Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

In onze gemeente willen we graag de psalmen blijven zingen. Het zijn prachtige liederen waarin allerlei aspecten van het leven met God bezongen worden. Helaas was de mooie inhoud soms in lastige of ouderwetse taal verstopt. De Nieuwe Psalmberijming helpt om te begrijpen wat we zingen. Lees meer »

Ds. E.C. Vreugdenhil | Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Ds. E.C. Vreugdenhil
Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Lees alle quotes

Psalm 90

De nieuwe psalmberijming

1. Wij hebben, HEER, in de voorbije jaren
uw trouwe hulp en veiligheid ervaren.
U was er voordat U de wereld baarde,
voordat er bergen waren op de aarde.
U zult er zijn zelfs tot in eeuwigheid,
want U bent God: U bent er voor altijd.

2. Dit is aan stervelingen niet gegeven.
Stof worden zij, want eindig is hun leven.
Duizenden jaren zijn reeds omgevlogen 
alsof het maar een dag was in uw ogen.
Een mensenleven is van korte duur:
een pauze in de nacht, een enkel uur.

3. Snel zal het einde van de mensen komen.
U vaagt hen weg als nachtelijke dromen.
Wij zijn als gras dat na een frisse regen
schijnbaar langdurig leven heeft gekregen.
Hoewel het welig opschiet, groeit het kort,
want door de zon is het al vlug verdord.

4. Wij kunnen niet onder uw woede leven.
Uw boosheid teistert ons en laat ons beven.
We komen om, we gaan voorgoed te gronde,
omdat U woedend bent over de zonde.
Wat wij in het geheim aan kwaad doen ligt
vol in het licht dat straalt van uw gezicht.

5. Ons leven gaat voorbij als een gedachte
en in een zucht vervliegen onze krachten.
Zeventig jaar, als we dat al bereiken,
zullen vol moeite en verdriet verstrijken; 
en zelfs al halen we de tachtig jaar, 
toch is het beste van ons leven zwaar.

6. Wie kent uw toorn, wie zou niet angstig wezen,
wie zou U niet met diepe eerbied vrezen?
Leer ons de dagen tellen van ons leven
en wil aan ons een hart vol wijsheid geven.
Kom weer bij ons, HEER, hoe lang duurt het nog?
Denk aan uw dienaren, ontferm U toch.

7. HEER, wil ons elke morgen overladen
met liefde als een teken van genade,
zodat wij ons, na lang en loodzwaar lijden,
weer met gejuich in U kunnen verblijden.
Vergoed ons onze jarenlange druk
en geef een tijd van onbezorgd geluk.

8. Laat ons, uw volk, in de nabije jaren
de diepte van uw goedheid weer ervaren. 
Toon onze kinderen uw grote daden.
HEER, onze God, bewijs ons uw genade.
Verstevig zelf het werk van onze hand.
Als U ons helpt, dan houdt het zeker stand.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Wij hebben, HEER, in de voorbije jaren
uw trouwe hulp en veiligheid ervaren.
U was er voordat U de wereld baarde,
voordat er bergen waren op de aarde.
U zult er zijn zelfs tot in eeuwigheid,
want U bent God: U bent er voor altijd.

2. Dit is aan stervelingen niet gegeven.
Stof worden zij, want eindig is hun leven.
Duizenden jaren zijn reeds omgevlogen 
alsof het maar een dag was in uw ogen.
Een mensenleven is van korte duur:
een pauze in de nacht, een enkel uur.

3. Snel zal het einde van de mensen komen.
U vaagt hen weg als nachtelijke dromen.
Wij zijn als gras dat na een frisse regen
schijnbaar langdurig leven heeft gekregen.
Hoewel het welig opschiet, groeit het kort,
want door de zon is het al vlug verdord.

4. Wij kunnen niet onder uw woede leven.
Uw boosheid teistert ons en laat ons beven.
We komen om, we gaan voorgoed te gronde,
omdat U woedend bent over de zonde.
Wat wij in het geheim aan kwaad doen ligt
vol in het licht dat straalt van uw gezicht.

5. Ons leven gaat voorbij als een gedachte
en in een zucht vervliegen onze krachten.
Zeventig jaar, als we dat al bereiken,
zullen vol moeite en verdriet verstrijken; 
en zelfs al halen we de tachtig jaar, 
toch is het beste van ons leven zwaar.

6. Wie kent uw toorn, wie zou niet angstig wezen,
wie zou U niet met diepe eerbied vrezen?
Leer ons de dagen tellen van ons leven
en wil aan ons een hart vol wijsheid geven.
Kom weer bij ons, HEER, hoe lang duurt het nog?
Denk aan uw dienaren, ontferm U toch.

7. HEER, wil ons elke morgen overladen
met liefde als een teken van genade,
zodat wij ons, na lang en loodzwaar lijden,
weer met gejuich in U kunnen verblijden.
Vergoed ons onze jarenlange druk
en geef een tijd van onbezorgd geluk.

8. Laat ons, uw volk, in de nabije jaren
de diepte van uw goedheid weer ervaren. 
Toon onze kinderen uw grote daden.
HEER, onze God, bewijs ons uw genade.
Verstevig zelf het werk van onze hand.
Als U ons helpt, dan houdt het zeker stand.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 78

Video-opname

1. Gij zijt, o HEER', van d' allervroegste jaren
Voor ons geweest een toevlucht in gevaren.
Eer berg en rots uit niet geboren waren,
Eer d' aarde rustt' op hare grondpilaren
Van eeuwigheid, o God Die eeuwig leeft,
Zijt Gij de God, Die eind noch oorsprong heeft!

2. Uw oppermacht, die wij ootmoedig eren,
Kan door een wenk den mens zijn broosheid leren.
Uw wenk alleen, al schijnt ons niets te deren,
Verbrijzelt ons, doet ons tot aarde keren!
Want in Uw oog zijn duizend jaren, HEER',
Een enk'le dag, een nachtwaak, en niets meer.

3. Gij overstroomt het mensdom; zijn vermogen
Is, als een slaap, een ijd'le droom, vervlogen.
Zij zijn als 't gras, dat 's morgens, overtogen
Met frissen dauw, in bloei staat voor elks ogen.
Maar 's avonds, als het afgesneden wordt,
Op 't open veld in weinig tijds verdort.

4. Door Uwen toorn vergaat ons kwijnend leven;
Uw gramschap doet ons hart van doodschrik beven,
O God, als Gij, in majesteit verheven,
Het onrecht, dat w' in 't openbaar bedreven,
En 't kwaad, door ons in 't heimelijk verricht,
In 't licht stelt voor Uw glansrijk aangezicht.

5. Wanneer Uw toorn en gramschap ons bezwaren,
Dan wenden, dan verdwijnen onze jaren.
Wij zien hen als gedachten, henenvaren;
Of, blijft Uw gunst ons in het leven sparen,
Dan klimmen wij ten hoogste tot den top
Van zeventig of tachtig jaren op.

6. Helaas, het best van onze beste dagen
Baart dikwijls smart, geeft dikwijls stof tot klagen;
Daar zorg, verdriet en jammerlijke plagen
Steeds, beurt om beurt, de matte ziel doorknagen.
De levensdraad wordt schielijk afgesneen;
Wij schenen sterk, en ach, wij vliegen heen.

7. Wie kent Uw toorn, wie zijn geduchte krachten?
Wie vreest dien recht geduchtste Macht der machten?
Leer ons den tijd des levens kost'lijk achten,
Opdat ons hart de wijsheid moog' betrachten.
Keer weder HEER', Uw gunst koom' ons te sta.
Hoe lang ontzegt G' Uw knechten Uw gena?

8. Uw gunst sterkt meer dan d' uitgezochtste spijzen.
Laat, met het licht, haar licht voor ons verrijzen;
Zo zal ons hart op liefelijke wijzen,
Uw goedheid, al ons ov'rig leven, prijzen.
Verblijd ons naar de maat van onzen druk,
En naar den tijd van al ons ongeluk.

9. Laat Uw gena ons met haar troost verrijken,
En laat Uw werk aan Uwe knechten blijken,
Uw heerlijkheid niet van hun kind'ren wijken;
Uw liefd', Uw macht behoed' ons voor bezwijken.
Sterk onze hand, en zegen onze vlijt;
Bekroon ons werk, en nu, en t' allen tijd'.

1. Gij zijt geweest ons toevlucht, Heer genadig,
En t' allen tijd ons toeverlaat geprezen;
Ja zelfs eer de bergen waren in 't wezen,
Eer dat gemaakt werd 't aardrijk ongestadig,
Zo waart Gij God, alzo Gij nu ook zijt,
En voortaan blijven zult t' eeuwigen tijd.

2. Als Gij wilt, de mense moet haast bezwijken;
Gij spreekt: o mens! sterf'lijk van kleiner waarde,
Ik wil, dat gij haast wordt tot stof der aarde.
Want bij U zijn duizend jaar te gelijken,
Als bij ons een dag, die nu is vergaan,
Of een nachtwake, die haast loopt voortaan.

3. Gij laat den mensen een tempeest toekomen,
Zo vergaan zij als een droom onbekwame.
In ener morgenstond zijn zij al t' zame
Afgemaaid, zo men op 't veld snijdt de bloemen,
Die 's morgens staan lieflijk en schoon bijeen,
Maar 's avonds hebben verwe noch kracht geen.

4. Vergaan doet ons Uw gramschap zeer beladen,
En maakt dat wij zijn wonderlijk verslagen;
Uw toorn doet, dat wij ganselijk versagen,
Als Gij Heer, voor U neemt al onz' misdaden
En doorgrondt ons harte scherp'lijk met vliet,
Ja onz' verborgen gedachten doorziet.

5. Zo einden onz' dagen, die haast voortvaren;
Door Uw gramschap gaat recht voorbij ons leven
Als een spreekwoord, van de mensen gedreven;
Want onz' dagen zijn slechts zeventig jaren,
Of tachentig, als 't al ten beste raakt,
En naardat het een sterk mens lange maakt.

6. Noch is 't beste van onz' ellende dagen,
Niet dan moeit' en arbeid, ja ook zwaar lijden,
't Welk vergaat, zo wij ook doen t' allen tijden.
Wie kan den last Uwer gramschap verdragen
Ofte verstaan? Want zo groot Uw kracht is,
Zo groot is ook Uwe toorne gewis

7. Daarom o Heer! leer ons verstaan en merken,
Hoe kort dat ons leven is, vol van smarten.
Dat wij verstaan mogen en recht beharten
Uwe wijsheid, in Uw woord en Uw werken.
Keer tot ons, hoe lang zullen klagen wij?
Van Uwe gramschap maak Uw knechten vrij.

8. Maak ons 's morgens vroeg vol Uwer genade;
Opdat wij met vreugd en vrolijken zingen
Den loop onzes leven mogen volbringen.
Verheug ons, Heer, al t' zaam vroeg ende spade,
Nadat Gij ons nu hebt zo menig jaar
Zeer hard benauwd in Uwen toorne zwaar.

9. Over Uwe knechten laat Uw werk blijken;
Laat over onz' kind'ren schijnen Uw ere,
En Uw heerlijkheid klaar blinken, o Heere!
Regeer ons doen, o God! Heer des aardrijken,
En stier ons toch in enen rechten gank,
Regeer ons doen, want wij zijn mensen krank.

1. Gij zijt geweest, o Heer, en Gij zult wezen
de zekerheid van allen die U vrezen.
Geslachten gaan, geslachten zullen komen:
wij zijn in uw ontferming opgenomen.
Wij mogen bouwen op de vaste grond
van uw beloften en van uw verbond. 

2. Nog eer de bergen uit de baaierd stegen,
de aarde en de zee gestalte kregen,
nog eer uw scheppend woord aan alle leven
een wereld om te wonen heeft gegeven,
God, zijt Gij God, dezelfde die Gij zijt,
van eeuwigheid en tot in eeuwigheid.

3. O Here God, Gij wendt het mensenleven
om het weer aan het stof terug te geven.
Gij zegt: Keer weder, mensenkind, keer weder.
Want duizend jaren, Gij ziet op ze neder
als op een nachtwaak, zij zijn in uw oog
gelijk de dag van gist'ren die vervloog.

4. Gij overspoelt de sterv'ling met uw stromen.
De jaren snellen ons voorbij als dromen.
Wij zijn als gras, fris in het ochtendgloren,
des avonds dor en alle glans verloren.
Uw toorn, rechtvaardig God, doet ons vergaan.
Uw gramschap overweldigt ons bestaan.

5. Heer, onze daden en hun loze gronden
zijn voor uw aanschijn niets dan schuld en zonde.
Al wat wij heim'lijk in ons hart omdragen
doorlicht uw heiligheid- en wij versagen,
want uw gerechte toorn verslindt de tijd,
zodat ons leven als een zucht verglijdt.

6. Zeventig, tachtig jaren mensenleven,
is dat, o Heer, om hoog van op te geven?
't Is moeite en verdriet. Och mocht het wezen
dat wij U kenden naar Gij zijt te vrezen.
Leer Gij ons zo te leven, dag voor dag,
dat in ons hart de wijsheid wonen mag.

7. Wend U tot ons, keer tot ons weder, Here,
hoe lang nog zult Gij uw gelaat afkeren?
Schenk ons het morgenrood van uw genade,
dan prijzen wij voortaan uw grote daden.
Vergun uw volk, na jarenlange druk,
nu vele jaren zorgeloos geluk.

8. Laat, Heer, uw volk uw daden zien en leven
en laat uw glans hun kinderen omgeven.
Zie op ons neer met vriendelijke ogen.
O God, bescherm ons in ons onvermogen.
Bevestig wat de hand heeft opgevat,
het werk van onze hand, bevestig dat.

1. Gij zijt geweest, o Heer, en Gij zult wezen
de zekerheid van allen die U vrezen.
Geslachten gaan, geslachten zullen komen:
wij zijn in uw ontferming opgenomen.
Wij mogen bouwen op de vaste grond
van uw beloften en van uw verbond.

2. Nog eer de bergen uit de baaierd stegen,
de aarde en de zee gestalte kregen,
nog eer uw scheppend woord aan alle leven
een wereld om te wonen heeft gegeven,
God, zijt Gij God, dezelfde die Gij zijt,
van eeuwigheid en tot in eeuwigheid.

3. O Here God, Gij wendt het mensenleven
om het weer aan het stof terug te geven.
Gij zegt: Keer weder, mensenkind, keer weder.
Want duizend jaren, Gij ziet op ze neder
als op een nachtwaak, zij zijn in uw oog
gelijk de dag van gistren die vervloog.

4. Gij overspoelt de stervling met uw stromen.
De jaren snellen ons voorbij als dromen.
Wij zijn als gras, fris in het ochtendgloren,
des avonds dor en alle glans verloren.
Uw toorn, rechtvaardig God, doet ons vergaan.
Uw gramschap overweldigt ons bestaan.

5. Heer, onze daden en hun loze gronden
zijn voor uw aanschijn niets dan schuld en zonde.
Al wat wij heimlijk in ons hart omdragen
doorlicht uw heiligheid - en wij versagen,
want uw gerechte toorn verslindt de tijd,
zodat ons leven als een zucht verglijdt.

6. Zeventig, tachtig jaren mensenleven,
is dat, o Heer, om hoog van op te geven?
't Is moeite en verdriet. Och mocht het wezen
dat wij U kenden naar Gij zijt te vrezen.
Leer Gij ons zo te leven, dag voor dag,
dat in ons hart de wijsheid wonen mag.

7. Wend U tot ons, keer tot ons weder, Here,
hoelang nog zult Gij uw gelaat afkeren?
Schenk ons het morgenrood van uw genade,
dan prijzen wij voortaan uw grote daden.
Vergun uw volk, na jarenlange druk,
nu vele jaren zorgeloos geluk.

8. Laat, Heer, uw volk uw daden zien en leven
en laat uw glans hun kinderen omgeven.
Zie op ons neer met vriendelijke ogen.
O God, bescherm ons in ons onvermogen.
Bevestig wat de hand heeft opgevat,
het werk van onze hand, bevestig dat.