel is als een open graf,
met vleitaal geven zij zich af.
Hun woord, door valsheid ingegeven,
bedreigt mijn leven.

8. O Heer, verstrik hen in hun netten,
verstoot hen van uw aangezicht,
breng hen ten val door uw gericht.
Want zij gaan voort zich te verzetten
tegen uw wetten.

9. Wie bij U schuilt, zal zich verblijden
en juichend zullen tot U gaan,
wie onder uw bescherming staan.
Zij zullen U hun liefde wijden,
uw naam belijden.

10. Want Gij, o Here, blijft ons dragen,
Gij zijt rechtvaardigen ten schild.
Gij zegent hen getrouw en mild
en Gij omgeeft hen al hun dagen
met welbehagen.