Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

In onze gemeente proberen we het oude van de traditie in verbinding te brengen met het nieuwe van nu. De Nieuwe Psalmberijming sluit daar perfect bij aan. Op deze manier kunnen we met jong en oud de psalmen blijven zingen. Lees meer »

Ds. E. de Jong | Doopsgezinde Gemeente te Ouddorp

Ds. E. de Jong
Doopsgezinde Gemeente te Ouddorp

Lees alle quotes

Psalm 76

De nieuwe psalmberijming

1. In Juda’s stam is God beroemd.
Zijn naam wordt in het land genoemd.
Vanuit zijn huis op Sions top
trad Hij tegen zijn vijand op.
Daar brak Hij bogen, pijlen, schilden,
omdat Hij rust en vrede wilde.

2. Wat schitterde U als de zon
toen U de oorlog glansrijk won!
Door U lag zelfs de sterkste held
in slaap verzonken in het veld.
O Jakobs God, door slechts te dreigen
wist U de ruiters klein te krijgen.

3. U bent geducht; wie houdt er stand
wanneer uw boosheid fel ontbrandt?
Toen U vol majesteit verscheen
kromp iedereen van angst ineen.
God, U sprak recht – en dat bevrijdde
wie onder onrecht had te lijden.

4. Wie woedend waren op de HEER
bezingen eens voluit zijn eer.
Volk, maak wat je beloofde waar;
bedank Hem met een gul gebaar.
Hij laat de wereldleiders beven
totdat zij zich gewonnen geven.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. In Juda’s stam is God beroemd.
Zijn naam wordt in het land genoemd.
Vanuit zijn huis op Sions top
trad Hij tegen zijn vijand op.
Daar brak Hij bogen, pijlen, schilden,
omdat Hij rust en vrede wilde.

2. Wat schitterde U als de zon
toen U de oorlog glansrijk won!
Door U lag zelfs de sterkste held
in slaap verzonken in het veld.
O Jakobs God, door slechts te dreigen
wist U de ruiters klein te krijgen.

3. U bent geducht; wie houdt er stand
wanneer uw boosheid fel ontbrandt?
Toen U vol majesteit verscheen
kromp iedereen van angst ineen.
God, U sprak recht – en dat bevrijdde
wie onder onrecht had te lijden.

4. Wie woedend waren op de HEER
bezingen eens voluit zijn eer.
Volk, maak wat je beloofde waar;
bedank Hem met een gul gebaar.
Hij laat de wereldleiders beven
totdat zij zich gewonnen geven.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 30 en 139

1. God is bekend bij Juda's stam,
Waar Hij Zijn hogen zetel nam;
Zijn Naam is groot in Israel;
In Salem staat op Zijn bevel
De hutte van dien Hemelkoning;
Op Sion is Zijn heil'ge woning.

2. Daar heeft de vijand boog en schild
En vuur'ge pijlen op verspild.
God brak het zwaard, bedwong den krijg.
Dat vrij het roofgebergte zwijg'.
Uw roem, o groot en heerlijk Wezen,
Is tot veel hoger top gerezen.

3. Stouthartigen zijn daar beroofd;
Daar sliep en heir en opperhoofd.
De kloekste had geen handen meer,
Maar viel in 't stof verslagen neer.
O God van Jakob, door Uw schelden
Vergingen paarden, wagens, helden.

4. Gij, vrees'lijk zijt Gij in 't gericht;
Wie zal bestaan voor Uw gezicht?
Zo ras Uw mond het vonnis streek,
Uw oordeel van den hemel bleek,
Toen vreesde d' aarde voor Uw ogen;
Toen werd ze stil door Uw vermogen.

5. Als God ter hoge vierschaar steeg,
't Zachtmoedig volk verlossing kreeg;
Ontzette zich het gans heelal.
Gewis, der mensen gramschap zal,
Wanneer z' op 't hevigst is aan 't blaken,
Uw groten lof nog groter maken.

6. Woedt nog de wraaklust onbeschroomd,
Die wordt door U ras ingetoomd.
Doet dan geloften aan den HEER',
Betaalt die, uwen God ter eer.
Gij allen, die dien groten Koning
Omringt in Zijn doorluchte woning.

7. Men voer' dien God geschenken aan;
Die vrees'lijk is in al Zijn daan.
Hij stoot de vorsten weg in 't graf
En snijdt hun geest als druiven af,
Hij, die den koningen der aarde
Zelfs op hun tronen, vreze baarde.

1. God is in Judea zeer wel
Bekend en overal vermaard;
Zijn Naam en kracht in Israël
Zijn geroemd en geopenbaard;
In Salem en tot Sion schone
Staat dat huis fijn van Zijne wone.

2. Daar ziet men, dat Hij breekt zeer kleen
Kracht'lijk den boog en pijlen t' zaam;
Schilden, zwaarden en ook meteen
Den krijg met zijn rusting bekwaam;
En toont, dat Hij meer zij te vruchten,
Dan men de straatrovers moet duchten.

3. Slapende zijn de stouten zaan,
Beroofd harer goederen groot;
De krijgers, die op haar kracht staan,
Laten vallen de handen bloot.
Uwe toorn doet haast in slaap vallen
Paarden en wagenen met allen.

4. Gij zijt verschrikkelijk gaar zeer,
Gij, o mijn God! en niemand el!
Wie zal voor U bestaan, o Heer!
Wanneer Gij toont Uw gramschap fel?
Als Gij Uw oordeel hebt gegeven,
Moet dat aardrijk schrikken en beven.

5. Dan stond Gij op en hebt verkond
Uw oordelen en gemaakt vrij
D' ellendigen ter zelfder stond,
En hebt die getroostet zeer blij.
Als de mensen tegen U strijden,
Gij behaalt eer aan alle zijden.

6. Gij zult ombrengen 't ganse rot
Der woedende boosdaders kwaad.
Elk doe beloften onzen God,
En volbrenge die met der daad;
Doet zulks gij, die daar woont beneven
Des Heeren woning hoog verheven.

7. Brengt God gaven, die vrees'lijk is,
En wreekt Zijnen smaad ende schand';
Ja Hem, Die door Zijn kracht gewis
Den koningen neemt haar verstand;
Die schrikk'lijk is en groot van waarde
Alle koningen op de aarde.

1. God wordt geëerd in Israël,
zijn roem, zijn naam is hier in tel.
Zijn woonplaats heeft Hij toebereid
in deze stad, waar haat en strijd
om zijnentwil zijn afgezworen.
Hij doet zijn roep uit Sion horen.

2. Wapengeweld biedt Gij het hoofd,
Gij die de oorlogsbliksem dooft.
Gij die het zwaard breekt en het schild
en die de oorlog niet meer wilt,
maar die gehuld in zonnestralen
de hoge bergen af komt dalen.

3. Wie tot geweld was toegerust,
van uw vermogen onbewust,
Gij hebt hen in hun droom gestoord,
geslagen met uw dreigend woord.
Trotsen van hart doet Gij versagen,
Gij stort z' in zee met paard en wagen.

4. Gij, hoe vreeswekkend zijt Gij, Heer,
wij slaan onz' ogen voor U neer.
Wie houdt zich staande in uw gloed,
wanneer uw toorn zich gelden doet?
Uw oordeel klonk in storm en donder,
de aarde vreesd' en zweeg daaronder.

5. Als Gij, ten oordeel opgestaan,
het boos geweld hebt weggedaan,
wordt door uw sterke hand bevrijd
wie wachtte in zachtmoedigheid.
Gij hebt de tirannie verdreven
en doet uw volk in voorspoed leven.

6. Eens komt de tijd dat hoofd voor hoofd
elk die op aarde leeft U looft,
dat zelfs die thans U tegenstreeft
ter ere van uw grootheid beeft.
Gij zult de grimmigen betomen,
ja allen zullen tot U komen.

7. Gij dan die in de hofstoet gaat
van Hem, die koningen verslaat,
die heilig is en hooggeducht,
brengt Hem uw lof, aanvaardt zijn tucht.
Want allen die Hem tegenstreven
staat Hij, de Here, naar het leven.

1. Heel Juda kent Gods naam en eer,
groot is in Israël de Heer.
In Salem, waar Hij woning vond,
heeft Hij zijn Sionsburcht gegrond.
Daar heeft Hij zelf, in toorn ontstoken,
de kracht van boog en zwaard verbroken.

2. U kwam in schittering van licht
de bergen af tot het gericht.
De trotse vijand werd verdoofd,
de sterken zijn van kracht beroofd.
O Jakobs God, uw dreigend wapen
deed paard en ruiter heel diep slapen.

3. Wie houdt er voor uw ogen stand,
als uw geduchte toorn ontbrandt?
Als U het hemels vonnis velt,
zwijgt heel de aarde, diep ontsteld.
Maar wie ootmoedig voor U leven,
zal uw gericht verlossing geven.

4. De vijand looft uw majesteit,
want U bedwingt zijn grimmigheid.
Doet dan geloften aan de Heer,
brengt gaven, geeft Hem allen eer.
Hij, die in toorn geen vorsten spaarde,
Hij is geducht op heel de aarde.