Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Met enige regelmaat laat ik in 'mijn' gemeenten een psalm zingen uit De Nieuwe Psalmberijming. Misschien wel juist omdat ik gevoelig(er) ben geworden voor het argument dat we door psalmen te zingen het Woord van God zélf zingen. Lees meer »

Ds. L. van Rikxoort | Protestantse wijkgemeente Heemse-West en Gereformeerde Kerk Mariënberg

Ds. L. van Rikxoort
Protestantse wijkgemeente Heemse-West en Gereformeerde Kerk Mariënberg

Lees alle quotes

Psalm 109

De nieuwe psalmberijming

1. God, die ik prijs, blijf toch niet zwijgen!
Hoor hoe bedriegers mij bedreigen.
Ik word belasterd en bedrogen;
de vijandschap spat uit hun ogen.
Ik bid voor hen, maar krijg als dank
een plaats in de beklaagdenbank.

2. ‘Ga aan een goddeloze vragen
of hij mijn vijand aan wil klagen.
Dat, ondanks al zijn bange smeken,
de rechter keihard recht zal spreken.
Dat snel zijn laatste uur zal slaan;
een ander krijgt daarna zijn baan.

3. Dat zijn gezin, volstrekt verlaten,
voedsel zal zoeken op de straten.
Dat schuldeisers verdelen zullen
wat hij verzameld had aan spullen.
Dat niemand hem nog bij zal staan,
zijn naam voor altijd zal vergaan.

4. Dat God de schuld uit het verleden,
de zonden die zijn ouders deden,
nooit zal vergeten en vergeven.
Die man is immers heel zijn leven
voor zwakke mensen een gevaar:
hij is een brute moordenaar.

5. Dat onheil hem kapot zal maken,
zijn vloek dit keer hemzelf zal raken,
Dat hij een massa tegenslagen
als mantel om zich heen zal dragen.
Dat ongelukken hem compleet
bedekken zullen als een kleed.’

6. Laat zó, God, mijn belagers lijden,
wie over mij slechts kwaad verspreiden.
Verlos mij van mijn tegenstanders.
Ik ken U, HEER: U kunt niet anders!
U die uw naam aan mij verbond,
red mij, mijn hart is diep verwond.

7. Kort als een schaduw is mijn leven;
als een insect word ik verdreven.
Er zit geen vet meer op mijn botten.
Hoor hoe de mensen met mij spotten!
HEER, help mij, dan beseffen zij 
hoe groot uw liefde is voor mij.

8. Dankzij uw zegenende handen
word ik weer blij, verdwijnt mijn schande.
Laat wie mij voor de rechter dagen
nu op hun beurt een spotkleed dragen.
Ik prijs U, HEER, mijn dank is groot:
U helpt de armen in hun nood.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. God, die ik prijs, blijf toch niet zwijgen!
Hoor hoe bedriegers mij bedreigen.
Ik word belasterd en bedrogen;
de vijandschap spat uit hun ogen.
Ik bid voor hen, maar krijg als dank
een plaats in de beklaagdenbank.

2. ‘Ga aan een goddeloze vragen
of hij mijn vijand aan wil klagen.
Dat, ondanks al zijn bange smeken,
de rechter keihard recht zal spreken.
Dat snel zijn laatste uur zal slaan;
een ander krijgt daarna zijn baan.

3. Dat zijn gezin, volstrekt verlaten,
voedsel zal zoeken op de straten.
Dat schuldeisers verdelen zullen
wat hij verzameld had aan spullen.
Dat niemand hem nog bij zal staan,
zijn naam voor altijd zal vergaan.

4. Dat God de schuld uit het verleden,
de zonden die zijn ouders deden,
nooit zal vergeten en vergeven.
Die man is immers heel zijn leven
voor zwakke mensen een gevaar:
hij is een brute moordenaar.

5. Dat onheil hem kapot zal maken,
zijn vloek dit keer hemzelf zal raken,
Dat hij een massa tegenslagen
als mantel om zich heen zal dragen.
Dat ongelukken hem compleet
bedekken zullen als een kleed.’

6. Laat zó, God, mijn belagers lijden,
wie over mij slechts kwaad verspreiden.
Verlos mij van mijn tegenstanders.
Ik ken U, HEER: U kunt niet anders!
U die uw naam aan mij verbond,
red mij, mijn hart is diep verwond.

7. Kort als een schaduw is mijn leven;
als een insect word ik verdreven.
Er zit geen vet meer op mijn botten.
Hoor hoe de mensen met mij spotten!
HEER, help mij, dan beseffen zij 
hoe groot uw liefde is voor mij.

8. Dankzij uw zegenende handen
word ik weer blij, verdwijnt mijn schande.
Laat wie mij voor de rechter dagen
nu op hun beurt een spotkleed dragen.
Ik prijs U, HEER, mijn dank is groot:
U helpt de armen in hun nood.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 28

1. O God, zo waardig mijn gezangen,
Zwijg niet, laat mij mijn recht erlangen.
De boze, die bedrog durft plegen,
Staat, wars van deugd, mij bitter tegen;
Hij heeft zijn mond wijd opgedaan,
Mij met een valse tong verraan.

2. Z' omringden mij met boze woorden,
Die mij, als priemen, 't hart doorboorden;
Ik werd op 't allerfelst bestreden,
Verdrukt, mishandeld tegen reden.
'k Heb voor mijn liefde haat behaald;
Ik bad, maar 'k werd met vloek betaald.

3. Zij hebben kwaad voor goed vergolden,
Voor liefde haat; mijn deugd gescholden.
Gij, God der wraak, straf dezen boze,
Stel over hem een goddeloze;
De satan bie hem tegenstand,
En sta aan zijne rechterhand.

4. Verklaar hem schuldig in 't gerichte;
Verdrijf hem van Uw aangezichte;
Houdt zijn gebeden zelfs voor zonden:
Hij heeft zich tegen God verbonden.
Verkort zijn dagen ; vel hem neer;
Een ander neem' zijn ambt en eer.

5. Laat zijne kinderen als wezen,
Zijn vrouw als weduw' hulp'loos vrezen.
Laat hier en ginds zijn kind'ren zwerven,
Steeds beed'len en de nooddruft derven,
Die 't huisgezin, gesmaad, gevloekt,
Uit zijn verwoeste plaatsen zoekt.

6. Al wat hij heeft, hoe hij moog' klagen,
Word' om zijn schulden aangeslagen.
Hij zie de vrucht van al zijn sloven
Door woeste vreemdelingen roven.
Dat niemand hem in nood verblij',
Of zijnen wezen gunstig zij.

7. Laat kwaad op kwaad zijn huis omringen;
Roei uit al zijn nakomelingen,
En dat in 't volgende geslachte
Elk hun verstorven naam verachte.
Der vaad'ren misdaad zelfs verschaff'
Den HEERE reden tot zijn straf.

8. Dat niets uit Gods gedachtenisse
De zonde zijner moeder wisse.
Laat die, door God hun toegerekend,
Gedurig staan voor Hem getekend.
Dat God daarover steeds zich belg',
En hunnen naam van d' aard' verdelg'.

9. Omdat hij, tegen zijn geweten,
Het weldoen trouw'loos heeft vergeten,
En de ellendigen en armen
Vervolgd' in plaats van zich t' erbarmen;
Ja, den verslagene van geest
Is tot een moordenaar geweest.

10. Hij heeft den vloek op zich genomen;
Laat dan dien vloek hem overkomen.
Hij heeft geen lust gehad tot zegen,
Dies word' die nooit van hem verkregen;
Maar dat de vloek hem overdekk',
En tot een aak'lig kleed verstrekk'.

11. Laat dien, om al zijn handelingen,
Tot in zijn hart, als water, dringen.
Als olie, rijkelijk geschonken,
En door de beend'ren ingedronken.
Dat hem die vloek zijn deksel geev',
En als een gordel aan hem kleev'.

12. Dit loon krijg, elk van 's HEEREN handen,
Die zo godd'loos mij aan durft randen,
En met zijn lastertong mij doden!
Maar Gij, o HEER', o God der goden,
Dat Uwe hand mij heil bestell',
Doe om Uws Naams wil aan mij wel!

13. Uw gunst is groot, zij is bestendig.
Verlos mij dan, ik ben ellendig,
Nooddruftig, 'k voel mijn kracht verbroken,
Mijn hart met wond op wond doorstoken.
Ik ga gelijk de schaduw heen,
Wanneer de zon snelt naar beneen.

14. Gelijk een sprinkhaan, omgedreven,
Berg ik nu hier, dan daar, mijn leven.
Mijn knieen weig'ren mij te schragen;
En 't afgematte lijf te dragen.
Mijn vlees is mager, uitgeteerd,
Zodat het alle vet ontbeert.

15. Al ben ik met die smart beladen,
Nog gaan zij voort met mij te smaden,
Met mij, al schimpende te groeten.
Zij schudden 't hoofd, die mij ontmoeten.
O HEER', help mij, die U verbeidt,
Naar Uwe goedertierenheid.

16. Opdat zij weten en belijden,
Dat Uwe hand mij wil bevrijden,
Dat Gij, o HEER', mijn recht doet gelden.
Laat hen dan vloeken, last'ren, schelden.
Maar zegen Gij mij, o mijn God;
Gij zijt mijn erfdeel en mijn lot.

17. Beschaam hun raadslag t' allen tijde;
Maar dat het heil Uw knecht verblijde!
Dat schande mijnen vijand dekke,
Dat schaamte hem ten kleed verstrekke,
Dat zij hem tot een mantel dien',
Waarmee wij hem omhangen zien.

18. Ik zal den HEER' op 't hoogste prijzen,
'k Zal Hem bij velen eer bewijzen;
Want Hij zal zich gewis erbarmen
En staan ter rechterhand des armen;
Hem redden uit het snood gericht,
Waar 't vonnis tot zijn doodstraf ligt.

1. O Heer, mijn roem en eer geprezen,
Wil toch voortaan niet stille wezen.
De booz' openen hare monden
Tegen mij, en samen verkonden
Valsheid en veel leugenen kwaad,
Met tongen erg en obstinaat.

2. Zonder oorzaak zij steeds kwaad spreken,
Met haat fel zij hen aan mij wreken
Voor liefde, die ik t' allen tijden
Hun doe, zeer hard zij mij bestrijden.
Maar in mijn tegenheid niet klein,
Is 't gebed mijn toevlucht allein.

3. Voor 't goede, kwaad zij mij bewijzen,
En voor liefde haat met afgrijzen;
Dies wil z' o Heer, met angst en beven
Den godd'lozen wreed overgeven,
Dat hem sta aan de rechterhand,
Tot zijn verderf, zijne vijand.

4. Als hij voor dat recht zal verschijnen,
Laat hem veroordeeld zijn met pijnen.
Laat zijn gebeden hem verkeren
Tot zond' en tot zijner oneren.
Laat zijn dagen haast'lijk vergaan,
En anderen zijn ambt ontvaan.

5. Laat ook zijn kind'ren wezen werden,
En zijn wijf een weduw' op aarde;
Laat ze dwalen en beide t' zamen
Brood bedelen; wil ze beschamen!
Verderf ze gaar, maak ze berooid,
Laat ze uitlandig zijn verstrooid.

6. Laat de woekeraars gans uitzuipen
Zijn goed, en dat hem onderkruipen
De vreemden, ja roven gestadig.
Dat hem niemand en zij genadig,
Noch ook hem ontfermt in 't gemein
Over zijn arme wezen klein.

7. Dat zijn nakomers haast versmachten
En vergaan in 't tweede geslachte;
Zijn huis zij te gronde gesmeten.
Dat nimmermeer worde vergeten
Zijner vaderen zonden zwaar,
Die zij gedaan hebben eenpaar.

8. Wil Heer, ook zijner moeder zonden
Gedachtig zijn tot allen stonden.
Laat de boosheid, die zij bedrijven,
T' eeuwiger tijd, Heer, voor U blijven;
Laat haar gedachtenisse zaan
Van der aarde gans'lijk vergaan.

9. Omdat hij nooit en had ontfarmen
Over de bedrukten en armen;
Maar vervolgde hen, die daar zaten,
Met ellend' benauwd bovenmaten;
De bezwaarden met angst en nood
Vervolgde hij wreed tot den dood.

10. Hij heeft den vloek gewenst alommen,
Laat die nu, Heer, over hem kommen;
Hij begeerde nooit genen zegen,
Dies geeft hem dien in genen wegen,
Laat hem met ongeluk en leed
Als met enen rok zijn gekleed.

11. Gelijk men 't water pleegt te drinken,
Wil hem alzo den vloek inschinken;
Zo d' olie de benen doordringet,
Laat hem ook zo wezen omringet,
En als met een rieme zeer snel
Omgegord zijn met vloeken fel.

12. Dit zij de loon in alle landen
Mijner moedwillige vijanden;
Laat zulks de kwaad' tongen beërven,
Die met list zoeken mijn verderven.
Maar Gij, o Heer, in dezen nood,
Help mij om Uws Naams wille groot.

13. Heer, mijn troost staat op Uw genade,
Verlos mij nu, kom mij te stade;
Want ik ben ellendig vol plagen,
Mijn hart in mij is gans verslagen;
Ik vare weg in dezen staat,
Gelijk een schaduwe vergaat.

14. Dikwijls ben ik verjaagd met tranen,
Zo men in 't veld jaagt de sprinkhanen.
Mijn kniên zijn zwak en zonder krachten.
Van vasten dagen lang en nachten;
Mijn vlees is mager, want gaar net
Is verteerd al mijns lichaams vet.

15. Nog moet ik, Heer, aan alle zijden
Duizend spotreed'nen van hen lijden;
Als zij mij zien, die boze kudden,
't Hoofd over mij zij t' zamen schudden.
Maar Gij, mijn Koning en mijn Heer,
Help mij genadiglijk nu meer.

16. Opdat ze, Heer, mogen bemerken,
Dat dit zijn Uwer handen werken;
En dat zij zulks mogen belijden,
Dat Gij mij wilt en kunt bevrijden.
Zij zullen mij vloeken vol spijt,
Maar Gij zult zegenen altijd.

17. Is 't dat ze hen tegen mij stellen,
Gij zult ze met smaad nedervellen;
En zult mij met blijdschap verhogen,
Daar zij zullen zijn aangetogen
Met smaad; want haar kleed wezen zal
Schand' en groot oneer overal.

18. Ik wil God met mijn gezang prijzen;
In de gemeenten zal oprijzen
Zijn roem; want Hij heeft bijgestanden
Den armen, dien Hij lost uit handen
Der bozen; zodat ledig komt
Hij, die t' onrechte was verdoemd.

1. God die ik loof te allen tijde,
zwijg niet, kom haastig tussenbeide.
De haat verheft zich allerwege,
om leugens is geen mens verlegen.
De goddeloze roert de mond,
staat mij naar 't leven zonder grond.

2. Ik heb mijn liefde hun gegeven,
geheel mijn hart, geheel mijn leven,
hoewel zij met verraad mij lonen.
Ik bid voor allen die mij honen,
ik zegen ieder die mij haat,
maar zij vergelden goed met kwaad.

3. "Laat onrechtvaardigen hem richten,
laat goddelozen hem betichten
en laat hem schuldig zijn bevonden.
Worde zijn smeekgebed tot zonde,
worde zijn leven ras verteerd,
een ander met zijn ambt geëerd.

4. Verwees zijn kroost, verweeuw zijn gade,
laat op genade of ongenade
zijn kind'ren bedelen en dolen
en opgejaagd zijn uit hun holen.
Worde al wat hij had vergaard
geplunderd en verbeurd verklaard.

5. Laat niemand hem meer liefde schenken,
niemand zijn kinderen gedenken,
ja, laat zijn kroost ten grave dalen,
niemand hun namen meer herhalen,
dat zijn geslacht geen wortel schiet,
als onkruid dat is uitgewied.

6. De schuld der vroegere geslachten
blijve voorgoed in Gods gedachten.
Ja, laat de zonde van zijn ouders
als last neerkomen op zijn schouders.
Tot zijn geslacht niet meer bestaat
wreke God eindeloos hun kwaad.

7. Hij kende deernis noch erbarmen,
vervolgde tot de dood de armen.
Laat hem zegen en vloek beseffen.
Vloek had hij lief, dat vloek hem treffe.
De zegening verfoeide hij,
zegening ga aan hem voorbij.

8. Vloek heeft hij als een kleed gedragen,
laat vloek nu zijn gebeente knagen,
laat vloek zijn lichaam overdekken,
laat vloek zijn vlees en bloed doortrekken".
Zo loont de Heer wie mij weerstaat
met leugentaal en lasterpraat.

9. O trouwe Heer, die hebt gegeven
de kennis van uw naam ten leven,
zij nu voor mij die naam het teken
dat Gij tot mij in gunst wilt spreken
en rijk in goedertierenheid
naar uw beloften mij bevrijdt.

10. Ik ben ellendig boven mate,
mijn hart wil zich niet troosten laten.
In 't licht dat bijna is verdwenen
ga ik gelijk een schaduw henen.
Als een insect dat men vertreedt,
zo lig ik neder in mijn leed.

11. Mijn knieën kunnen mij niet dragen.
Ik heb van vasten en van klagen
al mijn gedaant' en vorm verloren.
Ik hoor een spotlach in mijn oren
en die mij aanzien schudden 't hoofd.
Ik ben van heerlijkheid beroofd.

12. Help mij, o Heer, naar uw meedogen,
verlos mij door uw groot vermogen.
Wil naar uw goedertierenheden
nu voor uw knecht in 't strijdperk treden.
Zodat al wie het gadeslaan
weten dat Gij het hebt gedaan.

13. Geef voor hun vloek, o Heer, mij zegen,
treed alwie zich verheffen tegen
en laat uw dienaar zich verblijden
wanneer hun plannen schipbreuk lijden.
Hul in de mantel van de smaad
al wie mij naar het leven staat.

14. Ik zal met luider stem den Here
in 't midden der gemeente eren,
want Hij staat aan de rechterzijde
van allen die verdrukking lijden.
wanneer de boze hen beticht,
is Hij hun voorspraak in 't gericht.

1. God die ik loof te allen tijde,
zwijg niet, kom haastig tussenbeide.
De haat verheft zich allerwege,
om leugens is geen mens verlegen.
De goddeloze roert de mond,
staat mij naar 't leven zonder grond.

2. Ik heb mijn liefde hun gegeven,
geheel mijn hart, geheel mijn leven,
hoewel zij met verraad mij lonen.
Ik bid voor allen die mij honen,
ik zegen ieder die mij haat,
maar zij vergelden goed met kwaad.

3. "Laat onrechtvaardigen hem richten,
laat goddelozen hem betichten
en laat hem schuldig zijn bevonden.
Worde zijn smeekgebed tot zonde,
worde zijn leven ras verteerd,
een ander met zijn ambt geëerd.

4. Verwees zijn kroost, verweeuw zijn gade,
laat op genade of ongenade
zijn kind'ren bedelen en dolen
en opgejaagd zijn uit hun holen.
Worde al wat hij had vergaard
geplunderd en verbeurd verklaard.

5. Laat niemand hem meer liefde schenken,
niemand zijn kinderen gedenken,
ja, laat zijn kroost ten grave dalen,
niemand hun namen meer herhalen,
dat zijn geslacht geen wortel schiet,
als onkruid dat is uitgewied.

6. De schuld der vroegere geslachten
blijve voorgoed in Gods gedachten.
Ja, laat de zonde van zijn ouders
als last neerkomen op zijn schouders.
Tot zijn geslacht niet meer bestaat
wreke God eindeloos hun kwaad.

7. Hij kende deernis noch erbarmen,
vervolgde tot de dood de armen.
Laat hem zegen en vloek beseffen.
Vloek had hij lief, dat vloek hem treffe.
De zegening verfoeide hij,
zegening ga aan hem voorbij.

8. Vloek heeft hij als een kleed gedragen,
laat vloek nu zijn gebeente knagen,
laat vloek zijn lichaam overdekken,
laat vloek zijn vlees en bloed doortrekken".
Zo loont de Heer wie mij weerstaat
met leugentaal en lasterpraat.

9. O trouwe Heer, die hebt gegeven
de kennis van uw naam ten leven,
zij nu voor mij die naam het teken
dat Gij tot mij in gunst wilt spreken
en rijk in goedertierenheid
naar uw beloften mij bevrijdt.

10. Ik ben ellendig boven mate,
mijn hart wil zich niet troosten laten.
In 't licht dat bijna is verdwenen
ga ik gelijk een schaduw henen.
Als een insect dat men vertreedt,
zo lig ik neder in mijn leed.

11. Mijn knieën kunnen mij niet dragen.
Ik heb van vasten en van klagen
al mijn gedaant' en vorm verloren.
Ik hoor een spotlach in mijn oren
en die mij aanzien schudden 't hoofd.
Ik ben van heerlijkheid beroofd.

12. Help mij, o Heer, naar uw meedogen,
verlos mij door uw groot vermogen.
Wil naar uw goedertierenheden
nu voor uw knecht in 't strijdperk treden.
Zodat al wie het gadeslaan
weten dat Gij het hebt gedaan.

13. Geef voor hun vloek, o Heer, mij zegen,
treed alwie zich verheffen tegen
en laat uw dienaar zich verblijden
wanneer hun plannen schipbreuk lijden.
Hul in de mantel van de smaad
al wie mij naar het leven staat.

14. Ik zal met luider stem den Here
in 't midden der gemeente eren,
want Hij staat aan de rechterzijde
van allen die verdrukking lijden.
wanneer de boze hen beticht,
is Hij hun voorspraak in 't gericht.