Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Ik ben alweer acht jaar verbonden aan een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. In die zetting is het belangrijk om het evangelie in eenvoudige bewoordingen te verkondigen zonder dat het kinderachtig wordt. Lees meer »

Ds. Dennis Verboom | Geestelijk verzorger bij 's Heeren Loo

Ds. Dennis Verboom
Geestelijk verzorger bij 's Heeren Loo

Lees alle quotes

Psalm 74

De nieuwe psalmberijming

1. Waarom, o God, verstoot U voor altijd?
Waarom blijft U op ons uw woede koelen?
Laat ons, uw kudde, weer uw liefde voelen.
Denk aan het volk dat U ooit hebt bevrijd.

2. Denk aan uw berg, de woonplaats van uw eer.
Kom naar uw huis, waar wij U mochten dienen.
Bezoek uw stad, al zolang een ruïne:
verwoestend ging de vijand er tekeer.

3. Hun vlag stond midden op het tempelplein,
waar zij hun overwinning luid bezongen.
Diep zijn zij in uw woning doorgedrongen.
Zij sloegen daar het snijwerk kort en klein.

4. Uw heiligdom werd in de as gelegd.
Door plunderingen wilden zij ons breken.
Gaf U ons in uw goedheid maar een teken;
al lange tijd hebt U geen woord gezegd.

5. Hoe lang nog, God, houdt de bespotting aan?
Hoe lang nog blijft de vijand U verachten?
Grijp in en laat ons toch niet langer wachten!
Wil eigenhandig dit gespuis verslaan!

6. Ik ken U als mijn koning en mijn God.
U spleet met kracht de watervloed in tweeën.
De monsters die regeerden in de zeeën
hebt U gedood; U sloeg hun kop kapot.

7. U was het die rivieren stromen liet.
Uit U, de bron, ontsprongen frisse beken.
U maakte, door een enkel woord te spreken,
van overstromend land een droog gebied.

8. De dag en nacht zijn, HEER, in uw bezit.
Aan zon en maan hebt U een plek gegeven.
U schiep het vasteland om op te leven.
Na zomerzon geeft U weer winterwit.

9. Denk aan uw trouw, nu men zo met U spot.
HEER, voer uw tortelduif niet aan de gieren.
Geef toch uw volk niet prijs aan wilde dieren,
maar breng een wending in hun trieste lot.

10. Kom ons te hulp, HEER, denk aan uw verbond.
Het land is vol geweld en doodsgevaren.
Wil zwakken voor een nederlaag bewaren.
Laat hen U prijzen met hun hart en mond.

11. Grijp krachtig in, verdedig nu uw zaak.
Stop het getier, het spotten van de dwazen.
God, hoor toch hoe uw tegenstanders razen.
Maak er een einde aan, sta op, ontwaak!

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Waarom, o God, verstoot U voor altijd?
Waarom blijft U op ons uw woede koelen?
Laat ons, uw kudde, weer uw liefde voelen.
Denk aan het volk dat U ooit hebt bevrijd.

2. Denk aan uw berg, de woonplaats van uw eer.
Kom naar uw huis, waar wij U mochten dienen.
Bezoek uw stad, al zolang een ruïne:
verwoestend ging de vijand er tekeer.

3. Hun vlag stond midden op het tempelplein,
waar zij hun overwinning luid bezongen.
Diep zijn zij in uw woning doorgedrongen.
Zij sloegen daar het snijwerk kort en klein.

4. Uw heiligdom werd in de as gelegd.
Door plunderingen wilden zij ons breken.
Gaf U ons in uw goedheid maar een teken;
al lange tijd hebt U geen woord gezegd.

5. Hoe lang nog, God, houdt de bespotting aan?
Hoe lang nog blijft de vijand U verachten?
Grijp in en laat ons toch niet langer wachten!
Wil eigenhandig dit gespuis verslaan!

6. Ik ken U als mijn koning en mijn God.
U spleet met kracht de watervloed in tweeën.
De monsters die regeerden in de zeeën
hebt U gedood; U sloeg hun kop kapot.

7. U was het die rivieren stromen liet.
Uit U, de bron, ontsprongen frisse beken.
U maakte, door een enkel woord te spreken,
van overstromend land een droog gebied.

8. De dag en nacht zijn, HEER, in uw bezit.
Aan zon en maan hebt U een plek gegeven.
U schiep het vasteland om op te leven.
Na zomerzon geeft U weer winterwit.

9. Denk aan uw trouw, nu men zo met U spot.
HEER, voer uw tortelduif niet aan de gieren.
Geef toch uw volk niet prijs aan wilde dieren,
maar breng een wending in hun trieste lot.

10. Kom ons te hulp, HEER, denk aan uw verbond.
Het land is vol geweld en doodsgevaren.
Wil zwakken voor een nederlaag bewaren.
Laat hen U prijzen met hun hart en mond.

11. Grijp krachtig in, verdedig nu uw zaak.
Stop het getier, het spotten van de dwazen.
God, hoor toch hoe uw tegenstanders razen.
Maak er een einde aan, sta op, ontwaak!

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Waarom, o God, zijn wij in eeuwigheid
Van Uwe gunst en onderstand verstoken?
Hoe kan Uw toorn dus tegen ons nog roken,
Die schapen zijn, zelfs door Uw Hand geweid?

2. Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond;
Denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen;
Denk aan Uw erf, het voowerp van Uw zegen;
Aan Sions berg waar G' eertijds hebt gewoond.

3. Ruk spoedig aan, verdubbeld Uwe schreen;
Zie, hoe de stad verwoest ligt en vergeten;
Des vijands macht heeft alles neergesmeten,
Uw heiligdom verdorven en vertreen.

4. Uw vijand heeft ter plaatse van 't gebed,
Gelijk een leeuw gebruld bij 't zegevieren.
Zelfs, U ten schimp, heeft hij zijn krijgsbanieren
In trotsen moed, tot tekenen gezet.

5. Elk woedt om strijd, en toont zich onbeschroomd;
Men houwt en hakt, dat poort en binten beven,
Gelijk men slaaft, om bijlen aan te geven,
En ijv'rig kapt in 't hoog en dicht geboomt'.

6. Dus hebben z' ook, doldriftig, onbesuisd,
Graveerselen, pilaren, wanden, bogen,
Wier kunstsieraad de lust was van elks ogen,
Met zwaard, houweel en hamer woest vergruisd.

7. Uw heiligdom is door het vuur verteerd;
Niets heeft zijn glans voor 't woen des gloeds beveiligd.
Uw schoon paleis, Uw woning is ontheiligd,
Ten gronde toe in puin en as verkeerd.

8. "Laat", zeiden zij, "laat ons het ganse land,
Geplunderd, voor onz' overmacht doen zwichten."
Hun wrede vuist heeft al de Godsgestichten,
Uw naam ten hoon, verbrijzeld of verbrand.

9. Wij zien aan ons, na al dit ongeval,
Geen teek'nen meer van Uwe gunst gegeven.
Niet een profeet is ons tot troost gebleven;
Geen sterv'ling weet, hoe lang dit duren zal.

10. Hoe lang, o God, zal in dit zwaar verdriet,
De vijand ons zijn wrede trotsheid tonen;
Zal hij Uw Naam in eeuwigheid dan honen?
Neen, 't kan niet zijn ; dat duldt Uw glorie niet.

11. Ach, waarom trekt G' Uw hand dus van ons af,
Uw rechterhend, die ons ten steun kan strekken?
Ai, wil haar eens uit Uwen boezem trekken,
En maak een eind aan Uw gestrenge straf.

12. Gij, evenwel, Gij blijft dezelfd', o HEER';
Gij zijt van ouds mijn toeverlaat, mijn Koning,
Die uitkomst gaaft, en uit Uw hemelwoning,
Voor ieders oog Uw haat'ren gingt te keer.

13. Gij spleet weleer de Schelfzee door Uw kracht;
Gij hebt den kop der woest' en felle draken,
Het vrees'lijk heir, dat lsrel dorst genaken,
ln 't hart der zee, verbroken door Uw macht.

14. Uw sterke hand heeft 's Leviathans woen,
Betoomd, gestuit; deed Farao bezwijken;
Waar 't woest gediert' aan duizenden van lijken,
Op 't dorre strand, zijn rooflust mocht voldoen.

15. Hoe menigmaal hebt G' ons Uw gunst betoogd,
't Zij G' een fontein deedt uit een rots ontspringen.
Of op een hoop de waat'ren samendringen,
Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd.

16. De dag is d' Uw'; ook vormdet Gij den nacht;
Gij schiept het licht, de zon met gloed en stralen;
Door U is d' aard' gesteld in juiste palen;
Elk jaarseizoen hebt Gij tot stand gebracht.

17. Herdenk, mijn God, herdenk die wonderdaan!
Een dwaas geslacht heeft Uwen naam gelasterd;
De vijand, van Uw vrees en dienst verbasterd,
Heeft Uwen roem met smaad en schimp belaan.

18. Geef 't wild gediert', dat niets in 't woen ontziet,
De ziele van Uw tortelduif niet over;
Laat, grote God, om een gehaten rover,
Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet.

19. Beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond;
Laat dat Uw hart tot ons in liefd' ontvonken;
Het land is vol van duist're moordspelonken,
Vanwaar 't geweld ons grieft met wond op wond.

20. Dat elk verdrukt' Uw bijstand eens erlang';
Laat, laat Uw volk niet schaamrood wederkeren;
Maar wil van hen ellend' en nooddruft weren,
Opdat z' Uw naam verheffen in gezang .

21. Rijs op, o God, rijs op, toon Uw gezag;
Betwist Uw zaak, wees onze pleitbeslechter,
't Is meer dan tijd; gedenk, o hoogste Rechter,
Wat smaad de dwaas U aandoet dag op dag.

22. Vergeet niet, HEER', dien onverdraagb'ren hoon,
Dat luid geroep van al Uw weerpartijders.
Het woest getier van Uwe machtbestrijders.
Stijgt telkens op tot voor Uw hemeltroon.

1. Hoe komt 't, dat Gij ons verstrooit, o God mijn?
Dat Uw gramschap, over ons zeer ontsteken,
Dikken rook uitwerpt, zo 't hier heeft gebleken,
Die wij toch schapen Uwer weide zijn.

2. Uwes volks, dat Gij hebt verworven rein,
Gedenkt toch eens, en Uw erfdeel bevrijdet;
Gedenk den berg Sion, die nu angst lijdet,
Dien Gij verlost en gekocht hebt allein.

3. Sta op Heer! en gans'lijk te niete doet
Den hoop der godd'loze vijanden t' zamen,
Die moedwilliglijk, zonder hen te schamen,
Uw huis wredelijk treden onder voet.

4. Daar Uw werken voortijds waren verteld,
Daar hoort men ze brullen en wreed'lijk tieren;
Haar schand'lijke tekenen en banieren
Hebben zij daar opgericht en gesteld.

5. Een ieder van hen arbeidt nu met vliet,
Om Uwen heil'gen tempel te verderven;
Met bijlen zij even houwen en kerven,
Zo zulks in enen groten bos geschiedt.

6. 't Heerlijk schutwerk uitgesneden zo wel
't Welk een sieraad Uws huis was onderwijlen.
Hebben zij met houwmessen en met bijlen
Ontstuk gehouwen en verwoest zeer snel.

7. Zij hebben ook met den vure verbrand
Uw heilig huis, 't welk zeer hoog was verheven;
Zij hebben 't ook ontheiligd en daarneven
Verdorven, ja gemaakt slecht als het land,

8. Haast spreken zij: Laat ons deez' worgen al,
Zij hebben ook met harten zeer moorddadig,
Uw heil'ge plaatsen wreed en ongenadig
Verbrand en overal gebracht ten val.

9. Ach! wij zien geen tekenen meer voortaan
Uwer gunst; de profeten ons ontbreken;
Niemand wil voor ons noch strijden, noch spreken;
Wanneer zal Uwe toorn van ons toch gaan?

10. Hoe lang zult Gij nog dulden, o Heer!
Dat de booz' Uwen Naam zo zullen schenden?
Zal ook dat lasteren nimmermeer enden,
Daarmee zij Uwe kracht bespotten zeer?

11. Hoe komt 't, dat Gij Uwe hand zo stil houdt,
En over ons Uw rechterhand niet strekket?
Nochtans is 't nood, dat Gij die nog eens trekket
Uit den schoot, ter hulp Uwes volks benauwd.

12. Gij zijt toch mijn Koning van ouden tijd,
Die mij wilt en openlijk kunt bewaren.
Als mij zware nood hier is wedervaren;
Gij hebt mij duizendmaal daarvan bevrijd.

13. Gij hebt gedeeld dat meer door Uwe kracht;
De schrikk'lijke draken hebt Gij verslagen,
Zodat wij de waterkanten vol zagen
Van monsters, die Gij, Heer, hadt omgebracht.

14. Gij slaat den walvis, Heer, met krachten dood,
Het volk in de woestijne tot een spijze.
Gij brengt ook voort, gans op een nieuwe wijze,
Waterfonteinen uit steenrotsen groot.

15. Gij stilt den vloed der waterstromen breed;
Dag ende nacht hoort U toe desgelijken;
De zon en de sterren zonder afwijken,
Houdt Gij in gewissen gang met bescheed.

16. De landpalen hebt Gij gesteld alleen
Over de ganse wereld, Heer almachtig!
De zomer heet, winter, en dat ijs krachtig,
Zijn Uwer handen werken algemeen.

17. Gedenk Heer! hoe Uwe vijanden fel
Uw eer verminderen en boos'lijk schenden;
Hoe dat uitzinnig volk aan alle enden
Uwen Naam schoon lastert met zijn opstel.

18. Wil deze wreden overgeven niet
De ziel Uwes tortelduifkens deemoedig;
Wil ook niet eeuwig vergeten, Heer goedig,
Uw arm volk, 't welk men nu troosteloos ziet.

19. Gedenk Heer! aan Uw opgericht verbond,
Dewijl 't aardrijk zo hard is onderdrukket,
En dat het onder geweld en last bukket
Der bozen, die veel zijn tot dezer stond.

20. Laat Uwen armen knecht niet beschaamd zijn;
Maar geef hem veeleer oorzaak om te zingen
Van Uwen Naam; dat zij mogen ontspringen,
Die benauwdheid lijden, met smaad en pijn.

21. Heer! voer Uw zaak uit, van den slaap opstaat.
En wil deez' grote smaadheid niet vergeten,
Die U daag'lijks met spotten wordt verweten
Van dit volk, 't welk Uwen Naam steeds versmaadt.

22. Dat bitter roepen en tieren aanhoort
Der vijanden, die gans uitzinnig razen;
Haar schreeuwen vol van hoogmoed opgeblazen,
Wordt langs zo groter en vaart altijd voort.

1. Waarom , o God, verstoot Gij voor altoos,
verzengt uw toorn de schapen uwer weide?
Gedenk uw erfdeel dat G' in oude tijden
verlost' en tot gemeente U verkoos.

2. Gedenk aan Sion waar Gij hebt gewoond,
richt naar 't verwoeste heiligdom uw schreden.
Het ligt in puin, door vijanden vertreden,
niets heeft hun onbehouwenheid verschoond.

3. Zij tierden in de woning van uw heil,
daar hebben zij hun vaandels opgestoken
en blindelings het snijwerk weggebroken,
als kreupelhout verbrijzeld met de bijl.

4. Uw heil'ge tempel hebben zij verbrand,
ontwijd, onteerd de woning van uw vrede.
Toen zeiden zij: laat ons dit volk vertreden.
Geen godshuis bleef gespaard in heel het land.

5. De godsspraak zwijgt, geen teken dat voorspelt,
geen ziener wilt U aan uw knechten zenden
en niemand ziet het einde der ellenden.
Hoelang nog duurt hun hoon en hun geweld?

6. Lijdt dan uw naam voorgoed des vijands spot,
waarom ziet niemand uw geducht werken?
Strek uit uw hand, uw rechterhand, de sterke,
sla toe, verdelg uw vijanden, o God.

7. En toch, ik weet, mijn Koning is de Heer,
van oudsher deed Hij heil op aarde dagen,
deelde de zee en heeft de draak verslagen.
Hij sloeg de monsters van de oervloed neer.

8. Gij zijt het die door uw geduchte hand
des leviathans koppen hebt gespleten,
in de woestijn zijn aas hebt neergesmeten,
ten prooi aan 't wild gedierte in het zand.

9. Gij zijt het die de aarde openscheurt
en frisse bronnen doet tevoorschijn breken.
Gij zijt het ook die waterrijke beken
verdrogen doet, zodat de akker treurt.

10. U is de dag, U is de nacht, o Heer.
De zon, de sterren rusten in uw handen.
Gij stelt een grens vast tussen zee en landen,
bepaalt de tijd voor der seizoenen keer.

11. O Heer, die zo uw koningsmacht betoont,
wil eind'lijk toch uw naam, uw eer gedenken.
Zie hoe een volk van dwazen U durft krenken
en hoe de vijand openlijk U hoont.

12. Lever uw tortelduif niet uit, o Heer,
geef haar niet aan de wilde dieren over,
laat haar een schuilplaats vinden in het lover.
Vergeet uw kind'ren niet voor immermeer.

13. Aanschouw, o Heer, en denk aan uw verbond,
nu zij in 't duister hun geweld beramen.
Wil in hun nood de armen niet beschamen.
Geef ons uw naam, uw lied weer in de mond.

14. Sta op, o God, sta op, beslecht uw pleit
en maak een einde aan de hoon der dwazen.
Vergeet niet hoe uw tegenstanders razen
en hoe hun overmoed ten hemel schreit.

1. Waarom, o God, verstoot U voor altijd
en brandt uw toorn zo fel in uw mishagen?
Waarom geeft U ons zoveel leed te dragen?
Gedenk uw volk, de schapen die U weidt.

2. Gedenk toch uw gemeente als weleer,
door U verlost en daarna vast bevestigd
op Sion, waar uw woning was gevestigd.
Kent U, o God, uw erfdeel dan niet meer?

3. Treed nader, Heer, zie de verwoesting aan,
de vijand heeft uw huis in puin geslagen.
Zijn brallend lied weerklonk er vele dagen.
Hij mocht daar bij zijn zegevaandel staan.

4. Als kreupelhout, versplinterd door de bijl,
zo werd door hen het lofwerk der panelen
verbrijzeld met hun hamers en houwelen.
Zo werd ontwijd de woning van uw heil.

5. Zij staken, Heer, uw heiligdom in brand,
om tot de grond uw naam zo te ontwijden.
Zij spraken af: laat ons dit volk kastijden.
Door vuur verging elk godshuis in het land.

6. Wij zien bij ons uw tekenen niet meer.
Niet één profeet is ons tot troost gebleven.
Zijn wij dan aan de vijand prijsgegeven?
Hoelang zal hij uw naam nog honen, Heer?

7. Waarom houdt U, o Heer, terug uw hand,
uw rechterhand, die altijd heil bewerkte?
Strek hem toch uit! Bent U niet onze sterkte!
Verdelg de vijand, drijf hem uit het land.

8. En toch is God vanouds mijn God en Heer,
mijn Koning die verlossing bracht op aarde
en overal zijn werken openbaarde,
die Israël verloste telkens weer.

9. U hebt de zee gekliefd, Heer, door uw kracht,
ook Leviatans koppen daar gespleten,
de draken in de zee uiteengereten
en die als aas naar de woestijn gebracht.

10. Uw almacht deed ontspringen beek en bron
en sterke stromen deed U toch verdrogen.
Ook dag en nacht bestaan door uw vermogen,
U schiep de hemellichten en de zon.

11. U die eertijds de grens van zee en land
bepaald hebt in vrijmachtig welbehagen,
U schiep de zomer- en de winterdagen,
de jaargetijden houdt U, Heer, in stand.

12. Gedenk dit, Heer, de vijand smaadt uw eer.
Geef aan het roofdier toch uw volk niet over,
uw tortelduif niet aan de brute rover.
Wil de verdrukten niet vergeten, Heer.

13. Aanschouw, o Heer, aanschouw toch uw verbond.
Het land is vol geweld in donkre holen.
Houdt U voor de verdrukte niet verscholen,
leg hem opnieuw een lofzang in de mond.

14. Sta op, o God, beslecht uw eigen zaak.
Gedenk de smaad van wie U dwaas bestrijden
en het getier dat klinkt van alle zijden.
Vergeet het niet! Sta op, o God, ontwaak!