Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

In onze gemeente proberen we het oude van de traditie in verbinding te brengen met het nieuwe van nu. De Nieuwe Psalmberijming sluit daar perfect bij aan. Op deze manier kunnen we met jong en oud de psalmen blijven zingen. Lees meer »

Ds. E. de Jong | Doopsgezinde Gemeente te Ouddorp

Ds. E. de Jong
Doopsgezinde Gemeente te Ouddorp

Lees alle quotes

Psalm 91

De nieuwe psalmberijming

1. Wie thuis is bij de hoogste HEER
en schuilt in zijn ontferming,
die zegt: ‘Bij U leg ik mij neer,
mijn toevlucht, mijn bescherming.’
De vogelvanger spant zijn net,
de pest zal zich verbreiden -
maar over jou zal God, die redt, 
zijn sterke vleugels spreiden.

2. De nacht beangstigt jou niet meer,
de pijl zal jou niet raken.
Al gaan verderf en dood tekeer,
ze kunnen je niets maken.
Al vallen duizend strijders neer,
je zult niet hoeven buigen,
maar slechte mensen straft de HEER,
daarvan ben jij getuige.

3. God is voor jou een toevluchtsoord;
Hij opent wijd zijn deuren.
De Allerhoogste geeft zijn woord
dat niets jou zal gebeuren.
Zijn engelen bewaren jou,
de HEER zal op je letten.
Zelfs leeuwen drijf je in het nauw
en adders zul je pletten.

4. God zegt: ‘Omdat jij mij bemint
zal Ik je trouw bewaren.
Ik luister naar je als mijn kind,
sta naast je in gevaren.
Ik ben het die je redding geeft
en jou met eer wil kronen.
Ik zorg ervoor dat je lang leeft;
mijn heil zal Ik je tonen.’

Tekst: Titia Lindeboom

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Wie thuis is bij de hoogste HEER
en schuilt in zijn ontferming,
die zegt: ‘Bij U leg ik mij neer,
mijn toevlucht, mijn bescherming.’
De vogelvanger spant zijn net,
de pest zal zich verbreiden -
maar over jou zal God, die redt, 
zijn sterke vleugels spreiden.

2. De nacht beangstigt jou niet meer,
de pijl zal jou niet raken.
Al gaan verderf en dood tekeer,
ze kunnen je niets maken.
Al vallen duizend strijders neer,
je zult niet hoeven buigen,
maar slechte mensen straft de HEER,
daarvan ben jij getuige.

3. God is voor jou een toevluchtsoord;
Hij opent wijd zijn deuren.
De Allerhoogste geeft zijn woord
dat niets jou zal gebeuren.
Zijn engelen bewaren jou,
de HEER zal op je letten.
Zelfs leeuwen drijf je in het nauw
en adders zul je pletten.

4. God zegt: ‘Omdat jij mij bemint
zal Ik je trouw bewaren.
Ik luister naar je als mijn kind,
sta naast je in gevaren.
Ik ben het die je redding geeft
en jou met eer wil kronen.
Ik zorg ervoor dat je lang leeft;
mijn heil zal Ik je tonen.’

Tekst: Titia Lindeboom

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Hij, die op Gods bescherming wacht,
Wordt door den hoogsten Koning,
Beveiligd in den duist'ren nacht,
Beschaduwd in Gods woning.
Dies noem ik God, zo goed als groot
Voor hen, die op Hem bouwen,
Mijn burg, mijn toevlucht in den nood,
Den God van mijn betrouwen.

2. Hij zal uit 's vogelvangers net
U veilig doen ontkomen.
Hij is het, die uw leven redt;
Gij hebt geen pest te schromen.
Hij zal, in lijfs- en zielsgevaar,
U met Zijn vleug'len dekken;
Zijn waarheid u ten beukelaar,
En ten rondas verstrekken.

3. De schrik des nachts doet u niet vlien,
Waarvoor de bozen beven.
Geen pijlen hoeft gij 's daags t' ontzien,
Die hevig om u zweven.
De pest, met welk een snellen spoed,
Zij moog' in 't duist're waren,
Noch 't streng verderf, dat 's middags woedt,
Zal uwe ziel vervaren.

4. Gij zult aan d' een en d' and're hand,
Tienduizenden zien vallen;
Terwijl gij, in gerusten stand,
Bewaakt blijft boven allen.
Het dreigend leed vliegt u voorbij;
Alleenlijk zien uw ogen,
Hoe schrikk'lijk 't loon der bozen zij,
Die d' Almacht niet verhogen.

5. Ik steun op God, mijn toeverlaat,
Dies heb ik niets te vrezen:
Wie God vertrouwt, die deert geen kwaad;
Uw tent zal veilig wezen.
Hij zal Zijn engelen gebien,
Dat z' u op weg bevrijden;
Gij zult hen, in gevaren, zien
Voor uw behoud'nis strijden.

6. Zij zullen u, Gods gunstgenoot,
Naar 's Hoogsten welbehagen,
Opdat gij aan geen steen u stoot,
Op hunne handen dragen.
Gij zult op jonge leeuwen treen,
Op giftig' adders stappen,
En door gevaar noch vrees bestreen,
Den leeuw en draak vertrappen.

7. "Dewijl zijn ziel Mij teer bemint,"
Dus laat God Zelf Zich horen,
"Heb Ik voor hem, als voor Mijn vrind,
Een heilrijk lot beschoren;
Omdat hij Mijnen Naam erkent,
Zal hem Mijn gunst verzellen;
Ik zal hem redden uit d' ellend'
En op een hoogte stellen."

8. "Hij zal in alle ramp en pijn,
Tot Mij om uitkomst zuchten;
En Ik gestadig bij hem zijn,
In al zijn ongenuchten.
't Gevaar zal Ik hem doen ontvlien,
Zijn levensdagen rekken;
'k Zal hem Mijn eer en heil doen zien,
En nooit Mijn hulp onttrekken."

1. Die in Godes bewaring sterk
Hem begeeft onbezweken,
Die woont in een vast bollewerk;
Dies hij zeer wel mag spreken,
En zeggen bij hem t' allen stond:
God is mijn hulpe krachtig,
Mijn burcht en ook mijn vaste grond,
Daar ik op hoop eendrachtig.

2. Van des jagers valstrikken al,
En van geweld zeer machtig,
Van schadelijke pesten zal
Hij u ook helpen krachtig,
Hij zal met de vleugelen Zijn
U dekken en bevrijden;
Zijn hulp zal u in nood en pijn,
Een schild zijn t' allen tijden.

3. 's Nachts zult gij dat ding vrezen niet,
Dat de mensen doet beven;
Noch de pijlen die 's daags met vliet
Geschoten zijn daarneven;
Ook voor geen sterven scherp noch groot,
Dat 't volk des nachts bespringet;
Noch voor 't haastige, 't welk den dood
Den mensen 's daags toebringet.

4. Al storven aan uw linkerzijd'
Duizend en tienduiz'd t' zame,
Ter rechter; nog zijt gij bevrijd
Voor schaden onbekwame.
Gij zult onbevreesd schouwen aan
De booz' in haar verderven;
En hoe zij haren loon zeer zaan,
Ontvangen en beërven.

5. Omdat Gij tot God spreekt eenpaar;
Gij behoedt mij, o Heere!
En op God in alle gevaar
Hoopt, en Hem doet deez' ere.
Met geen schaden wordt gij bezwaard,
Noch geen plagen met allen,
En zullen uw huis wel vermaard
Geenszins dan overvallen.

6. Hij geeft den engelen bevel,
Zijnde tot u genegen,
Dat z' op u steeds acht hebben wel
In alle uwe wegen.
Zij zullen in handen, dit 's klaar,
U dragen fijn besloten,
Dat gij niet vallen zult daarnaar,
Noch u aan den steen stoten.

7. Jonge leeuwen en slangen wreed,
Leeuwen en draken mede,
Zult gij al zonder schaad' of leed
Onder de voeten treden.
Want dit spreekt God van u voorwaar:
Omdat hij Mij vereret,
Ik zal hem helpen uit nood zwaar,
Want Mijn Naam hij vermeret.

8. Roept hij Mij aan, hij werd verhoord;
In den nood zal Ik wezen
Bij hem t' allen tijd, van nu voort;
Hij werd van Mij geprezen.
Ik zal hem vervullen zeer goed
Met veel vrolijke dagen,
En hem ook laten smaken zoet
Mijn hulp naar Mijn behagen.

1. Heil hem wien God een plaats bereidt
in zijn verheven woning;
hij overnacht in veiligheid
bij een almachtig koning.
Ik zeg tot God; Gij zijt mijn schild,
mijn toevlucht en mijn veste,
op U vertrouw ik, Heer, Gij wilt
voor mij altijd het beste.

2. God redt uw ziel van nood en dood,
Hij heeft u aangenomen;
een vogel, die ternauwernood
is aan de strik ontkomen.
De Heer zal over uw bestaan
zijn sterke vleugels breiden.
Hij is, in trouw u toegedaan,
uw schild en pantser beide.

3. Wees niet bevreesd, al wil de nacht
zich tegen u verheffen;
al stelt de dag zijn overmacht,
zijn pijl zal u niet treffen.
't Verderf dat in de duisternis
zoekt naar uw legerstede,
de vloek die van de middag is,-
God bant ze van uw leden.

4. Al vallen duizenden in 't rond
door ongeziene handen,
de Heer wil niet dat het u wondt,
dat het u aan zal randen.
Van verre zien uw ogen aan
Gods toornend nedervaren.
Zo doet de Here ondergaan
al wie Hem ontrouw waren.

5. Maar gij moogt schuilen bij den Heer,
geen kwaad bedreigt uw woning;
gij hebt tot schild en tegenweer
den allerhoogsten Koning.
Hij gaf zijn engelen bevel
dat u geen ding zou schaden;
zij zullen u naar Gods bestel
behoeden op uw paden.

6. Ja, zij zijn om u als een wacht,
zij dragen u op handen;
lichtvoetig, in des Heren kracht,
zo gaat gij door de landen.
Uw voet bezeert zich aan geen steen,
de leeuw ontwijkt uw schreden,
de slang krimpt voor uw voet ineen,
gij zult de draak vertreden.

7. Omdat hij Mij zijn hart toewendt,
spreekt God, zal Ik hem leiden;
omdat hij Mij bij name kent,
hem dekken en bevrijden.
Roept hij Mij aan, dan antwoord Ik,
is hij in angst en vreze,
dan kom Ik nog dat ogenblik
om hem nabij te wezen.

8. Ik zal hem redden uit de nood,
spreekt God, en hem verhogen;
dat hij Mij toebehoort, zal groot
verschijnen voor elks ogen.
Ik zal hem 't leven, tot zijn vreugd,
verlengen, lange jaren,
en 't heil dat eindeloos verheugt
in volheid openbaren.

1. Hij die op Gods bescherming wacht,
vindt bij de hoogste Koning
een schuilplaats waar hij overnacht,
beschaduwd door Gods woning.
Ik noem de Heer, op wie ik bouw,
mijn toevlucht en mijn sterkte,
mijn God, op wie ik vast vertrouw,
Hij die mijn heil bewerkte.

2. Want God is het die u behoedt
voor 's vogelvangers netten.
Zelfs al de pest rondom u woedt,
zal zij u niet besmetten.
De Heer zal door zijn grote macht
u met zijn vleugels dekken.
Zijn trouw zal u bij dag en nacht
tot schild en pantser strekken.

3. Verschrikking van de donkre nacht
behoeft u niet te duchten.
En voor de pijl van overdag
zult u niet angstig vluchten.
Vrees niet de pest, de zwarte dood,
die rondwaart als het nacht is.
Vrees geen verderf, als fel en groot
de zon in al haar kracht is.

4. Al vallen duizend aan uw zij
en nogmaals duizendtallen,
u blijft van ramp en onheil vrij,
't zal u niet overvallen.
U ziet slechts de vergelding aan,
het loon der goddelozen.
Want U, Heer, doet mij veilig gaan,
U hoedt mij voor de bozen.

5. God hebt u tot uw burcht gesteld,
de allerhoogste Koning.
Geen onheil treft u, geen geweld
dringt binnen in uw woning.
Want God beveelt zijn englenwacht
te waken op uw wegen.
Zij vergezelt u dag en nacht
en houdt het onheil tegen.

6. Zo zullen wachters van de Heer
u op de handen dragen.
Aan stenen stoot u zich niet meer,
daar engelen u schragen.
Op leeuw en adder trapt uw voet,
zo zeker zijn uw schreden.
U wordt steeds op uw weg behoed,
zult leeuw en slang vertreden.

7. Daar hij Mij liefheeft, spreekt de Heer,
zal Ik zijn pad beschermen.
Ik zal hem bijstaan en steeds weer
Mij over hem ontfermen.
Daar hij mijn naam kent, mijn gebod,
zal Ik hem zelf bevrijden.
Ik ben voor hem de trouwe God,
Ik red hem uit zijn lijden.

8. Roept hij Mij aan, Ik antwoord hem,
Ik zal zijn helper wezen.
Is hij beangst, Ik hoor zijn stem,
dus hoeft hij niet te vrezen.
Ja, ik verleng zijn levenstijd,
want hij blijft op Mij bouwen.
Mijn heil, mijn goedertierenheid
zal Ik hem doen aanschouwen.