Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Hoe breng je de liefde voor de oude psalmen het beste over? Door ze in de taal van nu te laten zingen! Psalmen worden zo herontdekt. Lees meer »

Ds. A. van der Veer | Christelijke Gereformeerde Kerk te Zwolle

Ds. A. van der Veer
Christelijke Gereformeerde Kerk te Zwolle

Lees alle quotes

Psalm 88

De nieuwe psalmberijming

1. Ik schreeuw het uit, ik roep U, HEER!
Mijn redder, geef een levensteken!
Mijn dagen vullen zich met smeken;
ik leg mij 's nachts stil voor U neer.
Ellendig is mijn hele leven;
ik ben ten dode opgeschreven.

2. Alsof mijn eind gekomen is,
zo moe ben ik, compleet versleten.
Ik lijk gesneuveld en vergeten,
verkild in diepe duisternis.
U beukt op mij met hoge golven;
uw boosheid heeft mijn ziel bedolven.

3. Ik dacht dat ik nog vrienden had,
maar iedereen heeft mij verstoten.
Ik zit in doodsangst opgesloten;
mijn oog is dof, mijn geest is mat.
HEER, radeloos roep ik naar boven.
Een dode kan U toch niet loven?

4. Prijst iemand U vanuit het graf?
Spreken de doden van uw daden?
Ervaart het duister uw genade?
Wie weet daar van uw liefde af?
Ik leef nog, HEER, ik kan nog smeken
en nu kunt U nog tot mij spreken.

5. Waarom, o HEER, verstoot U mij?
Ik roep en zoek U elke morgen,
maar U houdt zich voor mij verborgen.
Ik ben verzwakt, de dood nabij.
U stelt mij sinds mijn kinderjaren
voortdurend bloot aan doodsgevaren.

6. Ik krimp onder uw toorn ineen.
Wanhopig dreig ik weg te zinken.
Uw onheil laat mij haast verdrinken,
sluit zich als water om mij heen.
U bant mijn vrienden uit mijn leven.
Ik ben door duisternis omgeven.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Ik schreeuw het uit, ik roep U, HEER!
Mijn redder, geef een levensteken!
Mijn dagen vullen zich met smeken;
ik leg mij 's nachts stil voor U neer.
Ellendig is mijn hele leven;
ik ben ten dode opgeschreven.

2. Alsof mijn eind gekomen is,
zo moe ben ik, compleet versleten.
Ik lijk gesneuveld en vergeten,
verkild in diepe duisternis.
U beukt op mij met hoge golven;
uw boosheid heeft mijn ziel bedolven.

3. Ik dacht dat ik nog vrienden had,
maar iedereen heeft mij verstoten.
Ik zit in doodsangst opgesloten;
mijn oog is dof, mijn geest is mat.
HEER, radeloos roep ik naar boven.
Een dode kan U toch niet loven?

4. Prijst iemand U vanuit het graf?
Spreken de doden van uw daden?
Ervaart het duister uw genade?
Wie weet daar van uw liefde af?
Ik leef nog, HEER, ik kan nog smeken
en nu kunt U nog tot mij spreken.

5. Waarom, o HEER, verstoot U mij?
Ik roep en zoek U elke morgen,
maar U houdt zich voor mij verborgen.
Ik ben verzwakt, de dood nabij.
U stelt mij sinds mijn kinderjaren
voortdurend bloot aan doodsgevaren.

6. Ik krimp onder uw toorn ineen.
Wanhopig dreig ik weg te zinken.
Uw onheil laat mij haast verdrinken,
sluit zich als water om mij heen.
U bant mijn vrienden uit mijn leven.
Ik ben door duisternis omgeven.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. O God mijns heils, mijn toeverlaat,
Tot U hef ik mijn droeve klachten;
Ik roep, bij dagen en bij nachten,
Tot U in mijnen jammerstaat.
Ik nader biddend: wil mij horen
En neig tot mijn geschrei Uw oren.

2. Mijn ziel, der tegenheden zat,
Wordt moedeloos, wil mij begeven.
Het einde nadert van mijn leven;
'k Ben krachteloos en afgemat;
Ik ben, door overmaat van kwalen,
Als zij, die reeds ten grave dalen.

3. 'k Ben afgezonderd bij den hoop
Der doden, die, ter neer geslagen,
In 't bloeien van hun blijde dagen
Gestuit in hunne levensloop,
Met aard' bedekt, van elk vertreden,
Door Uwe hand zijn afgesneden.

4. Gij hebt mij in den kuil gelegd,
ln diept', in duisternis gesloten;
Uw grimmigheid heeft mij verstoten,
Mij neergedrukt, mij troost ontzegd.
Gij doet op mij Uw oordeel komen,
Als onweerstaanb're waterstromen.

5. Ik derf mijn vrienden, tot mijn straf;
Zij zijn vervreemd van mededogen;
Ik ben een gruwel in hun ogen,
Gij wendt hen allen van mij af.
Een bange kerker doet mij zuchten;
Ik kan de banden niet ontvluchten.

6. Mijn ogen treuren om mijn leed,
Om al mijn angst, om al mijn lijden;
O HEER', wil mij van straf bevrijden;
Ach, toon U tot mijn hulp gereed;
'k Smeek dag aan dag om Uw ontferming;
Leen mij de hand tot mijn bescherming!

7. Zult Gij aan doden wond'ren doen?
Zult G' overleed'nen doen verrijzen,
Om hier Uw groten Naam te prijzen?
Zal 't graf Uw wijzen raad bevroen,
Zal daar Uw goedheid zich verspreiden,
Zal 't woest verderf Uw trouw verbreiden?

8. Wie zal Uw wond'ren, Uw beleid,
Ooit in de duisternis vertellen?
Wie ooit Uw recht in 't daglicht stellen
Ter plaatse der vergetelheid?
Maar ik, eer d' uchtend aan komt breken,
Zal U, o HEER', om bijstand smeken.

9. Waarom is 't, dat Gij mij verstoot,
Waarom verbergt G' Uw gunstrijk' ogen?
'k Was van der jeugd af neergebogen,
Bedrukt, en worst'lend met den dood.
Ik moet vol angst Uw gramschap dragen,
'k Ben twijfelmoedig en verslagen.

10. 'k Ben met verschrikking aangedaan;
Mijn moed verflauwt; mijn leden beven;
Uw dierb're gunst heeft mij begeven ;
De vlam Uws toorns doet mij vergaan.
'k Moet dag aan dag met duizend rampen,
Als met het woen der golven, kampen.

11. Gij hebt en metgezel en vrind,
Van mij verwijderd in mijn lijden,
Zodat mijn ziel, hoe z' ook moet strijden,
Bij niemand heul of bijstand vindt;
'k Zoek hen vergeefs, 'k moet eenzaam wenen;
Al mijn bekenden zijn verdwenen.

1. Heer, Die mij dus lang hebt behoed,
Ik roep altijd met groot verlangen;
Laat tot U komen, wil ontvangen
Mijn gebed, uit genade goed;
Wil vriendelijk neigen Uw oren,
En mijn gestadig klagen horen.

2. Want mijn ziel is vol angst en nood,
Ter helle is gedaald mijn leven.
Ik mag met hen wel zijn geschreven,
Die t' ondergaan door lijden groot.
Men mag mij hem wel gelijk achten,
Die hulpeloos is zonder krachten.

3. Ik ben onder de doden al
Versteken en ook gans verlaten,
Als een, die vermoord is op straten,
Dien men zeer haast begraven zal;
Want Gij gedenkt mijner niet, Heere!
Uw hand hebt Gij afgekeerd zere.

4. Gij werpt mij diep in den afgrond,
Die duister en diep is, met zuchten.
Uw gramschap, die zeer is te vruchten,
Drukt mij zeer hard tot dezer stond;
Gij overvalt mij met de roeden,
En met toorn als met watervloeden.

5. Mijnen vrienden ben ik gemaakt
Vreemd en veracht, ja een afgrijzen;
Met vingeren naar mij zij wijzen,
Ik ben overvallen gaar naakt;
Alle midd'len zijn mij benomen,
Uit de banden kan ik niet komen.

6. Door 't kruis is mijn gezicht ontsteld;
Ik bid U daag'lijks, Heer almachtig,
En strek uit steeds mijn handen klachtig,
Wanneer toont Gij eens Uw geweld?
Wanneer zullen wij toch aanmerken,
Die schier dood zijn, Uw wonderwerken?

7. Zullen de doden hervoort gaan,
En Uw wonderdaden vermonden?
En Uwe goedheid niet om gronden,
In hare graven doen vermaan?
Zullen zij van Uw waarheid spreken,
Die dood zijnde nog in 't graf steken?

8. Worden Uwe wond'ren bedacht
In 't duister, daar men niets kan weten?
Zal men, daar all' ding wordt vergeten,
Op Uw gerecht'heid hebben acht?
Nochtans bid ik U, Heer, gestadig
Van 's morgens vroeg: wees mij genadig!

9. Waarom o Heer, verstoot Gij mij?
Waarom is Uw aanzicht verborgen?
Van der jongheid ben ik vol zorgen,
Duizendvoud beangst, zeer onvrij;
Ik ben door schrikken gans verslagen,
Benauwd, vol vreze met versagen.

10. Uwe gramschap over mij gaat,
Uwe verschrikkingen mij drukken;
Waterstromen mij gans wegrukken
In dezen zeer benauwden staat.
Alles wat mij angst kan toebringen,
Wil mij nu al meteen omringen.

11. Gij hebt van mij gedaan zeer wijd
Mijn beste vrienden al metene;
Mijn secreetste vrienden gemene
Zijn wijd van mij in dezen strijd;
In al mijne zware ellenden,
Van mij wijken zij, die mij kenden.

1. Heer, die mijn heil, mijn helper zijt,
des daags roep ik om mededogen,
des nachts leg ik mij voor uw ogen.
Hoor naar mijn stem die tot U schreit.
Laat mijn gebed voor U verschijnen
en niet in duisternis verdwijnen.

2. Want alles keert zich tegen mij.
Ik zwerf al door de vale streken,
waar 't leven bijna is geweken.
Men zegt: "Het is met hem voorbij,
weldra zal hij ten grave dalen".
Ik ben een man wiens krachten falen.

3. Men legt mijn lichaam aanstonds af
bij de verslagenen, bij allen
die aan de dood zijn toegevallen
en naamloos liggen in het graf.
Voor U, o Heer, zijn zij verleden.
Zij zijn van uw hand afgesneden.

4. Gij werpt mij in de afgrond neer,
in duisternis, in barre vloeden.
Gij geeft mij over aan het woeden
van alle elementen, Heer.
Uw grimmigheid heeft mij bedolven.
Ik word verbrijzeld door uw golven.

5. Walging bevangt al wie mij kent.
Mijn vrienden hebben mij begeven.
Gij hebt mij in het nauw gedreven,
uw aangezicht van mij gewend.
Ik roep U steeds, mijn ogen branden.
Ik strek tot U mijn beide handen.

6. Doet Gij aan doden wondren, Heer?
Staan schimmen op om U te prijzen?
Vermeldt het graf uw gunstbewijzen?
Geeft het uw wonderwerken weer?
Herkent men in dat eindloos duister
uw trouw, gerechtigheid en luister?

7. Maar ik, mijn God, ik roep U aan.
Mijn bede zoekt U ied're morgen.
Waarom houdt Gij U, Heer, verborgen
en stoot Gij mij bij U vandaan?
Van jongsaf metterdood geslagen
moet ik gekweld uw gramschap dragen.

8. Uw toorngloed overweldigt mij,
uw schrikgerichten doen mij beven,
als water staan zij mij naar 't leven.
Mijn vrienden gaan aan mij voorbij,
Gij doet mij al hun troost ontberen
en met de duisternis verkeren.

1. Heer, die mijn heil, mijn helper zijt,
des daags roep ik om mededogen,
des nachts leg ik mij voor uw ogen.
Hoor naar mijn stem die tot U schreit.
Laat mijn gebed voor U verschijnen
en niet in duisternis verdwijnen.

2. Want alles keert zich tegen mij.
Ik zwerf al door de vale streken,
waar 't leven bijna is geweken.
Men zegt: "Het is met hem voorbij,
weldra zal hij ten grave dalen".
Ik ben een man wiens krachten falen.

3. Men legt mijn lichaam aanstonds af
bij de verslagenen, bij allen
die aan de dood zijn toegevallen
en naamloos liggen in het graf.
Voor U, o Heer, zijn zij verleden.
Zij zijn van uw hand afgesneden.

4. Gij werpt mij in de afgrond neer,
in duisternis, in barre vloeden.
Gij geeft mij over aan het woeden
van alle elementen, Heer.
Uw grimmigheid heeft mij bedolven.
Ik word verbrijzeld door uw golven.

5. Walging bevangt al wie mij kent.
Mijn vrienden hebben mij begeven.
Gij hebt mij in het nauw gedreven,
uw aangezicht van mij gewend.
Ik roep U steeds, mijn ogen branden.
Ik strek tot U mijn beide handen.

6. Doet Gij aan doden wondren, Heer?
Staan schimmen op om U te prijzen?
Vermeldt het graf uw gunstbewijzen?
Geeft het uw wonderwerken weer?
Herkent men in dat eindloos duister
uw trouw, gerechtigheid en luister?

7. Maar ik, mijn God, ik roep U aan.
Mijn bede zoekt U ied're morgen.
Waarom houdt Gij U, Heer, verborgen
en stoot Gij mij bij U vandaan?
Van jongsaf metterdood geslagen
moet ik gekweld uw gramschap dragen.

8. Uw toorngloed overweldigt mij,
uw schrikgerichten doen mij beven,
als water staan zij mij naar 't leven.
Mijn vrienden gaan aan mij voorbij,
Gij doet mij al hun troost ontberen
en met de duisternis verkeren.