Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De liederen van Jezus (de psalmen) zijn het hart van de Bijbel en geven weer wat er in het hart van een gelovige leeft aan vreugde en verdriet. Graag zingen wij uit De Nieuwe Psalmberijming omdat het Woord voor je gaat leven. Het brengt de psalmen lekker dichtbij. Lees meer »

Ds. H. Drost | Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Zwijndrecht-Groote Lindt

Ds. H. Drost
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Zwijndrecht-Groote Lindt

Lees alle quotes

Berijmingen

Er zijn geen resultaten gevonden Wis alle fiters en zoek opnieuw

Psalm 18

Arjen Vreugdenhil

1. Ik houd van U, mijn HEER, U bent zo machtig.
U bent mijn schild, mijn vesting, sterk en krachtig,
een redder die zich over mij ontfermt,
die als een sterke stadsmuur mij beschermt.
U bent de God die al mijn eerbied waard is;
bescherm mij tot het strijdgewoel bedaard is.
Dan ben ik vrij; de vijand is gevlucht.
Ik kan weer leven, blij en opgelucht.

2. Door diepe doodsangst werd ik voortgedreven.
Ik bad de HEER of Hij mij hulp kon geven.
Vanuit de hemel hoorde Hij mijn klacht
en Hij verscheen met majesteit en macht.
De bergen beefden en de aarde trilde
toen Hij de hemel uit zijn voegen tilde
en in zijn woede naar beneden kwam,
in duisternis en rook en vuur en vlam.

3. De stem van God weergalmde in de wolken;
zijn vuur en hagel sloegen neer als dolken,
zijn bliksemschichten suisden door de lucht.
Toen sloeg de vijand bevend op de vlucht.
In toorn ontblootte God de diepste rotsen.
Hij liet rivieren uit hun bedding klotsen.
Zo smolt de aarde voor de majesteit
van onze HEER, de God die mij bevrijdt.

4. God redde mij uit diepten van ellende,
van vijanden die geen genade kenden.
Het was voor mij een hopeloze strijd,
maar Hij heeft mij geholpen en bevrijd.
Zo heeft de HEER zijn trouw aan mij bewezen,
mij om mijn trouw en eerlijkheid geprezen.
Mijn leven lang heb ik Hem eer betoond;
mijn reine handen heeft hij rijk beloond.

5. Aan wie genadig zijn, geeft U genade;
met trouw beloont U alle trouwe daden.
Uw heiligheid verlicht wie heilig leeft,
maar wee degene die niets om U geeft.
U redt wie voor U staan met lege handen;
wie vol is van zichzelf, legt U aan banden.
U bent voor mij een lamp die helder schijnt,
een stralend licht, waardoor mijn nacht verdwijnt.

6. Met U, mijn God, kan ik door legers dringen.
U laat mij over hoge muren springen.
De wegen van de HEER zijn goed en recht,
Hij is volmaakt en trouw in wat Hij zegt.
Wie kent een god zo goed en vol ontferming?
Waar vindt de mens meer vrede en bescherming?
De HEER mijn God, die heel mijn leven leidt,
schenkt nieuwe kracht en vaste zekerheid.

7. Lichtvoetig als een hert kan ik nu leven,
omdat de HEER mij adem heeft gegeven.
Hij geeft mij kracht en inzicht voor de strijd;
zijn schild van redding schenkt mij veiligheid.
God geeft mij ruimte om mij te verweren,
zodat ik in de strijd het tij kan keren.
Met Hem kan ik de zwaarste veldslag aan,
kan ik de sterkste vijanden verslaan.

8. De HEER is bij mij, ik heb niets te duchten.
De vijand ziet het en probeert te vluchten.
Hij viel mij aan vervuld van haat en nijd,
maar ik ben overwinnaar in de strijd.
Hij roept om hulp, maar zal geen antwoord krijgen;
hij bidt om redding, maar de HEER blijft zwijgen.
Zo heeft de HEER mijn vijanden verjaagd
als stof dat door de wind is weggevaagd.

9. De vrede van de HEER vult nu mijn leven.
Hij heeft aan mij het koningschap gegeven.
Uit verre landen komt het eerbetoon:
de vorsten knielen bevend voor mijn troon.
Daarom zal ik de HEER, mijn rots, steeds prijzen.
Ik wil Hem al mijn dankbaarheid bewijzen.
Mijn God, die mij zo machtig heeft bevrijd,
ik zal U loven tot in eeuwigheid!

10. Ik zing voor ieder volk mijn vreugdepsalmen,
laat overal de naam van God weergalmen.
Het loflied moet door heel de wereld gaan:
de HEER heeft grote wonderen gedaan!
Zijn naam is groot en groot is zijn ontferming.
Hij gaf aan zijn gezalfde zijn bescherming.
De HEER is trouw; Hij zegent Davids troon.
Zijn liefde kroont voorgoed de koningszoon.

Psalm 19

Arie Maasland

1. De hemel prijst de HEER;
ze geeft welluidend eer,
ze prijst zijn scheppingskracht.
De dag vertelt de dag
hoeveel Gods hand vermag;
de nacht spreekt tot de nacht.
Al klinkt er ook geen woord,
toch wordt hun stem gehoord
zelfs bij de verste volken.
Geen klank wordt er verspreid,
toch hoort men wereldwijd
hoe zij Gods lof vertolken.

2. God heeft de tent gemaakt
waarin de zon ontwaakt
zoals een jongeman -
hij ziet er stralend uit,
want hij was bij zijn bruid
en daar genoot hij van.
Hij is een jonge held
die vrolijk voorwaarts snelt,
iedere nieuwe morgen.
Hij trekt een stralend spoor
de wijde hemel door.
Zijn glans laat niets verborgen.

3. Volkomen is Gods wet:
een boodschap zonder smet,
een goed getuigenis,
een woord dat wijsheid geeft
aan wie gehoorzaam leeft,
aan wie eenvoudig is.
Wat Hij van ons verwacht
geeft nieuwe levenskracht;
het maakt ons opgetogen.
Recht is het woord van God,
loepzuiver zijn gebod:
een licht voor onze ogen.

4. Ontzag voor God is rein.
Het laat ons zeker zijn
van heil dat niet vergaat.
Het doet ons veel meer goed
dan goud in overvloed,
dan honing uit de raat.
Uw voorschrift geeft ons licht;
als ik mij daarnaar richt,
blijf ik aan U verbonden.
Maar ach, wie zondigt niet?
Wie doet U geen verdriet?
Vergeef mij al mijn zonden.

5. Bescherm mij, HEER, maak mij
van grote zonden vrij;
ik ben uw trouwe knecht.
Als U mijn hart behoedt,
dan mijd ik overmoed,
dan dien ik U oprecht.
Laat wat ik zeg en denk,
waaraan ik aandacht schenk,
U altijd weer behagen –
God die mijn leven leidt,
God die mijn ziel bevrijdt,
mijn rots, die mij wil dragen!

Psalm 22

Arie Maasland

1. Mijn God, mijn God, waarom verlaat U mij?
Waarom gaat U aan mijn geroep voorbij?
Ik smeek voortdurend: ‘Red mij, maak mij vrij.’
Niets laat U horen.
Mijn rusteloze klagen gaat verloren.
Ik smacht naar U, die bij uw volk wilt wonen.
Heilige Heer, die op ons lied wil tronen -
waar blijft U nu?

2. Ons voorgeslacht verloste U altijd;
zij hielden vast aan uw betrouwbaarheid
en zonder uitstel heeft U hen bevrijd
wanneer zij baden –
maar ik ontvang geen kruimeltje genade.
Veracht, bespot kruip ik over de aarde.
Ik ben een worm, zo zwak en zonder waarde,
zo zonder God.

3. De mensen kijken op mijn lijden neer.
Ze grijnzen: ‘Richt je nu maar op de HEER.
Hij mag je graag, Hij helpt je vast een keer
uit de ellende.’
Van jongs af aan wist ik dat U mij kende.
Vanaf de moederschoot zag U mijn noden;
sindsdien heeft U mij zorgzaamheid geboden.
Grijp nu ook in.

4. Mijn angst wordt groter, ik ben zielsalleen.
Stotige stieren lopen om mij heen.
Een leeuwentroep, roofzuchtig en gemeen,
wil mij verscheuren.
Mijn hart is zwak, door niets meer op te beuren.
Droog als een scherf voel ik mezelf bezwijken.
Mijn botten kraken en mijn krachten wijken.
O God, ik sterf.

5. Als wrede honden drijven ze mij voort.
Mijn handen en mijn voeten zijn doorboord.
Ze spelen om mijn kleren – ongehoord.
Ik hang te schande.
Grijp in, HEER, red mij uit hun leeuwentanden.
Verhoor mij toch, ik smeek U haast te maken.
HEER, laat hun stierenhorens mij niet raken.
Antwoord alsnog.

6. U redde mij in mijn vertwijfeling.
Mijn broeders horen hoe ik voor U zing.
U heeft mij niet veracht: opnieuw ontving
ik licht en leven.
Zijn volk, juich voor de HEER, Hij is verheven.
Zijn hand bereidt een feest voor arme slaven.
Wie naar Hem zoekt, ontvangt zijn goede gaven
in eeuwigheid.

7. Eens zal men Hem erkennen, overal.
De dag komt dat de wereld knielen zal
voor de geduchte Heer van het heelal:
Hij zal regeren.
Straks zal zelfs wie begraven is Hem eren.
Het nageslacht zal al zijn daden prijzen
en aan zijn recht en goedheid eer bewijzen:
het is volbracht.

Psalm 25

Arie Maasland

1. HEER, ik wil mijn hart verheffen:
ik vertrouw op U, mijn God.
Laat de vijand mij niet treffen
met zijn dodelijke spot.
Wie volhardend op U hoopt
eindigt niet met lege handen;
wie op kromme paden loopt
staat straks openlijk te schande.

2. HEER, leer mij uw waarheid kennen
en uw onderwijs verstaan.
Laat mij aan uw wegen wennen,
help mij in uw spoor te gaan –
God, U bent het die mij redt.
Hele dagen, hele nachten
ben ik hoopvol in gebed:
altijd blijf ik U verwachten.

3. HEER, denk niet aan mijn verleden;
straf mij niet, maar spreek mij vrij.
Laat mij delen in uw vrede;
ga barmhartig om met mij.
HEER, U kent vanaf mijn jeugd
al mijn zonden en gebreken –
denk toch niet aan wat niet deugt,
maar laat uw genade spreken.

4. God is goed, Hij is rechtvaardig:
zondaars leidt Hij in zijn spoor.
Wie oprecht is en zachtaardig
onderwijst Hij, gaat Hij voor.
Wie op zijn verbond vertrouwt
wil Hij rijkelijk belonen;
wie zich aan zijn wetten houdt
zal Hij trouw en liefde tonen.

5. HEER, vergeef mijn zware zonden,
alles waar ik mij voor schaam.
Help mij, richt mij niet te gronde;
doe het om uw goede naam.
Wie U dient, wie U verwacht
hoeft niet doelloos rond te zwerven.
Zijn gezegend nageslacht
zal de hele aarde erven.

6. Wat een wonder mag dit heten:
God laat ieder die Hem dient
zijn verbondsgeheimen weten.
Hij beschouwt hem als een vriend.
Op de HEER richt ik mijn blik;
door zijn trouw laat ik mij leiden.
Als ik vastraak in een strik,
zal Hij mij opnieuw bevrijden.

7. HEER, ik voel me zo verlaten:
zoveel zonden in mijn hart,
zoveel mensen die mij haten,
zoveel angst die mij verwart.
Zie de vijand om mij heen;
vol venijn drommen ze samen.
HEER, ik schuil bij U alleen;
maak dat ik mij niet zal schamen.

8. Laat oprechtheid mij bewaren;
geef mij leven in uw licht.
Ondanks dreigende gevaren
is mijn hoop op U gericht.
HEER op wie mijn hart vertrouwt,
God in wie ik ben geborgen,
maak het volk waarvan U houdt
vrij van lijden en van zorgen

Psalm 31

Bob Vuijk

1. Ik schuil bij U met al mijn zorgen.
Beschaam mij niet, o HEER.
Spreek recht, help ook dit keer.
In U, mijn rots, ben ik geborgen.
U zult mij zorgzaam leiden,
mij uit het net bevrijden.

2. Mijn leven leg ik in uw handen.
U, trouwe God, maakt vrij.
Ik haat afgoderij,
maar voel voor U mijn liefde branden,
voor U die mijn ellende
en zielsbenauwdheid kende.

3. Schep ruimte, HEER, heb mededogen.
Ik zit in diepe nood.
De afbraak is zo groot!
Zwak is mijn lijf, dof zijn mijn ogen.
Mijn zonden - zij verzwaren
mijn moeitevolle jaren.

4. Ik word bespot door mijn belagers,
door buren nog het meest.
Wie vrienden zijn geweest
zijn nu veranderd in beklagers.
Om wat ik heb te lijden
gaan mensen mij vermijden.

5. Voor velen ben ik afgeschreven,
een stukgebroken pot,
voor dood verklaard, bespot.
HEER, ik moet vrezen voor mijn leven,
omdat mijn haters samen
een moord op mij beramen.

6. Op U, mijn HEER, blijf ik vertrouwen.
Ik zeg: U bent mijn God,
in uw hand ligt mijn lot.
Laat niet de vijand mij benauwen.
Doe liefdevolle daden;
betoon me uw genade.

7. Maak toch uw dienaar niet te schande,
want, HEER, U roep ik aan,
maar laat te schande staan
en zwijgend in het graf belanden
wie zelfgenoegzaam liegen,
wie heiligen bedriegen.

8. Hoe groot is, HEER, wat U zult geven
aan wie bij U als kind
zijn troost en toevlucht vindt.
Bij U geborgen is zijn leven.
Hij vindt bij U ontferming.
Uw tent geeft hem bescherming.

9. God zij gedankt, want door een wonder
heeft Hij zijn kind ontzet,
uit doodsgevaar gered.
Ik dacht: ‘Mijn leven gaat ten onder.’
Te snel sprak ik die woorden:
U was het die mij hoorde.

10. Bewijs God eerbied, jullie allen
die trouw zijn aan de HEER.
Hij zorgt voor je verweer,
maar goddelozen laat Hij vallen.
Wees sterk en vastberaden
en hoop op zijn genade.

Psalm 33

Jan Pieter Kuijper

1. Juich wie de HEER van harte eren;
laat horen dat je vrolijk bent.
Bewijs Hem eer, ga musiceren,
bespeel bezield je instrument.
Zing bij de akkoorden
feestelijke woorden;
zing met hart en stem.
Maak de mooiste klanken
om de HEER te danken;
speel vol vuur voor Hem.

2. Nooit zal Hij zijn belofte breken;
betrouwbaar is al wat Hij zegt.
Zijn daden op de aarde spreken
van goedheid, liefde, trouw en recht.
Zijn bevel bepaalde
dat het zonlicht straalde.
Land en oceaan
heeft de HEER gescheiden.
Zeeën en getijden
liet de HEER ontstaan.

3. Laat wie op aarde wonen beven,
vol eerbied en ontzag voor God:
Hij sprak één woord en er was leven;
uit niets kwam iets op zijn gebod.
Wat de volken samen
zonder God beramen
wordt door Hem ontkracht.
Niets kan Hem beletten
alles door te zetten
wat Hij heeft bedacht.

4. Het volk dat God vereert als koning
is zijn gezegend eigendom.
De HEER ziet uit zijn hoge woning
naar alle stervelingen om.
Wat zij overleggen,
wat zij doen of zeggen,
weet de HEER meteen.
Hij die hen formeerde,
ieder hart boetseerde,
kijkt dwars door hen heen.

5. Een koning kan geen oorlog winnen
dankzij een grote legermacht;
met paarden kan hij niets beginnen,
al hebben ze nog zoveel kracht -
maar God zal bevrijden
wie zijn naam belijden.
Wie in hongersnood
hulp van Hem verwachten
krijgen nieuwe krachten,
redt Hij van de dood.

6. Verlangend staan wij uit te kijken
naar onze redder, onze Heer.
Hij is ons schild dat niet zal wijken;
in liefde ziet Hij op ons neer.
Al zijn zegeningen
zullen wij bezingen;
ja, Hij maakt ons blij.
HEER, wil aan ons denken,
ons uw zegen schenken.
U verwachten wij.

Psalm 35

Adriaan Molenaar

1. Bestrijd wie mij bestrijden, HEER.
Kom, help mij, grijp uw schild, uw speer.
Sta op, verjaag wie mij belagen.
Zeg tegen mij: 'Ik zal je dragen'.
Laat hen die uit zijn op mijn dood
te kijk staan, maak hun schande groot.
HEER, stuur uw engel op hen af.
Laat hen verwaaien zoals kaf.

2. Ze hebben sluw hun val gezet
om mij te vangen in hun net.
Laat hen zelf in de valkuil stappen
waar ik onschuldig in moest trappen.
Dan vult mijn hart zich met muziek;
dan zing ik: 'Heer, U bent uniek!
U gaat naast zwakke mensen staan
en pakt de onderdrukkers aan.'

3. Zij liegen dat ik schuldig ben.
Toch was ik altijd goed voor hen.
Ik leefde mee wanneer zij leden.
Ik noemde hen in mijn gebeden.
Ik zat om hen in zak en as
alsof het om mijn moeder was.
Maar nu ik struikel, lachen zij
en komen dreigend dichterbij.

4. Hoelang nog, Heer, kijkt U ernaar?
Moordlustig staan die leeuwen klaar.
Verlos mij of ik ga verloren;
geef dat het volk mijn lied mag horen.
Laat toch niet lachen wie mij haat,
wie ruzie zoekt en zint op kwaad.
Gun hun die leven van bedrog
geen leedvermaak: 'Kijk hem nou toch!'

5. U ziet toch ook dit alles, HEER?
Blijf dan niet ver en zwijg niet meer.
Word wakker, God, kom voor mij strijden.
Verdedig mij, sta mij terzijde!
U bent rechtvaardig, HEER, mijn God,
laat hen niet lachen om mijn lot.
Laat ze niet zeggen vol venijn:
'We kregen hem ten slotte klein!'

6. Laat wie om mijn ellende lacht,
vernederd worden en veracht.
Geef blijdschap aan oprechte mensen
die wel het goede voor mij wensen.
Maak dit hun lied: ‘De HEER is groot,
Hij hielp zijn dienaar uit de nood.’
Dan zal ik zingen voor altijd;
dan prijs ik uw gerechtigheid.

Psalm 37

Arie Maasland

1. Wees niet jaloers op wie in zonde leven.
Ze lijken op het gras, dat snel verdort.
De bloeitijd van wie kwaad doen, duurt maar even.
Bewoon het land dat je geschonken wordt.
Steun op de HEER, die jou geluk wil geven.
Gehoorzaam Hem, dan kom je niets tekort.

2. Vertrouw de HEER, dan heb je niets te klagen.
Laat Hem je dragen, leef in evenwicht.
Het recht zal als de nieuwe morgen dagen.
Dat je gelijk hebt, brengt Hij aan het licht.
Wanneer je merkt dat slechte plannen slagen,
blijf dan geduldig op de HEER gericht.

3. Wind je niet op, maar laat je boosheid varen
als iemand slaagt die listig opereert –
want wie de HEER verwachten, zal Hij sparen,
maar zondaars worden door zijn toorn verteerd;
je zult geen spoortje meer van hen ontwaren.
God geeft het land aan wie Hem kent en eert.

4. De zondaar grijnst verbeten om de vrome.
God lacht hem uit, Hij kent de toekomst al.
De zondaar heeft zijn wapens opgenomen
en denkt dat hij de zwakke doden zal.
Maar nee, hijzelf zal aan zijn einde komen:
zijn zwaard schiet uit, hij brengt zichzelf ten val.

5. De overvloed van vele goddelozen
stelt minder voor dan wat de vrome heeft.
God steunt wie voor het goede heeft gekozen
en neemt het voor hem op zolang hij leeft.
De bozen gaan een poosje over rozen,
tot God hen knakt en hun de doodsteek geeft.

6. De slechterik is slechts gericht op lenen;
altijd staat hij bij iemand in het krijt –
maar gulheid is een kenmerk van degene
die zich aan recht en wet heeft toegewijd.
De HEER treft zondaars en ze zijn verdwenen,
maar vromen zegent Hij met vrolijkheid.

7. God geeft wie Hem bevalt zijn goede zorgen.
Standvastig mag hij door het leven gaan.
Zelfs als hij struikelt, weet hij zich geborgen.
Nooit hoeft hij voedselschaarste te doorstaan.
Dankzij Gods ondersteuning elke morgen
deelt hij gul uit; er komt geen einde aan.

8. Mijd het verkeerde, wijd je aan het goede.
Dan zul je eeuwig wonen in het land.
God zal wie eerlijk leven trouw behoeden,
maar alle zondaars schuift Hij aan de kant.
Hun nageslacht moet delen in zijn woede.
Het erfdeel van rechtvaardigen houdt stand.

9. Wie goed is, brengt het goede graag ter sprake;
woorden van wijsheid en van recht spreekt hij.
Hij laat de wet van God zijn hart bewaken;
hij wankelt niet, maar wandelt vrij en blij.
De zondaar zoekt een kans om hem te raken,
maar God spreekt hem van elke aanklacht vrij.

10. Hoop op de HEER en houd je aan zijn paden,
dan schenkt Hij je respect en grondgebied –
maar voor een zondaar is er geen genade.
Hij lijkt een sterke struik als je hem ziet,
tot God hem uitroeit om zijn slechte daden;
je zult hem zoeken, maar je vindt hem niet.

11. Geef aandacht aan het einde van oprechten:
hun toekomst is vol vrede, voor altijd.
De HEER verlost wie aan het goede hechten,
maar goddelozen raken alles kwijt.
Ze worden weggevaagd, terwijl Gods knechten
zich koesteren bij Hem in veiligheid.

Psalm 40

Jan Pieter Kuijper

1. Verlangend heb ik op de HEER gewacht.
Hij luisterde naar mijn gebed:
Hij heeft mij uit het slijk gered
en op een rots in veiligheid gebracht.
Ik was al opgegeven,
maar Hij liet mij herleven!
Nu zing ik tot zijn eer
een nieuw verlossingslied.
Laat ieder die het ziet
vertrouwen op de HEER.

2. Gelukkig, HEER, is wie op U vertrouwt,
wie niet met trotse mensen leeft,
een afkeer van bedriegers heeft,
zich niet met hun praktijken bezighoudt.
U liet ons steeds ervaren
hoe groot uw daden waren.
Doordacht was heel uw plan.
U bent mijn God en Heer.
U deed voor ons veel meer
dan ik vertellen kan.

3. Een offer of geschenk maakt U niet blij.
Wat U graag wilt dringt tot mij door.
Aan uw bevel geef ik gehoor:
hier ben ik, HEER, uw boek gaat over mij.
Uw wil voor heel mijn leven
staat daarin opgeschreven.
Wat is het goed, mijn God,
dat ik U elke dag
van harte dienen mag.
Ik koester uw gebod.

4. Bezield geef ik de blijde boodschap door:
ik zwijg niet over wie U bent.
Uw goedheid, HEER, is ongekend.
Ik houd het volk uw trouw en liefde voor.
U toont uw medeleven.
U wilt bescherming geven.
Open uw hart voor mij.
Omring mij telkens weer
met uw ontferming, HEER.
Sta mij met liefde bij.

5. Red mij opnieuw, want onheil drukt mij neer.
Van alle zonden die ik doe
ben ik gebroken en doodmoe.
Schiet mij te hulp, HEER, want ik kan niet meer.
Laat wie mijn dood beramen
zich voor hun plannen schamen.
Bestraf hun lasterpraat.
Toon uw rechtvaardigheid.
HEER, zorg dat voor altijd
het lachen hun vergaat.

6. Wie zijn geluk alleen van U verwacht
zal lachen en zal vrolijk zijn.
Wie op U bouwt, zingt dit refrein:
‘Groot is de HEER, geweldig is zijn macht.’
Ik ben in mijn ellende
voor U geen onbekende.
Mijn redder, dat bent U.
HEER, U vergeet mij niet;
U weet van mijn verdriet.
Mijn God, bevrijd mij nu.

Psalm 44

Jan Pieter Kuijper

1. Wij hebben, God, met eigen oren
van onze ouders mogen horen
hoe U de volken uit hun land
verdreef en hen daar hebt geplant.
Zij wonnen niet door eigen kracht:
U hebt uw rechterhand geheven.
U was het die verlossing bracht.
U wilde hun uw liefde geven.

2. God, onze koning, schonk de zege;
uw Jakob heeft het land gekregen.
Uw macht, en niet mijn zwaard of speer,
sloeg alle tegenstanders neer.
U was de redder in de strijd;
U wist de vijand te bedwingen.
Uw naam verhogen wij altijd.
Uw daden zullen wij bezingen.

3. U hebt ons nu alleen gelaten.
U trok niet mee met de soldaten.
U liet ons vluchten in de strijd;
al ons bezit raakten we kwijt.
Als slachtvee zijn we afgestaan;
U joeg ons weg naar verre landen.
U hebt ons van de hand gedaan.
U maakte ons, uw volk, te schande.

4. De volken die rondom ons wonen
zijn erop uit om ons te honen.
Ze lachen smalend om ons lot;
wij zijn het mikpunt van hun spot.
U staat het toe, U keurt het goed
dat zij zich over ons vermaken.
Dat ons dit overkomen moet -
het schaamrood staat ons op de kaken!

5. U hebt ons ervan langs gegeven,
toch zijn we U steeds trouw gebleven.
We buigen niet voor beelden neer,
toch gunt U ons geen daglicht meer.
We dienen U met diep ontzag,
- U zou het anders wel ontdekken -
toch dreigt het onheil elke dag;
als slachtvee moeten we vertrekken.

6. HEER, waarom slaapt U nu wij lijden?
Word wakker en kom tussenbeide!
Waarom hebt U zich afgewend
en doet U of U ons niet kent?
Zwaar drukt de last van ons verdriet;
wij zijn ten dode opgeschreven.
Kom ons te hulp, vergeet ons niet.
Laat ons weer uit uw liefde leven.

Psalm 45

Adriaan Molenaar

1. Met dit gedicht wil ik de koning loven.
De goede woorden borrelen naar boven
vanuit mijn hart; mijn tong is als een pen
waarmee ik soepel aan het schrijven ben.
O koning, als wij naar uw schoonheid kijken
is er geen mens met u te vergelijken.
Genade spreekt uit alles wat u zegt,
vandaar dat God zijn zegen op u legt.

2. Pak zwaard en boog, trek onbevreesd ten strijde;
kom stralend naar de overwinning rijden! 
Terwijl u strijdt voor waarheid, trouw en recht
doorboort uw pijl elk volk dat u bevecht.
Wij mogen iets van God in u ervaren:
onwankelbaar doorstaat uw troon de jaren
terwijl u eerlijk over ons regeert,
het goede liefhebt en het kwade weert.

3. Om uw oprechtheid maakte God u koning
en zalfde u met olie bij uw kroning.
Die vreugdegeur hangt nog in uw gewaad;
een zoete reuk omringt u waar u gaat.
Muziek weerklinkt vanuit ivoren zalen
waar rijkgeklede koningsdochters stralen.
Rechts naast u staat uw schitterende bruid;
gehuld in goud ziet zij er prachtig uit.

4. “Kom bruid, vergeet je ouderlijke woning
en laat je nu beminnen door de koning!
Buig onder zijn gezag, hij is je heer.
Zijn volk legt reeds geschenken voor je neer.
Het grote feest kan elk moment beginnen;
wat ben je mooi terwijl je wacht hierbinnen!
In goudbrokaat ga je hem tegemoet,
gevolgd door meisjes in een blijde stoet.”

5. Met vreugde en gezang komt men haar halen
en brengt haar naar de koninklijke zalen.
Het oude is voorbij, de toekomst wacht,
de weg ligt open voor een nieuw geslacht.
Uw kinderen zijn trotse koningszonen
die overal op aarde zullen tronen.
Uw naam, o koning, wordt nog lang genoemd;
ik zing uw lof zodat elk volk u roemt!

Psalm 49

Jan Pieter Kuijper

1. Bewoners van de wereld, luister goed
naar alles wat ik je vertellen moet.
Van hooggeplaatste tot gewone man,
van rijke tot wie haast niets kopen kan,
ik moet mijn wijze woorden aan je kwijt:
mijn mond loopt over van diepzinnigheid.
Spits bij mijn overpeinzingen je oren;
bij citerspel laat ik mijn wijsheid horen.

2. Waarom zou ik nog bang zijn voor geweld
van mensen die vertrouwen op hun geld?
In hun verwaandheid vatten zij maar niet
dat veel bezit geen eeuwig leven biedt.
Al stonden zij ook al hun rijkdom af,
ze redden daarmee niemand uit het graf.
De prijs die God vraagt voor een mensenleven
is hoger dan een sterveling kan geven.

3. Weet dat het einde komt voor iedereen:
dwaas of verstandig, eens gaan allen heen.
Bezittingen met zorg bijeengebracht
gaan over naar het volgende geslacht,
al denkt de dwaas: mijn huis houdt altijd stand,
en op mijn naam staan grote stukken land.
Wie zonder inzicht zijn geluk blijft vieren
vindt duisternis, vergaat zoals de dieren.

4. Zo gaat het wie op eigen wijsheid bouwt,
wie niet op God, maar op zichzelf vertrouwt:
hij is een schaap dat ruw wordt weggeleid.
De dood is als een hoeder die hem weidt.
Wie eerlijk leeft, wordt bij het morgenlicht
in eer hersteld en door God opgericht.
Als Hij mij uit het dodenrijk komt halen
zal Hij de losprijs voor mijn ziel betalen.

5. Al heeft een rijke meer bezit dan jij,
wees niet jaloers: zijn welvaart gaat voorbij.
Nu is hij met zijn weelde in de weer,
straks daalt hij doodarm in de grafkuil neer.
Hij moet zich voegen bij zijn voorgeslacht.
Zijn licht dooft uit, voor altijd wordt het nacht.
Wie zonder inzicht zijn geluk blijft vieren
vindt duisternis, vergaat zoals de dieren.

Psalm 50

Arie Maasland

1. De HEER die alle macht heeft – Hij alleen! –
roept heel de aarde voor zijn troon bijeen.
In Sion, stad van smetteloze pracht,
verschijnt Hij stralend en Hij toont zijn kracht:
Hij komt eraan en zal zich laten horen.
In vuur en wervelwind trekt Hij zijn sporen.

2. De hemel en de aarde spreekt Hij aan:
‘Laat wie Mij trouw is, voor Mij komen staan,
wie met zijn offers zich aan Mij verbindt.
Ik ga vertellen wat Ik van hem vind.’
Gods recht staat vast, de hemel is getuige.
Hij oordeelt zuiver, iedereen moet buigen.

3. ‘Luister, mijn volk, Ik ben je God en HEER.
Je offers breng je elke morgen weer.
Je duurste dieren geef je – maar waarom?
De hele wereld is mijn eigendom.
Beesten genoeg die Ik zou kunnen slachten.
Moet jij Mij voeden? Weg met die gedachte!

4. Doe Ik mezelf aan stierenvlees tegoed?
Je denkt dat Ik geniet van geitenbloed?
Breng dankbaar offers, niet met tegenzin.
Los je geloften zonder uitstel in.
Dan zal Ik op je noodkreet reageren:
Ik zal je redden en jij zult Mij eren.

5. Maar God snoert wie het kwade doen de mond:
‘Je praat wel over Mij en mijn verbond,
maar hebt mijn woorden en mijn wet niet lief.
Graag pleeg je overspel, je bent een dief.
Je tong spreekt laster en je lippen liegen;
je eigen broer zelfs durf je te bedriegen.

6. Je denkt (alsof Ik net zo ben als jij):
God gaat stilzwijgend aan het kwaad voorbij.
Maar nee, Ik maak je daden openbaar.
Kom tot bezinning, want er dreigt gevaar:
wie zondigt, laat Ik ongenadig lijden –
maar wie Mij dankbaar dient, zal Ik bevrijden.’

Psalm 51

Jan Pieter Kuijper

1. Heb medelijden God! Ik roep U aan
omdat uw hart gevuld is met genade.
Wis alle zonden weg, omdat mijn daden
mij als een zware last voor ogen staan.
Wat ik gedaan heb is ontstellend slecht.
Ik heb mij tegen U, o God, misdragen.
Welk vonnis U ook velt, het is terecht.
Ten einde raad wil ik vergeving vragen.

2. Vanaf de moederschoot heb ik al schuld.
Het kwaad zat in mij toen ik werd geboren.
Maar U laat diep in mij uw waarheid horen;
U wilt dat ik met wijsheid word vervuld.
Ontzondig mij geheel, dan ben ik rein.
Was mij, zodat ik wit zal zijn vanbinnen,
nog witter dan de witste sneeuw kan zijn
en laat de vreugde van de droefheid winnen.

3. Let niet meer op mijn fouten, wis ze uit.
Zuiver mijn hart en wil mijn schuld vergeven.
Ik kan alleen standvastig met U leven
als U de ogen voor mijn zonden sluit.
Geef mij de blijdschap die ik heb gekend,
kracht en bezieling om U weer te eren.
Dan wijs ik zondaren op wie U bent.
Zij zullen luisteren en zich bekeren.

4. God, spreek mij vrij van mijn verdiende straf.
Vergeld geen bloed met bloed, laat mij niet boeten,
al zou dit volgens wet en recht wel moeten.
God van mijn redding, wend de dreiging af.
Wat zal ik zingen als U mij bevrijdt!
Heer, maak mij tot een levende getuige
van uw genade en gerechtigheid.
Open mijn mond, dan zal ik voor U juichen.

5. Door offers worden schulden niet voldaan.
In dode dieren schept U geen behagen.
U neemt ons hart, gebroken en verslagen,
genadig als een offergave aan.
Bouw Sion op in al zijn oude pracht.
Dan wordt het offer, rein en ongeschonden,
weer naar de eisen van uw wet gebracht.
Zonder gebrek draagt het voor ons de zonden.

Psalm 55

Bob Vuijk

1. Luister, mijn God, hoor naar mijn smeken.
Ten einde raad vraag ik een teken
dat U mij helpt en wilt behoeden.
De vijand schreeuwt, hij tiert en dreigt.
Wanneer hij daar de kans voor krijgt
treft hij mij met zijn haat en woede.

2. Angst voor de dood houdt mij gevangen.
Diep in mij leeft een sterk verlangen
om wiekend op te kunnen stijgen
zoals een duif, om vrij te zijn!
Dan vluchtte ik naar de woestijn,
weg, heel ver weg van al hun dreigen.

3. Heer, zaai verwarring in hun spreken,
nu twist en strijd de vrede breken.
De stad, haar pleinen en haar muren
zijn het toneel van list en kwaad;
er heerst terreur van vroeg tot laat.
Hoe lang nog zal die rampspoed duren?

4. Werd ik bespot door wie me haten,
het zou me onverschillig laten.
Hoon komt van jou, op wie ik bouwde!
We waren vrienden, één van geest;
met velen vierden we Gods feest.
Je was een man die ik vertrouwde.

5. Laat hen hun schulden maar betalen,
laat hen maar in de grafkuil dalen.
Ze zijn een werktuig van het kwade.
Maar ik, ik roep tot God. Tot Hem
klinkt smekend dag en nacht mijn stem.
Hij geeft mij redding en genade.

6. Mijn tegenstanders zijn met velen,
maar ik mag in Gods vrede delen.
Hij heerst vanaf de vroegste tijden.
Mijn vijand spreekt, glad als een aal;
levensgevaarlijk is zijn taal,
maar God zal hem de pas afsnijden.

7. Laat God, de HEER, je lasten dragen.
Hij steunt wie om verlichting vragen,
houdt overeind wie op Hem bouwen.
U straft de goddeloze zwaar;
te gronde gaat de moordenaar.
Maar ik, ik blijf op U vertrouwen.

Psalm 68

Jan Pieter Kuijper

1. God richt zich op in majesteit.
Zijn haters staken alle strijd
en vluchten voor hun leven.
Zoals de wind de rook verjaagt,
zo is de vijand weggevaagd;
ver uit het zicht verdreven.
Maar de rechtvaardigen zijn blij.
Als God eraan komt juichen zij;
ze klappen opgetogen.
Bezing zijn naam en sta paraat
wanneer Hij door de velden gaat.
Jouw lied zal Hem verhogen.

2. God kijkt vanuit zijn heiligdom
als vader naar de wezen om;
de weduwen behoedt Hij.
Wie zich verlaten voelt en zwak
geeft Hij ruimhartig onderdak;
de hongerige voedt Hij.
Wie niet meer weet wat vrijheid is
haalt Hij uit de gevangenis,
van elke straf ontheven.
Maar mensen die opstandig zijn
lijden gebrek in de woestijn;
niets kan daar overleven.

3. O God, toen U vol majesteit
uw eigen volk had uitgeleid
als herder van uw kudde,
dreunde de hele aarde luid,
de hemel stortte water uit;
de Horeb stond te schudden.
U hebt hen door uw grote macht
naar het beloofde land gebracht,
dat groen was door de regen.
Uw kleine kudde, uitgeblust,
kreeg daar weer nieuwe kracht en rust.
U gaf aan hen uw zegen.

4. Geef deze blijde boodschap door,
verspreid dit woord van God in koor:
de vijand is verslagen!
Door vrouwen werd de buit geteld,
terwijl hun mannen in het veld
lui bij het kampvuur lagen.
Het zilver blonk in overvloed.
Verblindend was de gouden gloed
van fraai vergulde duiven.
Gods almacht joeg de heersers op,
zoals de storm op Salmons top
de sneeuw hoog op laat stuiven.

5. Jij, Basans berg, massieve rots,
met al je toppen, machtig trots,
wat sta je daar te kniezen?
Waarom vind jij het toch zo erg
dat God niet jou, jaloerse berg,
als woonplaats wilde kiezen?
Met veel vertoon van macht beklom
de HEER zijn berg, zijn heiligdom;
zijn zege werd bezongen.
Men legde gaven voor Hem neer.
Zelfs van rebellen heeft de HEER
belastinggeld bedongen.

6. Prijs en aanbid God elke dag.
Bij voorspoed en bij tegenslag
zal deze God ons dragen.
Hij is een God die ons bevrijdt,
die zegenend zijn handen spreidt;
Hij heeft de dood verslagen.
Zijn tegenstanders velt Hij neer.
‘Ik kom ze halen’, spreekt de HEER,
‘en gun hen geen genade.
De honden likken van hun bloed.
De straat kleurt rood en jullie voet
zal door die plassen waden.’

7. Dit schitterende zangfestijn,
met luit en harp en tamboerijn,
is voor de HEER, mijn koning.
De mannen gaan al zingende,
de meisjes vrolijk springende
in optocht naar zijn woning.
Prijs, klein en groot, bij snarenspel
de HEER, de God van Israël,
de bron van al het leven.
Het land loopt uit van zuid tot noord,
tot welke stam men ook behoort,
om God de eer te geven.

8. U hebt aan ons uw macht getoond
vanuit de tempel waar U woont;
bevestig deze daden.
Dan wordt U, God, in uw paleis
door koningen als eerbewijs
met gaven overladen.
Bestraf het land dat ons bespiedt
en spaar de brute volken niet
die slechts aan rijkdom denken.
Dan komen afgezanten snel
om U, de God van Israël,
te dienen met geschenken.

9. Zing, koninkrijken, zing voor Hem,
voor God de HEER, met hart en stem;
erken Hem, alle volken.
Hij trekt zijn koninklijke spoor
de hoge hemelsferen door,
ver boven lucht en wolken.
De HEER verheft zijn stem met kracht.
Zijn majesteit en grote macht
gaan het verstand te boven.
Vanuit zijn heiligdom staat Hij
zijn Israël vol liefde bij.
Laat iedereen God loven!

Psalm 69

Jan Pieter Kuijper

1. Verlos mij, God, voorkom dat ik verdrink.
De stroom is sterk, het water blijft maar stijgen.
Ik kan ternauwernood nog adem krijgen.
Diep is de modder waar ik in verzink.
Van al het roepen is mijn keel kapot.
Ik zie haast niets meer: doodmoe zijn mijn ogen
van al het uitzien naar uw komst, mijn God.
Zet mij toch veilig naast U op het droge!

2. Mijn tegenstanders zie ik overal!
Zij zeggen dat ik van hen heb gestolen
en hebben mij in blinde haat bevolen
dat ik mijn buit aan hen vergoeden zal.
Niets nam ik weg, al zondig ik vaak wel.
HEER, mijn schuld ontgaat U geen seconde.
Laat wie U zoeken, God van Israël,
geen schade lijden door mijn dwaze zonden.

3. Om U word ik verstoten en gesard.
In mijn familiekring heb ik geen leven,
omdat ik U mijn liefde heb gegeven.
Wie U bespotten, trappen op mijn hart.
Ik zit in zak en as door al hun haat;
verdrietig loop ik rond in oude kleren.
Ze lallen liedjes over mij op straat.
Hoor hoe ze leuzen over mij scanderen.

4. Daarom blijf ik steeds tot U bidden, HEER.
God, laat het nu het uur zijn van genade.
Groot is uw trouw, bevrijdend zijn uw daden;
verhoor me dan en toon uw liefde weer.
Trek me omhoog, ik heb geen vaste grond.
De schurken laten mij steeds dieper zinken.
Een modderstroom van spot komt uit hun mond.
Verlos mij, God, voordat ik zal verdrinken.

5. HEER, antwoord mij, want U bent trouw en goed.
Verberg U niet, maar kom me snel bevrijden.
Ik ben uw knecht, toon mij uw medelijden.
U weet dat ik veel hoon verdragen moet.
Ik zocht, maar vond geen troost in al mijn pijn.
Er is geen mens die nog van mij wil weten.
Als ik wil drinken, krijg ik zure wijn.
Die moordenaars vergiftigen mijn eten!

6. HEER, laat hen stikken in hun eigen brood!
Dat ze voor straf als kreupelen en blinden
al strompelend geen enkel houvast vinden.
Grijp in en stel hen aan uw woede bloot.
Verwoest hun huizen, ruïneer hun stad;
laat niemand in zijn woning achterblijven.
Want U straft mij, maar zij verzwaren dat:
ze blijven zout in al mijn wonden wrijven.

7. God, reken dat gespuis hun zonden aan;
dat U geen misdaad van hen zult vergeven!
Schrap hen toch uit de boekrol van het leven;
laat daar alleen rechtvaardigen in staan.
Mijn lichaam is gebroken van de pijn.
Ik ben verzwakt en doodop van het huilen.
O God, U wilde steeds mijn redder zijn,
laat me ook dit keer veilig bij U schuilen.

8. Ik prijs Gods naam en breng Hem dank en eer.
Zijn grootheid zal ik opgetogen vieren.
Het gaat Hem niet om reine offerdieren:
een lied van lof waardeert de HEER veel meer.
Dit maakt de nederige mensen blij.
Wie Gods nabijheid zoekt, voelt zich herboren.
Zijn volk, nu nog gevangen, maakt Hij vrij;
misdeelde mensen zal de HEER verhoren.

9. Laat mens en dier, wat maar bewegen kan,
de grote naam van God uitbundig prijzen,
want Hij laat Sion uit het puin herrijzen.
Voor Juda’s stad heeft Hij een reddingsplan:
De huizen worden door Hem opgebouwd.
De burgers mogen weer in vrijheid leven.
Hij zal het volk dat vurig van Hem houdt
het land voor altijd als bezitting geven.

Psalm 71

Jan Pieter Kuijper

1. Ik schuil bij U met al mijn zorgen.
Beschaam mij niet, o HEER.
Spreek recht, help ook dit keer.
In U, mijn rots, ben ik geborgen.
U hebt mij niet vergeten;
ik mag me veilig weten.

2. God, wil de plunderaars verjagen,
hun schrikbewind verslaan.
U bent van jongs af aan
mijn toeverlaat in bange dagen.
Voordat ik was geboren
mocht ik al bij U horen.

3. Dat U uw trouw aan mij laat blijken
ontgaat de mensen niet.
Tot U vlucht ik, U biedt
een plek waar ik naar uit kan wijken.
Geen dag laat ik passeren
zonder uw naam te eren.

4. Wil mij toch niet de rug toekeren
nu ik, bejaard en zwak,
naar uw bescherming snak.
Kijk hoe die schurken samenzweren.
Hoor hoe ze spottend praten:
‘zijn God heeft hem verlaten.’

5. God, haast U, red mij uit de handen
van hen die zelfvoldaan
mij naar het leven staan.
Laat hen beschaamd staan en te schande.
Wil wie mijn welzijn schaden
met schaamte overladen.

6. Voortdurend blijf ik op U hopen.
Uw trouw prijs ik steeds weer;
ik breng U alle eer.
Uw hart staat altijd voor mij open.
‘Mijn God’ mag ik U noemen.
Ik zal uw goedheid roemen.

7. U onderwees mij heel mijn leven;
uw lessen waren wijs.
Al is mijn haar nu grijs,
ik blijf, als U mij kracht wilt geven,
voor mijn nakomelingen
uw wonderen bezingen.

8. U laat, o God, uw goedheid rijzen.
Wie is als U zo groot?
Geef dat, na al mijn nood,
de mensen mij weer eer bewijzen.
Wil toch mijn naam verhogen
en al mijn tranen drogen.

9. Dan klinkt mijn loflied bij de klanken
van vrolijk snarenspel.
U, God van Israël,
zal ik voor mijn verlossing danken.
Wie uit is op mijn schande
staat met een mond vol tanden.

Psalm 72

Adriaan Molenaar

1. God, laat de koning goed regeren, 
met recht en met beleid.
Wil hem uw wijze regels leren
en uw gerechtigheid.
Dan zal uw volk in vrede leven, 
dan wordt er recht gedaan: 
verdrukten zal hij redding geven,
verdrukkers pakt hij aan.

2. Laat onze koning hooggeacht zijn 
zolang de zon bestaat.
Moge hij eeuwen aan de macht zijn
totdat de maan vergaat.
Laat hij verkwikkend zijn als regen
die dorstig land bevloeit:
wie eerlijk leeft ervaart zijn zegen
terwijl de vrede bloeit.

3. Tot aan de einden van de aarde
erkent men hem als heer. 
Elk volk moet zijn gezag aanvaarden
en buigt zich voor hem neer.
Geschenken zullen binnenstromen,
uit ieder land gebracht.
De verste vorsten zullen komen
en knielen voor zijn macht.

4. Wie roept om hulp zal hij bevrijden.
Wie in ellende leeft
redt deze koning, die zal strijden
voor wie geen helper heeft. 
Wie arm zijn of door zorg gebogen,
verdrukt of diep in nood – 
hun bloed is kostbaar in zijn ogen.
Hij redt hen van de dood.

5. 'Laat onze koning eeuwig leven',
zo bidt men keer op keer.
Men zal hem goud uit Sjeba geven
en zegent hem steeds weer.
Het koren kiemt, zelfs waar tevoren
geen graan ooit groeien kon;
gerijpt laat het een ruisen horen
zoals de Libanon.

6. De welvaart heerst in elke woning,
de stedeling floreert!
De grote naam van onze koning
wordt overal geëerd.
Zijn roem leeft voort door alle tijden:
men wenst te zijn als hij.
Elk volk blijft zich in hem verblijden 
en prijst zijn heerschappij.

7. Laat iedereen de HEER bezingen, 
de God van het verbond,
want Hij alleen doet grote dingen.
Laat nu uit ieders mond
zijn lof weerklinken door de tijden:
groot is zijn roem en eer! 
Laat al wat leeft zijn naam belijden.
Ja, amen, loof de HEER.

Psalm 73

Jan Pieter Kuijper

1. Gods volk kan op zijn liefde aan.
Hij helpt wie op zijn wegen gaan.
Toch ben ik bijna uitgegleden,
want ik was boos en ontevreden.
Ik keek met afgunst naar het lot
van hen die leven zonder God.
Zij zijn gezond en eten goed,
terwijl een ander lijden moet.

2. Ze zijn erg op zichzelf gesteld,
gebruiken met plezier geweld.
Ze maken sier met wrede daden
als met gewichtige gewaden.
Hun ogen zijn met vet omrand;
ze spotten en zijn arrogant.
Vanaf hun troon gaan ze tekeer
en kijken op een ander neer.

3. Nooit staan de dwazen onder druk.
Het kan niet op met hun geluk.
Gods volk staat voor hun zonden open,
begint hen achterna te lopen.
De dwazen gaan hun eigen gang;
voor niets en niemand zijn ze bang.
Ze reageren zelfvoldaan:
‘God trekt zich nergens wat van aan.’

4. Ik heb voor niets mijn best gedaan
om op het rechte pad te gaan,
want elke dag moet ik verdragen
dat ik gestraft word en geslagen.
Maar zou ik meegaan in het kwaad,
ik pleegde aan Gods volk verraad.
Waarom toch word ik onderdrukt,
terwijl een dwaas de dagen plukt?

5. Toen ging ik naar Gods heiligdom.
Daar werd mij duidelijk waarom:
U zult de zondaars eens verdrijven;
niets zal er van hen overblijven.
Hun einde zal ontstellend zijn;
ze storten neer in een ravijn.
Ze gaan wanneer U wilt meteen
als dromen in de morgen heen.

6. Wat zat ik vol verbittering,
toen ik mijn eigen wegen ging.
Gekwetst was ik, terneergeslagen;
ik heb me als een beest gedragen.
Maar nu weet ik dat U mij kent,
dat U mij leidt, mijn houvast bent.
Er komt een eind aan mijn getob:
in heerlijkheid neemt U mij op.

7. Wie heb ik in het hier en nu
en in de hemel buiten U?
Geen ander kan mij vreugde geven;
U bent de liefde van mijn leven.
Al zou mijn lichaam ook vergaan,
U bent de rots van mijn bestaan.
U biedt mij troost en veiligheid;
U bent mijn God, nu en altijd.

8. Wie wegen kiest bij U vandaan
zal op een dag ten onder gaan.
Bij U te zijn is mijn verlangen;
uw liefde wil ik graag ontvangen.
U bent de HEER op wie ik bouw,
die ik met hart en ziel vertrouw.
Ik zorg dat heel de wereld weet
wat U voor grote daden deed.

Psalm 74

Jan Pieter Kuijper

1. Waarom, o God, verstoot U voor altijd?
Waarom blijft U op ons uw woede koelen?
Laat ons, uw kudde, weer uw liefde voelen.
Denk aan het volk dat U ooit hebt bevrijd.

2. Denk aan uw berg, de woonplaats van uw eer.
Kom naar uw huis, waar wij U mochten dienen.
Bezoek uw stad, al zolang een ruïne:
verwoestend ging de vijand er tekeer.

3. Hun vlag stond midden op het tempelplein,
waar zij hun overwinning luid bezongen.
Diep zijn zij in uw woning doorgedrongen.
Zij sloegen daar het snijwerk kort en klein.

4. Uw heiligdom werd in de as gelegd.
Door plunderingen wilden zij ons breken.
Gaf U ons in uw goedheid maar een teken;
al lange tijd hebt U geen woord gezegd.

5. Hoe lang nog, God, houdt de bespotting aan?
Hoe lang nog blijft de vijand U verachten?
Grijp in en laat ons toch niet langer wachten!
Wil eigenhandig dit gespuis verslaan!

6. Ik ken U als mijn koning en mijn God.
U spleet met kracht de watervloed in tweeën.
De monsters die regeerden in de zeeën
hebt U gedood; U sloeg hun kop kapot.

7. U was het die rivieren stromen liet.
Uit U, de bron, ontsprongen frisse beken.
U maakte, door een enkel woord te spreken,
van overstromend land een droog gebied.

8. De dag en nacht zijn, HEER, in uw bezit.
Aan zon en maan hebt U een plek gegeven.
U schiep het vasteland om op te leven.
Na zomerzon geeft U weer winterwit.

9. Denk aan uw trouw, nu men zo met U spot.
HEER, voer uw tortelduif niet aan de gieren.
Geef toch uw volk niet prijs aan wilde dieren,
maar breng een wending in hun trieste lot.

10. Kom ons te hulp, HEER, denk aan uw verbond.
Het land is vol geweld en doodsgevaren.
Wil zwakken voor een nederlaag bewaren.
Laat hen U prijzen met hun hart en mond.

11. Grijp krachtig in, verdedig nu uw zaak.
Stop het getier, het spotten van de dwazen.
God, hoor toch hoe uw tegenstanders razen.
Maak er een einde aan, sta op, ontwaak!

Psalm 77

Jan Pieter Kuijper

1. Luidkeels, om God aan te sporen,
smeek ik tot Hij zal verhoren.
Niet berustend in mijn lot
zoek ik overdag naar God.
Rusteloos zijn mijn gedachten,
troosteloos de lange nachten.
Wanhoop voel ik en verdriet;
aan Hem denken helpt mij niet.

2. Zonder woorden, aangeslagen,
lig ik wakker vol met vragen.
Steeds haal ik mij voor de geest
hoe het vroeger is geweest:
hoe ik spelend op de snaren,
Gods nabijheid mocht ervaren.
Nu klinkt treurig mijn refrein:
zou Hij mij vergeten zijn?

3. Heeft de Heer dan echt besloten
mij voor altijd te verstoten?
Wat als Hij nu nooit meer komt,
als zijn woord voorgoed verstomt?
Is de Heer zijn trouw vergeten,
wil Hij niets meer van mij weten?
Is Hij meer van toorn vervuld
dan van liefde en geduld?

4. God is in mijn diepe lijden
niet zoals in oude tijden:
Hij, de allerhoogste Heer,
toont zijn sterke hand niet meer.
Toch blijf ik mijn tijd besteden
aan uw werk uit het verleden.
Wat U deed sinds het begin
prent ik mij voortdurend in.

5. Heilig is uw weg, verheven.
Welke afgod zou niet beven?
God, wie is als U zo groot?
U alleen redt van de dood.
In uw macht en uw genade
doet U wonderlijke daden.
Dat bewees U wereldwijd
toen uw arm ons heeft bevrijd.

6. Schrik beving de oceanen
toen uw hand een pad kwam banen.
Wolken stortten water uit
en de hemel dreunde luid.
Dreigend flitsten bliksemschichten,
die de wereld fel verlichtten.
Heel de aarde kromp ineen
toen U luisterrijk verscheen.

7. Niet te stuiten, onverschrokken,
bent U door de zee getrokken.
Onnavolgbaar was het pad
dat U uitgekozen had.
Als een trouwe herder leidde
U het volk dat U bevrijdde.
U bracht hen door Mozes’ hand
veilig naar de overkant.

Psalm 78

Jan Pieter Kuijper

1. Luister, mijn volk, naar mijn doordachte woorden,
naar wat wij eens van onze ouders hoorden.
Wij mogen het verleden niet vergeten;
ook moeten onze kinderen het weten.
Vertel met verve aan je nageslacht
over de HEER, zijn werken en zijn macht.

2. De HEER gaf Jakob regels voor het leven
en Hij gebood die verder door te geven.
Zo moest elk kind dat uit hem werd geboren
zijn grote daden en beloften horen.
Hij wilde dat het volk Hem dienen zou;
niet als destijds, toen waren zij ontrouw.

3. Zij moesten niet zo dwars zijn als ten tijde
van Efraïm: die stam trok niet ten strijde.
Zij bleven zich met hand en tand verzetten
tegen wat God gezegd had in zijn wetten.
Zij vluchtten weg en dachten er niet aan
dat Hij altijd voor hen had klaargestaan.

4. Het voorgeslacht had eerder al ervaren
hoe goed God was, hoe groot zijn daden waren:
Hij spleet het water en met droge voeten
vervolgden zij hun wonderlijke route.
De weg werd hun gewezen door een wolk
en ’s nachts verlichtte vlammend vuur het volk.

5. De HEER liet voor hun ogen waterstromen
in de woestijn vanuit een steenrots komen.
Toch bleven zij ondankbaar provoceren:
‘Zou God in staat zijn voedsel te serveren?
Het is wel waar dat Hij ons water bood,
maar wij verlangen lekker vlees en brood.’

6. God werd witheet omdat zij Hem verachtten
en niet hun hulp en heil van Hem verwachtten.
Maar desondanks gaf Hij een rijke zegen:
op zijn bevel kwam er een mannaregen.
Zo werd op weg naar het beloofde land
dit goddelijke brood hun proviand.

7. Uit oost en zuid bracht God de winden samen,
waarop er vogels naar beneden kwamen.
Hij gaf hun vlees dat alle honger stilde;
ze konden zoveel eten als ze wilden.
Hun buik was nog maar nauwelijks gevuld
toen er een einde kwam aan Gods geduld.

8. De sterksten en zij die het gulzigst aten
moesten voor straf meteen het leven laten.
De reis liep uit op doelloze ellende,
omdat het volk zijn redder niet erkende.
Als het hun uitkwam zochten zij de HEER
maar na een tijd bedrogen zij Hem weer.

9. De HEER bedekte elke keer hun zonden,
al was hun hart niet echt met Hem verbonden.
Hoewel Hij vaak zijn boosheid moest bedwingen
wilde Hij niet dat zij ten onder gingen.
Dan dacht Hij: ‘Ach, ze zijn maar zwak en klein;
laat Ik ook ditmaal nog genadig zijn’.

10. Het volk bleef God, de Heilige, steeds krenken
door steeds weer nieuwe laster te bedenken.
Wat Hij gedaan had waren ze vergeten;
ze leken van zijn daden niets te weten:
hoe Hij hun hulp bood met zijn sterke hand,
hoe Hij hen redde uit het slavenland.

11. God liet daar bloed door de rivieren stromen.
De steekvlieg liet Hij als een kwelling komen.
Hij stuurde kikkers die het land bedekten.
De oogst werd kaalgevreten door insecten.
Geen boom bleef heel door het natuurgeweld.
De bliksem trof de kudden op het veld.

12. God was zo boos op de Egyptenaren
dat zij ten dode opgeschreven waren.
Zo moesten zij, na negen zware plagen,
hun eerstgeborenen ten grave dragen.
Toen leidde Hij zijn volk naar de woestijn,
waar Hij hun trouwe herder wilde zijn.

13. Het volk was veilig onder zijn geleide
toen Hij het water van de Rietzee scheidde.
Hij bracht hen naar de berg door Hem verkoren,
naar het gebied dat hun zou toebehoren.
De volken joeg Hij weg met eigen hand.
Hij gaf per stam het vastgestelde land.

14. Zij tartten ook in Kanaän Gods woorden;
ze deden net of ze zijn wet niet hoorden.
Niet erger konden zij de HEER kleineren
dan door hun godenbeelden te vereren.
Boos en beledigd door dit overspel
keerde de HEER zich af van Israël.

15. Vertoornd zocht Hij zijn woonplaats ergens anders.
De ark belandde bij zijn tegenstanders.
Het volk waaraan Hij zich had willen geven
werd door Hem ver van huis en haard verdreven.
De sterke mannen overleefden niet;
voor jonge meisjes stierf het bruiloftslied.

16. Hoewel de priesters waren omgekomen,
werd er geen snik, geen rouwgeklaag vernomen.
Zo ongenadig diep sloeg God de wonden
dat weduwen zelfs niet meer huilen konden.
Toen stond God op en vocht zoals een held.
Nog altijd wordt zijn zege doorverteld.

17. In Efraïm bleef God niet langer wonen;
aan Juda wilde Hij zijn liefde tonen.
Hij koos de Sionsberg om van te houden,
waar Hij een huis, zijn eigen woning, bouwde:
een tempel voor de eeuwigheid gemaakt,
een heiligdom dat zelfs de hemel raakt.

18. De jonge David, die zijn schapen weidde,
riep God om Israël, zijn volk, te leiden.
Als herder moest hij zijn bezit bewaken,
de eigenwijze kudde volgzaam maken. 
Hij hoedde hen in het beloofde land
oprecht van hart en met bekwame hand.

Psalm 89

Jan Pieter Kuijper

1. Ik wil uw liefde, HEER, bezingen voor altijd
en van uw trouw getuigen tot in eeuwigheid.
U heeft uw dienaar David liefdevol gezworen: 
‘Wij sluiten een verbond, Ik heb jou uitverkoren.
Mijn goedheid blijft in stand: je kunt erop vertrouwen
dat Ik op jou voorgoed mijn koninkrijk zal bouwen.’

2. Het loflied op uw werk weerklinkt de hemel door.
Het leger engelen bezingt uw trouw in koor.
Want wie van hen daarboven kan zich met U meten?
Wie kan behalve U ‘Heer van de goden’ heten? 
Uw macht is zo bekend bij alle hemelingen
dat zij met diep ontzag uw koningstroon omringen.

3. U bent almachtig, HEER, God van het hemelrijk.
Wie is zo trouw als U, wie is aan U gelijk?
De zee gehoorzaamt U wanneer de golven stijgen:
het woeste water wijkt, de stormen moeten zwijgen.
Het monster in de zee is door uw vuist verdreven.
Uw vijand zag uw kracht en vluchtte voor zijn leven.

4. Hemel en aarde zijn van U, met al wat leeft.
U bent het die de wereld vast verankerd heeft. 
U schiep het warme zuiden en het koude noorden.
De bergen prijzen U, zij juichen zonder woorden.
Uw arm is krachtig en uw rechterhand verheven.
Door liefde en door waarheid is uw troon omgeven.

5. Gelukkig is het volk dat uw bazuin herkent.
Zij juichen voor uw naam omdat U bij hen bent.
Zij wandelen met U; uw licht beschijnt hun ogen.
U geeft hun nieuwe kracht, U zult hen weer verhogen.
Zij hebben U als schild, aan hen geeft U de zege.
Hun koning hebben zij van U, hun HEER, gekregen.

6. Dit heeft U ons eens in een visioen verteld:
‘Ik kies een dienaar uit: een jonge, sterke held.
Hem, David, zal ik zalven en slagvaardig maken.
Geen vijand wint van hem: Ik zal hem trouw bewaken.
Wie hem met kwaad en onrechtvaardigheid belagen
zal Ik, terwijl hij kijkt, met eigen hand verjagen.’

7. ‘Ik zal er voor hem zijn, Ik steun hem met mijn trouw.
Zijn aanzien wordt vergroot omdat Ik van hem hou.
Hij heerst van west tot oost, Ik maak hem wereldleider.
‘God,’ zegt hij dan, ‘U bent mijn vader, mijn bevrijder’.
Ik noem hem oudste zoon en deel met hem mijn woning.
Ik geef hem alle macht, hij wordt de hoogste koning.’

8. ‘Zielsveel hou ik van hem, daar komt geen einde aan.
De trouw die Ik beloofde, blijft altijd bestaan.
Zolang de hemel duurt mag hij mijn volk regeren.
Maar als zijn zonen mij brutaal de rug toekeren,
mijn wet niet onderhouden en zich niet gedragen,
bestraf Ik hen met niet te tellen tegenslagen.’

9. ‘Mijn trouw neem Ik niet weg, mijn liefde neemt nooit af.
Ik handhaaf mijn verbond, mijn woord dat Ik hem gaf.
Omdat Ik heilig ben, zal Ik de waarheid spreken;
Ik kan en zal mijn eed aan David niet verbreken.
Zijn nageslacht regeert zolang de zon zal schijnen;
Ik zorg voor hem; nooit zal zijn koninkrijk verdwijnen.’

10. Toch hebt U hem verstoten, uw gezalfde zoon.
Boos brak U uw verbond, U trapte op zijn kroon.
Zijn stad sloeg U aan puin, U sloopte al zijn muren.
Hij kreeg een overvloed aan onheil te verduren:
hij werd beroofd door mensen die hem tegenkwamen.
De volken uit de omtrek spanden spottend samen.

11. U stond hem zelfs in oorlogstijd niet langer bij.
Zijn zwaard was afgestompt – wat was de vijand blij!
U bent niet hem, maar zijn rivaal te hulp geschoten.
Ontluisterend hebt U hem van zijn troon gestoten.
Zwak als een oude man moest hij, terneergeslagen,
van vijand en van vriend vernedering verdragen.

12. Hoe lang nog, HEER, verbergt U zich en blijft U boos?
Stopt het dan nooit? Uw woede lijkt wel eindeloos!
Denk toch aan mij, aan wie U adem hebt gegeven.
Kom, wacht niet langer, HEER, mijn leven duurt maar even.
Geen enkel mens is er die van het graf kan winnen;
wij, stervelingen, gaan het dodenrijk snel binnen.

13. Waar is uw liefde, waar uw goedheid van weleer?
Waar blijft uw trouw die U aan ons beloofd had, HEER?
U weet hoe volken ons met schande overladen,
hoe zij bij elke voetstap uw gezalfde smaden.
Toch zullen wij de HEER voor altijd dank bewijzen
en Hem instemmend met ons ‘amen, amen’ prijzen.

Psalm 90

Jan Pieter Kuijper

1. Wij hebben, HEER, in de voorbije jaren
uw trouwe hulp en veiligheid ervaren.
U was er voordat U de wereld baarde,
voordat er bergen waren op de aarde.
U zult er zijn zelfs tot in eeuwigheid,
want U bent God: U bent er voor altijd.

2. Dit is aan stervelingen niet gegeven.
Stof worden zij, want eindig is hun leven.
Duizenden jaren zijn reeds omgevlogen 
alsof het maar een dag was in uw ogen.
Een mensenleven is van korte duur:
een pauze in de nacht, een enkel uur.

3. Snel zal het einde van de mensen komen.
U vaagt hen weg als nachtelijke dromen.
Wij zijn als gras dat na een frisse regen
schijnbaar langdurig leven heeft gekregen.
Hoewel het welig opschiet, groeit het kort,
want door de zon is het al vlug verdord.

4. Wij kunnen niet onder uw woede leven.
Uw boosheid teistert ons en laat ons beven.
We komen om, we gaan voorgoed te gronde,
omdat U woedend bent over de zonde.
Wat wij in het geheim aan kwaad doen ligt
vol in het licht dat straalt van uw gezicht.

5. Ons leven gaat voorbij als een gedachte
en in een zucht vervliegen onze krachten.
Zeventig jaar, als we dat al bereiken,
zullen vol moeite en verdriet verstrijken; 
en zelfs al halen we de tachtig jaar, 
toch is het beste van ons leven zwaar.

6. Wie kent uw toorn, wie zou niet angstig wezen,
wie zou U niet met diepe eerbied vrezen?
Leer ons de dagen tellen van ons leven
en wil aan ons een hart vol wijsheid geven.
Kom weer bij ons, HEER, hoe lang duurt het nog?
Denk aan uw dienaren, ontferm U toch.

7. HEER, wil ons elke morgen overladen
met liefde als een teken van genade,
zodat wij ons, na lang en loodzwaar lijden,
weer met gejuich in U kunnen verblijden.
Vergoed ons onze jarenlange druk
en geef een tijd van onbezorgd geluk.

8. Laat ons, uw volk, in de nabije jaren
de diepte van uw goedheid weer ervaren. 
Toon onze kinderen uw grote daden.
HEER, onze God, bewijs ons uw genade.
Verstevig zelf het werk van onze hand.
Als U ons helpt, dan houdt het zeker stand.

Psalm 102

Arjen Vreugdenhil

1. HEER, wil mijn gebed verhoren;
zonder U ben ik verloren.
Help mij uit mijn diepe nood:
het gevaar is levensgroot.
Ik voel al mijn kracht verkwijnen,
als een smeulend vuur verdwijnen,
als een rookwolk, gauw vergeten.
Ik ben bang; ik kan niet eten.

2. Als een uil in stille nachten
lig ik slapeloos te wachten,
uitgeteerd tot op het bot,
uitgelachen en bespot.
Ik eet as en drink mijn tranen,
omdat God mij kwam vermanen.
In zijn woede neergesmeten
zal ik spoedig zijn vergeten.

3. U, HEER, bent voor eeuwig koning,
tronend in uw hemelwoning.
Mensen komen, mensen gaan;
U blijft eindeloos bestaan.
Het is tijd voor medelijden:
kom uw heiligdom bevrijden.
Kom voor ons, die U vertrouwen,
die ruïne weer herbouwen.

4. God zal medelijden tonen
aan wie op de puinhoop wonen.
Dan ziet iedereen het weer:
groot en machtig is de HEER!
Als Hij Sion laat herrijzen
zal men overal Hem prijzen.
Hij zal het gebed verhoren
van wie arm is en verloren.

5. Dit moet worden doorgegeven,
voor de toekomst opgeschreven.
Volk van God, vertel het voort:
onze HEER heeft ons verhoord!
In Jeruzalem weergalmen
opgetogen vreugdepsalmen.
Alle volken komen samen
om zijn glorie te beamen.

6. In de bloeitijd van mijn leven
heeft de HEER mij prijsgegeven
aan de klauwen van de dood
en ik ben in stervensnood.
O, mijn God van eeuwig leven,
wil mij toch genade geven!
Laat mij nog voor vele jaren
uw aanwezigheid ervaren!

7. U, die in de vroegste tijden,
heel de wereld voorbereidde,
zult de tand des tijds doorstaan,
al zal alles ook vergaan.
Wat vergaat is snel vergeten,
als een jas die is versleten.
Maar wij zullen veilig wonen:
U blijft ons uw liefde tonen.

Psalm 103

Jan Pieter Kuijper

1. Prijs God, mijn ziel, voor al zijn zegeningen.
Prijs Hem, mijn hart, want Hij doet grote dingen.
Bedenk hoe goed Hij voor je is geweest.
Hij doet niets liever dan je schuld vergeven.
Wanneer de dood dreigt, redt de HEER je leven.
Hij is het die van ziekte je geneest.

2. De HEER omringt je leven met het goede.
Hij wil je hart met trouw en liefde voeden.
Je jeugd vernieuwt zich als een adelaar.
Wie onderdrukt wordt, laat Hij recht ervaren.
Hij wilde zich aan Mozes openbaren.
Wat Hij het volk beloofde, maakt Hij waar.

3. De HEER wil ons met liefde overladen.
Zijn hart stroomt steeds weer over van genade.
Hij is geen God die blijvend met ons twist.
Hij laat ons niet voor onze fouten boeten;
dankzij de HEER zijn wij op vrije voeten.
Hij heeft de zonden grondig uitgewist.

4. Gods goedheid gaat voor wie in Hem geloven,
de blauwe luchten mijlenver te boven.
Hij werpt de zonden ver bij zich vandaan.
Hij troost ons met zijn vaderlijke zorgen.
Wij, zwakke mensen, zijn bij Hem geborgen;
Hij weet dat wij uit aarde zijn ontstaan.

5. Zo kwetsbaar als een grasspriet is ons leven.
De mens lijkt op een bloem: hij bloeit maar even.
Hij blijft niet overeind in weer en wind.
Hoe levendig en sterk hij ook mag ogen,
het duurt niet lang voordat hij zal verdrogen,
waarna je niets meer op zijn plekje vindt.

6. Ons leven telt slechts jaren, maanden, uren.
Gods trouw zal tijd en eeuwigheid verduren
voor wie op Hem al zijn vertrouwen stelt.
Hij laat aan ieder kind dat wordt geboren
zijn wetten en verbondsbeloften horen.
Zijn liefde wordt voortdurend doorverteld.

7. Vanuit de hemel blijft de HEER regeren.
Laat alle engelen hun koning eren.
Kom, sterke helden, buig je voor Hem neer. 
De hele schepping moet Hem eer bewijzen,
Hem voor zijn almacht en genade prijzen.
Loof Hem, mijn ziel, zing dankbaar voor de HEER.

Psalm 104

Titia Lindeboom

1. Met diep ontzag prijs ik U, hoogste HEER.
Uw grootheid, God, verbaast mij telkens weer.
Door majesteit en glans bent U omgeven. 
Uw mantel is uit zuiver licht geweven.
U spant de hemel uit zoals een tent;
daar is uw troon, voorbij het firmament. 
U rijdt op wind, de wolken zijn uw wagen;
bliksem en storm zijn dienaars die U dragen.

2. Op pijlers zette U de aarde vast;
ze wankelt nooit, geen schok die haar verrast.
De oerzee wilde haar totaal bedekken, 
maar U beval het water weg te trekken. 
Het kolkte weg: de bergen rezen hoog
de dalen daalden en het land viel droog.
U trok een grens tot waar de vloed mag komen,
zodat de aarde nooit zal overstromen.

3. Een bron ontspringt, U leidt het water voort
langs berg en veld, precies naar waar het hoort. 
Het drenkt de dieren, die verzadigd raken;
de wilde ezels laten het zich smaken.
Daarboven in de bomen klinkt een lied
van vele vogels; dit is hun gebied. 
Op hoge bergen valt royaal de regen. 
U overspoelt de aarde met uw zegen.

4. HEER, voor het vee plant U het malse gras,
de mens bewerkt het eetbare gewas.
Brood maakt hem sterk, wijn doet hem vrolijk dansen,
geurige olie laat zijn lichaam glanzen.
U plantte trotse bomen in het woud,
ooievaars hebben er hun nest gebouwd. 
Steenbokken klimmen op de hoge bergen,
waarin de klipdassen zich schuw verbergen.

5. De maanden laat U tellen door de maan,
de zon geeft voor de dag het einde aan.
Het bos wordt donker, jonge leeuwen brullen;
zij vragen God hun lege maag te vullen
en gaan op jacht. Dan keert het zonlicht weer, 
loom leggen zij zich in hun holen neer.
Het licht roept mensen op om te ontwaken
en zich weer voor hun dagtaak klaar te maken.

6. De werken die U schiep zijn ongeteld,
HEER, van uw wijsheid sta ik steeds versteld.
U hebt de aarde kunstig vormgegeven.
Ook in de zeeën wemelt het van leven;
talloze dieren mogen er bestaan,
bedrijvig varen schepen af en aan.
Het monster Leviatan zwemt eronder,
U speelt met dit enorme scheppingswonder.

7. Al wat leeft wacht op uw vrijgevigheid, 
U deelt het eten op de juiste tijd.
Mensen en dieren zoeken U doorlopend,
worden gevoed wanneer uw hand zich opent. 
Verbergt U zich, dan is hun onrust groot; 
neemt U hun adem weg, dan gaan zij dood
en worden aan de aarde teruggegeven.
Maar als U ademt komt het nieuwe leven.

8. Laat onze HEER voorgoed verheven zijn,
laat Hem verheugd over het leven zijn.
Hij ziet de aarde en Hij laat haar beven
Hij raakt de bergen aan, die rook afgeven.
Voor God zing ik zolang ik leef mijn lied
en ik hoop echt dat het Hem vreugde biedt.
Hij zal de zondaars van de aarde weren.
Met hart en ziel wil ik mijn schepper eren.

Psalm 105

Jan Boom/Jan Pieter Kuijper

1. Prijs God! Verkondig van de daken
hoe Hij zijn naam weet waar te maken. 
Zing vrolijk bij je instrument.
Maak overal zijn macht bekend.
Wees opgetogen, geef Hem eer,
jij die je heil zoekt bij de HEER.

2. Vraag naar de HEER en naar zijn daden.
Verwacht voortdurend zijn genade.
Volk door de HEER apart gezet,
zorg dat je op zijn almacht let.
Laat altijd worden doorverteld
hoe wijs Hij vonnis heeft geveld.

3. God, die ons als zijn volk aanvaardde,
is rechter van de hele aarde.
Voor altijd blijft zijn woord van kracht,
voor ons en voor ons nageslacht.
De God van Abraham verbindt
zich liefdevol aan ieder kind.

4. Aan Izak heeft de HEER gezworen
dat hij altijd bij Hem mocht horen.
Met Jakob deelde Hij zijn plan:
‘Jouw erfenis is Kanaän; 
dat land wordt helemaal van jou
als teken van mijn grote trouw.’

5. Toen zij, een handvol vreemdelingen,
door onbekende landen gingen,
stond God hen als hun redder bij.
Wie aan zijn volk kwam, strafte Hij:
‘Laat mijn gezalfden veilig gaan
en raak hen met geen vinger aan!’

6. De HEER trof de Egyptenaren
met zeven zware hongerjaren. 
Hij had zijn plan al uitgedacht
en Jozef naar hun land gebracht. 
Maar die kwam in de cel terecht,
tot uitkwam wat God had voorzegd.

7. Nadat de koning hem bevrijdde
mocht hij het koninkrijk gaan leiden.
Hij kreeg de schatkist in beheer.
De volken bogen voor hem neer.
Ministers deden wat hij zei
en wijzen adviseerde hij.

8. Toen kwamen Jakob en zijn zonen
bij Jozef in Egypte wonen.
De HEER heeft daar hun nageslacht 
tot ongekende bloei gebracht.
Egypte gaf hen op Gods tijd
uit angst en afgunst dwangarbeid.

9. God droeg, toen Hij zijn volk zag lijden,
aan Mozes op hen te bevrijden.
Aäron vroeg Hij mee te gaan.
Zij kondigden Gods straffen aan.
Een tiental rampen overkwam 
de mensen in het land van Cham.

10. God liet de lucht geheel betrekken;
er viel geen licht meer te ontdekken.
Hij kleurde al het water rood
en alle vissen gingen dood.
Een leger kikkers kwam brutaal 
tot in de koninklijke zaal.

11. God liet een horde muggen komen,
verwoestte land en vijgenbomen. 
Zwaar noodweer richtte schade aan. 
De sprinkhaan liet geen plantje staan.
God doodde met zijn eigen hand 
de oudste zonen van het land.

12. Het was de HEER die hen bevrijdde
en schatrijk uit Egypte leidde. 
Na wat God hen had aangedaan
zag men het slavenvolk graag gaan.
De HEER trok mee en hield de wacht: 
een wolk bij dag, een vuur bij nacht.

13. Nooit heeft de HEER zijn volk vergeten.
Als zij het vroegen, gaf Hij eten.
Fris water stroomde uit een steen,
meer dan genoeg voor iedereen.
God dacht aan Abraham, zijn knecht,
aan wat Hij hem had toegezegd.

14. Blij mochten zij het land verlaten 
waarin zij lang gevangen zaten.
God gaf hun bouw- en weidegrond
en akkers waar al graan op stond -
om daar te leven tot zijn eer,
om Hem te dienen. Prijs de HEER!

Psalm 106

Jan Pieter Kuijper

1. Eer aan de HEER om wat Hij doet,
want Hij is altijd trouw en goed!
Wie kan zijn grote macht beschrijven?
Wie geeft Hem ooit voldoende eer?
Gelukkig wie dicht bij Hem blijven
en doen wat goed is, telkens weer.

2. HEER, denk aan mij, kijk naar mij om.
Verlos uw volk, uw eigendom.
Kom mij ook liefdevol bevrijden.
Dan zie ik zegen net als zij;
dan zal ik blij zijn met de blijden;
dan welt er dank op diep in mij.

3. De zonde zit ons in het bloed.
Wat zijn we blind voor wat God doet!
We hebben ons enorm misdragen,
net als ons verre voorgeslacht.
Er werd geen acht op Hem geslagen.
Toch toonde Hij zijn trouw en macht.

4. De Rietzee gaf aan God gehoor.
Droog ging zijn volk de diepten door.
God liet geen vijand overleven.
Ja, toen vertrouwden zij Hem wel.
Hij kreeg de eer, ze zongen even;
daarna vergaten zij Hem snel.

5. Ze wachtten niet geduldig af
tot God hun vlees te eten gaf, 
maar bleven er brutaal om vragen.
Uit boosheid gaf de HEER zo veel
dat niemand het nog kon verdragen.
Er kwam geen hap meer door hun keel.

6. Ze waren uit op eigen eer
en keken op hun leiders neer.
De bende muiters werd verslonden
toen plots de aarde zich ontsloot.
Verzwolgen door een vuurzee vonden
hun medeschuldigen de dood.

7. Vervolgens dienden ze massaal
een blinkend stierkalf van metaal;
alweer vergaten ze Gods daden.
Was Mozes niet voor God gaan staan
met een beroep op zijn genade,
dan was het volk eraan gegaan.

8. Het volk geloofde zelfs niet meer
in de belofte van de HEER
dat Hij een prachtig land zou geven.
Toen zwoer Hij met geheven hand:
‘Ik dood hen en wie overleven
verdrijf ik naar een ander land.’

9. Ze trapten God weer op zijn hart:
Hij werd door Baäldienst getart.
Gekwetst liet Hij hen hevig lijden.
Maar Pinechas bezwoer het kwaad;
hij kwam verzoenend tussenbeide.
De HEER beloonde deze daad.

10. Wat kwelden zij God mateloos,
want daarna maakten zij Hem boos
door op fris water aan te dringen.
Ze hebben zo lang doorgezeurd
dat Mozes zich niet kon bedwingen:
hij sprak verbitterd voor zijn beurt.

11. Geen volk werd door hen weggevaagd,
hoewel de HEER dat had gevraagd.
Ze deden wat God had verboden:
ze bogen voor demonen neer,
voor wie ze zelfs hun baby’s doodden.
Ze waren ontrouw aan de HEER!

12. De HEER werd woest, Hij was het zat!
Hij had zijn volk zo liefgehad,
maar walgde nu van wat zij deden.
Voorlopig deed Hij troonsafstand.
Hij liet de vreemde mogendheden
zijn volk verdrukken in zijn land.

13. Ze zonken weg door eigen schuld,
maar telkens toonde God geduld.
Als Hij hun luide roepen hoorde,
hun tranen zag en hun berouw,
dan dacht Hij aan zijn eigen woorden,
dan bleef Hij toch zijn volk weer trouw.

14. HEER, red ons, maak uw woorden waar.
Breng ons, uw volk, weer bij elkaar.
Dan zullen wij uw daden prijzen.
Uw naam is groot, halleluja!
Laat iedereen God eer bewijzen.
Volg, Israël, dit voorbeeld na.

Psalm 107

Jan Pieter Kuijper

1. ‘Gods liefde kent geen grenzen
tot in de eeuwigheid.’
Dit zingen alle mensen
die door Hem zijn bevrijd.
Voor hen is het gevaar
en alle angst geweken.
Hij bracht hen bij elkaar
vanuit de verste streken.

2. Zij hebben rondgezworven,
doodmoe en opgebrand.
Ze waren haast gestorven
in onherbergzaam land.
Ze riepen tot de HEER
toen zij wanhopig waren.
Hij luisterde steeds weer
en hielp hen uit gevaren.

3. God wees de rechte paden
en bracht hen naar een stad.
Hij zorgde vol genade
voor wie geen kracht meer had.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem prijzen.
Met wat Hij voor ons doet
wil Hij zijn trouw bewijzen.

4. Zij zaten vastgebonden
in diepten van de dood.
Ze torsten door hun zonden
een last, te zwaar, te groot.
Ze riepen tot de HEER
toen zij wanhopig waren.
Hij luisterde steeds weer
en hielp hen uit gevaren.

5. De HEER verbrak hun sloten
door ze kapot te slaan.
Hij is te hulp geschoten
en bood de vrijheid aan.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem prijzen.
Met wat Hij voor ons doet
wil Hij zijn trouw bewijzen.

6. Zij leefden, ziek van zonden,
ver bij de HEER vandaan.
Ze teerden weg en konden
zelfs voedsel niet meer aan.
Ze riepen tot de HEER
toen zij wanhopig waren.
Hij luisterde steeds weer
en hielp hen uit gevaren.

7. God hoefde slechts te spreken,
- één woord kwam uit zijn mond -
en al hun ziekten weken;
ze werden kerngezond.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem prijzen.
Met wat Hij voor ons doet
wil Hij zijn trouw bewijzen.

8. Zij werden met hun schepen
door golven meegesleurd.
Gods storm had hen gegrepen;
het was met hen gebeurd!
Ze riepen tot de HEER
toen zij wanhopig waren.
Hij luisterde steeds weer
en hielp hen uit gevaren.

9. De zee werd voor hun ogen
op Gods bevel weer stil.
De hoge golven bogen
eerbiedig voor zijn wil.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem prijzen.
Met wat Hij voor ons doet
wil Hij zijn trouw bewijzen.

10. De HEER maakt van de beken
een droge wildernis
en van de dorre streken
een land dat vruchtbaar is.
Wie van zijn zegen leeft
oogst keer op keer veel vruchten,
maar wie met God niets heeft
moet onder rampen zuchten.

11. Aanzienlijken ontdoet Hij
van al hun eer en pracht.
Eenvoudigen behoedt Hij;
aan armen geeft hij macht.
Wie eerlijk is, wordt blij.
Wie onrecht doet, zal zwijgen.
Wie is er wijs? Laat hij
oog voor Gods liefde krijgen.

Psalm 109

Jan Pieter Kuijper

1. God, die ik prijs, blijf toch niet zwijgen!
Hoor hoe bedriegers mij bedreigen.
Ik word belasterd en bedrogen;
de vijandschap spat uit hun ogen.
Ik bid voor hen, maar krijg als dank
een plaats in de beklaagdenbank.

2. ‘Ga aan een goddeloze vragen
of hij mijn vijand aan wil klagen.
Dat, ondanks al zijn bange smeken,
de rechter keihard recht zal spreken.
Dat snel zijn laatste uur zal slaan;
een ander krijgt daarna zijn baan.

3. Dat zijn gezin, volstrekt verlaten,
voedsel zal zoeken op de straten.
Dat schuldeisers verdelen zullen
wat hij verzameld had aan spullen.
Dat niemand hem nog bij zal staan,
zijn naam voor altijd zal vergaan.

4. Dat God de schuld uit het verleden,
de zonden die zijn ouders deden,
nooit zal vergeten en vergeven.
Die man is immers heel zijn leven
voor zwakke mensen een gevaar:
hij is een brute moordenaar.

5. Dat onheil hem kapot zal maken,
zijn vloek dit keer hemzelf zal raken,
Dat hij een massa tegenslagen
als mantel om zich heen zal dragen.
Dat ongelukken hem compleet
bedekken zullen als een kleed.’

6. Laat zó, God, mijn belagers lijden,
wie over mij slechts kwaad verspreiden.
Verlos mij van mijn tegenstanders.
Ik ken U, HEER: U kunt niet anders!
U die uw naam aan mij verbond,
red mij, mijn hart is diep verwond.

7. Kort als een schaduw is mijn leven;
als een insect word ik verdreven.
Er zit geen vet meer op mijn botten.
Hoor hoe de mensen met mij spotten!
HEER, help mij, dan beseffen zij 
hoe groot uw liefde is voor mij.

8. Dankzij uw zegenende handen
word ik weer blij, verdwijnt mijn schande.
Laat wie mij voor de rechter dagen
nu op hun beurt een spotkleed dragen.
Ik prijs U, HEER, mijn dank is groot:
U helpt de armen in hun nood.

Psalm 118

Jan Pieter Kuijper

1. Laat iedereen Gods goedheid prijzen;
zijn liefde houdt voor altijd stand.
Laat Israël Hem eer bewijzen:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’
Herhaal het zingend, priesterkoren:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’
Als je de HEER dient, laat je horen:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’

2. In mijn benauwdheid, in mijn lijden,
riep ik het uit: ‘HEER, help mij toch!’
Hij luisterde en Hij bevrijdde;
wat doet een sterveling mij nog?
Op Hem, mijn helper, kan ik bouwen;
ik kijk op mijn belagers neer.
In plaats van mensen te vertrouwen,
zoek ik een schuilplaats bij de HEER.

3. Ik was door vijanden omgeven –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Hun leger stond mij naar het leven –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Als wespen zijn ze neergestreken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Haast was ik in de strijd bezweken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.

4. Ik zal van Hem, mijn sterkte, zingen.
Het legerkamp stemt met mij in:
‘Zijn rechterhand doet grote dingen;
ja, onweerstaanbaar grijpt Hij in.’
Ik zal niet sterven, ik zal leven!
Al gaf de HEER een zware straf,
Hij heeft mij toch niet prijsgegeven
aan het genadeloze graf.

5. Zet nu de tempeldeuren open,
de poort van de gerechtigheid,
zodat ik blij het pad kan lopen
dat naar de HEER, mijn redder, leidt.
Hier gaan rechtvaardigen naar binnen;
ze gaan de poort al zingend door.
Met U, HEER, mocht ik overwinnen;
daar dank ik U van harte voor!

6. De steen waar bouwers niets in zagen,
maakt God tot cruciale steen.
Hij zal het Godsgebouw gaan dragen;
zijn werk verwondert iedereen!
Dit is de dag van Hem gekregen,
een dag van blijdschap en gezang.
Wij bidden, HEER, geef ons uw zegen;
geef voorspoed, HEER, ons leven lang.

7. Wij zegenen de grote koning
die komt in naam van God, de HEER.
Vier nu het feest mee in zijn woning;
leg offergaven voor Hem neer.
Mijn God, ik zal U dank bewijzen,
met groene twijgen in de hand.
Laat iedereen zijn goedheid prijzen;
zijn liefde houdt voor altijd stand.

Psalm 119

Adriaan Molenaar/Bob Vuijk

1. Als je de weg van Gods geboden gaat,
je voeten in het rechte spoor blijft zetten
naar Hem blijft zoeken en het kwade laat,
vind je geluk dankzij zijn goede wetten.
Een zegen is wat in uw regels staat.
U vraagt van ons dat wij er steeds op letten.

2. Ach, was mijn leven maar zo wetsgetrouw
dat ik nooit met uw wet de hand zou lichten.
Als ik die houd, raak ik nooit in het nauw.
Zingend zal ik mij op uw regels richten.
Verlaat mij niet voorgoed, want vol berouw
doe ik waartoe uw woorden mij verplichten.

3. Bijzonder heilzaam is wat U ons zegt;
het houdt je zuiver in je jonge jaren.
Laat mij niet dwalen, U zoek ik oprecht.
Ik blijf uw woord diep in mijn hart bewaren,
want ik wil niet opstandig zijn en slecht.
HEER die ik eer, wil mij uw wet verklaren.

4. Breedvoerig spreek ik over heel uw wet. 
Al mag bezit een bron van blijdschap heten,
toch wint de vreugde om uw woorden het.
Van uw bevelen wil ik alles weten. 
Ik juich als ik op uw geboden let.
Wat U gezegd hebt zal ik nooit vergeten.

5. Dit vraag ik van U, HEER: wees goed voor mij,
zodat ik levenslang uw pad kan kiezen.
Breng mij de schoonheid van uw wetten bij;
laat mij ze nooit meer uit het oog verliezen. 
Ik ben niet thuis meer in de maatschappij.
Wat snak ik naar uw bindende adviezen!

6. De trotse dwaas die uw gebod veracht
wacht slechts uw straf – ik echter blijf U eren.
Geef dat geen vijand spottend om mij lacht,
want ik wil doen wat uw bevelen leren.
Bedreigd door hoge heren met hun macht,
blijf ik uw goede raad verheugd waarderen.

7. Ernstig verzwakt vraag ik U levenskracht;
blijf mij in uw geboden onderwijzen.
Toen ik U aanriep, hebt U hulp gebracht.
Laat mij het wonder zien achter uw eisen. 
U ziet mijn tranen en U hoort mijn klacht.
HEER, houd uw woord en laat mij weer herrijzen.

8. Eerlijk en echt zijn, leven in uw spoor,
dat is mijn wens; geef mij daarvoor genade.
Ik houd mijzelf uw levensregels voor.
Maak dat ik nooit met smaad word overladen.
U zet mij in de ruimte en daardoor
zal ik nu rennen op uw rechte paden.

9. Fluister mij in, HEER, wat uw wet verlangt
dan zal ik op uw wegen blijven lopen.
Geef dat mijn hart aan uw geboden hangt.
Wijs mij het spoor, dan bloeit mijn leven open.
Geef dat de zucht naar geld mij nooit bevangt,
maar dat ik op uw rijke woord blijf hopen.

10. Fraai lijkt wat leeg blijkt – houd mij daar vandaan.
Laat mij uw wegen gaan en daardoor leven.
Houd uw belofte, zie uw dienaar aan.
Goed is elk voorschrift dat U hebt gegeven.
Al ben ik bang dat ik voor schut zal staan,
ik word door liefde voor uw wet gedreven.

11. Geef wat U mij beloofd hebt, trouwe Heer!
Laat mij de overwinning nu ervaren.
Dan heb ik tegen vijanden verweer.
Uw woord vertrouw ik, dat zal mij bewaren.
Versterk in mij uw waarheid, meer en meer.
Uw wet geeft hoop voor al mijn levensjaren.

12. Groot is de ruimte die uw woord mij biedt,
royaal en ruim genoeg om te getuigen
voor koningen. Nee, HEER, ik schaam mij niet
dat ik voor uw geboden graag wil buigen.
Ik heb ze lief, ze zijn mijn levenslied,
ik heb ze lief, en daarom zal ik juichen.

13. Hoopgevend is wat U mij hebt gezegd.
Vergeet het niet, HEER, daardoor kan ik leven.
U houdt uw woord. Al heb ik het ook slecht,
ik weet dat U mij troost en rust zult geven.
Hooghartig lachen spotters, onterecht:
uw goede wet heb ik nooit afgeschreven.

14. Hoe kan het, dat men U totaal verlaat,
dat zondaars van uw wet niets willen weten?
Uw wet, die troostend mij voor ogen staat,
heb ik in vreemde landen nooit vergeten.
Zelfs in de nacht heb ik uw naam paraat.
Uw regels zijn mijn drinken en mijn eten.

15. Ik hoor bij U, ik heb U toegezegd
dat ik uw wetten stipt zal onderhouden.
Wees mij genadig, HEER; ik volg oprecht
de goede koers, wat mij nog nooit berouwde.
Ik haast mij, heb de twijfels afgelegd
die mijn gehoorzaamheid blokkeren zouden.

16. In hinderlagen lokt de vijand mij.
Toch blijft uw goede wet in mijn gedachten.
‘s Nachts zing ik: uw geboden maken vrij!
Ik ben bevriend met hen die U verwachten.
Wat U gebiedt eerbiedigen ook zij.
Vol is de aarde van uw goede krachten.

17. Ja, U bent voor uw dienaar goed geweest,
U hield uw woord. Leer hem nu onderscheiden
hoe hij met inzicht uw geboden leest.
Ik wil mij vol vertrouwen daaraan wijden.
Ooit dwaalde ik, als een gekwelde geest.
Goed bent U, HEER, leer mij het kwaad te mijden.

18. Juist wettelozen liegen dat ik dwaal,
terwijl ik zielsveel geef om uw bevelen.
Lijden moest ik - U weet het allemaal -
om in de wijsheid van uw woord te delen.
Uw wet, mijn allergrootste kapitaal,
laat ik door niets of niemand mij ontstelen.

19. Kunstig, met eigen hand, gaf U mij vorm.
Maak mij gevoelig voor uw levenswetten.
Wat U bepaald hebt is voor mij de norm.
Tot ieders vreugde zal ik daarop letten.
U hebt mij ooit doen kruipen als een worm;
wilt U mij, HEER, nu in de ruimte zetten.

20. Kom met uw liefde, Heer, dan leef ik weer,
wat arrogante mensen ook beramen.
Ik zoek uw wil, zij liegen keer op keer.
Uw wet maakt blij. Met wie U dienen samen
zoek ik naar de volmaaktheid, meer en meer.
Dan zal ik mij voor niemand hoeven schamen.

21. Lang smacht ik al naar wat U hebt beloofd.
Wanneer geeft U mij troost? Ik blijf maar hopen!
Al huil ik haast de ogen uit mijn hoofd,
al teer ik weg, ik houd uw wetboek open!
Hoe lang nog tot mijn licht wordt uitgedoofd?
Hoe lang kan wie mij haat zijn straf ontlopen?

22. Laaghartig graven zij voor mij een kuil,
de trotse mensen die mij steeds bestoken.
Uw woord is goed, hun woord is vals en vuil.
Ik heb in nood niet met uw wet gebroken.
Geef mij weer leven, God bij wie ik schuil,
dan houd ik mij aan wat U hebt gesproken.

23. Machtige God, onwrikbaar is uw woord.
Uw hemelhoge trouw zal eeuwig duren.
Door uw bevel bestaat de aarde voort;
uw regels blijven heel de wereld sturen.
Ik ben in mijn ellende niet gesmoord:
uw wet gaf blijdschap in benauwde uren.

24. Mijn hart houdt altijd vast aan wat U zegt;
daar leef ik van. Steeds speur ik naar uw woorden.
Ik ben van U. Kom snel en red uw knecht,
want slechte mensen willen mij vermoorden!
Oneindig is de ruimte van uw recht,
ruimer dan alles wat mij ooit bekoorde.

25. Niets anders dan uw wet vervult mijn geest.
Ik heb haar lief, bewaar haar diep van binnen.
Omdat uw woord steeds bij mij is geweest
kon wie mij haat niets tegen mij beginnen.
Al weet mijn leraar veel, ik weet het meest.
Van grijze wijsheid zelfs kan ik het winnen.

26. Nooit volg ik wat verdorven is of slecht
want trouw wil ik mij houden aan uw wetten.
U hebt mij onderwezen in uw recht;
dat laat mij op de juiste richting letten.
Zoeter dan honing is wat U mij zegt.
Ik zal geen stap op slinkse paden zetten.

27. Over mijn pad verspreidt uw woord zijn licht;
het is een lamp die mij de weg blijft wijzen.
Ik heb mijzelf tot trouw aan U verplicht.
Laat mij uit mijn ellende weer verrijzen.
Aanvaard de woorden die ik tot U richt.
Leer mij wat uw geboden van mij eisen.

28. Overal is mijn leven in gevaar;
toch heb ik uw geboden niet vergeten,
al zetten zondaars vallen voor mij klaar.
Met recht mag uw bevel mijn vreugde heten,
uw woord dat ik als erfbezit bewaar.
Voor altijd geldt: uw wet is mijn geweten!

29. Passie voor uw geboden maakt mij fel:
halfslachtigheid kan ik geen mens vergeven.
U bent mijn schild, uw wens is mijn bevel.
Uw woord is steeds mijn bron van hoop gebleven.
Zondaars, ga weg! Nooit zeg ik God vaarwel.
Houd uw belofte, HEER, dan zal ik leven.

30. Plaats mij op vaste grond, dan ben ik vrij.
Ik vind mijn kracht in uw verordeningen.
Wie dwaalt en liegt, veegt U als schuim opzij.
Uw richtlijn heb ik lief, ik kan wel zingen!
Maar soms vervult een diepe huiver mij:
streng is de wet die wij van U ontvingen.

31. Recht en gerechtigheid heb ik gedaan;
bescherm mij toch, bewijs mij mededogen.
HEER, sta garant dat het mij goed zal gaan.
Naar uw verlossing hunkeren mijn ogen.
Uw trouw en liefde dragen mijn bestaan;
geef dat uw wetten mijn begrip verhogen.

32. Richt mij op U, ik wil U dienen, HEER.
Leer mij vol ijver naar uw woord te leven.
Grijp in! Men legt uw wetten naast zich neer.
Ik heb ze lief, zou alles ervoor geven;
zelfs goud, het puurste goud boeit mij niet meer.
Ik haat de leugen, heb die uitgedreven.

33. Sprakeloos overpeins ik wat U zegt;
met heel mijn hart bewonder ik uw wetten.
Zij zullen als ze worden uitgelegd
eenvoudigen in licht, in luister zetten.
Ik snak ernaar, HEER, kom mij tegemoet;
wees mij genadig, leer mij op U letten.

34. Stuur stap voor stap, zoals beloofd, mijn voet.
Bewaar mij voor de machten van het kwade.
Verlicht mijn weg, wijs waar ik lopen moet,
dan zal ik kiezen voor de juiste paden.
Mijn tranen, HEER, stort ik in overvloed,
omdat uw wet door velen wordt verraden.

35. Trouw en rechtvaardig bent U altijd, HEER.
Door U wordt met de juiste maat gemeten.
Mijn vijand doet mij diep van binnen zeer:
hij is uw wetten helemaal vergeten!
Uw woord is puur, gelouterd keer op keer.
Ik heb het lief, dien U naar beste weten.

36. Trots is mij vreemd, ik stel maar weinig voor,
toch houd ik uw bevelen in gedachten.
Want uw gebod blijft alle eeuwen door.
Uw regels bieden houvast in mijn klachten.
Zij zijn mijn bron van blijdschap. In dat spoor
is inzicht, ja, is leven te verwachten.

37. U roep ik, HEER, ik roep uit alle macht!
Geef antwoord - naar uw wetten wil ik leven.
Hoor hoe ik hoopvol op uw woorden wacht;
hulp zoekend ben ik op mijn post gebleven.
Met open ogen heb ik heel de nacht
uw woord mijn aandacht en mijn hart gegeven.

38. Uw goedheid garandeert mij dat U hoort.
U bent rechtvaardig, HEER, laat mij toch leven.
Mijn sluwe achtervolgers zijn ontspoord,
strijdig met al uw wetten is hun streven.
U bent nabij, betrouwbaar is uw woord.
Voor eeuwig hebt U uw gebod gegeven.

39. Verlos mij, HEER, zie mijn ellende aan.
Uw wet vergeet ik niet; wil voor mij strijden!
Bepleit mijn zaak en maak voor mij ruim baan.
Houd, naar uw woord, mij levend aan uw zijde.
Wie U verwerpen moeten wel vergaan.
Uw liefde zal mij van de dood bevrijden.

40. Volop vijandigheid valt mij ten deel,
toch houd ik vast aan wat U hebt geschreven.
De wetteloosheid grijpt mij naar de keel:
men haat uw regels, zo is er geen leven!
Betrouwbaar is uw woord, een kroonjuweel:
rechtvaardig en voor eeuwig ons gegeven.

41. Wat machtigen mij aandoen, raakt mij niet,
maar ik voel schroom als U begint te spreken.
De vreugde, HEER, die uw belofte biedt
is kostbaar, doet elk aards geluk verbleken.
Ik haat bedrog! Voor U zing ik mijn lied:
zevenmaal daags een klinkend uitroepteken!

42. Wie van uw woorden houdt, vindt groot geluk;
hij komt geen steen, geen struikelblok meer tegen.
Ik hoop dat U mij vrij maakt van mijn druk.
Van het volbrengen van uw wet komt zegen.
Uw regels zijn mij dierbaar, stuk voor stuk.
Een open boek, HEER, zijn voor U mijn wegen.

43. Zuchtend zoek ik uw aandacht, sta mij bij,
schenk inzicht, HEER, ik houd U aan uw woorden.
Red mij zoals beloofd; wat ben ik blij
dat U met uw gebod mijn hart bekoorde!
U onderwijst uw wet, U maakt mij vrij.
Rechtvaardig zijn de regels die ik hoorde!

44. Zonder uw hand heb ik geen vaste grond.
Dat ik uw kant koos, heeft mij nooit gespeten.
Red mij, dan klinkt een loflied uit mijn mond.
Dicht bij uw woord mag ik mij veilig weten.
Als een verloren schaap zo dwaal ik rond;
zoek mij, want nooit zal ik uw wet vergeten.

Psalm 139

Jan Pieter Kuijper/Arie Maasland

1. HEER, U doorgrondt mij, U ontwart
al de geheimen van mijn hart.
U ziet mij thuis en onderweg,
terwijl U opvangt wat ik zeg.
Ja, zelfs onuitgesproken zinnen
neemt U al waar bij mij vanbinnen.

2. Geen ogenblik ben ik alleen.
HEER, U bent altijd om mij heen.
Ik, nietig mens, kan er niet bij
dat U uw handen legt op mij.
Ik weet dat U naar mij blijft kijken;
waar kan ik ooit uw Geest ontwijken?

3. Al klom ik naar de hemel, HEER,
al lag ik bij de doden neer,
al vloog ik met de vogels mee,
zelfs verder dan de verste zee,
dan nog kon niets mij van U scheiden;
uw hand zou mij voortdurend leiden.

4. Al kroop ik weg, het hielp mij niet,
omdat U altijd alles ziet.
Al werd het donker overdag,
zodat geen sterveling mij zag,
dan nog zou mij uw licht beschijnen;
nooit kan ik uit uw zicht verdwijnen.

5. U vormde mij tot één geheel;
U weefde ieder lichaamsdeel.
Ik ben er stil verwonderd van
dat U zo machtig scheppen kan!
Tot in mijn ziel blijft het mij raken
hoe kunstig U mij wilde maken.

6. U wist hoe het mij zou vergaan
nog voordat U mij liet ontstaan.
U hebt mijn dagen vastgesteld,
al vooraf in uw boek vermeld.
HEER, mijn verstand is niet bij machte
iets te doorzien van uw gedachten.

7. God, spaar de goddelozen niet;
dood iedereen die bloed vergiet.
Zou ik niet haten wie U haat,
wie openlijk uw wil weerstaat?
Wat haat ik hen, ik kan niet anders;
het zijn mijn grootste tegenstanders!

8. Mijn hartsgeheimen leg ik, HEER,
volkomen eerlijk voor U neer.
Peil alles wat ik denk of zeg;
neem het verkeerde in mij weg.
Doorgrond mij God, en toets mijn leven;
wil mij voor eeuwig richting geven.

Psalm 145

Arie Maasland

1. Mijn God en koning, ik wil toegewijd
uw grote naam bezingen voor altijd.
Met elke nieuwe dag prijs ik U weer.
Ik breng uw naam voor eeuwig alle eer.
Wat bent U groot, HEER! Laat de hele aarde
uw majesteit en uw gezag aanvaarden.
Laat er een loflied zijn in alle monden,
want niemand kan uw grootheid ooit doorgronden.

2. Geslachten prijzen U, eeuw in, eeuw uit.
Uw wonderen verkondigen zij luid.
Zij jubelen dat U geweldig bent.
Ook ik maak graag uw heerlijkheid bekend.
Zij zullen vol ontzag uw daden prijzen.
Ook ik wil U mijn dank en eer bewijzen.
Laat heel de wereld, HEER, uw werk bezingen.
Laat allen zeggen: God doet grootse dingen.

3. Genadig en geduldig is de HEER.
Hij toont zijn trouw en goedheid keer op keer.
Hij deelt zijn gaven uit aan iedereen.
Beschermend staat Hij om zijn schepping heen.
Wie U gemaakt hebt, zullen voor U buigen
Voortdurend zullen zij U dank betuigen.
Ze zullen blij uw koningschap belijden,
verheven woorden aan uw werken wijden.

4. Onwrikbaar staat uw troon, U heeft de macht.
U heerst tot in het duizendste geslacht.
Wie dreigt te vallen, pakt U steunend vast.
Wie kreunend krom loopt, redt U van zijn last.
Uw handen houdt U vol ontferming open;
zo leert U iedereen op U te hopen.
U zorgt royaal voor mensen en voor dieren.
Zij mogen dagelijks uw goedheid vieren.

5. Rechtvaardig is de HEER in woord en daad.
Wie bij Hem hoort, beschermt Hij voor het kwaad.
Hij is wie hoopvol tot Hem roept nabij.
Wie eerbied voor Hem koestert, maakt Hij vrij.
Aan wie Hem liefheeft, blijft de HEER verbonden –
maar wie zijn wil weerstaat, richt Hij te gronde.
Ik zal zijn smetteloze naam belijden.
Doe mee, tot aan het einde van de tijden!

Psalm 147

Jan Pieter Kuijper

1. Wat is het goed om God te eren,
om blij voor Hem te musiceren.
De HEER maakt van zijn stad van vrede
de mooiste stad van alle steden.
Zijn volk, van huis en haard verdreven,
zal Hij een nieuwe toekomst geven.
Hij zal de diep bedroefden helpen,
het bloeden van hun wonden stelpen.

2. Hij telt de sterren en planeten,
weet waar ze staan en hoe ze heten.
Wijs is de Heer en oppermachtig.
Wat Hij geschapen heeft is prachtig!
Hij ondersteunt wie onrecht lijden;
met liefde staat Hij hun terzijde.
Maar trotse mensen moeten zwichten;
de HEER zal hen te gronde richten.

3. Zing om de beurt om God te danken.
Haal uit de harp de mooiste klanken.
Prijs Hem die luchten laat betrekken,
het blauw met wolken kan bedekken.
Prijs Hem die regen neer laat stromen,
zodat het gras weer op kan komen.
Prijs Hem die ieder dier laat eten;
geen vogeltje zal Hij vergeten.

4. De HEER hecht helemaal geen waarde
aan de robuuste kracht van paarden.
Hij wordt niet vrolijk van soldaten
die paraderen door de straten.
Maar Hij wordt blij van wie Hem eren,
van mensen die Hem respecteren.
Hij houdt van wie op Hem vertrouwen
en altijd op zijn liefde bouwen.

5. Jeruzalem, prijs God, je koning,
vanuit je hart, vanuit zijn woning.
De HEER zal jou, zijn stad, besturen.
Hij stut je poort, versterkt je muren.
Zijn zegen zal Hij aan je geven:
zijn volk mag weer in vrede leven.
Wie in je woont, zal Hij behoeden;
met heerlijk brood zal Hij hen voeden.

6. Hij laat zijn machtswoord snel vertrekken
om alles sneeuwwit toe te dekken.
Hij strooit met rijp op gure dagen.
Wie kan zijn barre kou verdragen?
Wanneer de Heer opnieuw gaat spreken,
verdwijnt de witte wollen deken.
Als Hij de warme wind laat komen,
begint het water weer te stromen.

7. Hij laat zijn wijze woorden horen
aan wie uit Jakob zijn geboren.
Hij heeft alleen met deze natie
een vast verbond, een hartsrelatie.
Zijn wet, zorgvuldig opgeschreven,
heeft Hij aan Israël gegeven.
Zo zal de Heer zijn volk regeren.
Kom, laten wij die koning eren!