Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De Geneefse Psalmen liggen me na aan het hart, maar de huidige vertaling uit het Gereformeerd Kerkboek is sterk verouderd. Soms is dat niet erg, want herkenbaarheid is voor ouderen erg belangrijk. Maar vanaf de kansel zie ik jongeren en masse hun mond houden; ze weten niet meer wat ze zingen. Lees meer »

Matthijs van der Welle| Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Matthijs van der Welle
Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Lees alle quotes

Berijmingen

Er zijn geen resultaten gevonden Wis alle fiters en zoek opnieuw

Psalm 25

Arie Maasland

1. HEER, bij U zoek ik ontferming.
Ik vertrouw op U, mijn God.
Red mijn eer, geef mij bescherming
nu mijn vijand mij bespot.
Wie gelovig op U wacht,
eindigt niet met lege handen.
Maar wie dwaas uw wil veracht
voelt straks diepe schaamte branden.

2. HEER, leer mij uw waarheid kennen
en uw onderwijs verstaan.
Laat mij aan uw wegen wennen.
Wijs de juiste richting aan.
Want U bent het die mij redt.
Hele dagen, hele nachten
ben ik hoopvol in gebed:
altijd blijf ik U verwachten.

3. Denk toch niet aan mijn verleden;
denk aan uw barmhartigheid.
Spreek mij vrij en schenk mij vrede.
Scheld mij al mijn schulden kwijt.
Meer dan eens ben ik ontspoord
in mijn onbezonnen jaren.
HEER, bewijs dat U mij hoort.
Laat mij uw geduld ervaren.

4. God is goed, Hij is rechtvaardig.
Wie gefaald heeft, neemt Hij aan.
Wie zich klein maakt keurt Hij waardig
om het rechte spoor te gaan.
Wie op zijn verbond vertrouwt
zal Hij liefdevol belonen.
Aan wie zijn geboden houdt
zal Hij zich betrouwbaar tonen.

5. Gun mij vrijspraak, gun mij leven,
omdat U genadig bent.
Laat uw naam de doorslag geven;
die staat immers goed bekend.
Wie gehoorzaamt, wie U acht
hoeft niet stuurloos rond te zwerven.
U beloont hem; zijn geslacht
zal het hele land beërven.

6. Wie Hem vol ontzag verwachten
geeft de HEER – zo goed is Hij –
inzicht in zijn hartsgedachten.
Hij komt als een vriend dichtbij.
Ik blijf steeds vol goede moed
op zijn ondersteuning hopen.
Hij geleidt mij, Hij verhoedt
dat ik in de val zal lopen.

7. HEER, ik voel me zo verlaten:
zoveel zonden in mijn hart,
zoveel mensen die mij haten,
zoveel angst die mij verwart.
Laat toch zien dat U mij ziet,
dat U meevoelt met mijn lijden.
Grijp toch in, beschaam mij niet.
U alleen kunt mij bevrijden.

8. Laat oprechtheid mij bewaren;
geef mij vroomheid die niet zwicht.
Ondanks dreigende gevaren
is mijn oog op U gericht.
HEER, op wie mijn hart vertrouwt
en in wie ik ben geborgen,
maak het volk waarvan U houdt
vrij van zonden en van zorgen.

Psalm 33

Jan Pieter Kuijper

1. Juich, wie de HEER van harte eren;
laat horen dat je vrolijk bent.
Bewijs Hem eer, ga musiceren,
bespeel bezield je instrument.
Zing bij de akkoorden
vreugdevolle woorden
met je hart en stem.
Maak unieke klanken
om de HEER te danken;
speel vol vuur voor Hem.

2. De HEER zal nooit zijn woorden breken;
het is betrouwbaar wat Hij zegt.
Zijn werken op de aarde spreken
van goedheid, liefde, trouw en recht.
Zijn bevel bepaalde
dat het zonlicht straalde.
Land en oceaan
heeft de HEER gescheiden.
Zeeën en getijden
zijn door Hem ontstaan.

3. Laat wie op aarde wonen beven
vol eerbied en ontzag voor God: 
één woord sprak Hij en er was leven; 
uit niets kwam iets op zijn gebod.
Wat de volken samen
zonder God beramen
wordt door Hem gestuit.
Niets kan Hem beletten
plannen voort te zetten
volgens zijn besluit.

4. Het volk dat met de HEER wil leven
is rijk: het mag zijn natie zijn.
Hij kijkt, hoog op zijn troon verheven,
naar alle mensen, groot en klein.
Wat zij overleggen,
nog gaan doen of zeggen,
weet de HEER meteen.
Hij die hen creëerde
en uit niets boetseerde
kijkt door alles heen.

5. Een koning kan geen oorlog winnen
dankzij een grote legermacht;
met paarden kan hij niets beginnen,
al hebben ze nog zoveel kracht -
maar God zal bevrijden
wie zijn naam belijden.
Wie in hongersnood
hulp van Hem verwachten
krijgen nieuwe krachten.
Hij redt van de dood.

6. Verlangend staan wij uit te kijken
naar Hem, de redder, onze HEER.
Als schild zal Hij niet van ons wijken;
vol liefde ziet Hij op ons neer.
Al zijn zegeningen
zullen wij bezingen;
ja, Hij maakt ons blij.
HEER, wil aan ons denken,
ons uw zegen schenken.
U verwachten wij.

Psalm 40

Jan Pieter Kuijper

1. Ik zocht God toen ik in de modder zonk.
Verwachtingsvol keek ik omhoog.
Ik zag hoe Hij vooroverboog;
Hij greep mij vast, zodat ik niet verdronk.
De HEER redt drenkelingen;
daar wil ik over zingen.
Zijn lied klinkt uit mijn mond.
De mensen knielen neer
uit eerbied voor de HEER.
Hij geeft hun vaste grond.

2. Gelukkig is hij die van U, HEER, houdt,
die niet met trotse mensen leeft,
geen aandacht voor bedriegers heeft,
maar zich volledig aan U toevertrouwt.
U liet ons steeds ervaren
hoe groot uw daden waren.
Doordacht was heel uw plan.
U bent mijn God en HEER.
U deed voor ons veel meer
dan ik vertellen kan.

3. Wat ik te bieden heb, maakt U niet blij.
Naar offers bent U niet op zoek.
Ik hoor de woorden uit uw boek
en ik sta klaar, want dat gaat over mij!
U hebt daar opgeschreven
hoe ik voor U moet leven.
Wat is het heerlijk, God,
dat ik U elke dag
van harte dienen mag.
Ik koester uw gebod.

4. Ik geef bezield de blijde boodschap door.
Ik zwijg niet, HEER, ik moet het kwijt!
Uw trouw en uw rechtvaardigheid
houd ik de toegestroomde mensen voor.
U toont uw medeleven;
U wilt bescherming geven.
Open uw hart voor mij.
Omring mij telkens weer
met uw ontferming, HEER.
Sta mij vol liefde bij.

5. Red mij opnieuw, want onheil drukt mij neer.
Van alle zonden die ik doe
ben ik gebroken en doodmoe.
HEER, help mij toch, kom snel: ik kan niet meer!
Laat wie mijn dood beramen
zich allemaal diep schamen.
Bestraf hun lasterpraat.
Toon uw rechtvaardigheid
en zorg dat voor altijd
het lachen hun vergaat.

6. Wie zijn geluk alleen bij U zoekt, lacht,
blij dat hij dicht bij U mag zijn.
‘De HEER is groot’ is het refrein
van hem die al zijn hulp van U verwacht.
Ik ben in mijn ellende
voor U geen onbekende.
Mijn helper, dat bent U!
HEER, U negeert mij niet;
U weet van mijn verdriet.
Mijn God, bevrijd mij nu.

Psalm 45

Adriaan Molenaar

1. Met dit gedicht wil ik de koning loven.
De goede woorden borrelen naar boven
vanuit mijn hart; mijn tong is als een pen
waarmee ik soepel aan het schrijven ben.
O koning, als wij naar uw schoonheid kijken
is er geen mens met u te vergelijken.
Genade spreekt uit alles wat u zegt,
vandaar dat God zijn zegen op u legt.

2. Pak zwaard en boog, trek onbevreesd ten strijde;
kom stralend naar de overwinning rijden! 
Terwijl u strijdt voor waarheid, trouw en recht
doorboort uw pijl elk volk dat u bevecht.
Wij mogen iets van God in u ervaren:
onwankelbaar doorstaat uw troon de jaren
terwijl u eerlijk over ons regeert,
het goede liefhebt en het kwade weert.

3. Om uw oprechtheid maakte God u koning
en zalfde u met olie bij uw kroning.
Die vreugdegeur hangt nog in uw gewaad;
een zoete reuk omringt u waar u gaat.
Muziek weerklinkt vanuit ivoren zalen
waar rijkgeklede koningsdochters stralen.
Rechts naast u staat uw schitterende bruid;
gehuld in goud ziet zij er prachtig uit.

4. “Kom bruid, vergeet je ouderlijke woning
en laat je nu beminnen door de koning!
Buig onder zijn gezag, hij is je heer.
Zijn volk legt reeds geschenken voor je neer.
Het grote feest kan elk moment beginnen;
wat ben je mooi terwijl je wacht hierbinnen!
In goudbrokaat ga je hem tegemoet,
gevolgd door meisjes in een blijde stoet.”

5. Met vreugde en gezang komt men haar halen
en brengt haar naar de koninklijke zalen.
Het oude is voorbij, de toekomst wacht,
de weg ligt open voor een nieuw geslacht.
Uw kinderen zijn trotse koningszonen
die overal op aarde zullen tronen.
Uw naam, o koning, wordt nog lang genoemd;
ik zing uw lof zodat elk volk u roemt!

Psalm 49

Jan Pieter Kuijper

1. Hoor, mensen, waar je ook ter wereld bent.
Of je nu rijk bent of geen weelde kent,
of je nu macht hebt of er niet toe doet:
let op wat ik ga zeggen, luister goed.
Er drongen wijze woorden tot mij door;
die leg ik aan de hele mensheid voor.
Wat ik ontdekt heb laat ik aan je horen,
dus spits terwijl ik voor je zing je oren.

2. Ik ben niet bang voor onrecht en geweld
van profiteurs die bouwen op hun geld.
Trots als ze zijn begrijpen ze maar niet
dat hun fortuin geen eeuwig leven biedt.
Ze zijn zelfs met hun rijkdom niet in staat
een broer te redden als die sterven gaat.
Niemand kan God voldoende losgeld geven
om te betalen voor een mensenleven.

3. Het leven van een mens is tijdelijk;
het koude graf is onvermijdelijk.
De dood klopt eens bij wijze mensen aan,
ook dwazen zullen weer tot stof vergaan.
Wat er aan waarde is bijeengebracht
gaat over op het volgende geslacht.
Zoals een beest de dood niet kan ontwijken,
zo eindigt ook het leven van de rijke.

4. Wie op zichzelf vertrouwen en hun lot
niet overgeven in de hand van God
worden, wanneer zij sterven, weggeleid;
de dood is als een herder die hen weidt.
Maar de oprechten worden opgericht,
zij overwinnen in het morgenlicht.
De dag komt dat God zelf mij op zal halen;
Hij wil de kosten voor mijn ziel betalen.

5. Al heeft een rijke meer bezit dan jij,
wees maar gerust: die luxe gaat voorbij.
Hoewel hij nu geniet van geld en eer,
eens daalt hij doodarm in de grafkuil neer.
Hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht.
Zijn licht dooft uit, voor altijd is het nacht.
Wie ondoordacht zijn leven laat verstrijken
zal bij zijn sterven op de dieren lijken.

Psalm 51

Jan Pieter Kuijper

1. Heb medelijden God! Ik roep U aan
omdat uw hart gevuld is met genade.
Wis alle zonden weg, omdat mijn daden
mij als een grote last voor ogen staan.
Wat ik gedaan heb is ontstellend slecht.
Ik heb mij tegen U, o God, misdragen.
Welk vonnis U ook velt, het is terecht.
Ten einde raad wil ik vergeving vragen.

2. Vanaf de moederschoot heb ik al schuld.
Het kwaad zat in mij toen ik werd geboren.
Maar U laat diep in mij uw waarheid horen;
U wilt dat ik met wijsheid word vervuld.
Ontzondig mij geheel, dan ben ik rein.
Was mij, zodat ik wit zal zijn vanbinnen,
nog witter dan de witste sneeuw kan zijn
en laat de vreugde van de droefheid winnen.

3. Let niet meer op mijn fouten, wis ze uit.
Zuiver mijn hart en wil mijn schuld vergeven.
Ik kan alleen standvastig met U leven
als U de ogen voor mijn zonden sluit.
Red mij en maak mij bruikbaar tot uw eer,
dan zal ik zondaren uw wetten leren.
Geeft U mij blijdschap en bezieling weer,
zodat zij luisteren en zich bekeren.

4. God, spreek mij vrij van mijn verdiende straf.
Vergeld geen bloed met bloed, laat mij niet boeten,
al zou dit ook volgens uw wetten moeten.
Mijn God, help mij en wend de dreiging af.
Mijn mond zal juichen als U mij bevrijdt.
Dan kan ik tong en lippen niet bedwingen:
ik prijs U aan om uw gerechtigheid
en zal uw lof uit volle borst bezingen.

5. Door offers worden schulden niet voldaan.
In dode dieren schept U geen behagen.
U neemt ons hart, gebroken en verslagen,
genadig als een offergave aan.
Bouw Sion op in al zijn oude pracht.
Daar wordt het offer, rein en ongeschonden,
weer naar de eisen van uw wet gebracht.
Zonder gebrek draagt het voor ons de zonden.

Psalm 68

Jan Pieter Kuijper

1. Wanneer God opstaat, staakt de strijd:
zijn haters zoeken veiligheid;
ze rennen voor hun leven.
Zoals de wind de rook verjaagt
zo heeft de HEER hen weggevaagd;
voorgoed zijn ze verdreven. 
Maar de rechtvaardigen zijn blij.
Als God eraan komt juichen zij
en klappen opgetogen.
Zijn naam is HEER, sta dus paraat
wanneer Hij door de velden gaat.
Zing om Hem te verhogen.

2. God kijkt vanuit zijn heiligdom
als vader naar de wezen om;
de weduwen behoedt Hij.
Wie zich verlaten voelt en zwak
geeft Hij ruimhartig onderdak;
de hongerige voedt Hij.
Wie niet meer weet wat vrijheid is
haalt Hij uit de gevangenis,
van elke straf ontheven.
Maar mensen die opstandig zijn
lijden gebrek in de woestijn;
niets kan daar overleven.

3. O God, toen U vol majesteit
uw eigen volk had uitgeleid
als herder van uw kudde,
dreunde de hele aarde luid,
de hemel stortte water uit;
de Horeb stond te schudden.
U hebt hen door uw grote macht
naar het beloofde land gebracht,
dat groen was door de regen.
Uw kleine kudde, uitgeblust,
kreeg daar weer nieuwe kracht en rust.
U gaf aan hen uw zegen.

4. Geef deze blijde boodschap door,
verspreid dit woord van God in koor:
de vijand is verslagen!
Door vrouwen werd de buit geteld,
terwijl hun mannen in het veld
lui bij het kampvuur lagen.
Het zilver blonk in overvloed.
Verblindend was de gouden gloed
van fraai vergulde duiven.
Gods almacht joeg de heersers op,
zoals de storm op Salmons top
de sneeuw hoog op laat stuiven.

5. Jij, Basans berg, massieve rots,
met al je toppen, machtig trots,
wat sta je daar te kniezen?
Waarom vind jij het toch zo erg
dat God niet jou, jaloerse berg,
als woonplaats wilde kiezen?
Met veel vertoon van macht beklom
de HEER zijn berg, zijn heiligdom;
zijn zege werd bezongen.
Men legde gaven voor Hem neer.
Zelfs van rebellen heeft de HEER
belastinggeld bedongen.

6. Prijs en aanbid God elke dag.
Bij voorspoed en bij tegenslag
zal deze God ons dragen.
Hij is een God die ons bevrijdt,
die zegenend zijn handen spreidt;
Hij heeft de dood verslagen.
Zijn tegenstanders velt Hij neer.
‘Ik kom ze halen’, spreekt de HEER,
‘en gun hen geen genade.
De honden likken van hun bloed.
De straat kleurt rood en jullie voet
zal door die plassen waden.’

7. Dit schitterende zangfestijn,
met luit en harp en tamboerijn,
is voor de HEER, mijn koning.
De mannen gaan al zingende,
de meisjes vrolijk springende
in optocht naar zijn woning.
Prijs, klein en groot, bij snarenspel
de HEER, de God van Israël,
de bron van al het leven.
Het land loopt uit van zuid tot noord,
tot welke stam men ook behoort,
om God de eer te geven.

8. U hebt aan ons uw macht getoond
vanuit de tempel waar U woont;
bevestig deze daden.
Dan wordt U, God, in uw paleis
door koningen als eerbewijs
met gaven overladen.
Bestraf het land dat ons bespiedt
en spaar de brute volken niet
die slechts aan rijkdom denken.
Dan komen afgezanten snel
om U, de God van Israël,
te dienen met geschenken.

9. Zing, koninkrijken, zing voor Hem,
voor God de HEER, met hart en stem;
erken Hem, alle volken.
Hij trekt zijn koninklijke spoor
de hoge hemelsferen door,
ver boven lucht en wolken.
De HEER verheft zijn stem met kracht.
Zijn majesteit en grote macht
gaan het verstand te boven.
Vanuit zijn heiligdom staat Hij
zijn Israël vol liefde bij.
Laat iedereen God loven!

Psalm 69

Jan Pieter Kuijper

1. Verlos mij, God, voorkom dat ik verdrink.
De stroom is sterk, het water blijft maar stijgen.
Ik kan ternauwernood nog adem krijgen.
Diep is de modder waar ik in verzink.
Van al het roepen is mijn keel kapot.
Ik zie haast niets meer: doodmoe zijn mijn ogen
van al het uitzien naar uw komst, mijn God.
Zet mij toch veilig naast U op het droge!

2. Mijn tegenstanders zie ik overal!
Zij zeggen dat ik van hen heb gestolen
en hebben mij in blinde haat bevolen
dat ik mijn buit aan hen vergoeden zal.
Niets nam ik weg, al zondig ik vaak wel.
HEER, mijn schuld ontgaat U geen seconde.
Laat wie U zoeken, God van Israël,
geen schade lijden door mijn dwaze zonden.

3. Om U word ik verstoten en gesard.
In mijn familiekring heb ik geen leven,
omdat ik U mijn liefde heb gegeven.
Wie U bespotten, trappen op mijn hart.
Ik zit in zak en as door al hun haat;
verdrietig loop ik rond in oude kleren.
Ze lallen liedjes over mij op straat.
Hoor hoe ze leuzen over mij scanderen.

4. Daarom blijf ik steeds tot U bidden, HEER.
God, laat het nu het uur zijn van genade.
Groot is uw trouw, bevrijdend zijn uw daden;
verhoor me dan en toon uw liefde weer.
Trek me omhoog, ik heb geen vaste grond.
De schurken laten mij steeds dieper zinken.
Een modderstroom van spot komt uit hun mond.
Verlos mij, God, voordat ik zal verdrinken.

5. HEER, antwoord mij, want U bent trouw en goed.
Verberg U niet, maar kom me snel bevrijden.
Ik ben uw knecht, toon mij uw medelijden.
U weet dat ik veel hoon verdragen moet.
Ik zocht, maar vond geen troost in al mijn pijn.
Er is geen mens die nog van mij wil weten.
Als ik wil drinken, krijg ik zure wijn.
Die moordenaars vergiftigen mijn eten!

6. HEER, laat hen stikken in hun eigen brood!
Dat ze voor straf als kreupelen en blinden
al strompelend geen enkel houvast vinden.
Grijp in en stel hen aan uw woede bloot.
Verwoest hun huizen, ruïneer hun stad;
laat niemand in zijn woning achterblijven.
Want U straft mij, maar zij verzwaren dat:
ze blijven zout in al mijn wonden wrijven.

7. God, reken dat gespuis hun zonden aan;
dat U geen misdaad van hen zult vergeven!
Schrap hen toch uit de boekrol van het leven;
laat daar alleen rechtvaardigen in staan.
Mijn lichaam is gebroken van de pijn.
Ik ben verzwakt en doodop van het huilen.
O God, U wilde steeds mijn redder zijn,
laat me ook dit keer veilig bij U schuilen.

8. Ik prijs Gods naam en breng Hem dank en eer.
Zijn grootheid zal ik opgetogen vieren.
Het gaat Hem niet om reine offerdieren:
een lied van lof waardeert de HEER veel meer.
Dit maakt de nederige mensen blij.
Wie Gods nabijheid zoekt, voelt zich herboren.
Zijn volk, nu nog gevangen, maakt Hij vrij;
misdeelde mensen zal de HEER verhoren.

9. Laat mens en dier, wat maar bewegen kan,
de grote naam van God uitbundig prijzen,
want Hij laat Sion uit het puin herrijzen.
Voor Juda’s stad heeft Hij een reddingsplan:
De huizen worden door Hem opgebouwd.
De burgers mogen weer in vrijheid leven.
Hij zal het volk dat vurig van Hem houdt
het land voor altijd als bezitting geven.

Psalm 71

Jan Pieter Kuijper

1. Ik schuil bij U met al mijn zorgen.
Beschaam mij niet, o HEER.
Spreek recht, help ook dit keer.
In U, mijn rots, ben ik geborgen.
U hebt mij niet vergeten;
ik mag me veilig weten.

2. God, wil de plunderaars verjagen,
hun schrikbewind verslaan.
U bent van jongs af aan
mijn toeverlaat in bange dagen.
Voordat ik was geboren
mocht ik al bij U horen.

3. Dat U uw trouw aan mij laat blijken
ontgaat de mensen niet.
Tot U vlucht ik, U biedt
een plek waar ik naar uit kan wijken.
Geen dag laat ik passeren
zonder uw naam te eren.

4. Wil mij toch niet de rug toekeren
nu ik, bejaard en zwak,
naar uw bescherming snak.
Kijk hoe die schurken samenzweren.
Hoor hoe ze spottend praten:
‘zijn God heeft hem verlaten.’

5. God, haast U, red mij uit de handen
van hen die zelfvoldaan
mij naar het leven staan.
Laat hen beschaamd staan en te schande.
Wil wie mijn welzijn schaden
met schaamte overladen.

6. Voortdurend blijf ik op U hopen.
Uw trouw prijs ik steeds weer;
ik breng U alle eer.
Uw hart staat altijd voor mij open.
‘Mijn God’ mag ik U noemen.
Ik zal uw goedheid roemen.

7. U onderwees mij heel mijn leven;
uw lessen waren wijs.
Al is mijn haar nu grijs,
ik blijf, als U mij kracht wilt geven,
voor mijn nakomelingen
uw wonderen bezingen.

8. U laat, o God, uw goedheid rijzen.
Wie is als U zo groot?
Geef dat, na al mijn nood,
de mensen mij weer eer bewijzen.
Wil toch mijn naam verhogen
en al mijn tranen drogen.

9. Dan klinkt mijn loflied bij de klanken
van vrolijk snarenspel.
U, God van Israël,
zal ik voor mijn verlossing danken.
Wie uit is op mijn schande
staat met een mond vol tanden.

Psalm 72

Adriaan Molenaar

1. God, laat de koning goed regeren, 
met recht en met beleid.
Wil hem uw wijze regels leren
en uw gerechtigheid.
Dan zal uw volk in vrede leven, 
dan wordt er recht gedaan: 
verdrukten zal hij redding geven,
verdrukkers pakt hij aan.

2. Laat onze koning hooggeacht zijn 
zolang de zon bestaat.
Moge hij eeuwen aan de macht zijn
totdat de maan vergaat.
Laat hij verkwikkend zijn als regen
die dorstig land bevloeit:
wie eerlijk leeft ervaart zijn zegen
terwijl de vrede bloeit.

3. Tot aan de einden van de aarde
erkent men hem als heer. 
Elk volk moet zijn gezag aanvaarden
en buigt zich voor hem neer.
Geschenken zullen binnenstromen,
uit ieder land gebracht.
De verste vorsten zullen komen
en knielen voor zijn macht.

4. Wie roept om hulp zal hij bevrijden.
Wie in ellende leeft
redt deze koning, die zal strijden
voor wie geen helper heeft. 
Wie arm zijn of door zorg gebogen,
verdrukt of diep in nood – 
hun bloed is kostbaar in zijn ogen.
Hij redt hen van de dood.

5. 'Laat onze koning eeuwig leven',
zo bidt men keer op keer.
Men zal hem goud uit Sjeba geven
en zegent hem steeds weer.
Het koren kiemt, zelfs waar tevoren
geen graan ooit groeien kon;
gerijpt laat het een ruisen horen
zoals de Libanon.

6. De welvaart heerst in elke woning,
de stedeling floreert!
De grote naam van onze koning
wordt overal geëerd.
Zijn roem leeft voort door alle tijden:
men wenst te zijn als hij.
Elk volk blijft zich in hem verblijden 
en prijst zijn heerschappij.

7. Laat iedereen de HEER bezingen, 
de God van het verbond,
want Hij alleen doet grote dingen.
Laat nu uit ieders mond
zijn lof weerklinken door de tijden:
groot is zijn roem en eer! 
Laat al wat leeft zijn naam belijden.
Ja, amen, loof de HEER.

Psalm 73

Jan Pieter Kuijper

1. Ja, God is goed voor Israël,
voor wie zich houdt aan zijn bevel.
Hoewel ik bij Hem wilde horen
begon ik bijna te ontsporen.
Ik was afgunstig op het lot
van hen die leven zonder God.
Ze zijn gezond en eten goed,
terwijl een ander lijden moet.

2. De hoogmoed is hun halssieraad
en het geweld is hun gewaad.
Terwijl de anderen creperen
lopen zij rond te paraderen.
Hun ogen zijn met vet omrand,
ze spotten en zijn arrogant.
Vanaf hun ingebeelde troon
gaan ze tekeer op hoge toon.

3. Hun weg die over rozen gaat,
zet zelfs Gods volk aan tot het kwaad.
De stroom van laster en van leugen
drinkt iedereen met volle teugen.
De dwazen gaan hun eigen gang;
ze zijn voor niets en niemand bang.
Ze spreken roekeloze taal:
‘Wat weet die God nu helemaal?’

4. Ikzelf hield mijn geweten rein,
maar dat leek tevergeefs te zijn.
Want elke dag moest ik verdragen
dat ik onschuldig werd geslagen.
Maar zou ik meegaan met het kwaad,
ik pleegde aan Gods volk verraad.
Waarom word ik zo onderdrukt,
terwijl de dwaas de dagen plukt?

5. Het werd mij in Gods heiligdom
volkomen duidelijk waarom:
U zult de zondaars eens verdrijven,
niets zal er van hen overblijven.
Hun einde zal ontstellend zijn;
ze storten neer in een ravijn.
Ze gaan op uw bevel meteen
als vage morgendromen heen.

6. Wat was ik een mislukkeling
toen ik mijn weg verbitterd ging!
Gekwetst was ik en doorgeslagen;
ik heb me als een beest gedragen.
Nu ben ik bij U voor altijd.
Ik weet dat U mij veilig leidt.
Er komt een eind aan mijn getob:
in heerlijkheid neemt U mij op.

7. Wie heb ik in de hemel, Heer,
behalve U? Ik wens niets meer
dan U te dienen hier beneden,
want U alleen geeft echte vrede.
Al zou mijn lichaam ook vergaan,
U bent de rots van mijn bestaan.
U helpt mij als ik bij U kom;
U bent en blijft mijn eigendom!

8. Wie ver van U zijn krijgen straf,
het loopt voor hen bedroevend af.
Met U, God, heb ik niets te vrezen, 
dicht bij U zal ik veilig wezen.
U bent de HEER op wie ik bouw,
die ik met heel mijn hart vertrouw.
Wat U gedaan heeft is zo goed
dat ik het rondvertellen moet!

Psalm 74

Jan Pieter Kuijper

1. Waarom, o God, verstoot U voor altijd?
Waarom blijft U op ons uw woede koelen?
Laat ons, uw kudde, weer uw liefde voelen.
Denk aan het volk dat U ooit hebt bevrijd.

2. Denk aan uw berg, de woonplaats van uw eer.
Kom naar uw huis, waar wij U mochten dienen.
Bezoek uw stad, al zolang een ruïne:
verwoestend ging de vijand er tekeer.

3. Hun vlag stond midden op het tempelplein,
waar zij hun overwinning luid bezongen.
Diep zijn zij in uw woning doorgedrongen.
Zij sloegen daar het snijwerk kort en klein.

4. Uw heiligdom werd in de as gelegd.
Door plunderingen wilden zij ons breken.
Gaf U ons in uw goedheid maar een teken;
al lange tijd hebt U geen woord gezegd.

5. Hoe lang nog, God, houdt de bespotting aan?
Hoe lang nog blijft de vijand U verachten?
Grijp in en laat ons toch niet langer wachten!
Wil eigenhandig dit gespuis verslaan!

6. Ik ken U als mijn koning en mijn God.
U spleet met kracht de watervloed in tweeën.
De monsters die regeerden in de zeeën
hebt U gedood; U sloeg hun kop kapot.

7. U was het die rivieren stromen liet.
Uit U, de bron, ontsprongen frisse beken.
U maakte, door een enkel woord te spreken,
van overstromend land een droog gebied.

8. De dag en nacht zijn, HEER, in uw bezit.
Aan zon en maan hebt U een plek gegeven.
U schiep het vasteland om op te leven.
Na zomerzon geeft U weer winterwit.

9. Denk aan uw trouw, nu men zo met U spot.
HEER, voer uw tortelduif niet aan de gieren.
Geef toch uw volk niet prijs aan wilde dieren,
maar breng een wending in hun trieste lot.

10. Kom ons te hulp, HEER, denk aan uw verbond.
Het land is vol geweld en doodsgevaren.
Wil zwakken voor een nederlaag bewaren.
Laat hen U prijzen met hun hart en mond.

11. Grijp krachtig in, verdedig nu uw zaak.
Stop het getier, het spotten van de dwazen.
God, hoor toch hoe uw tegenstanders razen.
Maak er een einde aan, sta op, ontwaak!

Psalm 77

Jan Pieter Kuijper

1. Luidkeels, om God aan te sporen,
smeek ik tot Hij zal verhoren.
Niet berustend in mijn lot
zoek ik overdag naar God.
Rusteloos zijn mijn gedachten,
troosteloos de lange nachten.
Wanhoop voel ik en verdriet;
aan Hem denken helpt mij niet.

2. Zonder woorden, aangeslagen,
lig ik wakker vol met vragen.
Steeds haal ik mij voor de geest
hoe het vroeger is geweest:
hoe ik spelend op de snaren,
Gods nabijheid mocht ervaren.
Nu klinkt treurig mijn refrein:
zou Hij mij vergeten zijn?

3. Heeft de Heer dan echt besloten
mij voor altijd te verstoten?
Wat als Hij nu nooit meer komt,
als zijn woord voorgoed verstomt?
Is de Heer zijn trouw vergeten,
wil Hij niets meer van mij weten?
Is Hij meer van toorn vervuld
dan van liefde en geduld?

4. God is in mijn diepe lijden
niet zoals in oude tijden:
Hij, de allerhoogste Heer,
toont zijn sterke hand niet meer.
Toch blijf ik mijn tijd besteden
aan uw werk uit het verleden.
Wat U deed sinds het begin
prent ik mij voortdurend in.

5. Heilig is uw weg, verheven.
Welke afgod zou niet beven?
God, wie is als U zo groot?
U alleen redt van de dood.
In uw macht en uw genade
doet U wonderlijke daden.
Dat bewees U wereldwijd
toen uw arm ons heeft bevrijd.

6. Schrik beving de oceanen
toen uw hand een pad kwam banen.
Wolken stortten water uit
en de hemel dreunde luid.
Dreigend flitsten bliksemschichten,
die de wereld fel verlichtten.
Heel de aarde kromp ineen
toen U luisterrijk verscheen.

7. Niet te stuiten, onverschrokken,
bent U door de zee getrokken.
Onnavolgbaar was het pad
dat U uitgekozen had.
Als een trouwe herder leidde
U het volk dat U bevrijdde.
U bracht hen door Mozes’ hand
veilig naar de overkant.

Psalm 78

Jan Pieter Kuijper

1. Luister, mijn volk, naar mijn doordachte woorden,
naar wat wij eens van onze ouders hoorden.
Wij mogen het verleden niet vergeten;
ook moeten onze kinderen het weten.
Vertel met verve aan je nageslacht
over de HEER, zijn werken en zijn macht.

2. De HEER gaf Jakob regels voor het leven
en Hij gebood die verder door te geven.
Zo moest elk kind dat uit hem werd geboren
zijn grote daden en beloften horen.
Hij wilde dat het volk Hem dienen zou;
niet als destijds, toen waren zij ontrouw.

3. Zij moesten niet zo dwars zijn als ten tijde
van Efraïm: die stam trok niet ten strijde.
Zij bleven zich met hand en tand verzetten
tegen wat God gezegd had in zijn wetten.
Zij vluchtten weg en dachten er niet aan
dat Hij altijd voor hen had klaargestaan.

4. Het voorgeslacht had eerder al ervaren
hoe goed God was, hoe groot zijn daden waren:
Hij spleet het water en met droge voeten
vervolgden zij hun wonderlijke route.
De weg werd hun gewezen door een wolk
en ’s nachts verlichtte vlammend vuur het volk.

5. De HEER liet voor hun ogen waterstromen
in de woestijn vanuit een steenrots komen.
Toch bleven zij ondankbaar provoceren:
‘Zou God in staat zijn voedsel te serveren?
Het is wel waar dat Hij ons water bood,
maar wij verlangen lekker vlees en brood.’

6. God werd witheet omdat zij Hem verachtten
en niet hun hulp en heil van Hem verwachtten.
Maar desondanks gaf Hij een rijke zegen:
op zijn bevel kwam er een mannaregen.
Zo werd op weg naar het beloofde land
dit goddelijke brood hun proviand.

7. Uit oost en zuid bracht God de winden samen,
waarop er vogels naar beneden kwamen.
Hij gaf hun vlees dat alle honger stilde;
ze konden zoveel eten als ze wilden.
Hun buik was nog maar nauwelijks gevuld
toen er een einde kwam aan Gods geduld.

8. De sterksten en zij die het gulzigst aten
moesten voor straf meteen het leven laten.
De reis liep uit op doelloze ellende,
omdat het volk zijn redder niet erkende.
Als het hun uitkwam zochten zij de HEER
maar na een tijd bedrogen zij Hem weer.

9. De HEER bedekte elke keer hun zonden,
al was hun hart niet echt met Hem verbonden.
Hoewel Hij vaak zijn boosheid moest bedwingen
wilde Hij niet dat zij ten onder gingen.
Dan dacht Hij: ‘Ach, ze zijn maar zwak en klein;
laat Ik ook ditmaal nog genadig zijn’.

10. Het volk bleef God, de Heilige, steeds krenken
door steeds weer nieuwe laster te bedenken.
Wat Hij gedaan had waren ze vergeten;
ze leken van zijn daden niets te weten:
hoe Hij hun hulp bood met zijn sterke hand,
hoe Hij hen redde uit het slavenland.

11. God liet daar bloed door de rivieren stromen.
De steekvlieg liet Hij als een kwelling komen.
Hij stuurde kikkers die het land bedekten.
De oogst werd kaalgevreten door insecten.
Geen boom bleef heel door het natuurgeweld.
De bliksem trof de kudden op het veld.

12. God was zo boos op de Egyptenaren
dat zij ten dode opgeschreven waren.
Zo moesten zij, na negen zware plagen,
hun eerstgeborenen ten grave dragen.
Toen leidde Hij zijn volk naar de woestijn,
waar Hij hun trouwe herder wilde zijn.

13. Het volk was veilig onder zijn geleide
toen Hij het water van de Rietzee scheidde.
Hij bracht hen naar de berg door Hem verkoren,
naar het gebied dat hun zou toebehoren.
De volken joeg Hij weg met eigen hand.
Hij gaf per stam het vastgestelde land.

14. Zij tartten ook in Kanaän Gods woorden;
ze deden net of ze zijn wet niet hoorden.
Niet erger konden zij de HEER kleineren
dan door hun godenbeelden te vereren.
Boos en beledigd door dit overspel
keerde de HEER zich af van Israël.

15. Vertoornd zocht Hij zijn woonplaats ergens anders.
De ark belandde bij zijn tegenstanders.
Het volk waaraan Hij zich had willen geven
werd door Hem ver van huis en haard verdreven.
De sterke mannen overleefden niet;
voor jonge meisjes stierf het bruiloftslied.

16. Hoewel de priesters waren omgekomen,
werd er geen snik, geen rouwgeklaag vernomen.
Zo ongenadig diep sloeg God de wonden
dat weduwen zelfs niet meer huilen konden.
Toen stond God op en vocht zoals een held.
Nog altijd wordt zijn zege doorverteld.

17. In Efraïm bleef God niet langer wonen;
aan Juda wilde Hij zijn liefde tonen.
Hij koos de Sionsberg om van te houden,
waar Hij een huis, zijn eigen woning, bouwde:
een tempel voor de eeuwigheid gemaakt,
een heiligdom dat zelfs de hemel raakt.

18. De jonge David, die zijn schapen weidde,
riep God om Israël, zijn volk, te leiden.
Als herder moest hij zijn bezit bewaken,
de eigenwijze kudde volgzaam maken. 
Hij hoedde hen in het beloofde land
oprecht van hart en met bekwame hand.

Psalm 89

Jan Pieter Kuijper

1. Ik wil uw liefde, HEER, bezingen voor altijd
en van uw trouw getuigen tot in eeuwigheid.
U heeft uw dienaar David liefdevol gezworen: 
‘Wij sluiten een verbond, Ik heb jou uitverkoren.
Mijn goedheid blijft in stand: je kunt erop vertrouwen
dat Ik op jou voorgoed mijn koninkrijk zal bouwen.’

2. Het loflied op uw werk weerklinkt de hemel door.
Het leger engelen bezingt uw trouw in koor.
Want wie van hen daarboven kan zich met U meten?
Wie kan behalve U ‘Heer van de goden’ heten? 
Uw macht is zo bekend bij alle hemelingen
dat zij met diep ontzag uw koningstroon omringen.

3. U bent almachtig, HEER, God van het hemelrijk.
Wie is zo trouw als U, wie is aan U gelijk?
De zee gehoorzaamt U wanneer de golven stijgen:
het woeste water wijkt, de stormen moeten zwijgen.
Het monster in de zee is door uw vuist verdreven.
Uw vijand zag uw kracht en vluchtte voor zijn leven.

4. Hemel en aarde zijn van U, met al wat leeft.
U bent het die de wereld vast verankerd heeft. 
U schiep het warme zuiden en het koude noorden.
De bergen prijzen U, zij juichen zonder woorden.
Uw arm is krachtig en uw rechterhand verheven.
Door liefde en door waarheid is uw troon omgeven.

5. Gelukkig is het volk dat uw bazuin herkent.
Zij juichen voor uw naam omdat U bij hen bent.
Zij wandelen met U; uw licht beschijnt hun ogen.
U geeft hun nieuwe kracht, U zult hen weer verhogen.
Zij hebben U als schild, aan hen geeft U de zege.
Hun koning hebben zij van U, hun HEER, gekregen.

6. Dit heeft U ons eens in een visioen verteld:
‘Ik kies een dienaar uit: een jonge, sterke held.
Hem, David, zal ik zalven en slagvaardig maken.
Geen vijand wint van hem: Ik zal hem trouw bewaken.
Wie hem met kwaad en onrechtvaardigheid belagen
zal Ik, terwijl hij kijkt, met eigen hand verjagen.’

7. ‘Ik zal er voor hem zijn, Ik steun hem met mijn trouw.
Zijn aanzien wordt vergroot omdat Ik van hem hou.
Hij heerst van west tot oost, Ik maak hem wereldleider.
‘God,’ zegt hij dan, ‘U bent mijn vader, mijn bevrijder’.
Ik noem hem oudste zoon en deel met hem mijn woning.
Ik geef hem alle macht, hij wordt de hoogste koning.’

8. ‘Zielsveel hou ik van hem, daar komt geen einde aan.
De trouw die Ik beloofde, blijft altijd bestaan.
Zolang de hemel duurt mag hij mijn volk regeren.
Maar als zijn zonen mij brutaal de rug toekeren,
mijn wet niet onderhouden en zich niet gedragen,
bestraf Ik hen met niet te tellen tegenslagen.’

9. ‘Mijn trouw neem Ik niet weg, mijn liefde neemt nooit af.
Ik handhaaf mijn verbond, mijn woord dat Ik hem gaf.
Omdat Ik heilig ben, zal Ik de waarheid spreken;
Ik kan en zal mijn eed aan David niet verbreken.
Zijn nageslacht regeert zolang de zon zal schijnen;
Ik zorg voor hem; nooit zal zijn koninkrijk verdwijnen.’

10. Toch hebt U hem verstoten, uw gezalfde zoon.
Boos brak U uw verbond, U trapte op zijn kroon.
Zijn stad sloeg U aan puin, U sloopte al zijn muren.
Hij kreeg een overvloed aan onheil te verduren:
hij werd beroofd door mensen die hem tegenkwamen.
De volken uit de omtrek spanden spottend samen.

11. U stond hem zelfs in oorlogstijd niet langer bij.
Zijn zwaard was afgestompt – wat was de vijand blij!
U bent niet hem, maar zijn rivaal te hulp geschoten.
Ontluisterend hebt U hem van zijn troon gestoten.
Zwak als een oude man moest hij, terneergeslagen,
van vijand en van vriend vernedering verdragen.

12. Hoe lang nog, HEER, verbergt U zich en blijft U boos?
Stopt het dan nooit? Uw woede lijkt wel eindeloos!
Denk toch aan mij, aan wie U adem hebt gegeven.
Kom, wacht niet langer, HEER, mijn leven duurt maar even.
Geen enkel mens is er die van het graf kan winnen;
wij, stervelingen, gaan het dodenrijk snel binnen.

13. Waar is uw liefde, waar uw goedheid van weleer?
Waar blijft uw trouw die U aan ons beloofd had, HEER?
U weet hoe volken ons met schande overladen,
hoe zij bij elke voetstap uw gezalfde smaden.
Toch zullen wij de HEER voor altijd dank bewijzen
en Hem instemmend met ons ‘amen, amen’ prijzen.

Psalm 90

Jan Pieter Kuijper

1. Wij hebben, HEER, in de voorbije jaren
uw trouwe hulp en veiligheid ervaren.
U was er voordat U de wereld baarde,
voordat er bergen waren op de aarde.
U zult er zijn zelfs tot in eeuwigheid,
want U bent God: U bent er voor altijd.

2. Dit is aan stervelingen niet gegeven.
Stof worden zij, want eindig is hun leven.
Duizenden jaren zijn reeds omgevlogen 
alsof het maar een dag was in uw ogen.
Een mensenleven is van korte duur:
een pauze in de nacht, een enkel uur.

3. Snel zal het einde van de mensen komen.
U vaagt hen weg als nachtelijke dromen.
Wij zijn als gras dat na een frisse regen
schijnbaar langdurig leven heeft gekregen.
Hoewel het welig opschiet, groeit het kort,
want door de zon is het al vlug verdord.

4. Wij kunnen niet onder uw woede leven.
Uw boosheid teistert ons en laat ons beven.
We komen om, we gaan voorgoed te gronde,
omdat U woedend bent over de zonde.
Wat wij in het geheim aan kwaad doen ligt
vol in het licht dat straalt van uw gezicht.

5. Ons leven gaat voorbij als een gedachte
en in een zucht vervliegen onze krachten.
Zeventig jaar, als we dat al bereiken,
zullen vol moeite en verdriet verstrijken; 
en zelfs al halen we de tachtig jaar, 
toch is het beste van ons leven zwaar.

6. Wie kent uw toorn, wie zou niet angstig wezen,
wie zou U niet met diepe eerbied vrezen?
Leer ons de dagen tellen van ons leven
en wil aan ons een hart vol wijsheid geven.
Kom weer bij ons, HEER, hoe lang duurt het nog?
Denk aan uw dienaren, ontferm U toch.

7. HEER, wil ons elke morgen overladen
met liefde als een teken van genade,
zodat wij ons, na lang en loodzwaar lijden,
weer met gejuich in U kunnen verblijden.
Vergoed ons onze jarenlange druk
en geef een tijd van onbezorgd geluk.

8. Laat ons, uw volk, in de nabije jaren
de diepte van uw goedheid weer ervaren. 
Toon onze kinderen uw grote daden.
HEER, onze God, bewijs ons uw genade.
Verstevig zelf het werk van onze hand.
Als U ons helpt, dan houdt het zeker stand.

Psalm 103

Jan Pieter Kuijper

1. Prijs God, mijn ziel, voor al zijn zegeningen.
Prijs Hem, mijn hart, want Hij doet grote dingen.
Bedenk hoe goed Hij voor je is geweest.
Hij doet niets liever dan je schuld vergeven.
Wanneer de dood dreigt, redt de HEER je leven.
Hij is het die van ziekte je geneest.

2. De HEER omringt je leven met het goede.
Hij wil je hart met trouw en liefde voeden.
Je jeugd vernieuwt zich als een adelaar.
Wie onderdrukt wordt, laat Hij recht ervaren.
Hij wilde zich aan Mozes openbaren.
Wat Hij het volk beloofde, maakt Hij waar.

3. De HEER wil ons met liefde overladen.
Zijn hart stroomt steeds weer over van genade.
Hij is geen God die blijvend met ons twist.
Hij laat ons niet voor onze fouten boeten;
dankzij de HEER zijn wij op vrije voeten.
Hij heeft de zonden grondig uitgewist.

4. Gods goedheid gaat voor wie in Hem geloven,
de blauwe luchten mijlenver te boven.
Hij werpt de zonden ver bij zich vandaan.
Hij troost ons met zijn vaderlijke zorgen.
Wij, zwakke mensen, zijn bij Hem geborgen;
Hij weet dat wij uit aarde zijn ontstaan.

5. Zo kwetsbaar als een grasspriet is ons leven.
De mens lijkt op een bloem: hij bloeit maar even.
Hij blijft niet overeind in weer en wind.
Hoe levendig en sterk hij ook mag ogen,
het duurt niet lang voordat hij zal verdrogen,
waarna je niets meer op zijn plekje vindt.

6. Ons leven telt slechts jaren, maanden, uren.
Gods trouw zal tijd en eeuwigheid verduren
voor wie op Hem al zijn vertrouwen stelt.
Hij laat aan ieder kind dat wordt geboren
zijn wetten en verbondsbeloften horen.
Zijn liefde wordt voortdurend doorverteld.

7. Vanuit de hemel blijft de HEER regeren.
Laat alle engelen hun koning eren.
Kom, sterke helden, buig je voor Hem neer. 
De hele schepping moet Hem eer bewijzen,
Hem voor zijn almacht en genade prijzen.
Loof Hem, mijn ziel, zing dankbaar voor de HEER.

Psalm 104

Titia Lindeboom

1. Met diep ontzag prijs ik U, hoogste HEER.
Uw grootheid, God, verbaast mij telkens weer.
Door majesteit en glans bent U omgeven. 
Uw mantel is uit zuiver licht geweven.
U spant de hemel uit zoals een tent;
daar is uw troon, voorbij het firmament. 
U rijdt op wind, de wolken zijn uw wagen;
bliksem en storm zijn dienaars die U dragen.

2. Op pijlers zette U de aarde vast;
ze wankelt nooit, geen schok die haar verrast.
De oerzee wilde haar totaal bedekken, 
maar U beval het water weg te trekken. 
Het kolkte weg: de bergen rezen hoog
de dalen daalden en het land viel droog.
U trok een grens tot waar de vloed mag komen,
zodat de aarde nooit zal overstromen.

3. Een bron ontspringt, U leidt het water voort
langs berg en veld, precies naar waar het hoort. 
Het drenkt de dieren, die verzadigd raken;
de wilde ezels laten het zich smaken.
Daarboven in de bomen klinkt een lied
van vele vogels; dit is hun gebied. 
Op hoge bergen valt royaal de regen. 
U overspoelt de aarde met uw zegen.

4. HEER, voor het vee plant U het malse gras,
de mens bewerkt het eetbare gewas.
Brood maakt hem sterk, wijn doet hem vrolijk dansen,
geurige olie laat zijn lichaam glanzen.
U plantte trotse bomen in het woud,
ooievaars hebben er hun nest gebouwd. 
Steenbokken klimmen op de hoge bergen,
waarin de klipdassen zich schuw verbergen.

5. De maanden laat U tellen door de maan,
de zon geeft voor de dag het einde aan.
Het bos wordt donker, jonge leeuwen brullen;
zij vragen God hun lege maag te vullen
en gaan op jacht. Dan keert het zonlicht weer, 
loom leggen zij zich in hun holen neer.
Het licht roept mensen op om te ontwaken
en zich weer voor hun dagtaak klaar te maken.

6. De werken die U schiep zijn ongeteld,
HEER, van uw wijsheid sta ik steeds versteld.
U hebt de aarde kunstig vormgegeven.
Ook in de zeeën wemelt het van leven;
talloze dieren mogen er bestaan,
bedrijvig varen schepen af en aan.
Het monster Leviatan zwemt eronder,
U speelt met dit enorme scheppingswonder.

7. Al wat leeft wacht op uw vrijgevigheid, 
U deelt het eten op de juiste tijd.
Mensen en dieren zoeken U doorlopend,
worden gevoed wanneer uw hand zich opent. 
Verbergt U zich, dan is hun onrust groot; 
neemt U hun adem weg, dan gaan zij dood
en worden aan de aarde teruggegeven.
Maar als U ademt komt het nieuwe leven.

8. Laat onze HEER voorgoed verheven zijn,
laat Hem verheugd over het leven zijn.
Hij ziet de aarde en Hij laat haar beven
Hij raakt de bergen aan, die rook afgeven.
Voor God zing ik zolang ik leef mijn lied
en ik hoop echt dat het Hem vreugde biedt.
Hij zal de zondaars van de aarde weren.
Met hart en ziel wil ik mijn schepper eren.

Psalm 105

Jan Boom/Jan Pieter Kuijper

1. Prijs God! Verkondig van de daken
hoe Hij zijn naam weet waar te maken. 
Zing vrolijk bij je instrument.
Maak overal zijn macht bekend.
Wees opgetogen, geef Hem eer,
jij die je heil zoekt bij de HEER.

2. Vraag naar de HEER en naar zijn daden.
Verwacht voortdurend zijn genade.
Volk door de HEER apart gezet,
zorg dat je op zijn almacht let.
Laat altijd worden doorverteld
hoe wijs Hij vonnis heeft geveld.

3. God, die ons als zijn volk aanvaardde,
is rechter van de hele aarde.
Voor altijd blijft zijn woord van kracht,
voor ons en voor ons nageslacht.
De God van Abraham verbindt
zich liefdevol aan ieder kind.

4. Aan Izak heeft de HEER gezworen
dat hij altijd bij Hem mocht horen.
Met Jakob deelde Hij zijn plan:
‘Jouw erfenis is Kanaän; 
dat land wordt helemaal van jou
als teken van mijn grote trouw.’

5. Toen zij, een handvol vreemdelingen,
door onbekende landen gingen,
stond God hen als hun redder bij.
Wie aan zijn volk kwam, strafte Hij:
‘Laat mijn gezalfden veilig gaan
en raak hen met geen vinger aan!’

6. De HEER trof de Egyptenaren
met zeven zware hongerjaren. 
Hij had zijn plan al uitgedacht
en Jozef naar hun land gebracht. 
Maar die kwam in de cel terecht,
tot uitkwam wat God had voorzegd.

7. Nadat de koning hem bevrijdde
mocht hij het koninkrijk gaan leiden.
Hij kreeg de schatkist in beheer.
De volken bogen voor hem neer.
Ministers deden wat hij zei
en wijzen adviseerde hij.

8. Toen kwamen Jakob en zijn zonen
bij Jozef in Egypte wonen.
De HEER heeft daar hun nageslacht 
tot ongekende bloei gebracht.
Egypte gaf hen op Gods tijd
uit angst en afgunst dwangarbeid.

9. God droeg, toen Hij zijn volk zag lijden,
aan Mozes op hen te bevrijden.
Aäron vroeg Hij mee te gaan.
Zij kondigden Gods straffen aan.
Een tiental rampen overkwam 
de mensen in het land van Cham.

10. God liet de lucht geheel betrekken;
er viel geen licht meer te ontdekken.
Hij kleurde al het water rood
en alle vissen gingen dood.
Een leger kikkers kwam brutaal 
tot in de koninklijke zaal.

11. God liet een horde muggen komen,
verwoestte land en vijgenbomen. 
Zwaar noodweer richtte schade aan. 
De sprinkhaan liet geen plantje staan.
God doodde met zijn eigen hand 
de oudste zonen van het land.

12. Het was de HEER die hen bevrijdde
en schatrijk uit Egypte leidde. 
Na wat God hen had aangedaan
zag men het slavenvolk graag gaan.
De HEER trok mee en hield de wacht: 
een wolk bij dag, een vuur bij nacht.

13. Nooit heeft de HEER zijn volk vergeten.
Als zij het vroegen, gaf Hij eten.
Fris water stroomde uit een steen,
meer dan genoeg voor iedereen.
God dacht aan Abraham, zijn knecht,
aan wat Hij hem had toegezegd.

14. Blij mochten zij het land verlaten 
waarin zij lang gevangen zaten.
God gaf hun bouw- en weidegrond
en akkers waar al graan op stond -
om daar te leven tot zijn eer,
om Hem te dienen. Prijs de HEER!

Psalm 106

Jan Pieter Kuijper

1. Eer aan de HEER om wat Hij doet,
want Hij is altijd trouw en goed!
Wie kan zijn grote macht beschrijven?
Wie geeft Hem ooit voldoende eer?
Gelukkig wie dicht bij Hem blijven
en doen wat goed is, telkens weer.

2. HEER, denk aan mij, kijk naar mij om.
Verlos uw volk, uw eigendom.
Kom mij ook liefdevol bevrijden.
Dan zie ik zegen net als zij;
dan zal ik blij zijn met de blijden;
dan welt er dank op diep in mij.

3. De zonde zit ons in het bloed.
Wat zijn we blind voor wat God doet!
We hebben ons enorm misdragen,
net als ons verre voorgeslacht.
Er werd geen acht op Hem geslagen.
Toch toonde Hij zijn trouw en macht.

4. De Rietzee gaf aan God gehoor.
Droog ging zijn volk de diepten door.
God liet geen vijand overleven.
Ja, toen vertrouwden zij Hem wel.
Hij kreeg de eer, ze zongen even;
daarna vergaten zij Hem snel.

5. Ze wachtten niet geduldig af
tot God hun vlees te eten gaf, 
maar bleven er brutaal om vragen.
Uit boosheid gaf de HEER zo veel
dat niemand het nog kon verdragen.
Er kwam geen hap meer door hun keel.

6. Ze waren uit op eigen eer
en keken op hun leiders neer.
De bende muiters werd verslonden
toen plots de aarde zich ontsloot.
Verzwolgen door een vuurzee vonden
hun medeschuldigen de dood.

7. Vervolgens dienden ze massaal
een blinkend stierkalf van metaal;
alweer vergaten ze Gods daden.
Was Mozes niet voor God gaan staan
met een beroep op zijn genade,
dan was het volk eraan gegaan.

8. Het volk geloofde zelfs niet meer
in de belofte van de HEER
dat Hij een prachtig land zou geven.
Toen zwoer Hij met geheven hand:
‘Ik dood hen en wie overleven
verdrijf ik naar een ander land.’

9. Ze trapten God weer op zijn hart:
Hij werd door Baäldienst getart.
Gekwetst liet Hij hen hevig lijden.
Maar Pinechas bezwoer het kwaad;
hij kwam verzoenend tussenbeide.
De HEER beloonde deze daad.

10. Wat kwelden zij God mateloos,
want daarna maakten zij Hem boos
door op fris water aan te dringen.
Ze hebben zo lang doorgezeurd
dat Mozes zich niet kon bedwingen:
hij sprak verbitterd voor zijn beurt.

11. Geen volk werd door hen weggevaagd,
hoewel de HEER dat had gevraagd.
Ze deden wat God had verboden:
ze bogen voor demonen neer,
voor wie ze zelfs hun baby’s doodden.
Ze waren ontrouw aan de HEER!

12. De HEER werd woest, Hij was het zat!
Hij had zijn volk zo liefgehad,
maar walgde nu van wat zij deden.
Voorlopig deed Hij troonsafstand.
Hij liet de vreemde mogendheden
zijn volk verdrukken in zijn land.

13. Ze zonken weg door eigen schuld,
maar telkens toonde God geduld.
Als Hij hun luide roepen hoorde,
hun tranen zag en hun berouw,
dan dacht Hij aan zijn eigen woorden,
dan bleef Hij toch zijn volk weer trouw.

14. HEER, red ons, maak uw woorden waar.
Breng ons, uw volk, weer bij elkaar.
Dan zullen wij uw daden prijzen.
Uw naam is groot, halleluja!
Laat iedereen God eer bewijzen.
Volg, Israël, dit voorbeeld na.

Psalm 107

Jan Pieter Kuijper

1. ‘Gods liefde kent geen grenzen
tot in de eeuwigheid.’
Dit zingen alle mensen
die door Hem zijn bevrijd.
Voor hen is het gevaar
en alle angst geweken.
Hij bracht hen bij elkaar
vanuit de verste streken.

2. Zij hebben rondgezworven,
doodmoe en opgebrand.
Ze waren haast gestorven
in onherbergzaam land.
Ze riepen tot de HEER
toen zij wanhopig waren.
Hij luisterde steeds weer
en hielp hen uit gevaren.

3. God wees de rechte paden
en bracht hen naar een stad.
Hij zorgde vol genade
voor wie geen kracht meer had.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem prijzen.
Met wat Hij voor ons doet
wil Hij zijn trouw bewijzen.

4. Zij zaten vastgebonden
in diepten van de dood.
Ze torsten door hun zonden
een last, te zwaar, te groot.
Ze riepen tot de HEER
toen zij wanhopig waren.
Hij luisterde steeds weer
en hielp hen uit gevaren.

5. De HEER verbrak hun sloten
door ze kapot te slaan.
Hij is te hulp geschoten
en bood de vrijheid aan.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem prijzen.
Met wat Hij voor ons doet
wil Hij zijn trouw bewijzen.

6. Zij leefden, ziek van zonden,
ver bij de HEER vandaan.
Ze teerden weg en konden
zelfs voedsel niet meer aan.
Ze riepen tot de HEER
toen zij wanhopig waren.
Hij luisterde steeds weer
en hielp hen uit gevaren.

7. God hoefde slechts te spreken,
- één woord kwam uit zijn mond -
en al hun ziekten weken;
ze werden kerngezond.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem prijzen.
Met wat Hij voor ons doet
wil Hij zijn trouw bewijzen.

8. Zij werden met hun schepen
door golven meegesleurd.
Gods storm had hen gegrepen;
het was met hen gebeurd!
Ze riepen tot de HEER
toen zij wanhopig waren.
Hij luisterde steeds weer
en hielp hen uit gevaren.

9. De zee werd voor hun ogen
op Gods bevel weer stil.
De hoge golven bogen
eerbiedig voor zijn wil.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem prijzen.
Met wat Hij voor ons doet
wil Hij zijn trouw bewijzen.

10. De HEER maakt van de beken
een droge wildernis
en van de dorre streken
een land dat vruchtbaar is.
Wie van zijn zegen leeft
oogst keer op keer veel vruchten,
maar wie met God niets heeft
moet onder rampen zuchten.

11. Aanzienlijken ontdoet Hij
van al hun eer en pracht.
Eenvoudigen behoedt Hij;
aan armen geeft hij macht.
Wie eerlijk is, wordt blij.
Wie onrecht doet, zal zwijgen.
Wie is er wijs? Laat hij
oog voor Gods liefde krijgen.

Psalm 109

Jan Pieter Kuijper

1. God, die ik prijs, blijf toch niet zwijgen!
Hoor hoe bedriegers mij bedreigen.
Ik word belasterd en bedrogen;
de vijandschap spat uit hun ogen.
Ik bid voor hen, maar krijg als dank
een plaats in de beklaagdenbank.

2. ‘Ga aan een goddeloze vragen
of hij mijn vijand aan wil klagen.
Dat, ondanks al zijn bange smeken,
de rechter keihard recht zal spreken.
Dat snel zijn laatste uur zal slaan;
een ander krijgt daarna zijn baan.

3. Dat zijn gezin, volstrekt verlaten,
voedsel zal zoeken op de straten.
Dat schuldeisers verdelen zullen
wat hij verzameld had aan spullen.
Dat niemand hem nog bij zal staan,
zijn naam voor altijd zal vergaan.

4. Dat God de schuld uit het verleden,
de zonden die zijn ouders deden,
nooit zal vergeten en vergeven.
Die man is immers heel zijn leven
voor zwakke mensen een gevaar:
hij is een brute moordenaar.

5. Dat onheil hem kapot zal maken,
zijn vloek dit keer hemzelf zal raken,
Dat hij een massa tegenslagen
als mantel om zich heen zal dragen.
Dat ongelukken hem compleet
bedekken zullen als een kleed.’

6. Laat zó, God, mijn belagers lijden,
wie over mij slechts kwaad verspreiden.
Verlos mij van mijn tegenstanders.
Ik ken U, HEER: U kunt niet anders!
U die uw naam aan mij verbond,
red mij, mijn hart is diep verwond.

7. Kort als een schaduw is mijn leven;
als een insect word ik verdreven.
Er zit geen vet meer op mijn botten.
Hoor hoe de mensen met mij spotten!
HEER, help mij, dan beseffen zij 
hoe groot uw liefde is voor mij.

8. Dankzij uw zegenende handen
word ik weer blij, verdwijnt mijn schande.
Laat wie mij voor de rechter dagen
nu op hun beurt een spotkleed dragen.
Ik prijs U, HEER, mijn dank is groot:
U helpt de armen in hun nood.

Psalm 118

Jan Pieter Kuijper

1. De HEER is goed, Hem moet je eren;
zijn liefde houdt voor altijd stand.
Laat Israël het proclameren:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’
Herhaal het zingend, priesterkoren:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’
Al wie de HEER dient, laat het horen:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’

2. In mijn benauwdheid, in mijn lijden
riep ik het uit: ‘HEER, help mij toch!’
Hij luisterde en Hij bevrijdde;
wat doet een sterveling mij nog?
Op Hem, mijn helper, kan ik bouwen;
ik kijk op mijn belagers neer.
In plaats van mensen te vertrouwen
vind ik een schuilplaats bij de HEER.

3. Ik was door volken ingesloten –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Ze stonden klaar om door te stoten – 
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Als wespen zijn ze neergestreken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Haast was ik in de strijd bezweken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.

4. Ik zal van Hem, mijn sterkte, zingen.
Het legerkamp stemt met mij in:
‘Zijn rechterhand doet grote dingen;
ja, onweerstaanbaar grijpt Hij in.’
Ik zal niet sterven, ik zal leven!
De HEER gaf wel een zware straf,
maar heeft mij toch niet prijsgegeven
aan het genadeloze graf.

5. Zet nu de tempelpoort wijd open,
de poort van de gerechtigheid,
zodat ik blij het pad kan lopen
dat naar de HEER, mijn redder, leidt.
Hier gaan rechtvaardigen naar binnen;
ze gaan de poort al zingend door.
Met U, HEER, mocht ik overwinnen;
daar dank ik U van harte voor!

6. De steen waar bouwers niets in zagen
was in Gods ogen cruciaal.
Die steen mag zijn gebouw nu dragen;
zijn werk verbaast ons allemaal!
Dit is de dag van Hem gekregen,
een dag van blijdschap en gezang.
Wij bidden, HEER, geef ons uw zegen;
geef voorspoed, HEER, ons leven lang.

7. Wij zegenen de grote koning
die komt in naam van God, de HEER.
Vier nu het feest mee in zijn woning;
leg offergaven voor Hem neer.
Mijn God, ik zal U dank bewijzen
met groene twijgen in de hand.
De HEER is goed, Hem moet je prijzen;
zijn liefde houdt voor altijd stand.

Psalm 119

Adriaan Molenaar

1. Als je de weg van Gods geboden gaat,
je voeten in het rechte spoor blijft zetten
naar Hem blijft zoeken en het kwade laat,
vind je geluk dankzij zijn goede wetten.
Een zegen is wat in uw regels staat.
U vraagt van ons dat wij er steeds op letten.

2. Ach, was mijn leven maar zo wetsgetrouw
dat ik nooit met uw wet de hand zou lichten.
Als ik die houd, raak ik nooit in het nauw.
Zingend zal ik mij op uw regels richten.
Verlaat mij niet voorgoed, want vol berouw
doe ik waartoe uw woorden mij verplichten.

3. Bijzonder heilzaam is wat U ons zegt;
het houdt je zuiver in je jonge jaren.
Laat mij niet dwalen, U zoek ik oprecht.
Ik blijf uw woord diep in mijn hart bewaren,
want ik wil niet opstandig zijn en slecht.
HEER die ik eer, wil mij uw wet verklaren.

4. Breedvoerig spreek ik over heel uw wet. 
Al mag bezit een bron van blijdschap heten,
toch wint de vreugde om uw woorden het.
Van uw bevelen wil ik alles weten. 
Ik juich als ik op uw geboden let.
Wat U gezegd hebt zal ik nooit vergeten.

5. Dit vraag ik van U, HEER: wees goed voor mij,
zodat ik levenslang uw pad kan kiezen.
Breng mij de schoonheid van uw wetten bij;
laat mij ze nooit meer uit het oog verliezen. 
Ik ben niet thuis meer in de maatschappij.
Wat snak ik naar uw bindende adviezen!

6. De trotse dwaas die uw gebod veracht
wacht slechts uw straf – ik echter blijf U eren.
Geef dat geen vijand spottend om mij lacht,
want ik wil doen wat uw bevelen leren.
Bedreigd door hoge heren met hun macht,
blijf ik uw goede raad verheugd waarderen.

7. Ernstig verzwakt vraag ik U levenskracht;
blijf mij in uw geboden onderwijzen.
Toen ik U aanriep, hebt U hulp gebracht.
Laat mij het wonder zien achter uw eisen. 
U ziet mijn tranen en U hoort mijn klacht.
HEER, houd uw woord en laat mij weer herrijzen.

8. Eerlijk en echt zijn, leven in uw spoor,
dat is mijn wens; geef mij daarvoor genade.
Ik houd mijzelf uw levensregels voor.
Maak dat ik nooit met smaad wordt overladen.
U zet mij in de ruimte en daardoor 
mag ik nu rennen langs uw rechte paden.

9. Fluister mij in, HEER, wat uw wet verlangt
dan zal ik op uw wegen blijven lopen.
Geef dat mijn hart aan uw geboden hangt.
Wijs mij het spoor, dan bloeit mijn leven open.
Geef dat de zucht naar geld mij nooit bevangt,
maar dat ik op uw rijke woord blijf hopen.

10. Fraai lijkt wat leeg blijkt – houd mij daar vandaan.
Laat mij uw wegen gaan en daardoor leven.
Houd uw belofte, zie uw dienaar aan.
Goed is elk voorschrift dat U hebt gegeven.
Al ben ik bang dat ik voor schut zal staan,
ik word door liefde voor uw wet gedreven.

De verzen 11 t/m 44 volgen nog

Psalm 139

Jan Pieter Kuijper/Arie Maasland

1. U kent mij, HEER, en U ontwart
al de geheimen van mijn hart.
U ziet mij thuis en onderweg,
terwijl U opvangt wat ik zeg. 
Ja, zelfs onuitgesproken zinnen
neemt U al waar bij mij vanbinnen.

2. Geen ogenblik ben ik alleen,
want U bent altijd om mij heen. 
Ik, nietig mens, kan er niet bij
dat U uw handen legt op mij.
Waar ik ook ga, ik zie U kijken.
Hoe kan ik ooit uw Geest ontwijken?

3. Al klom ik naar de hemel, HEER,
al lag ik bij de doden neer,
al vloog ik met de vogels mee
voorbij de allerverste zee,
dan nog kon niets mij van U scheiden;
uw hand zou mij voortdurend leiden.

4. Al kroop ik weg, het hielp mij niet,
omdat U altijd alles ziet.
Al werd het donker overdag,
zodat geen sterveling mij zag,
dan nog bleef mij uw licht beschijnen.
Nooit kan ik uit uw zicht verdwijnen.

5. Vernuftig ben ik gecreëerd, 
door U met aandacht geboetseerd.
Ik prijs U, HEER, omdat ik weet
hoe wonderbaarlijk U dat deed.
U wilde toen al voor mij zorgen;
niets van mij was voor U verborgen.

6. Nog voor mijn leven was ontstaan
wist U hoe het mij zou vergaan.
Uw boek gaat over mijn begin
en ook mijn einde staat erin.
HEER, mijn verstand is niet bij machte
iets te verstaan van uw gedachten.

7. God, spaar de goddelozen niet;
dood iedereen die bloed vergiet.
Zou ik niet haten wie U haat
en wie uw naam en aanzien schaadt?
Ik haat hen en ik kan niet anders;
het zijn mijn grootste tegenstanders.

8. Mijn hartsgeheimen leg ik, HEER,
volkomen eerlijk voor U neer.
Toets alles wat ik denk en zeg
en neem het schadelijke weg.
Doorgrond mij God, en toets mijn leven; 
wil mij voor eeuwig richting geven.

Psalm 145

Arie Maasland

1. Mijn God en koning, ik wil toegewijd
uw grote naam bezingen voor altijd.
Met elke nieuwe dag prijs ik U weer.
Ik breng uw naam voor eeuwig alle eer.
Wat bent U groot, HEER! Laat de hele aarde
uw majesteit en uw gezag aanvaarden.
Laat er een loflied zijn in alle monden,
want niemand kan uw grootheid ooit doorgronden.

2. Geslachten prijzen U, eeuw in, eeuw uit.
Uw wonderen verkondigen zij luid.
Zij jubelen dat U geweldig bent.
Ook ik maak graag uw heerlijkheid bekend.
Zij zullen vol ontzag uw daden prijzen.
Ook ik wil U mijn dank en eer bewijzen.
Laat heel de wereld, HEER, uw werk bezingen.
Laat allen zeggen: God doet grootse dingen.

3. Genadig en geduldig is de HEER.
Hij toont zijn trouw en goedheid keer op keer.
Hij deelt zijn gaven uit aan iedereen.
Beschermend staat Hij om zijn schepping heen.
Wie U gemaakt hebt, zullen voor U buigen
Voortdurend zullen zij U dank betuigen.
Ze zullen blij uw koningschap belijden,
verheven woorden aan uw werken wijden.

4. Onwrikbaar staat uw troon, U heeft de macht.
U heerst tot in het duizendste geslacht.
Wie dreigt te vallen, pakt U steunend vast.
Wie kreunend krom loopt, redt U van zijn last.
Uw handen houdt U vol ontferming open;
zo leert U iedereen op U te hopen.
U zorgt royaal voor mensen en voor dieren.
Zij mogen dagelijks uw goedheid vieren.

5. Rechtvaardig is de HEER in woord en daad.
Wie bij Hem hoort, beschermt Hij voor het kwaad.
Hij is wie hoopvol tot Hem roept nabij.
Wie eerbied voor Hem koestert, maakt Hij vrij.
Aan wie Hem liefheeft, blijft de HEER verbonden –
maar wie zijn wil weerstaat, richt Hij te gronde.
Ik zal zijn smetteloze naam belijden.
Doe mee, tot aan het einde van de tijden!

Psalm 147

Jan Pieter Kuijper

1. Wat is het goed om God te eren,
om blij voor Hem te musiceren.
De HEER maakt van zijn stad van vrede
de mooiste stad van alle steden.
Zijn volk, van huis en haard verdreven,
zal Hij een nieuwe toekomst geven.
Hij zal de diep bedroefden helpen,
het bloeden van hun wonden stelpen.

2. Hij telt de sterren en planeten,
weet waar ze staan en hoe ze heten.
Wijs is de Heer en oppermachtig.
Wat Hij geschapen heeft is prachtig!
Hij ondersteunt wie onrecht lijden;
met liefde staat Hij hun terzijde.
Maar trotse mensen moeten zwichten;
de HEER zal hen te gronde richten.

3. Zing om de beurt om God te danken.
Haal uit de harp de mooiste klanken.
Prijs Hem die luchten laat betrekken,
het blauw met wolken kan bedekken.
Prijs Hem die regen neer laat stromen,
zodat het gras weer op kan komen.
Prijs Hem die dieren voer zal geven.
Hij houdt de jonge raaf in leven.

4. De HEER hecht helemaal geen waarde
aan de robuuste kracht van paarden.
Hij wordt niet vrolijk van soldaten
die paraderen door de straten.
Maar Hij wordt blij van wie Hem eren,
van mensen die Hem respecteren.
Hij houdt van wie op Hem vertrouwen
en altijd op zijn liefde bouwen.

5. Jeruzalem, prijs God, je koning,
vanuit je hart, vanuit zijn woning.
De HEER zal jou, zijn stad, besturen.
Hij stut je poort, versterkt je muren.
Zijn zegen zal Hij aan je geven:
zijn volk mag weer in vrede leven.
Wie in je woont, zal Hij behoeden;
met heerlijk brood zal Hij hen voeden.

6. God stuurt zijn woord, snel als een sprinter;
dan komt er sneeuw en wordt het winter.
Hij strooit met rijp op gure dagen.
Wie kan zijn vrieskou ooit verdragen?
Wanneer de Heer opnieuw gaat spreken
verdwijnt de witte, wollen deken.
Als Hij de warme wind laat komen
begint het water weer te stromen.

7. Hij laat zijn wijze woorden horen
aan wie uit Jakob zijn geboren.
Hij onderhoudt met deze natie
een heel bijzondere relatie:
zijn wet, zorgvuldig opgeschreven,
heeft Hij aan Israël gegeven.
Zo zal de Heer zijn volk regeren.
Kom, laten wij die koning eren!