Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Ik houd van de psalmen en ben blij met de vele mogelijkheden om ze te zingen. De Nieuwe Psalmberijming vind ik een geslaagde combinatie van eigentijdse woorden en vertrouwde melodieën. Ook mooi zijn de vele verrassende dichterlijke vondsten, maar zonder dat het moeilijk, hoogdravend of vervreemde... Lees meer »

Ds. A. Brons | Christelijke Gereformeerde Kerk te Apeldoorn Oost

Ds. A. Brons
Christelijke Gereformeerde Kerk te Apeldoorn Oost

Lees alle quotes

Psalm 64

De nieuwe psalmberijming

1. God, luister, let toch op mijn klagen!
Verlos mij van wie mij bedreigt;
zorg dat die meute mij niet krijgt.
Red mij van wie zich zwaar misdragen
en mij belagen.

2. Hoor hoe ze mij van kwaad betichten!
Listige leugens uit hun mond
schieten als pijlen in het rond.
Zie hoe ze sluw hun woorden richten
en onheil stichten.

3. Geniepig willen ze het winnen.
Ze schuwen lage listen niet
en zeggen: ‘Niemand die het ziet
of weet op wat voor kwaad wij zinnen
heel diep vanbinnen.’

4. Maar dan laat God zijn pijlen vliegen.
Ze worden zelf ineens geveld.
Wie naar hen kijken staan versteld.
Ze vallen door hun eigen liegen
en hun bedriegen.

5. ‘De HEER deed deze grote dingen,’
zo klinkt eerbiedig ieders stem.
Wie trouw zijn zoeken heil bij Hem.
Verheugd om al zijn zegeningen
zullen zij zingen.

Tekst: Adriaan Molenaar

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. God, luister, let toch op mijn klagen!
Verlos mij van wie mij bedreigt;
zorg dat die meute mij niet krijgt.
Red mij van wie zich zwaar misdragen
en mij belagen.

2. Hoor hoe ze mij van kwaad betichten!
Listige leugens uit hun mond
schieten als pijlen in het rond.
Zie hoe ze sluw hun woorden richten
en onheil stichten.

3. Geniepig willen ze het winnen.
Ze schuwen lage listen niet
en zeggen: ‘Niemand die het ziet
of weet op wat voor kwaad wij zinnen
heel diep vanbinnen.’

4. Maar dan laat God zijn pijlen vliegen.
Ze worden zelf ineens geveld.
Wie naar hen kijken staan versteld.
Ze vallen door hun eigen liegen
en hun bedriegen.

5. ‘De HEER deed deze grote dingen,’
zo klinkt eerbiedig ieders stem.
Wie trouw zijn zoeken heil bij Hem.
Verheugd om al zijn zegeningen
zullen zij zingen.

Tekst: Adriaan Molenaar

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 5

1. 't Behaag' U, mij gehoor te geven;
Ik zend mijn klaagstem tot Uw troon;
O HEER', dat zich Uw hulp vertoon.
Laat mij voor 's vijands macht niet beven;
Behoed mijn leven.

2. Verberg mij voor de listigheden
En voor den heimelijken raad
Der bozen, die, geneigd tot kwaad,
Oproerig in hun doen en reden,
Steeds onrecht smeden.

3. Bescherm mij tegen 't wreed vermogen
Van hen, wier tong is als een zwaard,
Wier taal, met bitterheid gepaard,
Tot pijlen dient op hunne bogen,
Om t' orelogen.

4. Zij leggen lagen voor de vromen;
Verschuilen zich voor hun gezicht,
En treffen straks hen met hun schicht,
Waardoor zij wreed hen om doen komen,
En niemand schromen.

5. 't Is 't kwaad, waarin z' elkander sterken,
Dat hun tot samenspraak verstrekt;
Hun strikken houden zij bedekt;
Zij zeggen van hun boze werken:
"Wie zal die merken?"

6. Hun drift, aan snood bedrog verbonden,
Spitst daag'lijks zich op listigheen.
Hun hart, hun binnenst' peinst alleen
Op vals' en ereloze vonden,
Om elk te wonden.

7. Maar God, aanschouwend al hun lagen,
Die bloot zijn voor Zijn aangezicht,
Zal ijlings met een scherpen schicht
Hen treffen, en door zware plagen,
Hen straf doen dragen.

8. Hun tong, die and'ren durfd' onteren,
En ware vromen trots versmaan,
Zal zelf met schande hen belaan;
Ja, elk zal hun den rug toekeren,
En hen verneren.

9. Dan zullen alle mensen vrezen,
Het werk verheffen van den HEER'.
Zijn lof verbreiden en Zijn eer,
En op Zijn daan, alom geprezen,
Oplettend wezen.

10. 't Rechtvaardig volk zal zich verblijden,
Betrouwend op den HEER' alleen;
D' oprechten zullen weltevreen
Terwijl zij Hem hun harten wijden,
Zijn Naam belijden.

1. Als ik roep, Heer, hoor mijn stem klachtig,
En help mij dan uit mijn gekwel,
Opdat mijn vijanden zeer fel
Mij niet doden; want zij zijn krachtig,
O Heer almachtig!

2. Verberg mij nu, o Heer geprezen,
Voor mijn vijanden, schalk en kwaad,
Voor de rotten en voor den raad
Der bozen, die met al haar wezen
Zeer zijn misprezen.

3. Haar tongen zeer krachtiglijk snijden
Als zwaarden, die scherp zijn en fijn;
Haar giftige woorden die zijn
Als pijlen fel, die zij in 't strijden
Schieten ter zijden.

4. Opdat ze zo, Heer, in 't verborgen
Met list schieten den vromen man;
Veel goeden zijn alzo daarvan
Doorschoten, die zij zonder zorgen
Heimelijk verworgen.

5. In 't kwaad doen zij hen zeer versterken,
Om mij te verschrikken; zij staan
En spreken stoutelijk: Welaan,
Wie zal ons doen en onze werken
Kunnen bemerken?

6. Zij dichten schalkheid t' allen stonden,
Daartoe doen zij t' zaam haren vliet;
Een ieder die diepte doorziet
Zijns harten, om zo te doorgronden
Listige vonden.

7. Maar God op Wien ik rust alleine,
Zal Zijnen boog afschieten zaan,
Geheel onvoorziens zal 't toegaan;
Zij zullen verwond zijn gemeine
Groot ende kleine.

8. Haar tonge, die niet kan dan schaden,
Hen plat te gronde werpen zal;
Dies zullen zij, die dit zien al,
Hen met bespottingen beladen
Ende versmaden.

9. Dan werden in 't gemein beleden
Des Heeren grote daden rein;
De versaagden zullen gemein
Verstaan des Heeren wonderheden
In alle steden.

10. Maar de vromen zullen verblijden
In God den Heere al te zaam;
En zij, die staan op Zijnen naam,
Zullen Zijn eer tot allen tijden
Alzins belijden.

1. Behoed mij, Heer, hoor naar mijn klagen!
De vijand trekt mij tegemoet.
Al wat er woelt en onrecht doet
is tegen mij, legt mij zijn lagen.
Doe redding dagen!

2. Hun tong is als een scherpe degen,
hun woord is als een pijl gepunt
op mijn onschuldig hart gemunt.
Zij zijn in hinderlaag gelegen
langs al mijn wegen.

3. Zij zeggen: "Laat ons strikken spannen,
geen ziet ze, geen die ons verraadt!"
Zij zijn voortdurend uit op kwaad
en pochen op hun slinkse plannen
mij t' overmannen.

4. Wie zal hun listig hart doorgronden?
Daar treedt de Heer hun tegemoet.
Hoe zijn zij in hun overmoed
door zijn geduchte pijl gevonden!
Zie toch hun wonden!

5. Het vlijmscherp wapen dat zij smeedden,
hun tong, het werktuig van hun macht,
heeft nu henzelf ten val gebracht.
God sloeg hen, zij zijn zonder vrede-
door elk gemeden.

6. Lof zij den Heer! Laat elk Hem vrezen
en spreken van zijn grote daad.
Oprechten mogen vroeg en laat
schuilen bij Hem en vrolijk wezen.
God zij geprezen.

1. Behoed mij, Heer, hoor naar mijn klagen!
De vijand trekt mij tegemoet.
Al wat er woelt en onrecht doet
is tegen mij, legt mij zijn lagen.
Doe redding dagen!

2. Hun tong is als een scherpe degen,
hun woord is als een pijl gepunt
op mijn onschuldig hart gemunt.
Zij zijn in hinderlaag gelegen
langs al mijn wegen.

3. Zij zeggen: "Laat ons strikken spannen,
geen ziet ze, geen die ons verraadt!"
Zij zijn voortdurend uit op kwaad
en pochen op hun slinkse plannen
mij t' overmannen.

4. Wie zal hun listig hart doorgronden?
Daar treedt de Heer hun tegemoet.
Hoe zijn zij in hun overmoed
door zijn geduchte pijl gevonden!
Zie toch hun wonden!

5. Het vlijmscherp wapen dat zij smeedden,
hun tong, het werktuig van hun macht,
heeft nu henzelf ten val gebracht.
God sloeg hen, zij zijn zonder vrede-
door elk gemeden.

6. Lof zij den Heer! Laat elk Hem vrezen
en spreken van zijn grote daad.
Oprechten mogen vroeg en laat
schuilen bij Hem en vrolijk wezen.
God zij geprezen.