Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Ik geniet ervan om Psalmen uit De Nieuwe Psalmberijming te zingen. De oude, bekende melodie met frisse, hedendaagse taal. Een mooie combinatie die de psalmen vaak heel dichtbij brengt. Lees meer »

Ds. J.W. Moolhuizen | Christelijke Gereformeerde Kerk te Dedemsvaart

Ds. J.W. Moolhuizen
Christelijke Gereformeerde Kerk te Dedemsvaart

Lees alle quotes

Psalm 60

De nieuwe psalmberijming

1. God, woedend joeg U ons uiteen.
Keer om en laat ons niet alleen!
Met dof gedreun spleet U de grond;
herstel het land, genees de wond.
U teistert ons met tegenslag.
Breng ons bijeen onder uw vlag
om samen voor uw volk te strijden.
Verhoor ons, God, kom ons bevrijden.

2. Wat werd ik vrolijk toen U zei:
‘De stamgebieden zijn van Mij.
Van oost tot west, van zuid tot noord
herneem Ik wat Mij toebehoort.
Ik overwin de tegenstand
in elke uithoek van het land.
Diep laat ik Edom voor Mij buigen.
Voor Mij zal Filistea juichen.’

3. Wie gaat voorop en voert ons aan
om onze vijand te verslaan?
Bent U het niet, God, die ons leidt,
U die ons afwees voor een tijd?
De hulp van mensen houdt geen stand.
God, sta ons bij, kies onze kant.
Dan staan we sterk, dan gaan we winnen.
De vijand kan dan niets beginnen.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. God, woedend joeg U ons uiteen.
Keer om en laat ons niet alleen!
Met dof gedreun spleet U de grond;
herstel het land, genees de wond.
U teistert ons met tegenslag.
Breng ons bijeen onder uw vlag
om samen voor uw volk te strijden.
Verhoor ons, God, kom ons bevrijden.

2. Wat werd ik vrolijk toen U zei:
‘De stamgebieden zijn van Mij.
Van oost tot west, van zuid tot noord
herneem Ik wat Mij toebehoort.
Ik overwin de tegenstand
in elke uithoek van het land.
Diep laat ik Edom voor Mij buigen.
Voor Mij zal Filistea juichen.’

3. Wie gaat voorop en voert ons aan
om onze vijand te verslaan?
Bent U het niet, God, die ons leidt,
U die ons afwees voor een tijd?
De hulp van mensen houdt geen stand.
God, sta ons bij, kies onze kant.
Dan staan we sterk, dan gaan we winnen.
De vijand kan dan niets beginnen.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 108

1. O God, hoe hebben wij getreurd,
Door U verstoten en gescheurd!
Gij zijt op ons vergramd geweest,
Keer weer tot ons; wij zijn bevreesd.
Gij hebt, o HEER', het ganse land
Geschud, gespleten door Uw hand;
Het wankelt, het gevoelt Uw slagen.
Ai, red, genees het van zijn plagen.

2. Gij hebt Uw volk een harde zaak
Doen zien, door Uw gestrenge wraak;
Door twist op twist het land gekrenkt,
En ons met zwijmelwijn gedrenkt.
Maar nu hebt Gij een heilbanier
Tot roem van Uw geducht bestier,
Hen, die U vrezen, op doen steken;
Zo is Uw waarheid ons gebleken.

3. Geef, HEER', opdat van angst en strijd
't Beminde volk moog' zijn bevrijd.
Geef heil door Uwe rechterhand,
En red het zuchtend vaderland.
God sprak weleer in 't heiligdom;
Dies juich ik met Uw volk alom.
'k Zal Sichem delen, Sukkoth meten,
Die zullen mijn bezitting heten.

4. Nu zie ik Gilead, gered,
Gehoorzaam luist'ren naar mijn wet;
Manasse kent mij als zijn heer,
En knielt errbiedig voor mij neer.
Aan 't hoofd van mijne legermacht
Toont Efraim zijn moed en kracht.
Mijn Juda, tot die eer verkoren,
Zal mijne rijkswet elk doen horen.

5. Het trotse Moab, overheerd,
Strekt mij ten waspot , diep verneerd;
Ik werp op Edom mijne schoe,
En eigen hem ten knecht mij toe;
En gij, o Palestina, juich,
Juich over mij met eerbied, buig
U neer, om mij, die tot regeren
Gezalfd ben, als uw Koning t' eren.

6. Wie voert mij in een vaste stad,
Waar zich mijn vijand veilig schat?
Wie zal mij door een sterke hand
Geleiden tot in Edoms land?
Zult Gij 't niet zijn, geduchte God,
Die ons verstiet tot 's vijands spot.
Onz' uitgetogen legermachten
Vergeefs naar hulp en heil deed wachten?

7. Geef Gij ons hulp in tegenheen,
Bij U is raad, bij U alleen;
't Is vrucht'loos, waar men zich mee vleit,
Want 's mensen heil is ijdelheid.
Wij zullen dapp're heldendaan
In God verrichten; hoe 't moog' gaan;
Hij, die van ons wordt aangebeden,
Zal onze weerpartij vertreden.

1. Heer, Die ons hebt verstoten al,
En verstrooid in 't kruis en misval;
Die op ons toornig geweest zijt,
Troost ons wederom nu ter tijd.
Gij, Die d' aardse beweegt met kracht,
En die scheurt, ja klieft met der macht,
Wil haar schaad' en breuken genezen;
Want gans vervallen is haar wezen.

2. Gij hebt Uw volk zwaarlijk gekrenkt
Ende met tuimelwijn gedrenkt,
Zodat ze zijn gevallen slecht;
Maar Gij hebt weder opgerecht
Een teken Uwen knechten t' zaam,
Die trouw'lijk vrezen Uwen naam;
Dat zij 't hoog uitsteken en tonen
En zekerlijk daaronder wonen.

3. Opdat Heer, Uw geliefd volk zij
Van de vijanden gemaakt vrij,
Zo help ons met Uw rechterhand;
Hoor mij in dezen armen stand.
Maar God uit Zijnen troon heeft mij
Verhoord ende gemaakt zeer blij;
Sichem zal nog mijn erfdeel wezen,
En Sukkoth, dat schoon dal geprezen.

4. 't Gehele land Gilead rein
Zal mij gegeven zijn allein;
Van Mannasse 't gehele goed
Zal mijn wezen met overvloed;
In Efra‹m met zijn volk al,
Mijn hoofd ik lief'lijk rusten zal;
Juda zal ook zijn desgelijke
't Voornaamste van mijn koninkrijke.

5. Maar Moab zal zijn met oneer,
Ik en achte hem ook niet meer
Dan een wasvat daarin dat mijn
Voeten zullen gewassen zijn;
Edom acht ik met zijn volk koen,
Niet beter dan mijn oude schoen;
Philistea zal met gezangen
En met eerbieding mij ontvangen.

6. Wie geleidt mij van dat volk mijn
In een stad, daar ik vrij zal zijn.
Die sterk is? Wie zal wederom
Mij brengen in dat land Edom?
Zult Gij dat niet doen, Heer! hiernaar,
Gij, die ons verstrooit hier en daar?
Gij, die met onzen leger koene
Niet gingt, alzo Gij pleegt te doene?

7. Doe ons bijstand, Heer! in den nood,
Tegen den geweldigen groot;
Want mensenhulp, zo men nu ziet,
Is in den nood veel min dan niet.
Maar God zal ons maken zeer sterk
Tegen onz' vijanden in 't perk;
Hij zal vertreden ons vijanden,
En die t' zamen brengen tot schanden

1. O God, die ons verstoten had,
die niet meer hoorde als men bad,
uw gramschap deed ons ondergaan;
herstel ons, hoor ons weder aan.
Gij hebt, o Heer, ons land gekloofd,
Gij hebt het van zijn kracht beroofd.
Genees zijn dodelijke wonde,
want het gaat wankelend te gronde.

2. De les was hard, die Gij ons gaaft,
met zware wijn hebt G' ons gelaafd.
Maar nu hebt Gij uw trouwe knecht
gehard voor het verwacht gevecht.
Hem die aldus ten strijde vaart,
zal, onder uw banier geschaard,
de overwinning zijn beschoren.
O God, wil ons gebed verhoren!

3. Maar wat? Mijn God heeft reeds gehoord.
In 't heiligdom weerklonk zijn woord.
Ik juich, ik zal de vijand slaan
aan beide oevers der Jordaan.
Dan, mij erkennend als hun heer,
werpt zich het Noorden voor mij neer
en 't Zuiden hoort naar mijn bevelen.
Heel 't land zal 'k meten verdelen.

4. Wie voert mij met een vaste hand
tot in het hart van 's vijands land?
O God, die ons verstoten had,
trek met ons uit, wijs ons het pad,
want mensenhulp is ijdelheid.
Nu God ons bijstaat in de strijd
is elke heldendaad te wagen.
De vijand wordt door Hem verslagen.

1. O God, hoe hebt U ons bedroefd,
in toorn verstoten en beproefd.
Herstel ons en genees het land,
dat beeft en wankelt door uw hand.
Heel al zijn scheuren, trouwe God,
U zelf zond ons dit harde lot
door ons de beker vol te schenken
en tot bedwelming ons te drenken.

2. Aan hen die U zijn toegewijd,
gaf U een teken in de strijd:
zich op te stellen in het veld,
gewapend tegen het geweld.
Uw rechterhand zij met ons, Heer,
geef ons de overwinning weer.
Bevrijd het volk door U verkoren,
geef antwoord, Heer, wil ons verhoren.

3. God heeft beloofd in 't heiligdom,
dat ik straks juichend wederkom,
wanneer ik Sichem delen zal,
het meetsnoer trek door Sukkots dal.
Heel Gilead behoort aan mij,
Manasse kent mijn heerschappij,
als helm zal Efraïm mij dekken,
tot scepter zal mij Juda strekken.

4. Het land van Moab, diep veracht,
breng ik, met Edom, in mijn macht.
In heel het Filistijns gebied
klinkt luid mijn overwinningslied.
Wie leidt m' in Edoms sterke stad?
U, Heer, die ons verstoten had.
Zult U niet zelf ons leger leiden?
Zult U, o God, voor ons niet strijden?

5. Heer, bied ons hulp, geef door uw hand
ons redding van de tegenstand.
Bewaar ons in de zware strijd,
want mensenhulp is ijdelheid.
De Heer geeft door zijn grote macht
tot kloeke daden ons de kracht.
Hij zelf zal ons de zege geven,
de vijand wordt door Hem verdreven.