Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De Geneefse Psalmen liggen me na aan het hart, maar de huidige vertaling uit het Gereformeerd Kerkboek is sterk verouderd. Soms is dat niet erg, want herkenbaarheid is voor ouderen erg belangrijk. Maar vanaf de kansel zie ik jongeren en masse hun mond houden; ze weten niet meer wat ze zingen. Lees meer »

Matthijs van der Welle| Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Matthijs van der Welle
Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Lees alle quotes

Psalm 58

De nieuwe psalmberijming

1. Spreekt u wel recht, machtige leiders?
Bent u wel trouw in wat u doet?
Behandelt u de mensen goed? 
Nee, jullie zijn juist de verspreiders
van leed en onrecht in het land.
Geweld komt voort uit jullie hand.

2. Al sinds die zondaars zijn geboren
gaan zij hun goddeloze gang.
Zij zijn zo giftig als een slang
die zijn bezweerder niet wil horen.
Hoe kundig hij hem ook gebiedt,
die sluwe adder luistert niet.

3. Verbrijzel, God, die leeuwenbende.
Maak hen als pijlen zonder nut,
als water voor de afvoerput,
als slakken smeltend in ellende,
als takken brekend in de wind
en als een doodgeboren kind.

4. Wie Gods geboden houdt, zal juichen.
Verheugd ziet hij het schurkenbloed
en in die plas wast hij zijn voet.
De hele mensheid zal getuigen:
‘Wie goed doet wordt dus tóch beloond
door God, die als een rechter troont.’

Tekst: Titia Lindeboom

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Spreekt u wel recht, machtige leiders?
Bent u wel trouw in wat u doet?
Behandelt u de mensen goed? 
Nee, jullie zijn juist de verspreiders
van leed en onrecht in het land.
Geweld komt voort uit jullie hand.

2. Al sinds die zondaars zijn geboren
gaan zij hun goddeloze gang.
Zij zijn zo giftig als een slang
die zijn bezweerder niet wil horen.
Hoe kundig hij hem ook gebiedt,
die sluwe adder luistert niet.

3. Verbrijzel, God, die leeuwenbende.
Maak hen als pijlen zonder nut,
als water voor de afvoerput,
als slakken smeltend in ellende,
als takken brekend in de wind
en als een doodgeboren kind.

4. Wie Gods geboden houdt, zal juichen.
Verheugd ziet hij het schurkenbloed
en in die plas wast hij zijn voet.
De hele mensheid zal getuigen:
‘Wie goed doet wordt dus tóch beloond
door God, die als een rechter troont.’

Tekst: Titia Lindeboom

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. O, gij vergadering, gezeten
Om recht te doen, spreekt gij het recht?
Wordt alles billijk aangelegd;
Kwijt ieder zich naar zijn geweten;
En vonnist gij wel inderdaad,
Zoals met reeht en wet bestaat?

2. Neen; gij smeedt ongerechtigheden
In 't harte, dat van boosheid zwelt.
Gij weet op aard' uw snood geweld,
In schijn van billijkheid en reden.
Godd'lozen zijn van God vervreemd,
Zo ras hun leven aanvang neemt.

3. De boze leugensprekers dolen,
Van 't uur, dat zij geboren zijn;
In hart en mond ligt heet venijn,
Als in een vuur'ge slang, verscholen.
Zij geven 't goede ,
Maar stoppen, als een adder, 't oor.

4. Gelijk zich die niet laat bezweren,
Zo willen dezen niet verstaan,
Verbreek hun tanden, laat voortaan,
O God, Uw arm hun kracht verneeren.
Breek jonge leeuwen, heet op buit,
O HEER', de wrede tanden uit.

5. Smelt hen tot water, laat ze drijven;
En maak hun pijlen, waar zij boos
Mee mikken, stomp en krachteloos.
Laat toch Uw arm hun boog niet stijven,
Doe hen, in armoe en gebrek
Vergaan, versmelten, als een slek.

6. Och, laat hen in hun kwaad niet groeien,
Maar doe hen als een misdracht zijn.
Dat nooit de zon hun oog beschijn'.
Eer dan uw potten zullen gloeien
Van 't doornenvuur, stormt Hij gezwind
Hen weg, als in een wervelwind.

7. 't Rechtvaardig volk, gered uit lijden,
Zal eens, wanneer 't de wraak aanschouwt,
In God, Wien 't zich had toevertrouwd,
En in Zijn waarheid zich verblijden;
't Zal zijne voeten, welgemoed,
Zelfs wassen in der bozen bloed.

8. De mens zal eerlang vrolijk zeggen:
"Gewis, de deugd geniet haar vrucht;
Gods grootheid wordt terecht geducht,
Die loon en straf weet toe te leggen.
Gewis, daar is een God, die leeft,
En op deez' aarde vonnis geeft."

1. Gij, raadsheren, laat mij toch horen,
Die mij tegen zijt allegaar;
Zegt mij eens ter trouwe voorwaar,
Is 't ook recht, dat gij u neemt voren?
Zegt gij Adams kind'ren wel an;
Zoekt gij recht te doen ieder man?

2. Och neen, gij! maar in uwe dagen
En bedenkt gij niet dan boosheid
En allerlei ongerecht'heid,
Met uw valse maten en wagen.
De bozen zijn van God zo zaan
Vervreemd, als zij 't leven ontvaan.

3. Zo haast zij verwerven dit leven,
Door leugenen wijken zij af;
Zij gaan zwanger met gif zeer straf,
Als een slange tot kwaad begeven;
Als een adder loos, die niet hoort
Des gezangs niet een enkel woord.

4. Zij wil den tovenaar niet horen,
Hoe lief en schoon dat hij ook spreekt.
De keel en tanden, Heer, hun breekt
Door Uw kracht, die Gij pleegt t' oorboren;
Breekt hun de tanden; want zo fel
Zijn zij als jonge leeuwen snel.

5. Als water dat daar vloeit op aerden,
Zullen zij ook van zelfs vergaan;
Haar pijlen, die ze schieten zaan,
Zullen t' zamen gebroken werden,
Zij werden haastelijk versmacht
Als slakken, die niemand en acht.

6. Gelijk een ontijdig kind stervet
Eer 't den dag ziet of zonneschijn;
Gelijk onrijpe vruchten zijn
Haast verdwijnt, alzo ook verdervet
God de jonge doornen met smaad,
Eer ze rijp worden en gans kwaad.

7. Dan zal de vrome verheugd wezen,
Die met benauwdheid was bevaan,
Ziende de godd'lozen vergaan,
Door de wrake Gods geprezen.
Hij zal hem baden in dat bloed
Des bozen, en zo spreken vroed.

8. De rechtvaardige zal niet lijden
Te vergeefs, dat is openbaar;
Hij zal zulks genieten hiernaar
En hem zeer heerlijk nog verblijden.
Want een Rechter zal de God mijn
Over goeden en kwaden zijn.

1. Gij hoge raad, bijeengekomen
om recht te doen, spreekt gij wel recht?
Wordt zo door u het pleit beslecht?
Veeleer is 't onrecht toegenomen.
Uw handen wegen het geweld,
dat sinds gij spreekt op aarde geldt.

2. De mensen die zich van God keren,
dwalen sinds zij geboren zijn.
Zij zijn als slangen vol venijn,
door geen belezer te bezweren,
doof voor de tonen van de fluit.
Breek Gij, o God, hun tanden uit.

3. Laat hen als water snel verzinken,
als stro in wind verloren gaan.
Heer, wil hun pijlen nederslaan.
Verdelg hen eer hun stem zal klinken.
Voordat het zonlicht voor hen daagt
heeft hen uw toorn al weggevaagd.

4. Uw knechten zullen zich verblijden;
het is uw wraak die leven doet.
Verloren gaat schuldig bloed.
Godslasteraars hebt Gij doen lijden.
Gewis, God spreekt zijn recht op aard,
zijn loon wordt voor zijn knecht bewaard.

1. U die in hoogheid bent gezeten,
spreekt u wel recht naar ambt en plicht?
Bent u rechtvaardig als u richt?
Veeleer wilt u van recht niet weten,
omdat uw weegschaal overhelt
naar willekeur en naar geweld.

2. Zij zijn ontrouw, zo reeds geboren,
ja leugenaars, hun leven lang.
Venijnig zijn ze als een slang
die naar het fluitspel niet wil horen,
niet luistert naar wie hem bezweert,
maar geen belezer, hoe volleerd.

3. O God, verbrijzel hun de tanden,
breek bij dit leeuwenbroed ze uit.
Stort, Here, hen als water uit.
En nemen zij hun boog in handen,
laat dan hun pijlen, vol venijn,
geknakt of afgebroken zijn.

4. Laat hen gelijk een slak verdwijnen,
die kruipend wegsmelt op zijn baan.
Doe als een misdracht hen vergaan,
die nooit het zonlicht heeft zien schijnen,
als dorens, uit het vuur gewaaid,
nog eer een vlam is opgelaaid.

5. Verblijden zal zich de oprechte:
de dag van wraak breekt zeker aan.
Hij zal dan met zijn voeten staan
in 't bloed van wie de rechtsgang schenden.
Ja, zo beloont de Heer zijn knecht,
ja, zo doet God op aarde recht.