Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:


uitwerking Uitgangspunten De Nieuwe Psalmberijming


1. HEDENDAAGS NEDERLANDS
2. Rijm en andere dichterlijke zaken
3. Hoofdletters en verdere spelling
4. Interpunctie
5. Compactheid
6. Grondtaal
7. Getrouwheid
8. Coupletten/vorm
9. Muziek en tekst

Vooraf:
Deze uitgangspunten zijn een mengsel van harde eisen waar de berijmingen aan moeten voldoen, richtlijnen, aanbevelingen en aandachtspunten. 
Wat wat is blijkt vanzelf uit de bewoordingen ('altijd/nooit...' 'het is aan te raden...', 'bij voorkeur', 'let op dat...'). 


1. Hedendaags Nederlands

1. Wij streven naar eigentijdse taal, wat iets anders is dan populair taalgebruik.
Het taalgebruik mag zo nu en dan plechtstatig zijn, maar eigentijdse/ toegankelijke taal is belangrijk. Voorbeelden hoe het niet moet: “heel erg”, of “dit trek ik niet”.

2. Verouderde woorden worden zoveel mogelijk vermeden.
Voorbeelden: ‘welzalig’, ‘goedertieren’, ‘smart’, ‘rei’, ‘onversaagd’. Een goede graadmeter of een woord voor de hedendaagse Nederlander nog gebruikelijk is, kan de woordkeus van de Nieuwe Bijbelvertaling zijn, waar bv. het woord ‘goedertieren’ niet in staat, maar ‘gerechtigheid’ wel. Ook even googelen kan helpen.

3. Het woord ‘gij’ met bijbehorende werkwoordvormen wordt niet gebruikt.

4. Als mensen direct worden aangesproken door God of anderen (bv. in Psalm 49) gebruiken we veelal ‘je/jij’ in plaats van ‘u’.
Dit is uiteraard afhankelijk van de context, in Psalm 45 bijvoorbeeld wordt de koning met 'u' aangesproken, maar de bruid met 'jij'.

5. We vermijden typische kerktaal-uitdrukkingen.
Bijvoorbeeld: 'zijn eer zingen' of 'zingen van Hem’ (bedoeld is resp. 'tot zijn eer zingen' of 'zijn grootheid bezingen' en ‘zingen over Hem’).

6. De Nieuwe Psalmberijming (in het vervolg 'DNP') gebruikt principieel géén elisie (weglaten van onbeklemtoonde klinkers).
Bijvoorbeeld: 'in ’t spoor' of 'kindren van één vader' of 'genade_en liefde'. Zelfs niet bij een woord als 'terug', al wordt dat vaak uitgesproken als 'trug'. Uitzondering zijn vaste uitdrukkingen als “'s ochtends”, aangezien het juist vreemd en verouderd overkomt om voluit 'des ochtends' te zeggen.

7. Het omgekeerde, epenthesis (het toevoegen van onbeklemtoonde lettergrepen), gebruiken we al evenmin.
Bijvoorbeeld: geen 'weder/neder' voor 'weer/neer' of dergelijke.

8. Verouderde naamvalsvormen worden vermeden.
Bijvoorbeeld: geen 'der' en 'des' en 'uwe'. Een uitzondering zijn vaste uitdrukkingen als “'s morgens”, 'te allen tijde' en 'zo zij het' die tegenwoordig nog gangbaar zijn.

9. De formulering van wensen is een speciaal aandachtspunt, aangezien het moderne Nederlands daar geen vorm meer voor heeft.
Vormen als 'God zegene u' zijn soms nodig, maar het gevaar van ouderwetse taal ligt hier op de loer. Liever 'Moge God u zegen geven' of iets dergelijks. En zéker niet iets als 'Hij brenge'.

10. De uitroep 'o', in dichterlijke taal nogal eens voorkomend, wordt slechts met de grootste terughoudendheid gebruikt.
Gebruik is echter niet per se uitgesloten, want een hedendaags mens gebruikt het juist nog in een uitroep als 'o God!'. Zie bv. ook psalm 45 waar staat 'o koning'. 


2. Rijm en andere dichterlijke zaken

1. Er wordt uitsluitend volrijm gebruikt (leven/geven), nooit halfrijm zoals soms in de berijming van 1967 (bekropen/roepen, Psalm 56).
Volrijm definiëren wij strikt, als rijm dat voldoet aan:
a. gelijkheid van klinkers in de laatste beklemtoonde lettergreep;
b. gelijkheid van alle klanken die op de rijmende klinker volgen;
c. ongelijkheid van de medeklinkers die aan de rijmende klinker voorafgaan;
d. vergelijkbaarheid van de klemtoonstructuur.
(Jaap Bakker, Rijmhandboek).
'Rijk rijm' gebruiken wij dus niet, d.w.z. dat geheel gelijke woorden of woorddelen op elkaar rijmen ('zijn rijk/is rijk' of 'gevaren/ervaren'). Zie punt c uit de definitie hierboven.

2. Uitzondering: Een slot-n mag wegvallen, als in 'netten/zette'.
Een twijfelgeval is 'dansen/glanzen' – dit hebben we akkoord bevonden in Psalm 104.

3. Bij vrouwelijk en slepend rijm mag het rijm uit meer dan één woord bestaan: 'dat Hij de trouwe God is/ in wiens hand mijn lot is'

4. Het verdient aanbeveling rijmparen te vermijden die te dicht bij elkaar staan qua betekenis.
Bijvoorbeeld: huis/thuis, macht/kracht, weifelen/twijfelen, rillen/trillen, op en neer/heen en weer, weten/vergeten, etc.

5. We zijn terughoudend in het gebruik van enjambement, ofwel een zin(sdeel) over de regelgrens laten doorlopen.
Dit omdat het complicerend werkt bij begrijpen, onthouden en zingen. Het al dan niet gebruik hangt af van
a. de opbouw van de dichtregel. Idealiter staat er aan het eind van een regel met een enjambement een woord dat wat meer nadruk verdient en/of waarachter een natuurlijke rustpauze valt in de zin. Dus niet: 'Ik word wakker en / vraag me af waar ik toch ben'
b. de regellengte; bij Psalm 99 is het onvermijdelijk (5 lettergrepen per regel), bij Psalm 89 (12 per regel) is het niet echt nodig.
c. de plaats in het couplet, bij voorbeeld in Psalm 68 is tussen regel 1 en 2 niet zo'n probleem, maar tussen regel 6 en 7 onmogelijk, omdat de melodie daar een nieuw begin aangeeft.

6. De naam van God wordt niet gebruikt 'ter opvulling', maar alleen waar deze staat in de grondtekst of waar het zinvol is om deze in te voegen.
Bijvoorbeeld aan het begin van een nieuw couplet. De Godsnaam weglaten kan wel als dat de inhoud niet onhelder maakt, zie hieronder bij 'compactheid'.

7. Als middelen om de taal 'dicht' te maken zijn speciaal te noemen assonantie en alliteratie (het laten terugkomen van resp. klinkers en medeklinkers).
Bijvoorbeeld 'Mijn herder is de HEER, zijn hand behoedt mij./ Ik heb genoeg, want...' (Psalm 23). Andere middelen zoals stijlfiguren, beeldspraak etc. hebben als nadeel dat ze i.h.a. niet eenvoudig te verenigen zijn met het getrouw weergeven van de grondtekst, of juist al met de grondtekst voorgegeven zijn. Het getrouw weergeven van de grondtekst is belangrijk, maar om de bedoeling ervan weer te geven kan in principe het gehele arsenaal aan stijlmiddelen in stelling worden gebracht dat een dichter ter beschikking staat. Zie ook onder 6, i.h.b. 6.1 en 6.2.


3. Hoofdletters en verdere spelling

1. De Nieuwe Psalmberijming volgt in haar gebruik van hoofdletters de gangbare Nederlandse regels. Dit betekent dat eigennamen die naar God verwijzen (God, Heer) met hoofdletters worden geschreven, evenals persoonlijk voornaamwoorden (Ik, Hij, Hem, Mij). Bezittelijk voornaamwoorden worden echter met kleine letters geschreven (zijn, uw, mijn).

2. Alleen eigennamen schrijven we met een hoofdletter. In een geval als 'de HEER is mijn herder', wordt 'herder' dus niet met een hoofdletter geschreven, want het is geen eigennaam. Hetzelfde geldt voor een uitspraak als 'prijs zijn naam', hier geen hoofdletter want het woord 'naam' is geen 'naam' (althans bij christenen, Joden spreken soms van 'de Naam' als ze God bedoelen). In psalmen die Messiaans geïnterpreteerd kunnen worden, wordt deze interpretatie niet 'opgelegd' door hoofdlettergebruik. Dus in psalm 72 schrijven we 'koning', niet 'Koning'. 

3. Waar in de grondtekst de verbondsnaam staat (JHWH) schrijven wij 'HEER'. Waar in de grondtekst ‘Adonai’ staat, gebruiken wij de naam ‘Heer’.

4. In de spelling volgen we verder gewoon het Groene Boekje, en voor de Bijbelse namen en woorden de meest recente woordenlijst van het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting.
Klik hier  voor deze lijst. In de praktijk maakt het weinig uit, denk aan dingen als 'Betlehem' i.p.v. 'Bethlehem' (wat de HSV heeft).


4. Interpunctie

Voor DNP gebruiken we de standaardregels voor interpunctie (dat wil zeggen: het gebruik van leestekens), zoals onder andere te vinden in de Schrijfwijzer van Jan Renkema. Hieronder worden de zaken toegelicht die voor DNP relevant zijn.

1. Punt
De punt markeert het einde van een grammaticaal complete zin. Na een punt volgt een hoofdletter om het begin van een nieuwe zin aan te geven.
Grammaticaal bezien complete zinnen worden in principe afgesloten met een punt (of een vraagteken bij vraagzinnen, of eventueel een uitroepteken).

Als er aanleiding toe is, kunnen ze ook worden afgesloten met een puntkomma of met een dubbele punt. (Voor nadere toelichting bij dit laatste zie verder.)

De punt volgt pas als de zin grammaticaal bezien afgerond is.

Onjuist voorbeeld:
Alle mensen neemt U aan
die hun heil van U verwachten.
Maar U laat te schande staan
die U redeloos verachten.

(Na verwachten past hier eerder een gedachtestreep, of eventueel een komma.)

2. Komma
- De komma dient om een rustpauze aan te geven in langere zinnen.
- Tussen twee persoonsvormen komt daarom in principe een komma, tenzij het een korte zin betreft die ook zonder komma prima duidelijk is.
- De komma, of het ontbreken ervan, kan ook betekenisverschil zichtbaar maken (nl. het verschil tussen een uitbreidende en een beperkende bijzin).

Vergelijk:
de mensen die mij altijd lastigvallen…
de mensen, die mij altijd lastigvallen…

In het eerste geval gaat het om een specifieke groep mensen, namelijk mensen die de ik-persoon lastigvallen. In het tweede geval wordt verondersteld dat het een kenmerk is van alle mensen dat ze de ik-persoon lastigvallen.

Grammaticaal bezien complete zinnen worden niet afgesloten met een komma – tenzij het eventueel heel korte zinnen betreft, die meer als een uitroep worden ervaren dan als een zin.

Juist voorbeeld:
Help mij, God, ik kan niet zonder U.
Ik voel mij zo benauwd, wat moet ik nu?

Strikt genomen zijn dit vier grammaticaal complete zinnen, maar het zou brokkelig overkomen als ze allemaal met een punt zouden worden afgesloten.
In dit geval is het dus niet de bedoeling om ook na U een komma te plaatsen: de eerste regel wordt als een zelfstandige zin ervaren, wat vraagt om een punt ter afsluiting.

3. Puntkomma
- Een puntkomma dient om twee zinnen aan elkaar te koppelen die grammaticaal bezien compleet zijn én die inhoudelijk verwant zijn. (In veel gevallen betekent dit laatste dat ze een parallellisme vormen).
- Een puntkomma is niet juist als één van de twee zinnen grammaticaal incompleet is. In zo’n geval is een komma of een gedachtestreep gepast.

Juist voorbeeld:
Laat mij in uw waarheid leven;
leer mij dienen dag aan dag.

Onjuist voorbeeld:
Laat mij in uw waarheid leven;
en U dienen dag aan dag.

(In het laatste geval is een leesteken op de plek van de puntkomma niet nodig; hooguit een komma zou gepast zijn.)

4. Dubbele punt
De dubbele punt kan worden gebruikt om aan te geven dat erna een nadere uitwerking/toelichting volgt.
Na de dubbele punt volgt in zo’n geval een kleine letter als de toelichting slechts één grammaticale zin beslaat. Volgt er een toelichting van meerdere zinnen, dan is een hoofdletter juist. Bij twijfel een kleine letter gebruiken.

De aanval van belagers hield geen stand:
ze struikelden en beten in het zand.

De dubbele punt kan ook aangeven dat er een citaat volgt, oftewel: door iemand uitgesproken tekst. Zo’n citaat wordt dan behandeld als een zelfstandige zin en begint dus met een hoofdletter.

De HEER gaf Mij zijn goddelijke woord:
‘Jij bent mijn Zoon…’

5. Gedachtestreep
Een gedachtestreep geeft aan dat erna qua betekenis een wending volgt.

U bent altijd om mij heen -
maar ik voel mij toch alleen.

Een gedachtestreep kan ook de functie van een komma hebben, maar dit alleen in langere zinnen – om het een beetje overzichtelijk te houden voor de lezer. (Voorgaande zin is een voorbeeld.) In zo’n geval duidt de gedachtestreep op een zwaardere rustpauze dan de komma.
Een gedachtestreep wordt alleen binnen een zin gebruikt, en dus niet om twee grammaticaal complete zinnen aan elkaar te koppelen.

Onjuist voorbeeld:
U bent altijd om mij heen. -
Toch voel ik mij heel alleen.

In het laatste geval is op de plek van de gedachtestreep geen leesteken nodig.

6. Uitroepteken
Een uitroepteken dient om een zin extra nadruk te geven. Uitroeptekens worden spaarzaam gebruikt, alleen als de zin heel duidelijk bedoeld is als uitroep. Voor een voorbeeld zie hieronder.

7. Citaattekens
Citaten worden tussen enkele hoge komma’s geplaatst.
Kniel en zing over Gods faam:
‘Heilig, heilig is zijn naam!’

Als een citaat wordt afgesloten met een leesteken, dan volgt daarna niet nog een leesteken, ook al zou dit gedacht vanuit de hoofdzin logisch zijn.
Ofwel, ter afsluiting van het voorgaande voorbeeld zou strikt genomen nog een punt nodig zijn: (… heilig is zijn naam!’.). Het uitroepteken is immers onderdeel van het citaat en niet van de hoofdzin – maar het is niet gebruikelijk om deze punt nog te plaatsen.

5. Compactheid

1. De poëtische aanpak van DNP is meestal vrij compact. Dat wil zeggen: De dichters kiezen er liever voor om dingen uit de onberijmde versie samen te vatten en eventueel weg te laten, dan om extra gegevens toe te voegen omwille van het rijm – iets wat in oudere berijmingen nogal eens gebeurt.
E.e.a. laat zich bet best met voorbeelden illustreren. Bij Psalm 46 couplet 2/3 laatste regels voegen de dichters van het Liedboek in 'Hij wendt ons lot' om te kunnen rijmen op 'een vaste burcht is onze God'. Net zo doet de berijming van 1773 in het slot van Psalm 72 “de wereld hoor en volg' mijn zangen met amen, amen na”, waar alles behalve de 'amens' verzonnen is. Zulke toevoegingen dus niet bij DNP.

2. Men mag dingen weglaten wegens de compactheid, maar uiteraard dienen de hoofdgedachten van de psalmdichter helder bewaard te worden.
Berijmen is daarom ook altijd exegetiseren: wat wil deze psalm zeggen? Wat is centraal, wat is perifeer?

3. Belangrijk punt: in de psalmen is zeer vaak parallellisme aan te treffen, d.w.z. dat hetzelfde tweemaal wordt gezegd in andere woorden. Bijvoorbeeld “loof de HEER, alle volken / prijs Hem, alle naties” (Psalm 117). Dit hoeft niet 'dubbel' te worden berijmd.
De herhaling is namelijk een Hebreeuws stijlmiddel, wij gebruiken Nederlandse stijlmiddelen: metrum en rijm. Anderzijds is het handhaven van een parallellisme in het Nederlands ook niet bij voorbaat af te wijzen, aangezien dit stijlmiddel in westerse poëzie eveneens bekend is en nadruk kan geven. Ook als een parallellisme 'half' is kun je je er in de beknoptheid door laten leiden, door maar één helft te berijmen. Bijvoorbeeld Psalm 46:8 "[Hij] is met ons // [Hij] is onze vesting" zijn twee manieren om feitelijk hetzelfde tot uitdrukking te brengen: Hij zorgt voor veiligheid.

4. Binnen één psalm dient de mate van verdichting zoveel mogelijk constant te zijn.
Dus niet bepaalde delen uitgebreid berijmen en andere kort samenvatten.

5. Hoeveel 'verdichting' goed is, is moeilijk in een maat te vatten en mede afhankelijk van de keuze van de dichter.
De psalmen die nu op de site staan geven i.h.a. een goed beeld.

6. Er is, tegenover het voorgaande, een kleine ruimte voor het invoegen van dingen die niet letterlijk in de psalmtekst staan, aangezien we nu eenmaal gehouden zijn aan de voorgeven versvorm. Deze toevoegingen 'ter vulling' trachten we echter tot een minimum te beperken, en er dienen geen wezenlijk nieuwe elementen te worden toegevoegd.

7. Wel is er enige ruimte voor dichterlijke vrijheden/welbewust poëtische interpretaties.
Bijvoorbeeld in Psalm 42 staat nu “Wanneer zal ik hem ontmoeten/ zal zijn glimlach mij begroeten”, waar de grondtekst luidt: “wanneer zal ik binnengaan om voor Gods gezicht te verschijnen?” De 'glimlach' is dus poëtische interpretatie. Zo kan een beeld explicieter worden gemaakt, een vergelijking kan worden omgebouwd tot een metafoor, etc. Aangezien het hier gaat om dichterlijke vrijheid, kunnen geen exacte regels worden gegeven. Ook hier blijft gelden: geen wezenlijk nieuwe elementen toevoegen, maar goed oriënteren op de psalm als geheel.


6. Grondtaal

1. Uitgangspunt van de berijming is uiteraard de Hebreeuwse grondtekst. Dichters die het Hebreeuws niet beheersen vergelijken verschillende Bijbelvertalingen en raadplegen commentaren om de betekenis en eigenaardigheden van de grondtekst helder te krijgen. Bovendien wordt elke berijming nagezien door verschillende meelezers die het Hebreeuws wel machtig zijn; zij letten in het bijzonder op overeenstemming met de grondtekst. 

2. Hebreeuwse woorden als 'amen' en 'halleluja' kunnen onvertaald worden overgenomen, maar mogen ook vertaald worden weergegeven ('zo zij het', 'loof de HEER').

3. We gebruiken bij voorkeur de aanduidingen van God zoals de onberijmde tekst die geeft.
Dus 'God' waar 'God' staat, en 'HEER' waar 'HEER' etc. En de Godsnaam niet als stoplap, zie 2.6.

4. Het is niet nodig om dezelfde grondwoorden steeds op dezelfde wijze in de berijming te laten terugkeren.
Dus als er steeds 'wateren' staat, kan dit ook worden berijmd als 'zeeën', 'het water', 'de golven' etc. al naar de context.


7. Getrouwheid

1. Een eerste uitgangspunt bij De Nieuwe Psalmberijming is Bijbelgetrouwheid. Dit betekent dat ernaar gestreefd wordt om in de berijmingen dezelfde boodschap en emotie weer te geven als in de onberijmde teksten, waarbij er voor een doeltaalgerichte aanpak gekozen is.

2. 'Dezelfde boodschap' geeft al aan dat het niet gaat om 'zo letterlijk mogelijk' maar om weergeven wat er bedoeld is.

3. In sommige gevallen is de brontekst onhelder, zodat zelfs vakkundige exegeten het niet eens kunnen worden over wat er oorspronkelijk bedoeld is (bv. bepaalde plaatsen in Psalm 68). In zo'n geval neemt de dichter kennis van de verschillende mogelijkheden om de tekst op te vatten, en maakt een keuze welke interpretatie hij/zij volgt bij het berijmen.
Als je niet weet wat je wilt zeggen, kun je het ook niet berijmen. Wel dient men erop te letten dat de gekozen interpretatie overeenkomt met minstens één gebruikelijke Nederlandse Bijbelvertaling, om vervreemding bij de gebruikers te voorkomen. 

4. Wat betreft Messiaanse interpretaties: het is goed te beseffen dat die er zijn, bv. bij Psalm 2, 45, 72 e.a. In het berijmen hoeven we ons er niet door te laten leiden, aangezien zulke psalmen in eerste instantie een aardse koning van Israël bezongen. Voor het gebruik in de kerk is het echter sterk aan te raden om, indien mogelijk, zo te berijmen dat deze interpretatie niet bij voorbaat wordt uitgesloten. 

5. We gaan niet 'actualiseren', zoals soms 'Psalmen voor Nu' doet: de 'strijdwagens' uit Psalm 46 worden daar 'tanks'.
Wel kan men zaken die erg tijdgebonden overkomen, soms in algemenere termen vangen, bijvoorbeeld de 'schild/speer/strijdwagen' uit genoemde psalm weergeven met 'wapens'. Nadeel is wel dat dit ten koste gaat van de concreetheid van de beelden (zie onder).

6. De psalmen staan vol concrete beelden, daarom dient onze vertaling ook concreet en beeldend te zijn.
We berijmen niet 'de bedoeling van de beelden' maar de beelden zelf en houden daarbij uiteraard rekening met welke functie een beeld heeft in het betoog. Een beeld dat vervreemdend werkt, (bijvoorbeeld de bruidegom die vrolijk uit zijn slaapkamer komt) kan minder expliciet worden verwoord, anderzijds kan er een beeld worden ingevoegd dat de grondtekst niet heeft (bijvoorbeeld 'zal zijn glimlach mij begroeten', Psalm 42). Hier speelt dichterlijke vrijheid een rol, zie 4.7.

7. Soms zijn de psalmdichters niet erg 'vroom' in hun uitingen, bijvoorbeeld scherpe klachten en verwijten naar God toe. Deze dienen we niet te veel af te vlakken, maar liever te laten staan. Eventuele kritiek hierop kunnen we doorverwijzen naar koning David of wie het dan ook dichtte.
Bij dit punt is de wijze van verwoorden belangrijk. Bv. “help mij!” vlakt al enigszins af als het berijmd wordt als “wil mij helpen” of “kom mij te hulp”. Echter het moet ook weer niet te platvloers worden, zie 1.1, of de gebruikers afstoten. Dit blijft een lastig evenwicht bij 'harde' passages als Psalm 68:23-24.


8. Coupletten/vorm

1. Vóór het berijmen van de inhoud is het van belang de vorm van de psalm te onderzoeken.
Bijvoorbeeld: begint en eindigt hij hetzelfde (bv 'halleluja'!) Zij er regels die herhaald worden? Zijn er duidelijke grenzen tussen gedeeltes? Signaalwoorden? (Zie hiervoor ook altijd de commentaren). Het is de bedoeling de voornaamste vormelementen zoveel mogelijk te laten terugkomen in de berijming. Waar psalmen bv. iets refrein-achtigs hebben (bv. Psalm 46, 56, 67, 107, 136) moet je daar als dichter wel iets mee doen. Wat precies verschilt echter per geval.

2. Vóór je begint met berijmen dien je te bedenken hoe je de inhoud in grote lijnen over coupletten gaat verdelen.
Het probleem is dat we enerzijds met de gegeven coupletlengtes zitten, en anderzijds met de Hebreeuwse strofenindeling. De strofenindeling vanuit het Hebreeuws is te vinden door in de HSV of de NBV naar de witregels te kijken. De indeling in deze vertalingen is gebaseerd op het werk van prof. J.P. Fokkelman, die er zijn levenswerk van maakte. Andere vertalingen (NBG, Groot Nieuws etc.) doen vaak maar wat met witregels. Ideaal zou zijn: een vast aantal Hebreeuwse strofen per couplet. Dit is echter niet altijd haalbaar. Het is ook niet verplicht je uit te leveren aan de strofenindeling uit een Bijbel. Vereist is dat elk couplet een helder afgebakende en logische eenheid is. Vergelijk het slot van couplet 2 en begin van couplet 3 van Psalm 116 in resp. de berijming 1773 en 1967. De eerste doet zeer vreemde dingen, de tweede doet het veel logischer.

3. Als het kan is het mooi wanneer coupletten 'los' te zingen zijn.
Eigenlijk hoor je een psalm natuurlijk als geheel te zingen, maar de praktijk is anders. Dus het is goed daarmee rekening te houden i.v.m. het gebruik in de gemeente.

4. We vermijden zo mogelijk om een berijming te eindigen met een 'half vers'.
Als het al gebeurt dan alleen wanneer
a. het logisch is gezien de vorm/inhoud-samenhang als boven geschetst
b. de psalmmelodie het toelaat om halverwege af te breken.


9. Muziek en tekst

1. Wij berijmen de psalmen om te zingen op de in Nederland vanouds gebruikelijke Geneefse melodieën, ritmisch gezongen.
Dit geeft als basis altijd een binair ritme (jambe of trochee, al naar gelang er een 'opmaat' is of niet; vergelijk Psalm 150 met Psalm 89).

2. Als het melodieritme botst met een regelmatig binair tekstritme, gebruiken we de volgende regels:
a. Waar hedendaagse oren het melodieritme kunt opvatten als 'gesyncopeerd' kunnen we een regelmatig tekstritme handhaven.
Bijvoorbeeld: Psalm 89 laatste regel, of Psalm 105 regel 3 en 4.
b. Alleen in die gevallen waar ritmische onregelmatigheden in de melodie niet voor moderne oren als syncope zijn op te vatten, wijken we, ten behoeve van de ritmische zingbaarheid, af van een regelmatig tekstritme en volgen we het melodieritme.
Bijvoorbeeld: Psalm 84 eerste regel, Psalm 141 eerste regel, Psalm 149 regel 5/6. Wie meer wil weten van de ritme-kwestie, kan zich verdiepen in de studie van Jan van Biezen en de daar gegeven literatuur.

3. In psalmen met lange regels verdient het aanbeveling de natuurlijke rustpauzes in de zin te vergelijken met de ontspanningsmomenten in de melodie.
Bijvoorbeeld Psalm 89 waar dat in de eerste regel na 6 noten het geval is. Echter, in principe is elke psalmregel bedoeld om op één adem gezongen worden, dus er hoeft geen 'adempauze' te worden gegeven.

4. Soms geeft de melodie een bepaalde lettergreep extra nadruk, of haalt ze juist nadruk weg bij een beklemtoonde lettergreep.
Men dient erop te letten dat dit geen vreemde effecten oplevert. Bijvoorbeeld Psalm 46, 5e regel: deze psalm heeft een gewoon binair ritme, dus je zou denken dat je de regel wel kon afsluiten met het woord 'wereldrijken'. Maar nee, in dit woord heeft “we-” normaal gesproken een sterkere nadruk dan “-rij-”, terwijl de melodie zorgt dat juist “-rij-” de sterkste nadruk krijgt zodat het raar klinkt.

5. Laten we niet doen als de berijming van 1773, die in Psalm 65 het voor elkaar krijgt om te zingen 'de lofzang klimt' terwijl de melodie juist op het woord 'klimt' een grote sprong naar beneden maakt. Ofwel dat de tekstinhoud niet botst met de melodie. Zulke gevallen komen slechts een enkele keer voor.

Versie 27 september 2017