Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

In onze gemeente willen we graag de psalmen blijven zingen. Het zijn prachtige liederen waarin allerlei aspecten van het leven met God bezongen worden. Helaas was de mooie inhoud soms in lastige of ouderwetse taal verstopt. De Nieuwe Psalmberijming helpt om te begrijpen wat we zingen. Lees meer »

Ds. E.C. Vreugdenhil | Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Ds. E.C. Vreugdenhil
Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Lees alle quotes

Psalm 49

De nieuwe psalmberijming

1. Hoor, mensen, waar je ook ter wereld bent.
Of je nu rijk bent of geen weelde kent,
of je nu macht hebt of er niet toe doet:
let op wat ik ga zeggen, luister goed.
Er drongen wijze woorden tot mij door;
die leg ik aan de hele mensheid voor.
Wat ik ontdekt heb laat ik aan je horen,
dus spits terwijl ik voor je zing je oren.

2. Ik ben niet bang voor onrecht en geweld
van profiteurs die bouwen op hun geld.
Trots als ze zijn begrijpen ze maar niet
dat hun fortuin geen eeuwig leven biedt.
Ze zijn zelfs met hun rijkdom niet in staat
een broer te redden als die sterven gaat.
Niemand kan God voldoende losgeld geven
om te betalen voor een mensenleven.

3. Het leven van een mens is tijdelijk;
het koude graf is onvermijdelijk.
De dood klopt eens bij wijze mensen aan,
ook dwazen zullen weer tot stof vergaan.
Wat er aan waarde is bijeengebracht
gaat over op het volgende geslacht.
Zoals een beest de dood niet kan ontwijken,
zo eindigt ook het leven van de rijke.

4. Wie op zichzelf vertrouwen en hun lot
niet overgeven in de hand van God
worden, wanneer zij sterven, weggeleid;
de dood is als een herder die hen weidt.
Maar de oprechten worden opgericht,
zij overwinnen in het morgenlicht.
De dag komt dat God zelf mij op zal halen;
Hij wil de kosten voor mijn ziel betalen.

5. Al heeft een rijke meer bezit dan jij,
wees maar gerust: die luxe gaat voorbij.
Hoewel hij nu geniet van geld en eer,
eens daalt hij doodarm in de grafkuil neer.
Hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht.
Zijn licht dooft uit, voor altijd is het nacht.
Wie ondoordacht zijn leven laat verstrijken
zal bij zijn sterven op de dieren lijken.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Hoor, mensen, waar je ook ter wereld bent.
Of je nu rijk bent of geen weelde kent,
of je nu macht hebt of er niet toe doet:
let op wat ik ga zeggen, luister goed.
Er drongen wijze woorden tot mij door;
die leg ik aan de hele mensheid voor.
Wat ik ontdekt heb laat ik aan je horen,
dus spits terwijl ik voor je zing je oren.

2. Ik ben niet bang voor onrecht en geweld
van profiteurs die bouwen op hun geld.
Trots als ze zijn begrijpen ze maar niet
dat hun fortuin geen eeuwig leven biedt.
Ze zijn zelfs met hun rijkdom niet in staat
een broer te redden als die sterven gaat.
Niemand kan God voldoende losgeld geven
om te betalen voor een mensenleven.

3. Het leven van een mens is tijdelijk;
het koude graf is onvermijdelijk.
De dood klopt eens bij wijze mensen aan,
ook dwazen zullen weer tot stof vergaan.
Wat er aan waarde is bijeengebracht
gaat over op het volgende geslacht.
Zoals een beest de dood niet kan ontwijken,
zo eindigt ook het leven van de rijke.

4. Wie op zichzelf vertrouwen en hun lot
niet overgeven in de hand van God
worden, wanneer zij sterven, weggeleid;
de dood is als een herder die hen weidt.
Maar de oprechten worden opgericht,
zij overwinnen in het morgenlicht.
De dag komt dat God zelf mij op zal halen;
Hij wil de kosten voor mijn ziel betalen.

5. Al heeft een rijke meer bezit dan jij,
wees maar gerust: die luxe gaat voorbij.
Hoewel hij nu geniet van geld en eer,
eens daalt hij doodarm in de grafkuil neer.
Hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht.
Zijn licht dooft uit, voor altijd is het nacht.
Wie ondoordacht zijn leven laat verstrijken
zal bij zijn sterven op de dieren lijken.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Gij, volken, hoort; waar g' in de wereld woont,
't Zij laag van staat, of hoog, met eer bekroond,
't Zij rijk of arm, komt, luistert naar dit woord.
Mijn mond brengt niets dan lout're wijsheid voort,
Bij mij in 't hart opmerkzaam overdacht.
Ik neig het oor, daar 'k op Gods inspraak wacht,
Naar 's HEEREN spreuk, en zal u, op de snaren
Der blijde harp, geheimen openbaren.

2. Wat zou mij toch doen vrezen in een tijd,
Waarin het kwaad, het onrecht mij bestrijdt,
Als ik omringd, benauwd ben door 't geweld;
Dat in mijn val zijn hoogst genoegen stelt?
Wat hem betreft, die op zijn schat betrouwt,
En al zijn roem op groten rijkdom bouwt,
Zijn schat behoudt zijn broeder niet in 't leven;
Hij kan daarvoor aan God geen losgeld geven.

3. Hij kan dien prijs der ziele, dat rantsoen,
Aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen;
Hij wenst vergeefs hier altoos 't licht te zien,
En door zijn schat, het naar bederf t' ontvlien.
Hij ziet elk uur der wijzen levensend;
Der dwazen dood blijft hem niet onbekend;
Hij ziet, dat hun in 't sterven niets kan baten,
Maar dat zij 't al aan and'ren overlaten.

4. Al zegt zijn hart:"Mijn huis zal eeuwig staan,
Van kind tot kind gedurig overgaan";
Al heeft hij 't land, waarop zijn trotsheid roemt,
Zijn grootsheid bouwt, naar zijnen naam genoemd.
't Is alles wind, waar zich zijn hart mee streelt:
De mens, hoe mild door 't aards geluk bedeeld,
Hoe hoog in eer, in macht en staat verheven;
Vergaat als 't vee, en derft in 't eind het leven.

5. Hoewel zijn weg niets is dan ijdelbeid,
En hij zichzelf door dwazen hoogmoed vleit,
Stapt echter 't kroost, dat in der oud'ren woord
Behagen schept, op 't zelfde doolpad voort.
De dood maait ook dier kind'ren leven af;
Zij volgen hen, als schapen, naar het graf;
En in den dag, den groten dag des HEEREN,
Zal over hen d' oprechte triomferen!

6. Men denkt niet meer aan hun verleden staat,
Wijl al hun glans met hen in 't graf vergaat;
Maar na den dood is 't leven mij bereid:
God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.
Vreest hem dan niet, die grote schatten heeft;
Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft.
Want hij zal niets in 't sterven met zich dragen;
Zijn naam, zijn roem, 't ligt al terneer geslagen.

7. Schoon hij zich op deez' aard' in wellust baadt,
En ieder roemt zijn weeld' en overdaad,
Hij daalt nochtans, gelijk zijn gans geslacht,
Vervreemd van God, in 's afgronds donk'ren nacht.
Gij dan, o mens, hoe waard, hoe groot in eer,
Zo gij den wil versmaadt van uwen HEER',
Dan gaat gij, als de beesten, haast verloren;
Een wis verderf is u ten lot beschoren.

1. Gij, mensen al, hoort en wilt toch verstaan,
Gij, volken al, komt en treed hier vooraan;
Gij, gemeen volk, ook die als heren leeft,
Rijk, arm en krank, u tot horen begeeft.
Wijsheid zal u uitspreken de mond mijn,
En van verstandige reden vol zijn;
Goede spreuken hoor ik zonder vervelen;
Op mijn harp wil ik grote dingen spelen.

2. Waarom zal ik mij in angst zo verslaan,
Al ben ik nu omringd en ook gevaan
Van de bozen, die op mij hebben acht,
Dat ik van hen tot niet werde gebracht?
Die hen verlaten op al haar groot goed,
En daarop dragen enen hogen moed;
Doch d' een broeder houdt d' ander niet in 't leven,
Hij kan God niets tot een rantsoengeld geven.

3. Want dat rantsoen valt den mense te zwaar,
Hij kan geenszins dat opleggen voorwaar.
Al leeft hij lang zonder in 't graf te gaan,
Nog moet hij zulks alles laten aanstaan.
Dat de wijzen sterven, men daag'lijks ziet,
Evenals de dwazen met groot verdriet;
Haar goed daarna bezitten en verzwenden
Vreemden, die zij nooit zagen noch en kenden.

4. Toch is haren lust en haar spreken al,
Dat haar huis eeuwiglijk vast blijven zal;
En haar plaatsen, die naar hen zijn genaamd,
Kindskind'ren erven zullen onbeschaamd.
Maar of ze schoon hier hebben heerlijkheid,
Ze behouden die niet in eeuwigheid,
Maar de pofhansen, geacht groot van staten,
Moeten als 't vee daarvan, en alles laten.

5. Niet dan ijdelheid en is al haar doen;
Nochtans van hare kind'ren kloek en koen,
Werd dit geprezen steeds met groten vliet;
Zij doen zulks na, nochtans is 't min dan niet.
Met hopen varen zij ter helle breed
En worden doorknaagd van den dood zeer wreed;
Maar die vroom zijn van harten en van zinnen,
Zullen heersen en de booz' overwinnen.

6. Der bozen roem en stoutheid zal vergaan,
In der helle blijven zij steeds gevaan.
Maar daarvan zal God mij bevrijden recht;
Omdat Hij mij neemt aan tot Zijnen knecht,
Daarom en vreest niet, als gij ziet of hoort,
Dat iemand rijk wordt en getrokken voort;
Want stervende draagt hij met hem geen have,
Zijn ere wordt ook met hem niet begraven.

7. Zij troosten hen in dezen overvloed;
En prijzen dien, die maken goeden moed;
Maar zij moeten tot haar vaders haast vlien,
Daar ze Gods heerlijkheid niet zullen zien,
Summa: als een mens komt tot heerlijkheid,
Zo wordt hij door zijn onverstandigheid
Den vee gelijk (groot'lijks tot zijne blamen);
Welkers ziel ende lijf vergaan te zamen.

1. Bewoners van de wijde wereld, hoort.
Luistert, gij alle volken, naar mijn woord.
Kind'ren der mensen, edel of gering,
rijken en armen, hoort naar wat ik zing.
Wijs is het woord, dat u mijn mond onthult,
helder het inzicht dat mijn hart vervult.
Een spreuk verneemt mijn oor, ik grijp de snaren.
Mijn lier zal u een raadsel openbaren.

2. Wat zou mij vrees te kwader ure slaan,
als mijn belagers mij naar 't leven staan,
het onrecht wast van wie op rijkdom roemt
en dank zij have en goed zich veilig noemt.
Eens komt de dood en alle rijkdom faalt.
Er is geen mens die ooit aan God betaalt
de losprijs die zijn broeder zou behoeven
om voor altijd 't ontkomen aan de groeve.

3. Bij 't sterven baat geen geld of overleg;
wijzen en dwazen gaan dezelfde weg.
Elk raakt aan and'ren eens zijn schatten kwijt,
al droomt hij zich een aardse eeuwigheid.
Al denkt hij ook: mijn huis houdt altijd stand,
voorgoed verbond mijn naam zich met dit land,
de mens, wat hij aan pronk zich mag verwerven,
zal eenmaal als de stomme beesten sterven.

4. Dit is de weg der zelfgenoegzaamheid.
En wie de dwazen om hun woorden vleit,
daalt met hen in een grote kudde af,
de dood leidt hen als schapen naar het graf.
Dan triumferen in de dageraad
oprechten over wie ten grave gaat
en ver van huis en haard in eeuwig duister
zijn laatste vorm verliest, zijn laatste luister.

5. Maar God geeft voor mijn leven 't onderpand,
Hij redt mij uit het graf met eigen hand.
Vrees niet, wanneer een rijke zich verrijkt
en in zijn huis met al zijn schatten prijkt.
Eens daalt berooid hij in het donker af,
geen penning neemt hij met zich mee in 't graf.
Hij moet het al op aarde achterlaten.
Zijn heerlijkheid zal in de dood niet baten.

6. Al gaat een mens brooddronken 't leven door,
al prijzen al zijn vrienden hem in koor
omdat hij zich geen aards genot ontzegt,
toch wordt hij eenmaal in het graf gelegd;
daar wordt hij met zijn vaad'ren saamgebracht,
die 't licht niet zien en liggen in de nacht.
De dwaas, wat hij aan pronk zich mag verwerven,
zal eenmaal als de stomme beesten sterven.

1. Gij volken, overal ter wereld, hoort!
Komt, stervelingen, luistert naar mijn woord,
of u nu rijk bent en in weelde baadt,
dan wel gering en niet in aanzien staat.
't Is enkel wijsheid wat mijn mond onthult,
van louter inzicht is mijn hart vervuld.
Ik zal mijn oor naar wijze spreuken keren,
u mijn geheim met zang en citer leren.

2. Wat zou ik vrezen in een kwade tijd,
als mij omringt de ongerechtigheid
van rijken die vertrouwen op hun geld
en sterk op eer en aanzien zijn gesteld.
Geen mens redt ooit een broeder van de dood,
geen losprijs die aan God voldoening bood.
Er is niet een die altijd voort zal leven,
als ware hij van dood en graf ontheven.

3. Want zie, hoe zelfs de wijze sterven moet.
De dwazen zwelgen wel in overvloed,
maar zij vergaan, 't graf blijft hun niet bespaard,
hun rijkdom is voor anderen vergaard.
Zij denken: onze huizen houden stand,
naar onze namen noemen wij ons land.
De mens, hoe trots en praalziek in zijn streven,
hij eindigt als het stomme vee zijn leven.

4. Zo gaat het elk die op zichzelf vertrouwt,
zijn eigen woord voor diepe wijsheid houdt,
Het is de dood die hen als schapen weidt
en als een kudde naar de groeve leidt.
Terwijl hun glans, hun glorie snel vergaat,
komt voor oprechten straks de dageraad
waarin zij over bozen triomferen,
die dan ontheemd tot stof en as verteren.

5. Maar God zal mij ontrukken aan de dood,
Hij koopt mij los en redt mij uit die nood.
Hij is het die ten leven mij geleidt
en die mij opneemt in zijn heerlijkheid.
Vrees niet wanneer een man zichzelf verrijkt
en in zijn huis met eer en aanzien prijkt.
Het is vergeefs, geen rijkdom kan hem baten:
al zijn bezit - hij moet het achterlaten.

6. Al prijst hij zich in zelfgenoegzaamheid,
al vindt hij steun bij ieder die hem vleit,
die om zijn grote weelde in hem roemt,
er komt een tijd dat men zijn naam niet noemt.
Een graf is 't erfgoed van zijn voorgeslacht,
de plaats waar hun geen daglicht ooit meer wacht.
De mens, hoe dwaas en praalziek in zijn streven,
hij eindigt als het stomme vee zijn leven.