Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De Geneefse Psalmen liggen me na aan het hart, maar de huidige vertaling uit het Gereformeerd Kerkboek is sterk verouderd. Soms is dat niet erg, want herkenbaarheid is voor ouderen erg belangrijk. Maar vanaf de kansel zie ik jongeren en masse hun mond houden; ze weten niet meer wat ze zingen. Lees meer »

Matthijs van der Welle| Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Matthijs van der Welle
Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Lees alle quotes

Psalm 77

De nieuwe psalmberijming

1. Luidkeels, om God aan te sporen,
smeek ik tot Hij zal verhoren.
Niet berustend in mijn lot
zoek ik overdag naar God.
Rusteloos zijn mijn gedachten,
troosteloos de lange nachten.
Wanhoop voel ik en verdriet;
aan Hem denken helpt mij niet.

2. Zonder woorden, aangeslagen,
lig ik wakker vol met vragen.
Steeds haal ik mij voor de geest
hoe het vroeger is geweest:
hoe ik spelend op de snaren,
Gods nabijheid mocht ervaren.
Nu klinkt treurig mijn refrein:
zou Hij mij vergeten zijn?

3. Heeft de Heer dan echt besloten
mij voor altijd te verstoten?
Wat als Hij nu nooit meer komt,
als zijn woord voorgoed verstomt?
Is de Heer zijn trouw vergeten,
wil Hij niets meer van mij weten?
Is Hij meer van toorn vervuld
dan van liefde en geduld?

4. God is in mijn diepe lijden
niet zoals in oude tijden:
Hij, de allerhoogste Heer,
toont zijn sterke hand niet meer.
Toch blijf ik mijn tijd besteden
aan uw werk uit het verleden.
Wat U deed sinds het begin
prent ik mij voortdurend in.

5. Heilig is uw weg, verheven.
Welke afgod zou niet beven?
God, wie is als U zo groot?
U alleen redt van de dood.
In uw macht en uw genade
doet U wonderlijke daden.
Dat bewees U wereldwijd
toen uw arm ons heeft bevrijd.

6. Schrik beving de oceanen
toen uw hand een pad kwam banen.
Wolken stortten water uit
en de hemel dreunde luid.
Dreigend flitsten bliksemschichten,
die de wereld fel verlichtten.
Heel de aarde kromp ineen
toen U luisterrijk verscheen.

7. Niet te stuiten, onverschrokken,
bent U door de zee getrokken.
Onnavolgbaar was het pad
dat U uitgekozen had.
Als een trouwe herder leidde
U het volk dat U bevrijdde.
U bracht hen door Mozes’ hand
veilig naar de overkant.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Luidkeels, om God aan te sporen,
smeek ik tot Hij zal verhoren.
Niet berustend in mijn lot
zoek ik overdag naar God.
Rusteloos zijn mijn gedachten,
troosteloos de lange nachten.
Wanhoop voel ik en verdriet;
aan Hem denken helpt mij niet.

2. Zonder woorden, aangeslagen,
lig ik wakker vol met vragen.
Steeds haal ik mij voor de geest
hoe het vroeger is geweest:
hoe ik spelend op de snaren,
Gods nabijheid mocht ervaren.
Nu klinkt treurig mijn refrein:
zou Hij mij vergeten zijn?

3. Heeft de Heer dan echt besloten
mij voor altijd te verstoten?
Wat als Hij nu nooit meer komt,
als zijn woord voorgoed verstomt?
Is de Heer zijn trouw vergeten,
wil Hij niets meer van mij weten?
Is Hij meer van toorn vervuld
dan van liefde en geduld?

4. God is in mijn diepe lijden
niet zoals in oude tijden:
Hij, de allerhoogste Heer,
toont zijn sterke hand niet meer.
Toch blijf ik mijn tijd besteden
aan uw werk uit het verleden.
Wat U deed sinds het begin
prent ik mij voortdurend in.

5. Heilig is uw weg, verheven.
Welke afgod zou niet beven?
God, wie is als U zo groot?
U alleen redt van de dood.
In uw macht en uw genade
doet U wonderlijke daden.
Dat bewees U wereldwijd
toen uw arm ons heeft bevrijd.

6. Schrik beving de oceanen
toen uw hand een pad kwam banen.
Wolken stortten water uit
en de hemel dreunde luid.
Dreigend flitsten bliksemschichten,
die de wereld fel verlichtten.
Heel de aarde kromp ineen
toen U luisterrijk verscheen.

7. Niet te stuiten, onverschrokken,
bent U door de zee getrokken.
Onnavolgbaar was het pad
dat U uitgekozen had.
Als een trouwe herder leidde
U het volk dat U bevrijdde.
U bracht hen door Mozes’ hand
veilig naar de overkant.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 86

1. Mijn geroep, uit angst en vrezen,
Klimt tot God, het Opperwezen,
God, die in mijn ongeval,
D' oren tot mij neigen zal.
'k Zocht Hem in mijn bange dagen;
'k Bracht de nachten door met klagen;
'k Liet niet af, mijn hand en oog,
Op te heffen naar omhoog.

2. 'k Schatte mij geheel verloren;
'k Mocht van geen vertroosting horen,
Als mijn ziel aan God gedacht,
Loosd' ik niet dan klacht op klacht;
Peinsd' ik aan mijn vrucht'loos kermen,
Vrucht'loos roepen om ontfermen,
Dacht ik, hoe God anders helpt,
Mijne ziel werd overstelpt.

3. Slaap weerhieldt Gij van mijn ogen,
'k Was verslagen, neergebogen,
En, verstomd door al 't verdriet,
Wars van mensen, sprak ik niet.
'k Overdacht al d' oude dagen;
Jaren, eeuwen, gunsten, plagen,
En wat immer aan mijn ziel
Van Gods hand te beurte viel.

4. 'k Dacht, hoe 'k God met vreugd voor dezen
Op mijn snaren had geprezen;
'k Overleid', in diepe smart,
's Nachts met een mistroostig hart,
En mijn geest doorzocht de reden,
Waarom God die tegenheden
Mij in zulk een mate zond,
En wat mij te duchten stond.

5. "Zou de HEER' Zijn gunstgenoten,"
Dacht ik, "dan altoos verstoten?
Niet goedgunstig zijn voortaan?
Nimmer ons meer gadeslaan?
Zouden Zijn beloftenissen
Verder haar vervulling missen,
Vrucht'loos worden afgewacht
Van geslachte tot geslacht?"

6. "Zou God Zijn gena vergeten?
Nooit meer van ontferming weten?
Heeft Hij Zijn barmhartigheen
Door Zijn gramschap afgesneen?"
'k Zei daarna; "Dit krenkt mij 't leven,
Maar God zal verand'ring geven;
D' Allerhoogste maakt het goed;
Na het zure geeft Hij 't zoet."

7. 'k Zal gedenken, hoe voor dezen
Ons de HEER' heeft gunst bewezen;
'k Zal de wond'ren gadeslaan,
Die Gij hebt van ouds gedaan.
'k Zal nauwkeurig op Uw werken
En derzelver uitkomst merken,
En, in plaats van bitt're klacht,
Daarvan spreken dag en nacht.

8. Heilig zijn, o God, Uw wegen;
Niemand spreek' Uw hoogheid tegen;
Wie, wie is een God als Gij,
Groot van macht en heerschappij?
Ja, Gij zijt die God, die d' oren,
Wond'ren doet op wond'ren horen;
Gij hebt Uwen roem alom
Groot gemaakt bij 't heidendom.

9. Door Uw arm en alvermogen,
Hebt Gij Isrel uitgetogen;
Jakobs kind'ren, Jozefs zaad
Vrijgemaakt van Faro's haat.
't Water zag, o God, U komen;
't Water zag U, en de stromen
Steigerden vol schrik omhoog;
D' afgrond werd beroerd en droog.

10. Dikke wolken goten water;
Hoger zwerk gaf fel geklater;
Uwe pijlen, zo geducht,
Vlogen vlammend door de lucht;
't Zwaar geluid der donderslagen
Deed het al in 't ronde wagen;
En de wereld werd verlicht
Door herhaalden bliksemschicht.

11. D' aarde sloeg van schrik aan 't beven,
Toen z' U langs Uw pad zag streven;
Zee en grote waters door,
In het nooit ontdekte spoor;
Toen G' Uw volk den weg bereiddet,
Daar Gij 't als een kudde leiddet.
Mozes' en Aarons hand
Bracht hen dus naar 't heilig land.

1. Ik heb mijn stem opgeheven
En mijn schreien daarbeneven,
Tot U, Heer, en naar Uw woord
Hebt Gij mij voormaals verhoord;
In mijnen nood en benauwen
Stond op U al mijn betrouwen;
Ik heb mijn handen, Heer goed,
Tot U gestrekt met ootmoed.

2. Mijn ziel in dit groot verlangen,
En wil genen troost ontvangen;
Ja, als ik aan U denk, Heer!
Bedroefd ben ik dies te meer.
Al heb ik van ganser harte
Gebeden in angst en smarte.
Zo blijft toch mijn hart eenpaar
Vol benauwdheid en angst zwaar.

3. Gij hebt mij, o Heer genadig,
Wakker gehouden gestadig;
Ik ben zo kracht'loos daarvan
Dat ik schier niet spreken kan.
Als ik met druk ben doorsneden,
Gedenk ik des tijds voorleden,
D' oude jaren dag en nacht
Worden van mij overdacht.

4. Dat schoon, lieflijk spel der snaren
Kan uit mijnen zin niet varen,
Mijn hart vol smarten voorwaar
Gedenkt daaraan voor en naar,
Daarna tracht ik t' allen stonden,
Of ik dat eind mocht doorgronden
Dezes dings en dat verstaan;
Dies vang ik zo mijn klacht aan:

5. Zal mij God altijd versteken?
Is Hij gans van mij geweken;
Is mij nu in eeuwigheid
Geen genade meer bereid?
Zal Gods goedheid hoog geprezen
Hiermee nu gans'lijk uit wezen?
Zullen Zijn beloften fijn
Hiermee gans ten einde zijn?

6. Heeft God 't mijwaarts gaar vergeten
Zijne goedheid ongemeten?
Gaat nu Zijne toornigheid
Boven Zijn barmhartigheid?
Alzulks sprak ik tot die tijden;
Mijn God wil, dat ik zal lijden;
Hij heeft verwisseld Zijn hand
Die mij voortijds gaf bijstand.

7. Daarna werd ik ook indachtig
Der wonderdaden Gods krachtig,
Die Hij voormaals heeft gedaan:
Dezer deed ik ook vermaan.
Maar als ik zo ging aanmerken
Zijn heerlijke wonderwerken,
En al Zijn doen groot en klein,
Dan sprak ik bij mij allein:

8. O God! heilig zijn Uw wegen;
Niemand kan U spreken tegen;
Waar is er breed ofte wijd
Een alzulk God als Gij zijt?
Gij laat Uwe daden blijken
Door macht niet om vergelijken.
Gij doet de heid'nen vol pracht
Ondervinden Uwe kracht.

9. Gij hebt door Uw hand almachtig,
Uw volk verlost, Heere krachtig;
De kind'ren des Jakobs goed,
En des vromen Jozefs vroed.
Uwe vrees is, Heer, gekomen
Over al de waterstromen;
Voor Uw Majesteit terstond
Beefde, Heer, de diep' afgrond.

10. De wolken zeer dicht gesloten,
Hebben water uitgegoten;
En des donders groot geluid
Strekt hem in de wolken uit;
De vuurstralen hen uitspreiden,
Donderslagen hen uitbreiden.
De bliksem met den schijn fel
Ontstak 't gans aardrijke snel.

11. Den aardbodem zag men beven,
En Gij gaaft enen weg even
Door 't meer tot Uws volks oorboor,
Daar geen voetpad was te voor.
Gij leidet Uw volk bekwame
Als een kudde schapen t' zame,
Door Mozes en Arons hand
In dat schoon beloofde land.

1. Roepend om gehoor te vinden,
om bij God gehoor te vinden,
roep en smeek ik onverpoosd,
maar mijn ziel blijft ongetroost.
Nu de druk mij overmande,
hef ik tot de Heer mijn handen,
maar 't gedenken is mij pijn,
nu ik zonder God moet zijn.

2. 's Nachts doet Gij mijn ogen staren.
Denkend aan het spel der snaren,
aan de dagen van weleer,
vindt mijn hart geen woorden meer.
En ik vraag aan mijn gedachten;
laat de Heer voor immer smachten?
Neemt Hij hen die smekend staan
niet meer in genade aan?

3. Zou de Heer zijn volk verstoten?
Heeft de toorn zijn hart gesloten?
Is zijn gunst voorgoed voorbij?
Blijft niet wat Hij eenmaal zei?
Kan God zijn gena vergeten?
Heb ik steeds vergeefs geweten,
dat des Allerhoogsten kracht
stand houdt tot het laatst geslacht?

4. God, op wat Gij eens verrichtte,
wil ik mijn betrouwen stichten.
Wat Gij eens gedaan hebt is
steeds in mijn gedachtenis.
Heel de wereld zag uw sterkte,
zag de wond'ren die Gij werkte,
toen Gij, groot in heiligheid,
Jakobs volk hebt uitgeleid.

5. Toen Gij door het diepst der zee ging,
zag U d' afgrond aan met beving.
Wolken goten water uit.
Luchten dreunden van geluid.
Toen uw felle bliksemschichten
huiverend uw weg verlichtten,
en uw donder om U ging,
lag heel d' aard in siddering.

6. God, uw pad was door de golven.
Waat'ren hebben het bedolven
en uw voetspoor uitgewist;
geen die nog uw treden gist.
Maar Gij gaaft een goed geleide
aan het volk dat Gij bevrijdde;
Mozes' en Aärons hand
voerde 't in een veilig land.

1. Roepend om gehoor te vinden,
om bij God gehoor te vinden,
roep en smeek ik onverpoosd,
maar mijn ziel blijft ongetroost.
Nu de druk mij overmande,
hef ik tot de Heer mijn handen,
maar 't gedenken is mij pijn,
nu ik zonder God moet zijn.

2. 's Nachts doet Gij mijn ogen staren.
Denkend aan het spel der snaren,
aan de dagen van weleer,
vindt mijn hart geen woorden meer.
En ik vraag aan mijn gedachten;
laat de Heer voor immer smachten?
Neemt Hij hen die smekend staan
niet meer in genade aan?

3. Zou de Heer zijn volk verstoten?
Heeft de toorn zijn hart gesloten?
Is zijn gunst voorgoed voorbij?
Blijft niet wat Hij eenmaal zei?
Kan God zijn gena vergeten?
Heb ik steeds vergeefs geweten,
dat des Allerhoogsten kracht
stand houdt tot het laatst geslacht?

4. God, op wat Gij eens verrichtte,
wil ik mijn betrouwen stichten.
Wat Gij eens gedaan hebt is
steeds in mijn gedachtenis.
Heel de wereld zag uw sterkte,
zag de wond'ren die Gij werkte,
toen Gij, groot in heiligheid,
Jakobs volk hebt uitgeleid.

5. Toen Gij door het diepst der zee ging,
zag U d' afgrond aan met beving.
Wolken goten water uit.
Luchten dreunden van geluid.
Toen uw felle bliksemschichten
huiverend uw weg verlichtten,
en uw donder om U ging,
lag heel d' aard in siddering.

6. God, uw pad was door de golven.
Waat'ren hebben het bedolven
en uw voetspoor uitgewist;
geen die nog uw treden gist.
Maar Gij gaaft een goed geleide
aan het volk dat Gij bevrijdde;
Mozes' en Aärons hand
voerde 't in een veilig land.