Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De liederen van Jezus (de psalmen) zijn het hart van de Bijbel en geven weer wat er in het hart van een gelovige leeft aan vreugde en verdriet. Graag zingen wij uit De Nieuwe Psalmberijming omdat het Woord voor je gaat leven. Het brengt de psalmen lekker dichtbij. Lees meer »

Ds. H. Drost | Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Zwijndrecht-Groote Lindt

Ds. H. Drost
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Zwijndrecht-Groote Lindt

Lees alle quotes

Psalm 83

De nieuwe psalmberijming

1. Houd U niet doof, God, handel nu!
De vijand keert zich tegen U.
Hoogmoedig smeedt hij slechte plannen.
Hoor hoe uw haters samenspannen:
‘We gaan dat volk voorgoed verdrijven;
hun naam mag niet in leven blijven.’

2. Het voortbestaan van Israël,
uw lieveling, staat op het spel.
De legers staan aaneengesloten
klaar bij de grens om door te stoten.
Zelfs staat een grootmacht hun ter zijde
om tegen U en ons te strijden.

3. Help ons ook nu weer uit de brand;
strooi hen als mest uit op het land.
Straf elke vorst en elke leider;
wees onze koning en bevrijder.
Wil hen met harde hand beletten
om al uw steden te bezetten.

4. Mijn God, maak hen als waaiend kaf;
blaas hen als pluisjes van U af.
Verzeng hen zoals vuur de bomen;
laat hen niet aan uw toorn ontkomen.
Kom om hun doodsangst aan te jagen;
stuur stormen om hen weg te vagen.

5. Ontneem de vijanden hun eer,
zodat ze U gaan zoeken, HEER.
Laat hen met schaamrood op de kaken
volledig in verwarring raken.
Dan zullen zij uw macht aanvaarden,
erkennen dat U heerst op aarde.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Houd U niet doof, God, handel nu!
De vijand keert zich tegen U.
Hoogmoedig smeedt hij slechte plannen.
Hoor hoe uw haters samenspannen:
‘We gaan dat volk voorgoed verdrijven;
hun naam mag niet in leven blijven.’

2. Het voortbestaan van Israël,
uw lieveling, staat op het spel.
De legers staan aaneengesloten
klaar bij de grens om door te stoten.
Zelfs staat een grootmacht hun ter zijde
om tegen U en ons te strijden.

3. Help ons ook nu weer uit de brand;
strooi hen als mest uit op het land.
Straf elke vorst en elke leider;
wees onze koning en bevrijder.
Wil hen met harde hand beletten
om al uw steden te bezetten.

4. Mijn God, maak hen als waaiend kaf;
blaas hen als pluisjes van U af.
Verzeng hen zoals vuur de bomen;
laat hen niet aan uw toorn ontkomen.
Kom om hun doodsangst aan te jagen;
stuur stormen om hen weg te vagen.

5. Ontneem de vijanden hun eer,
zodat ze U gaan zoeken, HEER.
Laat hen met schaamrood op de kaken
volledig in verwarring raken.
Dan zullen zij uw macht aanvaarden,
erkennen dat U heerst op aarde.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux. Gebruik voor deze psalm liednummer 7133405 bij uw rapportage aan CCLi.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Zwijg niet, o God, houd U niet doof.
Wij worden, zo Gij zwijgt, ten roof;
Wees toch niet stil, ai, wil ontwaken;
Want zie, o God, Uw haters maken
Een krijgsgetier om zich te wreken;
Zij durven stout den kop opsteken.

2. Hun aanslag is verwoed en boos;
Zij zoeken, heimelijk en loos,
Uw volk, dat zij zo bits verachten,
Te dempen met vereende krachten;
Dat Gij, met zoveel gunst en zorgen,
Houdt, als een schat, bij U verborgen.

3. Zij zeiden stout, en heet op buit:
"Komt aan, men roei' gans Isrel uit;
Opdat dit volk, gelijk voor dezen,
Voortaan geen volk meer moge wezen;
Dat niemand Isrels naam doe horen,
Dat zijn gedacht'nis ga verloren."

4. Want samen zijn zij 't eens geraakt;
't Verbond is tegen U gemaakt;
Daar zien wij Edoms tenten naad'ren;
Ginds Ismael zich saam vergaad'ren;
De Moabieten, Hagarenen
En Gebal zich in 't veld verenen.

5. Met hen trekt Ammon ene lijn,
En Amalek, en Palestijn,
En die in 't rijke Tyrus wonen;
Ook liet zich Assur bij hen tronen,
Een machtig rijk, waarop zij leunen,
En Lots ontaarde kinders steunen.

6. Dat hen, o God, Uw gramschap sla,
Als Midian, als Sisera,
Als Jabin, die bij Kisons stromen
En t' Endor gans zijn omgekomen,
Wanneer Uw ijver niemand spaarde,
Maar hen vertrad als slijk der aarde.

7. Sla hen en hunne prinsen, HEER',
Als Oreb en als Zeeb neer.
Doe al hun vorsten, hoe verheven,
Als Zebah en Zalmuna sneven;
Die met geweld Gods land en daken
Zich wilden ter bezitting maken.

8. Maak dat dit volk geen rustplaats vind';
Verstrooi hen door een wervelwind
Als stoppels, door een storm gedreven,
Als wouden, 't vuur ter prooi gegeven,
Als bergen, in wier ingewanden
Ontstoken pik en zwavel branden.

9. Vervolg ze dus van oord tot oord,
En drijf ze met Uw onweer voort.
Verschrik hen met Uw dwarrelwinden.
Zodat zij rust noch schuilplaats vinden.
Doe hen, o HEER', vol schande vlieden,
Opdat z' Uw Naam eens hulde bieden.

10. Beschaam, verschrik hen eeuwiglijk;
Dat ieder schaamrood rugwaarts wijk'.
Verniel hun heiren; doe hen weten,
Dat Gij alleen de HEER' moogt heten;
Die grote Naam van 't hoogste Wezen.
Doe 't wereldrond eerbiedig vrezen.

1. Wil toch niet langer zwijgen, Heer,
Wil zo stille niet wezen meer,
Houd U niet zo gans zonder spreken;
Want zaam woeden al Uw vijanden,
Razende maken zij te schande,
En 't hoofd stoutelijk zij opsteken.

2. Zij raadslagen met listen kwaad,
Tegen 't volk, Heer, dat op U staat;
Over dien bruiken zij haar krachten,
Die vrijmoediglijk zonder zorgen
Onder U willen zijn verborgen;
Veel loze vonden zij betrachten.

3. Zij spreken: Laat nu zijn voortaan
Dit volk omgebracht en verdaan,
Dat het geen volk meer zij zo krachtig;
Dat niet genaamd zij in eerwaarde
De naam Israëls op de aarde;
Dat men dies niet meer zij gedachtig.

4. Tegen U maken zij een bond,
En binden hen t' zaam nu terstond,
Edom en de Ismaëlieten,
Moabs en ook Hagars geslachte,
De Gebalieten groot van machte,
Zijn U tegen met d' Ammonieten.

5. Palestina, Amelek rijk,
En die van Tyrus al gelijk,
Bruiken haar verstand en haar krachten;
De Assyriërs hoog verheven,
Hulp en onderstand zij t' zaam geven
Den kind'ren Lots, die U verachten.

6. Doe hen zo Gij deedt Midian,
Dat harer geen kome daarvan;
Zo Gij tot Kison aan de beken
Jabin en Sisera hoogmoedig
Versloegt; daar ook 't volk overvloedig
Als drek in Endor bleef versteken.

7. Haren oversten Vorsten doet
Als Oreb en Zeëb onvroed,
Dat Zeba Tsalmuna geschiedde;
Die daar zeiden met hoogmoed prachtig,
Dat ze zouden 't huis Gods almachtig
Innemen tot haren gebiede.

8. Maak z' ongestadig als een rad,
En als dat stof der aarde plat,
Omhoge van den wind gedreven;
Zo de vuurvlammen 't hout verbranden,
En de bergen maken te schanden,
Hoe hoog ook dat ze zijn verheven.

9. Vervolg ze zo met groot tempeest,
Door onweder maak ze bevreesd,
Wil ze hier en daar met angst jagen;
Haar aangezichten wil beschamen,
Opdat ze met handen te zamen
In ootmoed naar U, o Heer, vragen.

10. Laat ze beschaamd zijn en verbaasd,
Verschrik z' en breng z' om met der haast;
Dat zij mogen verstaan en gronden,
Dat Gij een Heere zijt allene,
De Allerhoogst' en anders gene
In de wereld kan zijn bevonden.

1. Zwijg niet, o God, verhef uw woord,
laat niet de vijand ongestoord
uw erfdeel en uw naam vervloeken.
Zult Gij niet met uw toorn bezoeken
uw haters, die zich hoog verheffen,
om hen met smaad en daad te treffen?

2. De lagen, voor uw volk gelegd,
ze zijn een aanslag op het recht,
men staat uw natie naar het leven.
O Heer, zult Gij hen niet begeven!
Men wil uw volk ten dode doemen,
niemand mag zelfs zijn naam meer noemen.

3. Al wat zich tot geweld verbindt
is opgestaan om eensgezind
uw naam, Heer, uit het land te weren.
De knechten en de grote heren
hebben met haat uw volk omgeven,
hoewel zij van uw goedheid leven.

4. Sla hen terneer als in de tijd
dat Gideon uittoog ten strijd,
toen vorsten talloos U bestreden,
want in de woonplaats van uw vrede
wil men de oorlogsfakkel zwaaien.
Heer, laat hun haan geen koning kraaien.

5. Maak hen, mijn God, als waaiend kaf
en schroei hen van de hoogten af!
Laat vuur en wind hen achtervolgen.
Sla hen, o Heer, zozeer verbolgen
dat zij, door uw tempeest geslagen,
in 't stof vernederd naar U vragen.

6. Ja, laten zij van stonde aan
met heel hun macht te gronde gaan,
opdat zij eens voor altijd weten
dat Gij in hoogheid zijt gezeten,
en dat Gij, Allerhoogste, Here,
regeert en eeuwig zult regeren.

1. Houd U niet stil, zwijg niet, o God.
Aanschouw niet werkeloos ons lot.
De vijand tiert, hij wil ons treffen.
Zie, hoe uw haters zich verheffen,
met valse list uw volk verraden
en uw beschermelingen smaden.

2. Zij zeggen: Sla dat volk toch neer,
gun Israël geen leven meer,
die naam zelfs moet vergeten worden.
Verzameld zijn hun wrede horden,
eenparig in verbond getreden
om tegen U hun plan te smeden.

3. Bij Edom sluit zich Moab aan,
door Hagars kindren bijgestaan
met Ammon en de Filistijnen.
Uit Tyrus komt ook hulp verschijnen.
Lots zonen en hun bondgenoten
zien Assur zelfs hun macht vergroten.

4. Sla hen, zoals Midjan weleer,
als Sisera en Jabin neer,
wier mannen bij de Kison lagen,
in Endors veld geheel verslagen.
Doe hen die thans uw land verderven,
als Zebach en Salmuna sterven.

5. Mijn God, verjaag hen door uw straf,
zoals de wind speelt met het kaf.
Gelijk een vuur, bij storm ontstoken,
het woud verteert, de berg doet roken,
wil zo, o Here, zeer verbolgen,
hen met uw wervelwind vervolgen.

6. Bedek met schaamrood hun gelaat.
Maak dat hun macht te gronde gaat.
Verschrik hen zo, dat zij U eren
en weten wat uw naam is: Here,
zoals U zelf Zich openbaarde:
de allerhoogste Heer der aarde.