Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De psalmen staan onder druk. In oudere berijmingen raken ze nauwelijks aan het gewone leven. In Opwekking versies gaat het vaak om een paar favoriete versregels. De Nieuwe Psalmberijming biedt de psalmen de kans om hun eigen verhaal te vertellen aan mensen van deze tijd. Lees meer »

Ds. R. Stigter | Protestante Gemeente te Pijnacker en Delfgauw

Ds. R. Stigter
Protestante Gemeente te Pijnacker en Delfgauw

Lees alle quotes

Psalm 59

De nieuwe psalmberijming

1. Mijn God, bevrijd mij van de mensen
die onrecht doen en mij verwensen.
Mijn tegenstanders staan al klaar;
verlos mij uit het doodsgevaar.
Hoewel ik mij niet heb misdragen,
legt toch mijn vijand hinderlagen.
Word wakker, HEER, kijk naar mij om;
ze vallen aan, sta op en kom!

2. Ontwaak, Heer van de hemelmachten;
God van uw volk, laat mij niet wachten.
Pak onrecht om mij heen hard aan;
laat huichelaars niet vrijuit gaan.
Het zijn net honden wie mij haten:
ze zwerven grommend door de straten.
Ze kwetsen me met ieder woord
en denken dat U hen niet hoort.

3. Maar U, de God op wie ik reken,
hoort dat zij scherpe woorden spreken.
Met hun venijn drijft U de spot.
U bent mijn burcht, mijn sterke God.
Vernietig hen, maar wacht nog even;
laat hen een poosje dakloos leven,
zodat mijn volk hun lijden ziet
en spaar daarna hun leven niet.

4. Ze gaan maar door met kwaad verspreiden.
Gun dat gespuis geen medelijden.
Sla woedend toe, maak zo bekend
dat U de God van Jakob bent.
Laat alle mensen die mij haten
als honden zwerven door de straten.
Laat hen, als er geen voedsel is,
maar janken in de duisternis.

5. Heer, ik bezing U elke morgen,
want U zult altijd voor mij zorgen.
U bent mijn burcht op wie ik bouw;
mijn sterke God, U blijft mij trouw.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Mijn God, bevrijd mij van de mensen
die onrecht doen en mij verwensen.
Mijn tegenstanders staan al klaar;
verlos mij uit het doodsgevaar.
Hoewel ik mij niet heb misdragen,
legt toch mijn vijand hinderlagen.
Word wakker, HEER, kijk naar mij om;
ze vallen aan, sta op en kom!

2. Ontwaak, Heer van de hemelmachten;
God van uw volk, laat mij niet wachten.
Pak onrecht om mij heen hard aan;
laat huichelaars niet vrijuit gaan.
Het zijn net honden wie mij haten:
ze zwerven grommend door de straten.
Ze kwetsen me met ieder woord
en denken dat U hen niet hoort.

3. Maar U, de God op wie ik reken,
hoort dat zij scherpe woorden spreken.
Met hun venijn drijft U de spot.
U bent mijn burcht, mijn sterke God.
Vernietig hen, maar wacht nog even;
laat hen een poosje dakloos leven,
zodat mijn volk hun lijden ziet
en spaar daarna hun leven niet.

4. Ze gaan maar door met kwaad verspreiden.
Gun dat gespuis geen medelijden.
Sla woedend toe, maak zo bekend
dat U de God van Jakob bent.
Laat alle mensen die mij haten
als honden zwerven door de straten.
Laat hen, als er geen voedsel is,
maar janken in de duisternis.

5. Heer, ik bezing U elke morgen,
want U zult altijd voor mij zorgen.
U bent mijn burcht op wie ik bouw;
mijn sterke God, U blijft mij trouw.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux. Gebruik voor deze psalm liednummer 7133400 bij uw rapportage aan CCLi.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm kan ook gezongen worden op de melodie van:
- Psalm 7
- Psalm 46
- Psalm 82

1. Red mij, o God, uit 's vijands handen;
Verlos mij van de dwingelanden.
Uw heil zij, tegen 't wreed geweld,
Mij tot een hoog vertrek gesteld.
Mijn God, 't behaag' U, mij t' ontzetten;
Daar d' overtreders van Uw wetten,
Die niet dan slinkse gangen gaan,
Bloeddorstig mij naar 't leven staan.

2. Laat, HEER', Uw bijstand niet vertragen;
Zie, hoe zij mijne ziel belagen.
Zij zijn doldriftig op de been,
En rukken al hun macht bijeen;
Schoon ik geen misdaad heb bedreven,
Die stof tot wraakzucht konde geven.
Waak op, ontmoet mij, en beschouw,
Hoe 'k op Uw macht alleen vertrouw.

3. Ja, 't lust, U, HEER' der legerscharen,
Als lsrels God U t' openbaren.
Ontwaak, en straf dit heidendom;
Dat niemand Uwe wraak ontkom'.
Zij trekken, trots op wanbedrijven
Waardoor zij trouw'loos 't onrecht stijven,
De stad om, aan den avondstond,
En ieder tiert, gelijk een hond.

4. De snoodste laster stroomt d' ontaarden
Ten mond, uit; ja, geslepen zwaarden
Zijn op hun lippen; ieder woord
Is schimp, vervloeking, wraak en moord.
"Wie hoort het ?" vragen z' onder 't woeden;
Maar Gij, o Schutsheer aller goeden,
Zult hen belachen, en den spot
Haast drijven met al 't heidens rot.

5. Mijn vijand roem, op zijn vermogen,
Maar ik, ik sla op U mijn ogen;
Ik wacht op Uwe hulp, o HEER';
Gij zijt mijn hoog vertrek, mijn eer.
'k Zal God met goedertierenheden
Mij eerlang tegemoet zien treden,
En mij welhaast gewroken zien,
Aan hen, die listig mij bespien.

6. Beroof hen niet terstond van 't leven,
Opdat mijn volk, van angst ontheven,
Uw oordeel tevens niet vergeet'.
Uw macht' als Gij ter vierschaar treedt,
Doe elk van hen als balling zwerven,
En, 't kwaad ten spiegel, schand'lijk sterven;
Ja, werp, o God, mijn Schild, hen neer,
Als trotse schenders Uwer eer.

7. Men neem' hen, daar hun lastermonden
En valse lippen 't hart doorwonden,
Gevangen in hun hovaardij.
Vergeld hun vloek, hun razernij,
De leugens, die zij snood verdichten.
't Betaamt U, hen gestreng te richten;
Verteer z' in grimmigheid; Uw kracht;
Verteer', verdelg, dat snood geslacht.

8. Laat hen eerlang bij d' uitkomst weten,
Dat God als Heerser is gezeten,
In Jakobs erf, daar 't kwade weert;
Ja, tot aan 's aardrijks eind regeert.
Laat, als het licht begint te dalen,
Hen wederkeren, zoeken, dwalen,
Vol ongeduld' van pad tot pad,
Als honden tierend om de stad.

9. Laat hen, o God, om spijs verlegen,
Omzwerven, en op nare wegen,
Vernachten in de duisternis;
Schoon geen van hen verzadigd is,
Maar ik zal U mijn sterkte noemen,
Uw goedheid 's morgens vrolijk roemen,
En zingen, met een dankb'ren geest:
"Gij zijt mijn hoog vertrek geweest."

10. Ik zal, omdat G' in bange dagen
Mijn toevlucht waart, van U gewagen;
Van U, mijn sterkte, zij mijn zang
En snarenspel, mijn leven lang.
Ik heb in nood, aan God verbonden,
In Hem mijn hoog vertrek gevonden;
In God, wiens goedertierenheid,
Zich over mij heeft uitgebreid.

1. O Heer, ik ben van mijn vijanden
Omringd, verlos mij uit haar handen;
Van de bozen wil mij ontslaan,
Die uit haat naar mijn leven staan.
Van den boosdader wil mij vrijden,
Die niet dan kwaad zoekt t' alle tijden;
Van de bloedige handen fel
Dezes bloedhonds verlos mij snel.

2. Want ziet, zij loeren naar mijn leven,
In een verbond zij hen begeven;
Al de sterksten vangen zulks aan,
Daar ik hen niet hebbe misdaan.
Daartoe is 't dat zij hen nu stellen,
Opdat zij mij t' onrechte kwellen;
Dies waak op, Heer, en daarin ziet,
Voorkom mij toch in dit verdriet.

3. Ja Gij, o Heere der heirkrachten,
Die Israëls God zijt vol machten,
Waak op, zie toch wat nu zeer koen
Alle volken en heid'nen doen.
Bewijs toch, Heer, die geen genade,
Die uit moedwille doen dat kwade;
's Nachts zijn ze hier en daar bijeen,
En huilen als honden onreen.

4. Omher gaan zij t' zaam met kwaadspreken;
Haar woorden als zwaarden scherp steken;
Zij zeggen onder hen mitsdien:
Wie zal ons horen ofte zien?
Maar Gij zult haar roemen, o Heere,
Nochtans eenmaal bespotten zere;
De hoogmoedigen zult Gij daar
Belachen, Heer, in 't openbaar.

5. Zonder U is, Heer, haar macht gene,
Daarom begeef ik mij allene
Tot U Heer, Die mijn toevlucht zijt
En mijn bewaring t' allen tijd.
God, Wiens goedheid ik heb gesmaket,
Voorkomt mijn ongeluk en maket,
Dat ik nog mijnen lust zien zal
Aan mijn vijanden overal.

6. Maar laat ze niet dood zijn gesmeten,
Dat de mijnen zulks niet vergeten;
Maar verstrooi ze door Uwe kracht
Overal en maak ze veracht.
Heer, Die onze schild zijt bevonden,
Sla ze door Uw kracht gans te gronden;
Harer lippen zonden zeer groot,
Verdienen recht angst ende nood.

7. Verstrik z' in haar hoogmoedig wezen,
Haar boosheid is hoog opgerezen;
Alle haar doen is in 't gemeen
Vloeken ende liegen meteen.
Laat Uwe toorn wezen ontsteken,
Wil ze verdoen en gans verbreken;
Verderf z' in ongenade, Heer!
Ende verdelg ze langs zo meer.

8. Doe dit Heer! dat men mag bemerken,
Den God Jakobs niet om versterken.
Die eeuwig heerset met bescheed
Over 't gehele aardrijk breed.
Zij zullen 's avonds wederkeren,
Huilen en razen met oneren,
Zij zullen als honden met haast,
De straten omlopen verbaasd.

9. Daarna zal hen de honger strange,
Omher der stad doen lopen bange;
Zij zullen moeten slapen gaan,
Zijnde met honger scherp bevaan.
Dan zal ik zingen en verkonden
Openlijk en tot allen stonden,
Uwe kracht en goedheid zo zaan,
Als de dag klaar zal vangen aan.

10. Want Gij zijt mijn toevlucht alleine,
En in nood mijn beschutting reine;
Daarom zal ik altijd, o Heer!
Met lofzang verbreiden Uw eer.
Want God is mijn sterkheid geprezen,
Die mij in mijn ellendig wezen,
Dat mij steeds is gekomen aan,
Genadelijk heeft bijgestaan.

1. Kom, Heer, mij uit de hand bevrijden
van die mij haten en bestrijden;
red Gij mij, treed voor mij in 't veld,
ontruk mij aan hun ruw geweld.
Verlos mij van die kwaad bedrijven
en die met bloed hun sporen schrijven.
Zij zijn met al hun brute kracht
alleen op mijn verderf bedacht.

2. Wat heb ik tegen hen misdreven,
dat zij belust zijn op mijn leven?
Ik heb hun nimmer kwaad gedaan,
en nochtans vallen zij mij aan.
Te hulp, ontwaak, Heer der heerscharen!
Doe toch uw oordeel nedervaren!
Gij God van Israël, sla ze, sla
wie 't recht verraadt, heb geen gena!

3. Als honden die hun prooi begeren
hoort men ze 's avonds wederkeren
en huilend gaan de stadsmuur rond.
O God, venijn is in hun mond,
scherp als een zwaard is wat zij zeggen.
Sla acht op wat zij overleggen;
"Wie zou ons horen!" - maar Gij spot
met die vermeet'len, Heer mijn God.

4. Ja, U mag ik mijn sterkte noemen,
mijn vaste burcht, U wil ik roemen!
Treed met uw heil mij tegemoet,
Gij, die het kwaad hen boeten doet.
Doe niet terstond die trotsen sterven,
maar laat ze dolen, laat ze zwerven,
opdat mijn volk het niet vergeet,
maar van uw trouw, uw oordeel weet.

5. O God mijn schild, richt ze te gronde,
want in hun mond is enkel zonde,
zij brengen niets dan leugen voort;
verstrik hen in hun eigen woord.
Verdoe ze in hun hoogmoed , Here,
laat hen uw heil'ge toorn verteren,
opdat zij weten: Jakobs God
heeft alles onder zijn gebod.

6. Als honden die hun prooi begeren
hoort men ze 's avonds wederkeren
en grommend gaan de stadsmuur rond;
niet een van hen, die voedsel vond.
Maar ik bezing uw grote daden,
prijs elke morgen uw genade,
want Gij zijt in benauwenis
de burcht die mijn vertrouwen is.

7. Ja, U mag ik mijn sterkte noemen,
mijn vaste burcht, U wil ik roemen!
O God, wiens goedertierenheid
zich over mij heeft uitgebreid.

1. Kom, Heer, mij uit de hand bevrijden
van die mij haten en bestrijden;
red Gij mij, treed voor mij in 't veld,
ontruk mij aan hun ruw geweld.
Verlos mij van die kwaad bedrijven
en die met bloed hun sporen schrijven.
Zij zijn met al hun brute kracht
alleen op mijn verderf bedacht.

2. Wat heb ik tegen hen misdreven,
dat zij belust zijn op mijn leven?
Ik heb hun nimmer kwaad gedaan,
en nochtans vallen zij mij aan.
Te hulp, ontwaak, Heer der heerscharen!
Doe toch uw oordeel nedervaren!
Gij God van Israël, sla ze, sla
wie 't recht verraadt, heb geen gena!

3. Als honden die hun prooi begeren
hoort men ze 's avonds wederkeren
en huilend gaan de stadsmuur rond.
O God, venijn is in hun mond,
scherp als een zwaard is wat zij zeggen.
Sla acht op wat zij overleggen;
"Wie zou ons horen!" - maar Gij spot
met die vermeet'len, Heer mijn God.

4. Ja, U mag ik mijn sterkte noemen,
mijn vaste burcht, U wil ik roemen!
Treed met uw heil mij tegemoet,
Gij, die het kwaad hen boeten doet.
Doe niet terstond die trotsen sterven,
maar laat ze dolen, laat ze zwerven,
opdat mijn volk het niet vergeet,
maar van uw trouw, uw oordeel weet.

5. O God mijn schild, richt ze te gronde,
want in hun mond is enkel zonde,
zij brengen niets dan leugen voort;
verstrik hen in hun eigen woord.
Verdoe ze in hun hoogmoed , Here,
laat hen uw heil'ge toorn verteren,
opdat zij weten: Jakobs God
heeft alles onder zijn gebod.

6. Als honden die hun prooi begeren
hoort men ze 's avonds wederkeren
en grommend gaan de stadsmuur rond;
niet een van hen, die voedsel vond.
Maar ik bezing uw grote daden,
prijs elke morgen uw genade,
want Gij zijt in benauwenis
de burcht die mijn vertrouwen is.

7. Ja, U mag ik mijn sterkte noemen,
mijn vaste burcht, U wil ik roemen!
O God, wiens goedertierenheid
zich over mij heeft uitgebreid.