Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

In onze gemeente proberen we het oude van de traditie in verbinding te brengen met het nieuwe van nu. De Nieuwe Psalmberijming sluit daar perfect bij aan. Op deze manier kunnen we met jong en oud de psalmen blijven zingen. Lees meer »

Ds. E. de Jong | Doopsgezinde Gemeente te Ouddorp

Ds. E. de Jong
Doopsgezinde Gemeente te Ouddorp

Lees alle quotes

Psalm 63

De nieuwe psalmberijming

1. U zoek ik, God, voor dag en dauw.
Hier in een land waar niets wil groeien,
laat U mijn hart van heimwee gloeien.
Ik ben zo dorstig naar uw trouw.
U hebt de macht, U bent verheven;
dat heb ik in uw huis gezien.
Ik zag uw liefde bovendien,
die mij meer waard is dan dit leven.

2. Ik roep uw naam aan, levenslang.
Ik steek mijn handen blij naar boven.
Mijn mond zal U uitbundig loven,
omdat ik zoveel goeds ontvang.
In bed lig ik te mediteren:
steeds weer heeft U mij opgezocht.
Ik ben compleet aan U verknocht.
U houdt mij vast, niets kan mij deren.

3. Laat iedereen die mij belaagt
een diep ellendig einde vinden.
Laat allen die mij liefst verslinden,
door wolven worden opgejaagd.
Hoewel mijn tegenstanders dreigen,
ik ben en blijf in God verblijd!
Hij zegent wie zich aan Hem wijdt,
maar leugenaars brengt Hij tot zwijgen.

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. U zoek ik, God, voor dag en dauw.
Hier in een land waar niets wil groeien,
laat U mijn hart van heimwee gloeien.
Ik ben zo dorstig naar uw trouw.
U hebt de macht, U bent verheven;
dat heb ik in uw huis gezien.
Ik zag uw liefde bovendien,
die mij meer waard is dan dit leven.

2. Ik roep uw naam aan, levenslang.
Ik steek mijn handen blij naar boven.
Mijn mond zal U uitbundig loven,
omdat ik zoveel goeds ontvang.
In bed lig ik te mediteren:
steeds weer heeft U mij opgezocht.
Ik ben compleet aan U verknocht.
U houdt mij vast, niets kan mij deren.

3. Laat iedereen die mij belaagt
een diep ellendig einde vinden.
Laat allen die mij liefst verslinden,
door wolven worden opgejaagd.
Hoewel mijn tegenstanders dreigen,
ik ben en blijf in God verblijd!
Hij zegent wie zich aan Hem wijdt,
maar leugenaars brengt Hij tot zwijgen.

Tekst: Arie Maasland

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 17 en 70

1. O God, Gij zijt mijn toeverlaat;
Mijn God, U zoek ik met verlangen,
Zo ras wij 't morgenlicht ontvangen,
Bij 't krieken van den dageraad.
O HEER' mijn ziel en lichaam hijgen,
En dorsten naar U in een land,
Dat, dor en mat, van droogte brandt,
Waar niemand lafenis kan krijgen.

2. 'k Heb U voorwaar in 't heiligdom
Voorheen beschouwd met vrolijk' ogen;
Hoe zag ik daar Uw alvermogen;
Hoe blonk Uw Godd'lijk, eer alom.
Want beter dan dit tijd'lijk leven,
Is Uwe goedertierenheid;
Och, wierd ik derwaarts weer geleid!
Dan zou mijn mond U d' ere geven.

3. Dan zou ik, voor Uw Godd'lijk oog,
Uw deugden al mijn leven prijzen,
En in Uw Naam mijn zang doen rijzen;
Mijn handen heffen naar omhoog.
Mijn ziel zou nieuwe kracht ontvangen;
Verzadigd, als met vet en smeer;
Mijn mond zou U vol vreugd, o HEER',
Verheffen in zijn lofgezangen.

4. Wanneer ik, op mijn legerstee,
Aan U gedenk in stille nachten;
Dan peinst mijn ziel met al haar krachten,
Hoe Gij voorheen in angst en wee,
Als mij de vijand wild' omringen,
Mij vaardig zijt ter hulp geweest;
Dies zal ik nu ook, onbevreesd,
In schaduw van Uw vleug'len zingen.

5. Mijn ziel kleeft U standvastig aan;
Gij ondersteunt mijn zwakke schreden;
Uw rechterhand, vol mogendheden,
Doet mij getroost en veilig gaan.
Maar dezen, die mijn ziel begeren,
Opdat ik tot verwoesting raak',
Staan bloot voor Uw geduchte wraak;
Zij zullen haast ten afgrond keren.

6. Men zal die bozen, door 't geweld
Van 't scherp gewette zwaard, doen sneven,
En aan de vossen overgeven,
Ter prooi alom in 't open veld.
Maar 's Konings hart zal zich verblijden
In God, die 't gans heelal regeert,
En elk, die heilig bij Hem zweert,
Zal Zijne trouw met roem belijden.

7. Want, hoe het ga, de logenmond
Zal nimmer straff'loos zegepralen.
God stelt der boosheid perk en palen;
De logensprekers gaan te grond'.

1. O God! geen God heb ik dan U;
Van 's morgens aanbid ik U, Heere!
Mijn ziel verlangt naar U gaar zere,
Die gans in mij versmeltet nu. 
Geheel verdroogd is mijn lichame, 
Mijn krachten vergaan al gelijk;
Mij dorstet, als een dor aardrijk,
Naar U in deez' plaats onbekwame.
 
2. Opdat ik nog eens aanzien mag
Uw heerlijkheid na dit benauwen.
Zo ik die lieflijk te aanschouwen
In Uwen schonen tempel plach'.
Want veel beter is Uw genade, 
Dan 's mensen leven zelfs hier is; 
Daar zal ook mijnen mond gewis
Uwen lof spreken vroeg en spade.
 
3. Daar zal ik zingen Uw eer klaar, 
Zo lang als ik ben in dit leven; 
U met handen hoog opgeheven,
Zal ik, o God! aanroepen daar. 
Dit zoude mijns harten vreugd wezen, 
En ook al mijn geneugt allein; 
Mocht ik met hart en monde rein
U altijd loven, Heer geprezen.
 
4. Als ik rust op dat bedde mijn,
En overleg al Uwe krachten, 
Zo moeten dan al mijn gedachten
Des nachts met U onledig zijn.
Want in mijn verdriet en mijn zorgen,
Hebt Gij mij geholpen eenpaar. 
Dies prijs ik U; Gij hebt voorwaar
Met Uw vleugelen mij verborgen.
 
5. Mijn ziel hangt U zo vast'lijk aan, 
Dat ze van U geenszins kan wijken;
Uw hand bewaart mij desgelijken
Voor allen, die mij tegenstaan. 
Maar zij, die mijn ziel met onwaarde 
Overvallen willen met leed,
Zullen in den afgrond zeer wreed 
Verstoten worden onder d' aarde.
 
6. Versneden werd tot stukken klein 
Met den zwaard, en tot roof gegeven
Den vossen en dieren daarneven
't Goed mijner vijanden gemein. 
Dan zal de koning hem verblijden 
In Uw overwinninge, Heer; 
Wie U kent, zal Uw lof en eer
Uitbreiden klaar aan alle zijden.
 
7. Daarom die leugenmonden al, 
Hoe valselijk dat ze ook spreken,
Zullen gestopt zijn en versteken,
Zodat ze niemand helpen zal.

1. Mijn God, Gij zijt mijn toeverlaat,
Naar U, Heer, strekt zich mijn verlangen.
Mijn hart wil niets dan U ontvangen,
die leven zijt en leven laat.
O Heer, mijn ziel en zinnen smachten
en dorsten naar U in een land,
waarop de zon verzengend brandt,-
schenk Gij mijn leven nieuwe krachten.

2. Eens zag ik in uw tempelhof
U in uw glorie hoogverheven,
wiens gunst mij meer is dan het leven,
mijn lippen stamelden uw lof.
Mijn leven lang wil ik U prijzen,
uw naam aanbidden, want Gij voedt
mij met uw kracht, Gij schenkt mij moed.
O Heer, ik wil U dank bewijzen.

3. Wanneer ik wakend in de nacht
mijn geest bij U, Heer, laat vertoeven,
dan mag ik weer uw goedheid proeven;
uw hulp wordt nooit vergeefs verwacht.
Waar zich uw vleugels breed ontvouwden,
zing ik mij van mijn zorgen vrij.
Mijn ziel, Heer, is U zeer nabij,
door uw hand word ik vastgehouden.

4. Maar die mij naar het leven staan,
zij zullen 't met de dood betalen;
Gij laat door 't zwaard hen achterhalen,
jakhalzen vallen op hen aan.
God maakt een eind aan alle leugen,
maar heil de mens, die bij Hem zweert!
In God wiens waarheid triomfeert
zal Israëls koning zich verheugen.

1. O God, mijn God, ik zoek uw hand,
ik dorst naar U, blijf op U wachten.
Zie hoe mijn ziel en lichaam smachten
naar U in droog en dorstig land.
Zo sloeg ik steeds op U mijn ogen,
als ik uw heilig huis bezocht,
uw heerlijkheid aanschouwen mocht
en vreugde vond in uw vermogen.

2. Uw liefde is het hoogste goed
dat U, o God, mij hebt gegeven,
uw trouw is beter dan het leven,
U bent het die mij juichen doet.
Ik wil U prijzen al mijn dagen,
waartoe uw goedheid mij bewoog,
mijn handen hef ik naar omhoog,
om heel mijn hart U op te dragen.

3. Dit is de spijze die mij voedt,
dat ik U prijs in stille nachten
en overleg in mijn gedachten,
hoe U mij altijd hebt behoed.
U wilt mij met uw vleugels dekken.
Dan juicht mijn ziel, uw naam ter eer,
zij hangt geheel U aan, o Heer.
Geen mens kan uit uw hand mij trekken.

4. Wie mij bedreigen met geweld,
het dodenrijk verslindt hun leven.
Men zal aan 't zwaard hen overgeven:
aas voor de jakhals in het veld.
Maar in de Heer zal zich verheugen
de vorst, die door Gods gunst regeert.
Verheugd is elk die bij Hem zweert;
te gronde gaat het rijk der leugen.