Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De Geneefse Psalmen liggen me na aan het hart, maar de huidige vertaling uit het Gereformeerd Kerkboek is sterk verouderd. Soms is dat niet erg, want herkenbaarheid is voor ouderen erg belangrijk. Maar vanaf de kansel zie ik jongeren en masse hun mond houden; ze weten niet meer wat ze zingen. Lees meer »

Matthijs van der Welle| Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Matthijs van der Welle
Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Lees alle quotes

Psalm 89

De nieuwe psalmberijming

1. Ik wil uw liefde, HEER, bezingen voor altijd
en van uw trouw getuigen tot in eeuwigheid.
U heeft uw dienaar David liefdevol gezworen: 
‘Wij sluiten een verbond, Ik heb jou uitverkoren.
Mijn goedheid blijft in stand: je kunt erop vertrouwen
dat Ik op jou voorgoed mijn koninkrijk zal bouwen.’

2. Het loflied op uw werk weerklinkt de hemel door.
Het leger engelen bezingt uw trouw in koor.
Want wie van hen daarboven kan zich met U meten?
Wie kan behalve U ‘Heer van de goden’ heten? 
Uw macht is zo bekend bij alle hemelingen
dat zij met diep ontzag uw koningstroon omringen.

3. U bent almachtig, HEER, God van het hemelrijk.
Wie is zo trouw als U, wie is aan U gelijk?
De zee gehoorzaamt U wanneer de golven stijgen:
het woeste water wijkt, de stormen moeten zwijgen.
Het monster in de zee is door uw vuist verdreven.
Uw vijand zag uw kracht en vluchtte voor zijn leven.

4. Hemel en aarde zijn van U, met al wat leeft.
U bent het die de wereld vast verankerd heeft. 
U schiep het warme zuiden en het koude noorden.
De bergen prijzen U, zij juichen zonder woorden.
Uw arm is krachtig en uw rechterhand verheven.
Door liefde en door waarheid is uw troon omgeven.

5. Gelukkig is het volk dat uw bazuin herkent.
Zij juichen voor uw naam omdat U bij hen bent.
Zij wandelen met U; uw licht beschijnt hun ogen.
U geeft hun nieuwe kracht, U zult hen weer verhogen.
Zij hebben U als schild, aan hen geeft U de zege.
Hun koning hebben zij van U, hun HEER, gekregen.

6. Dit heeft U ons eens in een visioen verteld:
‘Ik kies een dienaar uit: een jonge, sterke held.
Hem, David, zal ik zalven en slagvaardig maken.
Geen vijand wint van hem: Ik zal hem trouw bewaken.
Wie hem met kwaad en onrechtvaardigheid belagen
zal Ik, terwijl hij kijkt, met eigen hand verjagen.’

7. ‘Ik zal er voor hem zijn, Ik steun hem met mijn trouw.
Zijn aanzien wordt vergroot omdat Ik van hem hou.
Hij heerst van west tot oost, Ik maak hem wereldleider.
‘God,’ zegt hij dan, ‘U bent mijn vader, mijn bevrijder’.
Ik noem hem oudste zoon en deel met hem mijn woning.
Ik geef hem alle macht, hij wordt de hoogste koning.’

8. ‘Zielsveel hou ik van hem, daar komt geen einde aan.
De trouw die Ik beloofde, blijft altijd bestaan.
Zolang de hemel duurt mag hij mijn volk regeren.
Maar als zijn zonen mij brutaal de rug toekeren,
mijn wet niet onderhouden en zich niet gedragen,
bestraf Ik hen met niet te tellen tegenslagen.’

9. ‘Mijn trouw neem Ik niet weg, mijn liefde neemt nooit af.
Ik handhaaf mijn verbond, mijn woord dat Ik hem gaf.
Omdat Ik heilig ben, zal Ik de waarheid spreken;
Ik kan en zal mijn eed aan David niet verbreken.
Zijn nageslacht regeert zolang de zon zal schijnen;
Ik zorg voor hem; nooit zal zijn koninkrijk verdwijnen.’

10. Toch hebt U hem verstoten, uw gezalfde zoon.
Boos brak U uw verbond, U trapte op zijn kroon.
Zijn stad sloeg U aan puin, U sloopte al zijn muren.
Hij kreeg een overvloed aan onheil te verduren:
hij werd beroofd door mensen die hem tegenkwamen.
De volken uit de omtrek spanden spottend samen.

11. U stond hem zelfs in oorlogstijd niet langer bij.
Zijn zwaard was afgestompt – wat was de vijand blij!
U bent niet hem, maar zijn rivaal te hulp geschoten.
Ontluisterend hebt U hem van zijn troon gestoten.
Zwak als een oude man moest hij, terneergeslagen,
van vijand en van vriend vernedering verdragen.

12. Hoe lang nog, HEER, verbergt U zich en blijft U boos?
Stopt het dan nooit? Uw woede lijkt wel eindeloos!
Denk toch aan mij, aan wie U adem hebt gegeven.
Kom, wacht niet langer, HEER, mijn leven duurt maar even.
Geen enkel mens is er die van het graf kan winnen;
wij, stervelingen, gaan het dodenrijk snel binnen.

13. Waar is uw liefde, waar uw goedheid van weleer?
Waar blijft uw trouw die U aan ons beloofd had, HEER?
U weet hoe volken ons met schande overladen,
hoe zij bij elke voetstap uw gezalfde smaden.
Toch zullen wij de HEER voor altijd dank bewijzen
en Hem instemmend met ons ‘amen, amen’ prijzen.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Ik wil uw liefde, HEER, bezingen voor altijd
en van uw trouw getuigen tot in eeuwigheid.
U heeft uw dienaar David liefdevol gezworen: 
‘Wij sluiten een verbond, Ik heb jou uitverkoren.
Mijn goedheid blijft in stand: je kunt erop vertrouwen
dat Ik op jou voorgoed mijn koninkrijk zal bouwen.’

2. Het loflied op uw werk weerklinkt de hemel door.
Het leger engelen bezingt uw trouw in koor.
Want wie van hen daarboven kan zich met U meten?
Wie kan behalve U ‘Heer van de goden’ heten? 
Uw macht is zo bekend bij alle hemelingen
dat zij met diep ontzag uw koningstroon omringen.

3. U bent almachtig, HEER, God van het hemelrijk.
Wie is zo trouw als U, wie is aan U gelijk?
De zee gehoorzaamt U wanneer de golven stijgen:
het woeste water wijkt, de stormen moeten zwijgen.
Het monster in de zee is door uw vuist verdreven.
Uw vijand zag uw kracht en vluchtte voor zijn leven.

4. Hemel en aarde zijn van U, met al wat leeft.
U bent het die de wereld vast verankerd heeft. 
U schiep het warme zuiden en het koude noorden.
De bergen prijzen U, zij juichen zonder woorden.
Uw arm is krachtig en uw rechterhand verheven.
Door liefde en door waarheid is uw troon omgeven.

5. Gelukkig is het volk dat uw bazuin herkent.
Zij juichen voor uw naam omdat U bij hen bent.
Zij wandelen met U; uw licht beschijnt hun ogen.
U geeft hun nieuwe kracht, U zult hen weer verhogen.
Zij hebben U als schild, aan hen geeft U de zege.
Hun koning hebben zij van U, hun HEER, gekregen.

6. Dit heeft U ons eens in een visioen verteld:
‘Ik kies een dienaar uit: een jonge, sterke held.
Hem, David, zal ik zalven en slagvaardig maken.
Geen vijand wint van hem: Ik zal hem trouw bewaken.
Wie hem met kwaad en onrechtvaardigheid belagen
zal Ik, terwijl hij kijkt, met eigen hand verjagen.’

7. ‘Ik zal er voor hem zijn, Ik steun hem met mijn trouw.
Zijn aanzien wordt vergroot omdat Ik van hem hou.
Hij heerst van west tot oost, Ik maak hem wereldleider.
‘God,’ zegt hij dan, ‘U bent mijn vader, mijn bevrijder’.
Ik noem hem oudste zoon en deel met hem mijn woning.
Ik geef hem alle macht, hij wordt de hoogste koning.’

8. ‘Zielsveel hou ik van hem, daar komt geen einde aan.
De trouw die Ik beloofde, blijft altijd bestaan.
Zolang de hemel duurt mag hij mijn volk regeren.
Maar als zijn zonen mij brutaal de rug toekeren,
mijn wet niet onderhouden en zich niet gedragen,
bestraf Ik hen met niet te tellen tegenslagen.’

9. ‘Mijn trouw neem Ik niet weg, mijn liefde neemt nooit af.
Ik handhaaf mijn verbond, mijn woord dat Ik hem gaf.
Omdat Ik heilig ben, zal Ik de waarheid spreken;
Ik kan en zal mijn eed aan David niet verbreken.
Zijn nageslacht regeert zolang de zon zal schijnen;
Ik zorg voor hem; nooit zal zijn koninkrijk verdwijnen.’

10. Toch hebt U hem verstoten, uw gezalfde zoon.
Boos brak U uw verbond, U trapte op zijn kroon.
Zijn stad sloeg U aan puin, U sloopte al zijn muren.
Hij kreeg een overvloed aan onheil te verduren:
hij werd beroofd door mensen die hem tegenkwamen.
De volken uit de omtrek spanden spottend samen.

11. U stond hem zelfs in oorlogstijd niet langer bij.
Zijn zwaard was afgestompt – wat was de vijand blij!
U bent niet hem, maar zijn rivaal te hulp geschoten.
Ontluisterend hebt U hem van zijn troon gestoten.
Zwak als een oude man moest hij, terneergeslagen,
van vijand en van vriend vernedering verdragen.

12. Hoe lang nog, HEER, verbergt U zich en blijft U boos?
Stopt het dan nooit? Uw woede lijkt wel eindeloos!
Denk toch aan mij, aan wie U adem hebt gegeven.
Kom, wacht niet langer, HEER, mijn leven duurt maar even.
Geen enkel mens is er die van het graf kan winnen;
wij, stervelingen, gaan het dodenrijk snel binnen.

13. Waar is uw liefde, waar uw goedheid van weleer?
Waar blijft uw trouw die U aan ons beloofd had, HEER?
U weet hoe volken ons met schande overladen,
hoe zij bij elke voetstap uw gezalfde smaden.
Toch zullen wij de HEER voor altijd dank bewijzen
en Hem instemmend met ons ‘amen, amen’ prijzen.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. 'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheen;
Uw waarheid t' allen tijd, vermelden door mijn reen.
Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken.

2. "Ik heb", dit was Uw taal, "een vast verbond gemaakt
Met Mijnen gunsteling, dien steeds Mijn oog bewaakt.
Ik heb aan Mijnen knecht, aan Mijnen uitverkoren',
Aan David in Mijn gunst, met enen eed gezworen:
Ik zal van kind tot kind, tot aan het eind der dagen,
Uw zaad bevestigen, en uwen rijkstroon schragen."

3. De hemel looft, o HEER', Uw wond'ren dag en nacht,
Uw waarheid wordt op aard' de glorie toegebracht;
Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;
Want wie is U gelijk bij al de hemellingen?
En, welke vorsten ooit het aard'rijk moog' bevatten,
Wie hunner is, o HEER', met U gelijk te schatten?

4. God is op 't hoogst geducht in Zijner heil'gen raad'
En vrees'lijk boven 't heir, dat om Zijn rijkstroon staat.
Wie is als Gij, o HEER', o God der legerscharen,
Wie is aan U gelijk? Wie kan U evenaren ?
Grootmachtig zijt G' , o HEER', ja eind'loos in vermogen,
Uw onverbreekb're trouw omringt U voor elks ogen.

5. Gij temt de woeste zee, zij luistert naar Uw wil;
Hoe hoog zij zich verheff', Gij wenkt en zij is stil.
Gans Rahab is door U verbrijzeld, gans verslagen;
Uw vijand is verstrooid, Uw arm heeft roem gedragen.
En aard', en hemel, en wat leeft of ooit zal leven,
Zijn d' Uwe; 't gans heelal hebt Gij 't bestaan gegeven.

6. Gij schiept het barre noord' en 't zoele zuiden saam;
Ginds juicht een Thabor, hier een Hermon in Uw Naam.
Gij hebt een arm met macht, Uw hand heeft groot vermogen,
Uw Rechterhand is hoog; Uw troon blijft onbewogen,
Van recht en van gericht zijn vasten steun ontlenen;
En waarheid en gena gaan voor Uw aanschijn henen.

7. Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!
Zij wand'len, HEER', in 't licht van 't Godd'lijk Aanschijn voort;
Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden;
Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in 't lijden,
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,
Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.

8. Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht;
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen,
Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.

9. Gij hebt weleer van hem, dien Gij geheiligd hadt,
Gezegd in een gezicht, dat zoveel troost bevat:
"Ik heb bij enen held voor Isrel hulp beschoren,
Hem uit het volk verhoogd; hem had Ik uitverkoren;
'k Heb David, Mijnen knecht, Mijn gunsteling gevonden
En hem met heil'ge zalf aan Mij en 't rijk verbonden."

10. "Mijn hand zal, hoe 't ook ga, hem sterken dag en nacht;
Mijn arm zal hem in nood voorzien van moed en kracht;
De vijand zal hem nooit door wreev'le handelingen,
Door list, of hels bedrog in uiterst' engten dringen;
Den booswicht zal 't geweld nooit tegen hem gelukken,
Noch in- noch uitlands vorst zijn zetel onderdrukken."

11. "Ik zal integendeel, al wie hem wederstaat
Verplett'ren voor zijn oog, en plagen, wie hem haat.
Mijn trouw zal met hem zijn, Mijn goedheid hem geleiden,
Zijn macht zal in Mijn Naam zich over d' aard' verspreiden;
Zijn hand de grote zee, zijn schepter de rivieren,
Door Mijn geducht bestel, met roem en eer bestieren."

12. "Gij," zal hij zeggen, "zijt mijn Vader en mijn God,
De rotssteen van mijn heil" "'k Zal hem ook stellen tot
Een eerstgeboren zoon, door al zijn broeders t' eren.
Als koning zal hij zelf de koningen regeren;
Mijn goedertierenheid zijn rijkstroon eeuwig stijven,
En Mijn gemaakt verbond met hem bestendig blijven."

13. "Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad,
Zolang de hemel zelf op vaste pijlers staat.
Maar zo zijn kinders ooit Mijn zuiv're wet verlaten,
Zo 't richtsnoer van Mijn recht ter reeg'ling niet kan baten,
Zo zij ontheiligen, wat Ik heb voorgeschreven,
Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven!"

14. "Dan zal Ik hen, die dwaas of wreev'Iig overtreen,
Bezoeken met de roe en bitt're tegenheen;
Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden.
Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden.
'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken,
't Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken."

15. "'k Heb eens gezworen bij Mijn eigen heiligheid;
Zo Ik aan David lieg', zo hem Mijn woord misleid';
Zijn zaad zal eeuwig zijn; zijn troon zal heerlijk pralen,
Zo duurzaam als de zon, zo glansrijk als haar stralen;
Bevestigd als de maan; en aan des hemels bogen,
Staat Mijn getuige trouw te schitt'ren in elks ogen."

16. Maar ach, mijn God, waar blijkt Uw trouw nu, waar Uw eer?
Gij stoot en werpt, vergramd, thans uw Gezalfde neer.
Gij schijnt niet van 't verbond met Uwen knecht te weten,
Zijn kroon, ontheiligd, ligt ter aarde neergesmeten;
Zijn sterke muren zijn door 's vijands macht verbroken,
Zijn vestingen verwoest en in het stof gedoken.

17. Hij is door elk beroofd, den nabuur tot een smaad.
Gij hebt de rechterhand verhoogd van die hem haat;
Gij deedt den vijand in zijn rampspoed zich verblijden;
Zijn zwaard ligt om, 't is stomp, en nutteloos in 't strijden;
Gij doet hem, vol van schrik, van 't bloedig slagveld vluchten
En onder 's vijands juk, van U verlaten, zuchten.

18. Zijn schoonheid is vergaan; zijn troon ligt neergestort;
De dagen zijner jeugd zijn door Uw hand verkort,
Met schaamt' is hij bedekt, elk kan hem straff'loos tergen?
Hoe lang, getrouwe God, zult Gij U steeds verbergen?
Zal dan Uw grimmigheid, die niemand af kan keren,
Gelijk een brandend vuur, 't verdrukte volk verteren?

19. Gedenk, o HEER', hoe zwak ik ben, hoe kort van duur.
Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur;
Zou 't mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen?
Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen?
Wie redt zijn ziel van 't graf? Ai, help ons, als tevoren,
Gelijk Gij bij Uw trouw aan David hebt gezworen.

20. Gedenk den smaad, dien elk van Uwe knechten lijdt,
Waarmee elk machtig volk mijn bang gemoed doorsnijdt;
Den smaad, o HEER', waarmee Uw haters ons beladen,
Waarmede zij den gang van Uw Gezalfde smaden.
Gij immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen;
Den HEER' zij eeuwig lof en elk zegg': "Amen, Amen!"

1. Van des Heeren goedheid zal ik zingen altijd,
Zijn waarheid zal ik roemen met harte verblijd;
Want 't is openbaar dat Zijn genade zal blijven
Tot in der eeuwigheid, alzo men ziet beklijven
Den hemel, dien Hij heeft gemaakt om te bewijzen
De zekerheid Zijner waarheid, niet om volprijzen.

2. Ik hebbe, spreekt de Heer, gemaakt een vast verbond
Met David Mijnen knecht, dien Ik voor 's werelds grond
Verkoren heb en met eed' zekerlijk gezworen;
Dat voortaan zou erven 't geslacht van hem geboren,
Deze genade, dat de koninklijke krone
Zou blijven erfelijk in zijn geslachte schone.

3. D' hemelen prijzen Heer! Uw werken wonderbaar;
In Uw gemeente goed schijnt Uwe waarheid klaar.
Niemand is er zo hoog geklommen, 't heeft gebleken,
Die bij U in sterkheid kan wezen vergeleken.
Geen engelen zijn in kracht zo hoog opgerezen,
Die gelijk kunnen zijn Uwen godd'lijken Wezen.

4. In de gemeente Zijner heiligen zeer goed,
Is God sterk, ook wordt Hij gevrezet met ootmoed.
Heer der heirscharen! Gij doet buigen alle krachten,
O eeuwig God zeer sterk! wie is U gelijk t' achten?
Het is rondom en alzins vol van Uwe trouwe
En Uwer waarheid, welke U niet zal berouwen.

5. Gij heerset over 't ganse meer diep ende breed,
Zijn baren stilt Gij als zij overlopen wreed.
Gij hebt Egypte omgebracht door 't zwaard en plagen;
Uwer vijanden kracht hebt Gij ontstuks geslagen,
Hemel en aard' is Uw; Gij hebt gemaakt alleine
't Aardrijk en alles wat daarin is groot en kleine.

6. Dat noord en 't zuiden Gij geschapen hebt, o Heer!
In Uwen naam juichen Hermon en Thabor zeer.
Gij hebt enen arm sterk, krachtig zijn Uwe handen.
Uw rechterhand verhoget is in alle landen.
Uwe troon staat vast in billigheid en 't gerichte,
Genaad' en waarheid gaan voor Uwen aangezichte.

7. Welzalig is dat volk, dat hen in U verblijdt,
Dat zal voorspoedig zijn nu en tot allen tijd;
In 't licht Uwes aanschijns zullen zij gaan al t' zame
En hen verheugen in den roem van Uwen Name;
Als zij zullen wezen door Uw gerechtigheden
Versierd daag'lijks met gaven schoon en ook met vrede.

8. Zo wij sterk zijn, daarvan hebt Gij alleen de eer;
Vermogen wij ook iets, zulks alles komt, o Heer!
Van Uw goedheid, die onz' bescherming is bevonden;
Is 't dat wij benauwd zijn nu of t' eniger stonde,
Gij, o heilige God Israëls hoog verheven,
Zijt onz' Koning, tot Wien wij ons gans'lijk begeven.

9. Gij hebt voormaals, o Heer, door Uwe goedigheid,
Tot Uwen knecht door een openbaring gezeid:
Ik heb enen sterken jongeling uitverkoren,
Dien wil Ik bijstand doen, dat hij kracht mag oorboren!
Ik heb David alleen uit Mijn volk uitgelezen,
Hij zal boven all' and'ren Mij getrouwe wezen.

10. Ik hebbe hem gezalfd met heilig' olie zoet,
Onderhouden zal hem Mijn hand in tegenspoed,
In wederwaardigheid zal hem Mijn hand versterken;
Zodat zijn vijanden, door haar krachten en werken
Hem niet zullen overweldigen noch verdrukken,
Noch brengen onder voet door al haar boze stukken.

11. Maar veel meer zal Ik zijn vijanden al verslaan;
Die hem haten, zullen met veel plagen vergaan.
Mijn waarheid en goedheid zullen van hem niet wijken;
Door Mij zal zijnen hoorn verhoogd zijn desgelijken.
Hij zal over 't meer de hand met geweld uitstrekken,
Tot de rivieren zal hij zijn rechterhand rekken,

12. En zal spreken: Gij zijt mijn Vader en mijn God,
Mijn troost, mijn steenrotse, mijn burcht en mijn vast slot.
Ik wil hem nemen op tot Mijnen eersten Zone,
En boven de vorsten eren in Zijnen trone;
Mijn genade wil ik Hem eeuwiglijk bewaren,
Mijn verbond zal met Hem vast blijven en voortvaren.

13. Eeuwiglijk zal voorwaar overblijven zijn zaad;
Zijn rijke blijft zo lang als de hemel bestaat.
Zo zijn kind'ren daarna Mijn woord haast'lijk vergeten
En dat klein achten, uit hoogmoedigheid vermeten,
En niet wandelen in Mijne wetten gestadig,
Maar Mijn inzettingen ontheiligen boosdadig,

14. Ik wil bezoeken haast hare misdaden al,
Met plagen Ik die scherpelijk ook straffen zal.
Toch zal Ik Mijn goedheid van hen niet gans afwenden,
Mijn waarheid zal Ik niet laten feilen noch enden.
Ik wil gans niet afwijken van Mijnen verbonde,
Noch ook van 't woord, 't welk is gegaan uit Mijnen monde.

15. Ik heb David bij Mijn heiligheid enen eed
Gedaan, die zal niet feilen, noch Mij wezen leed,
Dat zijn zaad eeuwiglijk blijven zal overvloedig.
En zijn troon zolang als de zon en mane spoedig
Zullen schijnen zeer schoon in haar hemelse klaarheid;
't Welk tekenen zijn van Mijn bestendige waarheid.

16. Doch Gij hebt Uwen knecht verworpen nu zo gaar;
Op Uwen gezalfden zijt Gij toornig voorwaar.
Uw verbond houdt Gij nu gans'lijk van gene waarde.
Gij tredet zijn krone schier gans en gaar ter aarde.
In zijn steden breekt Gij de muren af in 't ronde;
Zijn bollewerken laat Gij raseren te gronde.

17. Hij wordt beroofd van hen, die slechts daar gaan voorbij,
Zijner naburen spot tot allen tijd is hij.
Gij hebt verhoogd en gesterkt alle zijn vijanden,
En zijn haters verblijd, die daar zoeken zijn schanden.
Gij hebt zijn zwaard gemaakt bot, dat het niet kan snijden;
Hij wordt overwonnen van hen, die hem bestrijden.

18. Zijn grote klaarheid hebt Gij nu verduisterd zeer;
Zijn koninklijke stoel heel geworpen ter neer.
De dagen zijner jeugd verkort Gij hier ter plekken,
En gaat hem met schande aan elken kant bedekken.
Hoe lang zult Gij, o Heer, van ons trekken Uw handen?
Zal 't altijd duren, dat Uw toorn als vuur zal branden?

19. Denk hoe kort mijn levenstijd zij, Heer, en ontwaak;
Zoudt Gij den mens alzo vergeefs hebben gemaakt?
Wie is hij, die ontgaat den dood niet om verstrangen?
Die ook in 't grafsgeweld hierna niet werd gevangen?
Ach! waar mag de genade des ouden tijds wezen,
Die Gij David toezeid', naar Uw waarheid geprezen?

20. Gedenk des smaads, die Uwen knechten is gedaan,
En dat ik in den schoot al den spot moet ontvaan
Veler mensen, die U, o Heer! schenden en smaden;
En ook verachten Uwes gezalfden voetpaden.
Geloofd zij God altijd met eeuwig lof en prijzen!
Het zij alzo, dies zal Hem ieg'lijk eer bewijzen.

1. Ik zal zo lang ik leef bezingen in mijn lied
des Heren milde gunst, het werk aan ons geschied.
Mijn mond verkondigt, Heer, aan komende geslachten
hoe Gij uw trouw betoont aan hen die U verwachten.
Uw goedertierenheid rijst op en gaat zich welven,
een altijd veilig huis, vast als de hemel zelve.

2. Mijn uitverkoren knecht, zo spreekt des Heren mond,
is David die Mij dient, hem gaf Ik mijn verbond,
aan hem en aan zijn huis heb Ik mijn eed gezworen,
voorgoed zal uw geslacht de heerschappij behoren.
Uw kinderen zal Ik de eeuwen door geleiden,
Ik schraag uw troon en rijk tot aan het eind der tijden.

3. Uw macht bezingen, Heer, de engelen in koor.
Het loflied van uw trouw weerklinkt de hemel door.
Geen enkel schepsel, Heer, hoe hoog in 't licht gezeten,
hoe bovenaards in glans, kan met uw macht zich meten.
Ja Gij zijt zo geducht, dat al de hemelingen
in eerbied en ontzag uw grote troon omringen.

4. Wie is van al wat leeft, o God, aan U gelijk?
Met trouw zijt Gij omgord, grootmachtig is uw rijk.
De overmoed der zee, haar trots kunt Gij vertreden,
de golven en de wind brengt uw bevel tot vrede.
Wat ooit aan vijandschap de kop heeft opgestoken
is door uw sterke arm geslagen en gebroken.

5. Hemel en aarde, Heer, 't is alles uw domein,
o grond van al wat is, wat was en ooit zal zijn.
Gij die de schepper zijt van 't noorden en het zuiden,
de Tabor roemt uw naam, de Hermon jubelt luide.
De wereld is van U, de wind en de getijden,
al wat Gij hebt gemaakt, zal zich in U verblijden.

6. Wij loven, Heer, de macht van uw verheven hand,
uw uitgestrekte arm houdt al uw werk in stand.
Gij hebt uw troon gegrond op recht en waarheid beide
als pijlers van uw heil, onwrikbaar door de tijden,
en als herauten gaan U voor op al uw schreden
uw goedheid en uw trouw, O Vorst van onze vrede.

7. Hoe zalig is het volk dat U de lofzang zingt,
dat uitbreekt in gejuich als de bazuin weerklinkt.
Uw lichtend aangezicht zal altijd hen geleiden.
Zij zullen in uw naam zich dag aan dag verblijden,
zij gaan in vrede voort, zij wand'len voor uw ogen,
want uw rechtvaardigheid zal hen voorgoed verhogen.

8. Gij, Here, die de glans van onze sterkte zijt,
geeft luister aan uw volk, en hoge heerlijkheid.
Uw welgevallen doet ons grote dingen wagen
en met geheven hoofd de kroon der ere dragen.
Gij Heil'ge Israëls, Gij zelf hebt ons ten leven
een koning naar uw wil, een schild van heil gegeven.

9. Oudtijds hebt Gij, o Heer, uw hoge plan ontvouwd,
aan mensen naar uw hart uw woorden toevertrouwd;
Met hulp heb Ik omkleed, met heil heb Ik omgeven
de koninklijke held, uit al het volk verheven,
David mijn trouwe knecht, dien Ik heb uitverkoren,
dien Ik met olie zalf, hem zal het rijk behoren.

10. Mijn hand is hem tot steun, mijn rechter arm zijn kracht.
Geen vijand valt hem aan, Ik weer der bozen macht.
Ik breek de tegenstand van allen die hem haten,
mijn goedertierenheid zal nimmer hem verlaten.
Mijn naam die hij belijdt, doet hem tot aanzien komen,
zijn hand rust op de zee, zijn kracht beheerst de stromen.

11. Hij prijst mijn hoge gunst met namen menigvoud;
Mijn Vader en mijn God, o rots van mijn behoud.
Ik antwoord hem: Mijn zoon, de vorsten zullen beven,
mijn eerstgeboren zoon, voor u, zo hoog verheven.
Voor altijd rust op hem mijn trouw, mijn welbehagen,
Ik houd het vast verbond, Ik zal zijn zetel schragen.

12. Ik heb zijn nageslacht het leven toegekend.
Zijn troon staat even vast als 't glanzend firmament.
Indien zijn zonen ooit mijn heilig recht ontwijden,
niet wand'len naar mijn wil, dan zal Ik hen kastijden.
En toch zal Davids huis mijn liefd' en trouw ervaren,
Ik houd Mij aan mijn woord, zal mijn verbond bewaren.

13. Wat Ik gezworen heb aan David, dat houdt stand,
mijn eigen heiligheid is daarvan onderpand.
Ik ben de waarheid zelf, zou Ik bedrieglijk zweren?
Zijn koninklijk geslacht leeft voort en zal regeren.
Zijn zetel wankelt niet tot aan het eind der tijden,
zo lang als zon en maan de hemelen doorschrijden.

14. En toch, en toch hebt Gij verstoten en versmaad
den koning die Gij zelf gezalfd hebt naar uw raad,
toch toornt Gij op uw knecht, hij is van U verstoken,
zijn kroon ligt in het stof, zijn sterkte is gebroken
Geen wal, geen toren weert de plunderende bende.
Het nabuurvolk bespot zijn bittere ellende.

15. Gij geeft zijn vijand vreugd, hij neemt de overhand.
Gij wendt des konings zwaard, zijn leger houdt geen stand.
Gij dooft zijn glans die eens zo stralend had geschenen,
zijn troon is neergestort, zijn heerlijkheid verdwenen.
Gij hebt zijn jeugd verkort, hem overdekt met schande.
Ja wat Gij hebt gebouwd, breekt Gij met eigen handen.

16. Hoelang, hoelang nog, Heer? Verbergt Gij U altijd?
Hoelang nog laait het vuur van uw verbolgenheid?
Zie hoe vergankelijk, hoe nietig is het leven
dat Gij het mensenkind, uw schepsel, hebt gegeven.
Wie op de aarde zal de bitt're dood niet proeven,
en welke sterveling ontkomt er aan de groeve?

17. O laat ons, Here God, niet vallen uit uw hand.
Doe ook voor ons geslacht uw oude woord gestand.
Waar is uw gunst, o God, het heil van lang geleden,
aan Davids huis verpand met goddelijke eden?
Erbarm U over ons, wil onze smaad gedenken,
de hoon waarmee ons thans de grote volken krenken.

18. Uw vijanden, o Heer, uw vijanden rondom,
hoe honen zij uw knecht, o God van David, kom!
Het spoor is uitgewist van uw gezalfde koning.
Herstel in heerlijkheid het land van melk en honing.
Laat Davids zoon de spot der heidenen beschamen.
Geloofd zij God de Heer voor eeuwig. Amen, amen.

1. Ik zal zo lang ik leef bezingen in mijn lied
des Heren milde gunst, het werk aan ons geschied.
Mijn mond verkondigt, Heer, aan komende geslachten
hoe Gij uw trouw betoont aan hen die U verwachten.
Uw goedertierenheid rijst op en gaat zich welven,
een altijd veilig huis, vast als de hemel zelve.

2. Mijn uitverkoren knecht, zo spreekt des Heren mond,
is David die Mij dient, hem gaf Ik mijn verbond,
aan hem en aan zijn huis heb Ik mijn eed gezworen,
voorgoed zal uw geslacht de heerschappij behoren.
Uw kinderen zal Ik de eeuwen door geleiden,
Ik schraag uw troon en rijk tot aan het eind der tijden.

3. Uw macht bezingen, Heer, de engelen in koor.
Het loflied van uw trouw weerklinkt de hemel door.
Geen enkel schepsel, Heer, hoe hoog in 't licht gezeten,
hoe bovenaards in glans, kan met uw macht zich meten.
Ja Gij zijt zo geducht, dat al de hemelingen
in eerbied en ontzag uw grote troon omringen.

4. Wie is van al wat leeft, o God, aan U gelijk?
Met trouw zijt Gij omgord, grootmachtig is uw rijk.
De overmoed der zee, haar trots kunt Gij vertreden,
de golven en de wind brengt uw bevel tot vrede.
Wat ooit aan vijandschap de kop heeft opgestoken
is door uw sterke arm geslagen en gebroken.

5. Hemel en aarde, Heer, 't is alles uw domein,
o grond van al wat is, wat was en ooit zal zijn.
Gij die de schepper zijt van 't noorden en het zuiden,
de Tabor roemt uw naam, de Hermon jubelt luide.
De wereld is van U, de wind en de getijden,
al wat Gij hebt gemaakt, zal zich in U verblijden.

6. Wij loven, Heer, de macht van uw verheven hand,
uw uitgestrekte arm houdt al uw werk in stand.
Gij hebt uw troon gegrond op recht en waarheid beide
als pijlers van uw heil, onwrikbaar door de tijden,
en als herauten gaan U voor op al uw schreden
uw goedheid en uw trouw, O Vorst van onze vrede.

7. Hoe zalig is het volk dat U de lofzang zingt,
dat uitbreekt in gejuich als de bazuin weerklinkt.
Uw lichtend aangezicht zal altijd hen geleiden.
Zij zullen in uw naam zich dag aan dag verblijden,
zij gaan in vrede voort, zij wand'len voor uw ogen,
want uw rechtvaardigheid zal hen voorgoed verhogen.

8. Gij, Here, die de glans van onze sterkte zijt,
geeft luister aan uw volk, en hoge heerlijkheid.
Uw welgevallen doet ons grote dingen wagen
en met geheven hoofd de kroon der ere dragen.
Gij Heil'ge Israëls, Gij zelf hebt ons ten leven
een koning naar uw wil, een schild van heil gegeven.

9. Oudtijds hebt Gij, o Heer, uw hoge plan ontvouwd,
aan mensen naar uw hart uw woorden toevertrouwd;
Met hulp heb Ik omkleed, met heil heb Ik omgeven
de koninklijke held, uit al het volk verheven,
David mijn trouwe knecht, dien Ik heb uitverkoren,
dien Ik met olie zalf, hem zal het rijk behoren.

10. Mijn hand is hem tot steun, mijn rechter arm zijn kracht.
Geen vijand valt hem aan, Ik weer der bozen macht.
Ik breek de tegenstand van allen die hem haten,
mijn goedertierenheid zal nimmer hem verlaten.
Mijn naam die hij belijdt, doet hem tot aanzien komen,
zijn hand rust op de zee, zijn kracht beheerst de stromen.

11. Hij prijst mijn hoge gunst met namen menigvoud;
Mijn Vader en mijn God, o rots van mijn behoud.
Ik antwoord hem: Mijn zoon, de vorsten zullen beven,
mijn eerstgeboren zoon, voor u, zo hoog verheven.
Voor altijd rust op hem mijn trouw, mijn welbehagen,
Ik houd het vast verbond, Ik zal zijn zetel schragen.

12. Ik heb zijn nageslacht het leven toegekend.
Zijn troon staat even vast als 't glanzend firmament.
Indien zijn zonen ooit mijn heilig recht ontwijden,
niet wand'len naar mijn wil, dan zal Ik hen kastijden.
En toch zal Davids huis mijn liefd' en trouw ervaren,
Ik houd Mij aan mijn woord, zal mijn verbond bewaren.

13. Wat Ik gezworen heb aan David, dat houdt stand,
mijn eigen heiligheid is daarvan onderpand.
Ik ben de waarheid zelf, zou Ik bedrieglijk zweren?
Zijn koninklijk geslacht leeft voort en zal regeren.
Zijn zetel wankelt niet tot aan het eind der tijden,
zo lang als zon en maan de hemelen doorschrijden.

14. En toch, en toch hebt Gij verstoten en versmaad
den koning die Gij zelf gezalfd hebt naar uw raad,
toch toornt Gij op uw knecht, hij is van U verstoken,
zijn kroon ligt in het stof, zijn sterkte is gebroken
Geen wal, geen toren weert de plunderende bende.
Het nabuurvolk bespot zijn bittere ellende.

15. Gij geeft zijn vijand vreugd, hij neemt de overhand.
Gij wendt des konings zwaard, zijn leger houdt geen stand.
Gij dooft zijn glans die eens zo stralend had geschenen,
zijn troon is neergestort, zijn heerlijkheid verdwenen.
Gij hebt zijn jeugd verkort, hem overdekt met schande.
Ja wat Gij hebt gebouwd, breekt Gij met eigen handen.

16. Hoelang, hoelang nog, Heer? Verbergt Gij U altijd?
Hoelang nog laait het vuur van uw verbolgenheid?
Zie hoe vergankelijk, hoe nietig is het leven
dat Gij het mensenkind, uw schepsel, hebt gegeven.
Wie op de aarde zal de bitt're dood niet proeven,
en welke sterveling ontkomt er aan de groeve?

17. O laat ons, Here God, niet vallen uit uw hand.
Doe ook voor ons geslacht uw oude woord gestand.
Waar is uw gunst, o God, het heil van lang geleden,
aan Davids huis verpand met goddelijke eden?
Erbarm U over ons, wil onze smaad gedenken,
de hoon waarmee ons thans de grote volken krenken.

18. Uw vijanden, o Heer, uw vijanden rondom,
hoe honen zij uw knecht, o God van David, kom!
Het spoor is uitgewist van uw gezalfde koning.
Herstel in heerlijkheid het land van melk en honing.
Laat Davids zoon de spot der heidenen beschamen.
Geloofd zij God de Heer voor eeuwig. Amen, amen.