Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De tekst van Psalm 119 heeft mij blij verrast. Tijdens de voorbereiding van een kleine preekserie uit deze lange maar zo leeswaardige psalm heb ik met genoegen het lied in De Nieuwe Psalmberijming gezongen. Fijn te weten dat het lied van de eerste Hebreeuwse letter tot en met de laatste de Here j... Lees meer »

Ds. G. (Gerrit) de Klein | Vrije Evangelische Gemeenten

Ds. G. (Gerrit) de Klein
Vrije Evangelische Gemeenten

Lees alle quotes

Berijmingen

Er zijn geen resultaten gevonden Wis alle fiters en zoek opnieuw

Psalm 18

Arjen Vreugdenhil

1. Ik houd van U, mijn HEER, U bent zo machtig.
U bent mijn schild, mijn vesting, sterk en krachtig,
een redder die zich over mij ontfermt,
die als een sterke stadsmuur mij beschermt.
U bent de God die al mijn eerbied waard is;
bescherm mij tot het strijdgewoel bedaard is.
Dan ben ik vrij; de vijand is gevlucht.
Ik kan weer leven, blij en opgelucht.

2. Door diepe doodsangst werd ik voortgedreven.
Ik bad de HEER of Hij mij hulp kon geven.
Vanuit de hemel hoorde Hij mijn klacht
en Hij verscheen met majesteit en macht.
De bergen beefden en de aarde trilde
toen Hij de hemel uit zijn voegen tilde
en in zijn woede naar beneden kwam,
in duisternis en rook en vuur en vlam.

3. De stem van God weergalmde in de wolken;
zijn vuur en hagel sloegen neer als dolken,
zijn bliksemschichten suisden door de lucht.
Toen sloeg de vijand bevend op de vlucht.
In toorn ontblootte God de diepste rotsen.
Hij liet rivieren uit hun bedding klotsen.
Zo smolt de aarde voor de majesteit
van onze HEER, de God die mij bevrijdt.

4. God redde mij uit diepten van ellende,
van vijanden die geen genade kenden.
Het was voor mij een hopeloze strijd,
maar Hij heeft mij geholpen en bevrijd.
Zo heeft de HEER zijn trouw aan mij bewezen,
mij om mijn trouw en eerlijkheid geprezen.
Mijn leven lang heb ik Hem eer betoond;
mijn reine handen heeft Hij rijk beloond.

5. Aan wie genadig zijn, geeft U genade;
met trouw beloont U alle trouwe daden.
Uw heiligheid verlicht wie heilig leeft,
maar wee degene die niets om U geeft.
U redt wie voor U staan met lege handen;
wie vol is van zichzelf, legt U aan banden.
U bent voor mij een lamp die helder schijnt,
een stralend licht, waardoor mijn nacht verdwijnt.

6. Met U, mijn God, kan ik door legers dringen.
U laat mij over hoge muren springen.
De wegen van de HEER zijn goed en recht,
Hij is volmaakt en trouw in wat Hij zegt.
Wie kent een god zo goed en vol ontferming?
Waar vindt de mens meer vrede en bescherming?
De HEER mijn God, die heel mijn leven leidt,
schenkt nieuwe kracht en vaste zekerheid.

7. Lichtvoetig als een hert kan ik nu leven,
omdat de HEER mij adem heeft gegeven.
Hij geeft mij kracht en inzicht voor de strijd;
zijn schild van redding schenkt mij veiligheid.
God geeft mij ruimte om mij te verweren,
zodat ik in de strijd het tij kan keren.
Met Hem kan ik de zwaarste veldslag aan,
kan ik de sterkste vijanden verslaan.

8. De HEER is bij mij, ik heb niets te duchten.
De vijand ziet het en probeert te vluchten.
Hij viel mij aan vervuld van haat en nijd,
maar ik ben overwinnaar in de strijd.
Hij roept om hulp, maar zal geen antwoord krijgen;
hij bidt om redding, maar de HEER blijft zwijgen.
Zo heeft de HEER mijn vijanden verjaagd
als stof dat door de wind is weggevaagd.

9. De vrede van de HEER vult nu mijn leven.
Hij heeft aan mij het koningschap gegeven.
Uit verre landen komt het eerbetoon:
de vorsten knielen bevend voor mijn troon.
Daarom zal ik de HEER, mijn rots, steeds prijzen.
Ik wil Hem al mijn dankbaarheid bewijzen.
Mijn God, die mij zo machtig heeft bevrijd,
ik zal U loven tot in eeuwigheid!

10. Ik zing voor ieder volk mijn vreugdepsalmen,
laat overal de naam van God weergalmen.
Het loflied moet door heel de wereld gaan:
de HEER heeft grote wonderen gedaan!
Zijn naam is groot en groot is zijn ontferming.
Hij gaf aan zijn gezalfde zijn bescherming.
De HEER is trouw; Hij zegent Davids troon.
Zijn liefde kroont voorgoed de koningszoon.

Psalm 19

Arie Maasland

1. De hemel prijst de HEER;
ze geeft welluidend eer,
ze prijst zijn scheppingskracht.
De dag vertelt de dag
hoeveel Gods hand vermag;
de nacht spreekt tot de nacht.
Al klinkt er ook geen woord,
toch wordt hun stem gehoord
zelfs bij de verste volken.
Geen klank wordt er verspreid,
toch hoort men wereldwijd
hoe zij Gods lof vertolken.

2. God heeft de tent gemaakt
waarin de zon ontwaakt
zoals een jongeman –
hij ziet er stralend uit,
want hij was bij zijn bruid
en daar genoot hij van.
Hij is een jonge held
die vrolijk voorwaarts snelt,
iedere nieuwe morgen.
Hij trekt een stralend spoor
de wijde hemel door.
Zijn glans laat niets verborgen.

3. Volkomen is Gods wet:
een boodschap zonder smet,
een goed getuigenis,
een woord dat wijsheid geeft
aan wie gehoorzaam leeft,
aan wie eenvoudig is.
Wat Hij van ons verwacht
geeft nieuwe levenskracht;
het maakt ons opgetogen.
Recht is het woord van God,
loepzuiver zijn gebod:
een licht voor onze ogen.

4. Ontzag voor God is rein.
Het laat ons zeker zijn
van heil dat niet vergaat.
Het doet ons veel meer goed
dan goud in overvloed,
dan honing uit de raat.
Uw voorschrift geeft ons licht;
als ik mij daarnaar richt,
blijf ik aan U verbonden.
Maar ach, wie zondigt niet?
Wie doet U geen verdriet?
Vergeef mij al mijn zonden.

5. Bescherm mij, HEER, maak mij
van grote zonden vrij;
ik ben uw trouwe knecht.
Als U mijn hart behoedt,
dan mijd ik overmoed,
dan dien ik U oprecht.
Laat wat ik zeg en denk,
waaraan ik aandacht schenk,
U altijd weer behagen –
God die mijn leven leidt,
God die mijn ziel bevrijdt,
mijn rots, die mij wil dragen!

Psalm 22

Arie Maasland

1. Mijn God, mijn God, waarom verlaat U mij?
Waarom gaat U aan mijn geroep voorbij?
Ik smeek voortdurend: ‘Red mij, maak mij vrij.’
Niets laat U horen.
Mijn rusteloze klagen gaat verloren.
Ik smacht naar U, die bij uw volk wilt wonen.
Heilige Heer, die op ons lied wilt tronen –
waar blijft U nu?

2. Ons voorgeslacht verloste U altijd;
zij hielden vast aan uw betrouwbaarheid
en zonder uitstel heeft U hen bevrijd
wanneer zij baden –
maar ik ontvang geen kruimeltje genade.
Veracht, bespot kruip ik over de aarde.
Ik ben een worm, zo zwak en zonder waarde,
zo zonder God.

3. De mensen kijken op mijn lijden neer.
Ze grijnzen: ‘Richt je nu maar op de HEER.
Hij mag je graag, Hij helpt je vast een keer
uit de ellende.’
Van jongs af aan wist ik dat U mij kende.
Vanaf de moederschoot zag U mijn noden;
sindsdien heeft U mij zorgzaamheid geboden.
Grijp nu ook in.

4. Mijn angst wordt groter, ik ben zielsalleen.
Stotige stieren lopen om mij heen.
Een leeuwentroep, roofzuchtig en gemeen,
wil mij verscheuren.
Mijn hart is zwak, door niets meer op te beuren.
Droog als een scherf voel ik mezelf bezwijken.
Mijn botten kraken en mijn krachten wijken.
O God, ik sterf.

5. Als wrede honden drijven ze mij voort.
Mijn handen en mijn voeten zijn doorboord.
Ze spelen om mijn kleren – ongehoord.
Ik hang te schande.
Grijp in, HEER, red mij uit hun leeuwentanden.
Verhoor mij toch, ik smeek U haast te maken.
HEER, laat hun stierenhorens mij niet raken.
Antwoord alsnog.

6. U antwoordt mij in mijn vertwijfeling.
Mijn broeders horen hoe ik voor U zing.
U heeft mij niet veracht: opnieuw ontving
ik licht en leven.
Volk van de HEER, juich mee, Hij is verheven.
Zijn hand bereidt een feest voor arme slaven.
Wie naar Hem zoekt, ontvangt zijn goede gaven
in eeuwigheid.

7. Eens zal men Hem erkennen, overal.
De dag komt dat de wereld knielen zal
voor de geduchte Heer van het heelal:
Hij zal regeren.
Straks zal zelfs wie begraven is Hem eren.
Het nageslacht zal al zijn daden prijzen
en aan zijn recht en goedheid eer bewijzen:
het is volbracht.

Psalm 25

Arie Maasland

1. HEER, ik wil mijn hart verheffen:
ik vertrouw op U, mijn God.
Laat de vijand mij niet treffen
met zijn dodelijke spot.
Wie volhardend op U hoopt
eindigt niet met lege handen;
wie op kromme paden loopt
staat straks openlijk te schande.

2. HEER, leer mij uw waarheid kennen
en uw onderwijs verstaan.
Laat mij aan uw wegen wennen,
help mij in uw spoor te gaan –
God, U bent het die mij redt.
Hele dagen, hele nachten
ben ik hoopvol in gebed:
altijd blijf ik U verwachten.

3. HEER, denk niet aan mijn verleden;
straf mij niet, maar spreek mij vrij.
Laat mij delen in uw vrede;
ga barmhartig om met mij.
HEER, U kent vanaf mijn jeugd
al mijn zonden en gebreken –
denk toch niet aan wat niet deugt,
maar laat uw genade spreken.

4. God is goed, Hij is rechtvaardig:
zondaars leidt Hij in zijn spoor.
Wie oprecht is en zachtaardig
onderwijst Hij, gaat Hij voor.
Wie op zijn verbond vertrouwt
wil Hij rijkelijk belonen;
wie zich aan zijn wetten houdt
zal Hij trouw en liefde tonen.

5. HEER, vergeef mijn zware zonden,
alles waar ik mij voor schaam.
Help mij, richt mij niet te gronde;
doe het om uw goede naam.
Wie U dient, wie U verwacht
hoeft niet doelloos rond te zwerven.
Zijn gezegend nageslacht
zal de hele aarde erven.

6. Wat een wonder mag dit heten:
God laat ieder die Hem dient
zijn verbondsgeheimen weten.
Hij beschouwt hem als een vriend.
Op de HEER richt ik mijn blik;
door zijn trouw laat ik mij leiden.
Als ik vastraak in een strik,
zal Hij mij opnieuw bevrijden.

7. HEER, ik voel me zo verlaten:
zoveel zonden in mijn hart,
zoveel mensen die mij haten,
zoveel angst die mij verwart.
Zie de vijand om mij heen;
vol venijn drommen ze samen.
HEER, ik schuil bij U alleen;
maak dat ik mij niet zal schamen.

8. Laat oprechtheid mij bewaren;
geef mij leven in uw licht.
Ondanks dreigende gevaren
is mijn hoop op U gericht.
HEER op wie mijn hart vertrouwt,
God in wie ik ben geborgen,
maak het volk waarvan U houdt
vrij van lijden en van zorgen.

Psalm 31

Bob Vuijk

1. Ik schuil bij U met al mijn zorgen.
O HEER, beschaam mij niet,
U die steeds redding biedt.
Bij U, mijn rots, ben ik geborgen.
U zult mij zorgzaam leiden,
van dreiging mij bevrijden.

2. Mijn leven leg ik in uw handen.
U, trouwe God, maakt vrij.
Ik haat afgoderij,
maar voel voor U de liefde branden,
voor U die mijn ellende
en zielsbenauwdheid kende.

3. Schep ruimte, HEER, toon mededogen.
Ik ben in grote nood.
De afbraak is zo groot.
Zwak is mijn lijf, dof zijn mijn ogen.
Mijn zonden – zij verzwaren
mijn moeitevolle jaren.

4. Men lacht om mij van alle kanten.
Waar ik ook ga of sta
wijst men me spottend na.
Mijn vrienden en mijn bloedverwanten
zie ik verbijsterd kijken
en schichtig mij ontwijken.

5. Ik ben door velen afgeschreven,
voor dood verklaard, bespot,
een stukgebroken pot.
HEER, ik moet vrezen voor mijn leven,
omdat mijn haters samen
mijn ondergang beramen.

6. Op U, mijn HEER, blijf ik vertrouwen.
Ik zeg: U bent mijn God,
in uw hand ligt mijn lot.
Laat niet de vijand mij benauwen.
Verlicht mij op mijn wegen,
red mij, geef mij uw zegen.

7. Maak toch uw dienaar niet te schande,
want, HEER, U roep ik aan.
Maar laat te schande staan,
laat in het stille graf belanden
wie zelfgenoegzaam liegen,
een eerlijk mens bedriegen.

8. Hoe groot is, HEER, wat U zult geven
aan wie bij U als kind
zijn troost en toevlucht vindt.
Bij U geborgen is zijn leven.
Bij U vindt hij ontferming.
Uw tent geeft hem bescherming.

9. De trouwe HEER heeft door een wonder
mij uit gevaar gered,
mij in zijn stad gezet.
Ik dacht: ‘Mijn leven gaat ten onder.’
Te snel sprak ik die woorden.
U was het die mij hoorde.

10. Bewijs God eerbied, jullie allen
die trouw zijn aan de HEER.
Hij helpt je keer op keer –
maar goddelozen laat Hij vallen.
Wees sterk en vastberaden
en hoop op zijn genade.

Psalm 33

Jan Pieter Kuijper

1. Juich voor de HEER om Hem te loven;
oprechte mensen, huldig Hem.
Haal uit je hart een lied naar boven;
leg alle liefde in je stem.
Zing bij de akkoorden;
speel met nieuwe woorden;
zing bij harp en luit.
Maak de mooiste klanken
om de HEER te danken;
zing het vrolijk uit.

2. Nooit zal Hij zijn belofte breken;
betrouwbaar is al wat Hij zegt.
Zijn daden op de aarde spreken
van goedheid, liefde, trouw en recht.
Zijn bevel bepaalde
dat het zonlicht straalde.
Land en oceaan
heeft de HEER gescheiden.
Zeeën en getijden
liet de HEER ontstaan.

3. Laat wie op aarde wonen beven,
vol eerbied en ontzag voor God:
Hij spreekt één woord en er is leven
en alles staat op zijn gebod.
Wat de volken samen
zonder God beramen
wordt door Hem ontkracht.
Niets kan Hem beletten
plannen door te zetten
die Hij heeft bedacht.

4. Het volk dat God vereert als koning
is zijn gezegend eigendom.
De HEER ziet uit zijn hoge woning
naar alle stervelingen om.
Wat zij overleggen,
wat zij doen of zeggen,
weet de HEER meteen.
Hij die hen formeerde,
ieder hart boetseerde,
kijkt door mensen heen.

5. Geen koning kan de oorlog winnen
dankzij een grote legermacht;
met paarden kan hij niets beginnen,
al hebben ze nog zoveel kracht –
maar God zal bevrijden
wie zijn naam belijden.
Wie in hongersnood
hulp van Hem verwachten
krijgen nieuwe krachten,
redt Hij van de dood.

6. Verlangend staan wij uit te kijken
naar onze redder, onze Heer.
Hij is ons schild dat niet zal wijken;
in liefde ziet Hij op ons neer.
Al zijn zegeningen
zullen wij bezingen;
ja, Hij maakt ons blij.
HEER, wil aan ons denken,
ons uw zegen schenken.
U verwachten wij.

Psalm 35

Adriaan Molenaar

1. Bestrijd wie mij bestrijden, HEER!
Bevrijd mij, grijp uw schild en speer.
Sta op, verjaag wie mij belagen.
Zeg tegen mij: ‘Ik zal je dragen.’
Laat hen die uit zijn op mijn dood
te kijk staan, maak hun schande groot.
HEER, stuur uw engel op hen af.
Laat hen verwaaien als het kaf.

2. Voor mij, die hun nooit iets misdeed
maken zij sluw een val gereed.
Verwar hen in hun eigen netten,
de strikken die ze voor mij zetten.
Dan vult mijn hart zich met muziek;
dan zing ik: ‘Heer, U bent uniek!
U komt naast zwakke mensen staan
en pakt de onderdrukkers aan.’

3. Zij zeggen dat ik schuldig ben.
Toch was ik altijd goed voor hen:
Ik leefde mee wanneer zij leden
en noemde hen in mijn gebeden.
Ik zat om hen in zak en as
alsof het om mijn moeder was.
Maar nu ik struikel, lachen zij
en komen dreigend dichterbij.

4. Hoelang, Heer, ziet U het nog aan?
Kijk hoe die leeuwen naast mij staan.
Verlos mij of ik ga verloren;
geef dat het volk mijn lied mag horen.
Laat toch niet lachen wie mij haat,
wie oorlog zoekt en zint op kwaad.
Bijtende spot klinkt in zijn stem
wanneer hij roept: ‘Kijk nou naar hem!’

5. U ziet toch ook dit alles, HEER?
Blijf dan niet ver en zwijg niet meer.
Sta op, mijn God, kom voor mij strijden.
Verdedig mij, sta mij terzijde!
U bent rechtvaardig, HEER, mijn God;
laat hen niet lachen om mijn lot.
Laat hen niet zeggen vol venijn:
‘We kregen hem ten slotte klein!’

6. Laat wie om mijn ellende lacht,
vernederd worden en veracht.
Geef blijdschap aan oprechte mensen
die recht en vrede voor mij wensen.
Dan zeggen zij: ‘De HEER is groot,
Hij hielp zijn dienaar uit de nood.’
Dan zal ik zingen voor altijd;
dan prijs ik uw gerechtigheid.

Psalm 37

Arie Maasland

1. Wees niet afgunstig op wie onrecht plegen,
want zij verwelken en dan gaan ze heen.
Vertrouw op God en wandel op zijn wegen.
Zoek vrede en geluk bij Hem alleen,
dan krijg je wat je wilt: zijn rijke zegen.
Straks blijkt jouw eerlijkheid voor iedereen.

2. Blijf zonder ergernis de HEER verwachten
als wie geniepig is voorspoedig groeit.
Maak je niet druk, laat dit je hart verzachten:
wie slechte dingen doet wordt uitgeroeid.
Hoop op de HEER, houd Hem in je gedachten,
tot straks voor jou geluk en vrede bloeit.

3. Wie kwaad doet grijnst venijnig om de vrome.
God lacht hem uit, Hij kent de toekomst al.
De zondaar heeft zijn wapens opgenomen
en denkt dat hij de zwakke doden zal –
maar spoedig zal zijn eigen einde komen:
zijn zwaard schiet uit, hij brengt zichzelf ten val.

4. De overvloed van vele goddelozen
stelt minder voor dan wat de vrome heeft.
God steunt wie voor het goede heeft gekozen;
Hij staat terzijde wie onschuldig leeft.
Wie zondigt, gaat voorlopig over rozen –
tot God hem knakt en hem de doodsteek geeft.

5. Wie slecht is houdt van lenen en van nemen;
steeds weer staat hij bij iemand in het krijt.
Uitdelen is een kenmerk van degene
die zich aan recht en wet heeft toegewijd.
De HEER treft zondaars en ze zijn verdwenen,
maar wie oprecht is, geeft Hij vrolijkheid.

6. Wie goed doet, kan vrijmoedig voorwaarts lopen.
Wanneer Hij valt, helpt God hem op te staan.
Wie eerlijk leeft, mag op Gods bijstand hopen.
Nooit hoeft zijn kind naar brood op zoek te gaan.
Zijn hart en handen blijven altijd open:
hij deelt maar uit, er komt geen einde aan.

7. Mijd het verkeerde, wijd je aan het goede,
dan zul je eeuwig wonen in het land.
God zal wie eerlijk leven steeds behoeden;
Hij houdt hen vast met vaderlijke hand.
Doortrapte mensen treft Hij in zijn woede;
het erfdeel van rechtvaardigen houdt stand.

8. Wie zuiver leeft, brengt wijsheid graag ter sprake;
woorden van inzicht en van recht spreekt hij.
Hij laat de wet van God zijn hart bewaken;
hij wankelt niet, maar wandelt vrij en blij.
De zondaar spant zich in om hem te raken,
maar God spreekt hem van elke aanklacht vrij.

9. Hoop op de HEER en houd je aan zijn paden,
dan eert Hij jou met prachtig grondgebied –
maar wie blijft zondigen krijgt geen genade.
Hij lijkt een fraaie struik als je hem ziet,
tot God hem uitroeit om zijn slechte daden;
je zult hem zoeken, maar je vindt hem niet.

10. Kijk naar de levensloop van de oprechten:
hun toekomst is vol vrede voor altijd.
De HEER verlost wie aan het goede hechten,
maar goddelozen raken alles kwijt.
Zij worden weggevaagd, terwijl Gods knechten
zich bij Hem koesteren in veiligheid.

Psalm 40

Jan Pieter Kuijper

1. Verlangend heb ik op de HEER gewacht.
Hij luisterde naar mijn gebed:
Hij heeft mij uit het slijk gered
en op een rots in veiligheid gebracht.
Ik was al opgegeven,
maar Hij liet mij herleven!
Nu zing ik tot zijn eer
een nieuw verlossingslied.
Laat ieder die het ziet
vertrouwen op de HEER.

2. Gelukkig, HEER, is wie op U vertrouwt,
wie niet met trotse mensen leeft,
een afkeer van bedriegers heeft,
zich niet met hun praktijken bezighoudt.
U liet ons steeds ervaren
hoe groot uw daden waren.
Doordacht was heel uw plan.
U bent mijn God en Heer.
U deed voor ons veel meer
dan ik vertellen kan.

3. Een offer of geschenk maakt U niet blij.
Wat U graag wilt dringt tot mij door.
Aan uw bevel geef ik gehoor:
hier ben ik, HEER, uw boek gaat over mij.
Uw wil voor heel mijn leven
staat daarin opgeschreven.
Wat is het goed, mijn God,
dat ik U elke dag
van harte dienen mag.
Ik koester uw gebod.

4. Bezield geef ik de blijde boodschap door:
ik zwijg niet over wie U bent.
Uw goedheid, HEER, is ongekend.
Ik houd het volk uw trouw en liefde voor.
U toont uw medeleven.
U wilt bescherming geven.
Open uw hart voor mij.
Omring mij telkens weer
met uw ontferming, HEER.
Sta mij met liefde bij.

5. Red mij opnieuw, want onheil drukt mij neer.
Van alle zonden die ik doe
ben ik gebroken en doodmoe.
Schiet mij te hulp, HEER, want ik kan niet meer.
Laat wie mijn dood beramen
zich voor hun plannen schamen.
Bestraf hun lasterpraat.
Toon uw rechtvaardigheid.
HEER, zorg dat voor altijd
het lachen hun vergaat.

6. Wie zijn geluk alleen van U verwacht
zal lachen en zal vrolijk zijn.
Wie op U bouwt, zingt dit refrein:
‘Groot is de HEER, geweldig is zijn macht.’
Ik ben in mijn ellende
voor U geen onbekende.
Mijn redder, dat bent U.
HEER, U vergeet mij niet;
U weet van mijn verdriet.
Mijn God, bevrijd mij nu.

Psalm 44

Jan Pieter Kuijper

1. Wij hebben, God, met eigen oren
van onze ouders mogen horen
hoe U de volken uit hun land
verdreef en hen daar hebt geplant.
Zij wonnen niet door eigen kracht:
U hebt uw rechterhand geheven.
U was het die verlossing bracht.
U wilde hun uw liefde geven.

2. God, onze koning, schonk de zege;
uw Jakob heeft het land gekregen.
Uw macht, en niet mijn zwaard of speer,
maaide de tegenstanders neer.
U was de redder in de strijd;
U wist de vijand te bedwingen.
Uw naam verhogen wij altijd.
Uw daden zullen wij bezingen.

3. U hebt ons nu alleen gelaten.
U trok niet mee met de soldaten.
U liet ons vluchten in de strijd;
al ons bezit raakten we kwijt.
Als slachtvee zijn we afgestaan;
U joeg ons weg naar verre landen.
U hebt ons van de hand gedaan.
U maakte ons, uw volk, te schande.

4. De volken die rondom ons wonen
zijn erop uit om ons te honen.
Ze lachen smalend om ons lot;
wij zijn het mikpunt van hun spot.
U staat het toe, U keurt het goed
dat zij zich over ons vermaken.
Dat ons dit overkomen moet –
het schaamrood staat ons op de kaken!

5. U hebt ons ervan langs gegeven –
toch zijn we U steeds trouw gebleven.
We buigen niet voor beelden neer –
toch gunt U ons geen daglicht meer.
Het zou U, God, niet zijn ontgaan
als wij uw grote naam verachtten –
toch vallen vijanden ons aan
om ons als schapen af te slachten.

6. HEER, waarom slaapt U nu wij lijden?
Word wakker en kom tussenbeide!
Waarom hebt U zich afgewend
en doet U of U ons niet kent?
Zwaar drukt de last van ons verdriet;
wij zijn ten dode opgeschreven.
Kom ons te hulp, vergeet ons niet.
Laat ons weer uit uw liefde leven.

Psalm 45

Adriaan Molenaar

1. Met dit gedicht wil ik de koning loven;
de woorden springen in mijn hart naar boven.
Ik zing ze uit; mijn tong is als een pen
waarmee ik soepel aan het schrijven ben.
O koning, als wij naar uw schoonheid kijken
is er geen mens met u te vergelijken.
Genade spreekt uit alles wat u zegt;
wij zien dat God zijn zegen op u legt.

2. Grijp zwaard en boog, trek onbevreesd ten strijde;
kom stralend naar de overwinning rijden!
U voert de strijd voor waarheid, trouw en recht;
uw pijlen treffen elk die met u vecht.
Wij mogen veel van God in u ervaren:
onwankelbaar doorstaat uw troon de jaren
terwijl u eerlijk over ons regeert,
het goede liefhebt en het kwade weert.

3. Om uw oprechtheid maakte God u koning;
Hij zalfde u met olie bij uw kroning.
Nog hangt die vreugdegeur in uw gewaad;
een zoete reuk omringt u waar u gaat.
Muziek weerklinkt vanuit ivoren zalen
waar rijk geklede koningsdochters stralen.
Rechts naast u staat uw schitterende bruid:
gesierd met goud ziet zij er prachtig uit.

4. ‘Bruid, kijk je ogen uit, geloof je oren;
vergeet de streken waar je bent geboren.
Besef verwonderd wat je hier ontvangt.
Hier is de koning die naar jou verlangt.
Hij is voortaan je heer, jij wordt de zijne.
Laat ieder heimwee uit je hart verdwijnen.
De rijken bieden je geschenken aan,
verlangen bij je in de gunst te staan.’

5. De bruid, gehuld in goudbrokaat, wacht binnen.
Nu gaat het grote bruiloftsfeest beginnen.
Stralend gaat zij de koning tegemoet,
gevolgd door meisjes in een blijde stoet.
Vriendinnen stralen, kostbaarheden blinken
terwijl op straat verheugde kreten klinken.
Vol pracht wordt zij naar het paleis gebracht,
naar hem die al verlangend op haar wacht.

6. Nu is een nieuwe toekomst te verwachten;
uw zonen, koning, zie ik in gedachten.
In ieder land bestijgen zij de troon;
de oudste zoon krijgt eens uw eigen kroon.
De generaties door zal men u roemen;
uw naam zal men in alle eeuwen noemen.
Ik dicht dit lied zodat uw naam weerklinkt
en volk na volk voor eeuwig u bezingt.

Psalm 49

Jan Pieter Kuijper

1. Bewoners van de wereld, luister goed.
Hoor alles wat ik je vertellen moet.
Van hooggeplaatste tot gewone man,
van rijke tot wie haast niets kopen kan,
ik moet mijn wijze woorden aan je kwijt:
mijn mond loopt over van diepzinnigheid.
Spits bij mijn overpeinzingen je oren;
bij citerspel laat ik mijn wijsheid horen.

2. Waarom zou ik nog bang zijn voor geweld
van mensen die vertrouwen op hun geld?
Trots als ze zijn begrijpen ze maar niet
dat veel bezit geen eeuwig leven biedt.
Al stonden zij ook al hun rijkdom af,
ze redden daarmee niemand uit het graf.
De prijs die God vraagt voor een mensenleven
is hoger dan een sterveling kan geven.

3. Weet dat het einde komt voor iedereen:
dwaas of verstandig, eens gaan allen heen.
Bezittingen met zorg bijeengebracht
gaan over naar het volgende geslacht,
al denkt de dwaas: mijn huis houdt altijd stand,
en op mijn naam staan grote stukken land.
Wie zonder inzicht zijn geluk blijft vieren
vindt duisternis, vergaat zoals de dieren.

4. Zo gaat het wie op eigen wijsheid bouwt,
wie niet op God, maar op zichzelf vertrouwt:
hij is een schaap dat ruw wordt weggeleid.
De dood is als een hoeder die hem weidt.
Wie eerlijk leeft, wordt bij het morgenlicht
in eer hersteld en door God opgericht.
Als Hij mij uit het dodenrijk komt halen
zal Hij de losprijs voor mijn ziel betalen.

5. Al heeft een rijke meer bezit dan jij,
wees niet jaloers: zijn welvaart gaat voorbij.
Nu is hij met zijn weelde in de weer,
straks daalt hij doodarm in de grafkuil neer.
Hij moet zich voegen bij zijn voorgeslacht.
Zijn licht dooft uit, voor altijd wordt het nacht.
Wie zonder inzicht zijn geluk blijft vieren
vindt duisternis, vergaat zoals de dieren.

Psalm 50

Arie Maasland

1. De Heer die alle macht heeft – Hij alleen! –
roept heel de aarde voor zijn troon bijeen.
In Sion, stad van smetteloze pracht,
verschijnt Hij stralend, vol van licht en kracht.
Hij komt eraan, luid laat Hij van zich horen.
In vuur en wervelstorm trekt Hij zijn sporen.

2. De hemel en de aarde spreekt Hij aan:
‘Laat wie Mij trouw is, voor Mij komen staan,
wie met zijn offers zich aan Mij verbindt.
Ik zal verklaren wat Ik van hem vind.’
Gods recht staat vast, de hemel is getuige.
Hij oordeelt zuiver, iedereen moet buigen.

3. ‘Luister mijn volk, Ik zie je offervuur;
je brengt je beste dieren uur na uur.
Maar vogels aan de hemel zijn van Mij,
Ik ken het vee in iedere vallei –
dus wat voor goeds zou jij Mij kunnen geven?
Ook zonder jou weet Ik te overleven.

4. Doe Ik mezelf aan stierenvlees tegoed?
Heb Ik soms dorst en drink Ik geitenbloed?
Breng dankbaar offers, niet met tegenzin.
Los je geloften zonder uitstel in.
Dan zal Ik op je noodkreet reageren:
Ik zal je redden en jij zult Mij eren.’

5. God snoert wie Hem niet kennen wil de mond:
‘Je praat wel over Mij en mijn verbond,
maar hebt mijn woorden en mijn wet niet lief.
Je houdt van overspel, je bent een dief.
Laster verlaat je mond, je lippen liegen;
je eigen broer zelfs durf je te bedriegen.

6. Je denkt, alsof Ik net zo ben als jij:
God gaat stilzwijgend aan het kwaad voorbij.
Maar nee, Ik maak je daden openbaar.
Kom nog tot inkeer, vlucht voor het gevaar.
Anders verscheur Ik je; dan zul je lijden –
maar wie Mij dankbaar dient, zal Ik bevrijden.’

Psalm 51

Jan Pieter Kuijper

1. Heb medelijden God! Ik roep U aan
omdat uw hart gevuld is met genade.
Wis alle schuld weg, al mijn slechte daden.
Mijn zonden blijven mij voor ogen staan.
Wat ik gedaan heb is ontstellend slecht.
ik heb mij tegenover U misdragen.
Welk vonnis U ook velt, het is terecht.
Ten einde raad wil ik vergeving vragen.

2. Vanaf de moederschoot heb ik al schuld.
Het kwaad zat in mij toen ik werd geboren.
Maar U laat diep in mij uw wijsheid horen;
U wilt dat waarheid heel mijn hart vervult.
Ontzondig mij geheel, dan ben ik rein.
Was mij, zodat ik wit zal zijn vanbinnen,
zelfs witter dan de witste sneeuw kan zijn.
Eerst brak U mij, laat nu de vreugde winnen.

3. Zuiver mijn hart, God, wis mijn fouten uit.
Vernieuw mijn geest, wil al mijn schuld vergeven.
Ik kan alleen standvastig met U leven
als U de ogen voor mijn zonden sluit.
Geef mij de blijdschap die ik heb gekend,
kracht door uw Geest om U opnieuw te eren.
Dan leer ik wie verdwaald zijn wie U bent.
Zij zullen luisteren en zich bekeren.

4. God, spreek mij vrij van mijn verdiende straf.
Vergeld geen bloed met bloed, laat mij niet boeten,
al zou dit volgens wet en recht wel moeten.
God van mijn redding, wend de dreiging af.
Wat zal ik zingen als U mij bevrijdt!
Dan ben ik, Heer, een levende getuige
van uw genade en gerechtigheid.
Open mijn mond en laat mij voor U juichen.

5. Door offers worden schulden niet voldaan.
In dode dieren schept U geen behagen.
U neemt ons hart, gebroken en verslagen,
genadig als een offergave aan.
Bouw Sion op in al haar oude pracht.
Dan wordt het offer, rein en ongeschonden,
weer naar de eisen van uw wet gebracht.
Zonder gebrek draagt het voor ons de zonden.

Psalm 55

Bob Vuijk

1. Luister, mijn God, naar mijn gebeden.
Ik heb al veel te lang geleden.
Keer eindelijk mijn lot ten goede.
De vijand scheldt, gebruikt geweld.
Steeds als hij dreigt en kansen krijgt
voel ik zijn haat en blinde woede.

2. Door grote angst ben ik bevangen
en in mij leeft een sterk verlangen
met vleugels op te kunnen stijgen,
hoog in de lucht: een duif die vlucht
naar de woestijn, om vrij te zijn;
ver weg van hen die mij bedreigen.

3. Heer, U kunt hun geweld doorbreken;
verwar hun denken en hun spreken.
De stad, haar pleinen en haar muren,
zijn het terrein van leed en pijn:
terreur op straat van vroeg tot laat.
Hoelang nog zal die rampspoed duren?

4. Werd ik gehoond door wie mij haten,
het zou me onverschillig laten.
Maar jij was het, op wie ik bouwde,
mijn beste vriend, nu nietsontziend.
Ooit, een van geest, vierden we feest.
Jij was de man die ik vertrouwde.

5. Laat ze maar boeten, maar betalen;
laat ze maar in de grafkuil dalen.
Ze zijn een werktuig van het kwade.
Maar ik, ik klaag bij God vandaag,
op wie ik wacht bij dag en nacht.
Hij geeft mij redding en genade.

6. Mijn tegenstanders zijn met velen,
toch mag ik in Gods vrede delen.
Hij geeft mij antwoord op mijn klagen.
Mijn vijand groet mij honingzoet;
zijn gladde praat verhult zijn haat.
Maar God vaagt weg wie mij belagen.

7. Laat God de HEER je lasten dragen.
Hij helpt wie om verlichting vragen,
houdt overeind wie op Hem bouwen.
Wie haat verspreidt sterft voor zijn tijd.
Een moordenaar – God straft hem zwaar.
Maar ik, ik blijf op Hem vertrouwen.

Psalm 68

Jan Pieter Kuijper

1. God richt zich op met majesteit.
Zijn haters zoeken veiligheid;
ze rennen voor hun leven.
Zoals de wind de rook verjaagt,
zo wordt zijn vijand weggevaagd,
ver uit het zicht verdreven.
Maar de rechtvaardigen zijn blij.
Wanneer God nadert, juichen zij;
ze klappen opgetogen.
Bezing zijn naam, Hij komt eraan!
Spring voor Hem op en maak ruim baan.
Je lied zal Hem verhogen.

2. God kijkt vanuit zijn heiligdom
als vader naar de wezen om;
de weduwen behoedt Hij.
Wie zich verlaten voelt en zwak
geeft Hij ruimhartig onderdak;
de hongerige voedt Hij.
Wie niet meer weet wat vrijheid is
haalt Hij uit de gevangenis,
van elke straf ontheven.
Maar mensen die opstandig zijn
lijden gebrek in de woestijn,
waar niets kan overleven.

3. O God, toen U vol majesteit
uw eigen volk had uitgeleid
als herder van uw kudde,
dreunde de hele aarde luid,
de hemel stortte water uit;
de Horeb stond te schudden.
U hebt uw erfdeel door uw macht
naar het beloofde land gebracht,
een land van milde regen.
Uw volk, vermoeid en uitgeblust,
kreeg daar weer nieuwe kracht en rust,
ontving uw rijke zegen.

4. Geef deze blijde boodschap door;
verspreid dit woord van God in koor:
de vijand is verslagen!
Door vrouwen werd de buit geteld,
terwijl hun mannen in het veld
lui bij het kampvuur lagen.
Het zilver blonk in overvloed.
Verblindend was de gouden gloed
van fraai vergulde duiven.
Gods almacht joeg de heersers op,
zoals de storm op Salmons top
de sneeuw hoog op laat stuiven.

5. Jij Basans berg, massieve rots,
met al je toppen, machtig trots,
wat sta je daar te kniezen?
Waarom vind jij het toch zo erg
dat God niet jou, jaloerse berg,
als woonplaats wilde kiezen?
Met veel vertoon van macht beklom
de Heer zijn berg, zijn heiligdom;
zijn zege werd bezongen.
Men legde gaven voor Hem neer.
Zelfs van rebellen heeft de HEER
belastinggeld bedongen.

6. Prijs en aanbid God elke dag.
Bij voorspoed en bij tegenslag
zal deze God ons dragen.
Hij is een God die ons bevrijdt,
die zegenend zijn handen spreidt.
Hij heeft de dood verslagen.
Zijn tegenstanders velt Hij neer.
‘Ik kom hen halen’, spreekt de HEER,
‘ze krijgen geen genade.
De honden likken van hun bloed.
De straat kleurt rood en jullie voet
zal door die plassen waden.’

7. Met citer, harp en tamboerijn
is het een vrolijk zangfestijn,
de stoet voor God, mijn koning.
Ik zie daar muzikanten gaan
en meisjes die op trommels slaan;
ze trekken naar zijn woning.
Prijs, klein en groot, bij snarenspel
de HEER, de God van Israël,
de bron van al het leven.
Het land loopt uit van zuid tot noord,
tot welke stam men ook behoort,
om God de eer te geven.

8. U hebt altijd uw macht getoond
vanuit de tempel waar U woont;
toon ons opnieuw uw daden.
Dan wordt U, God, in uw paleis
door koningen als eerbewijs
met gaven overladen.
Bestraf het land dat ons bespiedt.
Vechtende volken, spaar ze niet;
vertrap wie geld begeren.
Dan komen afgezanten snel
om U, de God van Israël,
met diep ontzag te eren.

9. Zing, koninkrijken, zing voor Hem,
voor God de Heer, met hart en stem;
erken Hem, alle volken.
Hij trekt zijn koninklijke spoor
de hoge hemelsferen door,
ver boven lucht en wolken.
De Heer verheft zijn stem met kracht.
Zijn majesteit en grote macht
gaan elk verstand te boven.
Vanuit zijn heiligdom staat Hij
zijn Israël vol liefde bij.
Laat iedereen Hem loven!

Psalm 69

Jan Pieter Kuijper

1. Verlos mij, God, voorkom dat ik verdrink.
De stroom is sterk, het water blijft maar stijgen.
Ik kan ternauwernood nog adem krijgen.
Diep is de modder waarin ik verzink.
Mijn God, met schorre stem roep ik U luid.
Ik zie haast niets meer, doodmoe zijn mijn ogen.
Wanhopig schreeuwt mijn bange hart het uit:
zet mij toch veilig naast U op het droge!

2. Mijn tegenstanders zie ik overal.
Ze zeggen dat ik van hen heb gestolen.
Ik ben geen dief, toch hebben zij bevolen
dat ik de buit aan hen vergoeden zal.
Niets nam ik weg, al zondig ik vaak wel.
U kent mijn schuld, Heer van de legermachten.
Laat wie U zoeken, God van Israël,
niet lijden door mijn daden en gedachten.

3. Om U word ik verstoten en gesard.
In mijn familiekring heb ik geen leven,
omdat ik U mijn liefde heb gegeven.
Wie U bespotten, trappen op mijn hart.
Ik huil terwijl het brood me tegenstaat.
Verdrietig loop ik rond in oude kleren.
Ze lallen liedjes over mij op straat.
Hoor hoe ze leuzen over mij scanderen.

4. Daarom blijf ik steeds tot U bidden, HEER.
God, laat het nu het uur zijn van genade.
Groot is uw trouw, bevrijdend zijn uw daden.
Verhoor mij toch en toon uw liefde weer.
Trek mij omhoog, ik voel geen vaste grond.
Mijn haters laten mij steeds dieper zinken.
Een modderstroom van spot komt uit hun mond.
Verlos mij, God, voordat ik zal verdrinken.

5. HEER, antwoord mij, want U bent trouw en goed.
Verberg U niet, maar kom mij snel bevrijden.
Ik ben uw knecht, toon mij uw medelijden.
U weet dat ik veel hoon verdragen moet.
Ik zocht, maar vond geen troost in al mijn pijn.
Er is geen mens die nog van mij wil weten.
Als ik wil drinken, krijg ik zure wijn.
Mijn vijanden vergiftigen mijn eten.

6. Heer, laat hen stikken in hun eigen brood.
Dat ze voor straf als kreupelen en blinden
al strompelend geen enkel houvast vinden.
Grijp in en stel hen aan uw woede bloot.
Verwoest hun huizen, ruïneer hun stad;
laat niemand in zijn woning achterblijven –
want U straft mij, maar zij verzwaren dat:
ze blijven zout in al mijn wonden wrijven.

7. Tel al hun zonden op, scheld hun niets kwijt.
Laat hen toch in de boekrol van het leven
niet bij rechtvaardigen staan ingeschreven.
Haal hun naam weg, dat is gerechtigheid.
Mijn lichaam is gebroken van de pijn.
Ik ben verzwakt en doodop van het huilen.
O God, U wilde steeds mijn redder zijn,
laat mij ook nu weer veilig bij U schuilen.

8. Ik prijs Gods naam en breng Hem dank en eer.
Zijn grootheid zal ik opgetogen vieren.
Het gaat Hem niet om reine offerdieren:
een lied van lof waardeert de HEER veel meer.
Mensen die trouw zijn, zien het en zijn blij.
Wie Gods nabijheid zoekt, voelt zich herboren.
Zijn volk, nu nog gevangen, maakt Hij vrij;
misdeelde mensen zal de HEER verhoren.

9. Laat mens en dier, wat maar bewegen kan,
de grote naam van God uitbundig prijzen,
want Hij laat Sion uit het puin herrijzen.
Voor Juda’s steden heeft de HEER een plan:
De huizen worden door Hem opgebouwd.
De burgers mogen weer in vrijheid leven.
Hij zal het volk dat vurig van Hem houdt
het land voor altijd als bezitting geven.

Psalm 71

Jan Pieter Kuijper

1. Ik schuil bij U met al mijn zorgen.
HEER, neem het op voor mij;
verlos mij, spreek mij vrij.
Bij U, mijn rots, ben ik geborgen.
U hebt uw woord gegeven:
ik mag in vrijheid leven.

2. God, wil mijn vijanden verjagen,
hun schrikbewind verslaan.
Ik heb van jongs af aan
op U gesteund in bange dagen.
Nog voor ik was geboren
mocht ik al bij U horen.

3. U hebt het voor mij opgenomen!
Bij velen is bekend
dat U mijn schuilplaats bent.
Ik mag bij U op adem komen.
Beschermd door zegeningen
blijf ik uw lof bezingen.

4. Wil mij toch niet de rug toekeren
nu ik, bejaard en zwak,
naar uw bescherming snak.
Kijk hoe die schurken samenzweren.
Hoor hoe ze spottend praten:
‘Zijn God heeft hem verlaten.’

5. Blijf niet op afstand naar mij kijken.
Beschaam wie zelfvoldaan
mij naar het leven staan.
Kom snel, dan zal ik niet bezwijken.
Met afgenomen krachten
blijf ik uw hulp verwachten.

6. Ik zal vertellen van uw daden,
van uw rechtvaardigheid,
van U, die steeds bevrijdt.
Ik prijs uw rijkdom van genade.
‘Mijn God’ mag ik U noemen.
Ik zal uw goedheid roemen.

7. U onderwees mij heel mijn leven.
Wat zijn uw lessen wijs!
Nu ben ik oud en grijs,
toch zal ik, als U kracht blijft geven,
voor mijn nakomelingen
uw wonderen bezingen.

8. U hebt mij met uw trouw omgeven.
Uw wonderen zijn rijk.
Wie is aan U gelijk?
God, til mij op, laat mij herleven.
U zult mij weer verhogen
en al mijn tranen drogen.

9. Ik zal U prijzen bij de klanken
van vrolijk snarenspel.
U, God van Israël,
zal ik voor mijn verlossing danken.
Wie uit zijn op mijn schande
staan dan met lege handen.

Psalm 72

Adriaan Molenaar

1. God, laat de koning goed regeren,
met recht en met beleid.
Wil hem de wijze wetten leren
van uw gerechtigheid.
Dan zal uw volk in vrede leven,
dan wordt er recht gedaan:
verdrukten zal hij redding geven,
verdrukkers pakt hij aan.

2. Laat onze koning hooggeacht zijn
zolang de zon bestaat.
Moge hij eeuwen aan de macht zijn
totdat de maan vergaat.
Hij brengt nieuw leven, als de regen
die dorstig land bevloeit:
wie eerlijk leeft ervaart zijn zegen,
terwijl de vrede bloeit.

3. Van zee tot zee zal hij regeren,
van eiland tot woestijn.
Elk volk zal hem als heerser eren
en hem gehoorzaam zijn.
Geschenken zullen binnenstromen,
een schat aan eerbetoon.
Ja, alle vorsten zullen komen
en knielen voor zijn troon.

4. Wie tot hem roept zal hij bevrijden;
wie zwak is staat hij bij.
Voor wie geen hulp heeft zal hij strijden;
wie vast zit maakt hij vrij.
Wie arm zijn of door zorg gebogen,
verdrukt of diep in nood –
hun bloed is kostbaar in zijn ogen.
Hij redt hen van de dood.

5. ‘Leve de koning!’ roepen mensen;
ze geven gul hun goud.
Voortdurend klinken zegenwensen;
men bidt voor zijn behoud.
De oogst is groot, zelfs waar tevoren
geen graan ooit groeien kon.
Het bergland vol van golvend koren
lijkt op de Libanon.

6. De stad mag groei en bloei beleven
zoals een frisse plant.
De koning staat hoog aangeschreven;
zijn naam klinkt door het land.
Zolang de zon voor ons blijft rijzen
blijft ook zijn naam ons bij.
Elk volk zal hem gelukkig prijzen
en wenst te zijn als hij.

7. Laat iedereen de HEER bezingen,
de God van het verbond.
Hij, Hij alleen doet grote dingen,
bazuin zijn glorie rond!
Zijn naam gaat elke naam te boven;
breng Hem voor eeuwig eer.
Laat alles wat bestaat Hem loven.
Ja, amen, prijs de HEER!

Psalm 73

Jan Pieter Kuijper

1. Gods volk kan op zijn liefde aan.
Hij helpt wie op zijn wegen gaan.
Toch ben ik bijna uitgegleden,
want ik was boos en ontevreden.
Ik keek met afgunst naar het lot
van hen die leven zonder God.
Zij zijn gezond en eten goed,
terwijl een ander lijden moet.

2. Verwaandheid is hun halssieraad
en grof geweld is hun gewaad;
een jas die zij hooghartig dragen,
opzichtig om zich heen geslagen.
De hoogmoed druipt van hun gezicht;
ze zijn slechts op zichzelf gericht.
De hemel krijgt een grote mond;
op aarde gaat hun spotlach rond.

3. Nooit staan de dwazen onder druk.
Het kan niet op met hun geluk.
Gods volk staat voor hun zonden open,
begint hen achterna te lopen.
De goddelozen gaan hun gang,
verrijken zich en zijn niet bang.
In hoe ze praten klinkt de spot:
‘Niets weet die Allerhoogste God.’

4. Ik heb voor niets mijn best gedaan
om op het rechte pad te gaan,
want elke dag moet ik verdragen
dat ik gestraft word en geslagen.
Maar als ik dat geloven zou,
dan was ik aan uw volk ontrouw.
Toch gaat het dwazen voor de wind,
terwijl ik lijden ondervind.

5. Dit zag ik in Gods heiligdom:
de goddelozen komen om.
U zult hen eens voorgoed verdrijven;
niets zal er van hen overblijven.
Hun einde zal ontstellend zijn;
ze storten neer in een ravijn.
Als beelden uit een angstdroom, Heer,
vaagt U hen weg, slaat U hen neer.

6. Mijn hart was vol verbittering
toen ik mijn eigen wegen ging.
Ik heb me boos, terneergeslagen,
als een stompzinnig dier gedragen.
Maar nu weet ik U dicht bij mij;
U neemt mijn hand, U staat mij bij.
U bent het die mij veilig leidt
en opneemt in uw heerlijkheid.

7. Wie heb ik in het hier en nu
en in de hemel buiten U?
Geen ander kan mij vreugde geven;
U bent de liefde van mijn leven.
Al zou mijn lichaam ook vergaan,
U bent de rots van mijn bestaan.
U biedt mij troost en veiligheid;
U bent mijn God, nu en altijd.

8. Wie U ontrouw is, U verlaat,
snelt naar zijn einde en vergaat.
Bij U te zijn is mijn verlangen;
U zult mij liefdevol ontvangen.
U bent de HEER op wie ik bouw,
die ik met hart en ziel vertrouw.
Aan iedereen maak ik bekend
hoe machtig, groot en goed U bent.

Psalm 74

Jan Pieter Kuijper

1. Waarom, o God, verstoot U voor altijd?
Waarom blijft U op ons uw woede koelen?
Laat ons, uw schapen, weer uw liefde voelen.
Denk aan het volk dat U ooit hebt bevrijd.

2. Denk aan uw berg, de woonplaats van uw eer.
Kom naar uw huis, waar wij U mochten dienen.
Bezoek uw stad, al zolang een ruïne:
verwoestend ging de vijand er tekeer.

3. Hun vlag stond midden op het tempelplein,
waar zij hun overwinning luid bezongen.
Diep zijn ze in uw woning doorgedrongen.
Ze sloegen al het snijwerk kort en klein.

4. Uw heiligdom werd schaamteloos ontwijd;
uw woning hebben ze in brand gestoken.
Al heel lang heeft er geen profeet gesproken;
geef ons een teken, spreek na lange tijd.

5. Hoelang nog, God, houdt de bespotting aan?
Hoelang nog blijft de vijand U verachten?
Waarom bedwingt U zich? Laat ons niet wachten!
Verhef uw rechterhand om toe te slaan.

6. Ik ken U als mijn koning en mijn God.
U sloeg met kracht de watervloed in tweeën.
De monsters die regeerden in de zeeën
hebt U gedood; U brak hun kop kapot.

7. U was het die vers water stromen liet.
Vanuit een rots ontsprongen frisse beken.
U maakte, door een enkel woord te spreken,
van de rivieren dor en droog gebied.

8. De dag en nacht zijn, HEER, in uw bezit.
Aan zon en maan hebt U een plek gegeven.
U schiep het vasteland om op te leven.
Na zomerzon verschijnt er winterwit.

9. Denk aan uw trouw, nu men U zo bespot.
HEER, voer uw tortelduif niet aan de gieren.
Geef toch uw volk niet prijs aan wilde dieren,
maar breng een wending in hun trieste lot.

10. Bescherm ons, HEER, neem uw verbond in acht.
Het land is vol geweld en doodsgevaren.
Wil zwakken voor een nederlaag bewaren;
dan wordt uw naam de hoogste eer gebracht.

11. Grijp krachtig in, verdedig nu uw zaak.
Stop het getier, het spotten van de dwazen.
Vergeet niet hoe uw tegenstanders razen.
Maak er een einde aan, o God, ontwaak!

Psalm 77

Jan Pieter Kuijper

1. Luid roep ik tot God zal horen;
haast heb ik de moed verloren.
Ik roep God met luide stem,
strek mijn handen uit naar Hem.
Rusteloos zijn mijn gedachten,
troosteloos de lange nachten.
Wanhoop voel ik en verdriet;
aan Hem denken helpt me niet.

2. Zonder woorden, aangeslagen,
lig ik wakker vol met vragen.
Steeds haal ik mij voor de geest
hoe het vroeger is geweest:
hoe ik spelend op de snaren
Gods nabijheid heb ervaren.
Nu klinkt treurig mijn refrein:
zou Hij mij vergeten zijn?

3. Heeft de Heer dan echt besloten
ons voor altijd te verstoten?
Wat als Hij nu nooit meer komt,
als zijn woord voorgoed verstomt?
Is God zijn verbond vergeten;
wil Hij niets meer van ons weten?
Is Hij meer van toorn vervuld
dan van liefde en geduld?

4. Pijn doet het dat God al tijden
niets laat zien van medelijden.
Hij, de allerhoogste Heer,
toont zijn sterke hand niet meer.
Ik blijf denken aan uw werken,
hoe U ons uw trouw liet merken.
Ik zorg dat ik niets vergeet
van de daden die U deed.

5. Heilig is uw weg, verheven.
Welke god staat niet te beven?
U die onnavolgbaar bent
maakt uw naam met macht bekend.
Opzienbarend zijn uw daden,
wonderen van uw genade.
Volken zagen wereldwijd
hoe uw arm ons heeft bevrijd.

6. Zeeën zijn toen zij U zagen
bevend op de vlucht geslagen.
Wolken goten water uit;
heel de hemel gaf geluid.
Dreigend flitsten bliksemschichten
die de wereld fel verlichtten.
Donder rolde dreunend rond,
siddering trok door de grond.

7. Onder huizenhoge golven
werd de weg van U bedolven.
Waar uw volk gelopen had
was geen spoor meer van een pad.
Als een trouwe herder leidde
U het volk dat U bevrijdde.
Mozes’ en Aärons hand
bracht de kudde naar uw land.

Psalm 78

Jan Pieter Kuijper

1. Luister, mijn volk, naar mijn doordachte woorden,
naar wat wij eens van onze ouders hoorden.
Wij mogen het verleden niet vergeten;
laat aan je kinderen Gods daden weten.
Vertel het door, vertel het nageslacht
wat Hij gedaan heeft door zijn grote kracht.

2. Hij gaf zijn volk een richtlijn voor het leven
en Hij gebood die woorden door te geven.
Zo zou elk kind dat daarna werd geboren
zijn grote daden en beloften horen.
Dan zouden zij vertrouwen op hun God;
dan hielden zij zich trouw aan zijn gebod.

3. Zij moesten laten wat hun ouders deden:
die hadden niet de strijd van God gestreden.
Efraïms mannen bleven zich verzetten;
ze weigerden te leven naar zijn wetten.
Die laffe strijders dachten er niet aan
dat Hij altijd voor hen had klaargestaan.

4. Hun ouders hadden eerder al ervaren
hoe goed God was, hoe groot zijn daden waren:
Hij spleet het water en met droge voeten
vervolgden zij hun wonderlijke route.
De weg werd hun gewezen door een wolk
en ’s nachts verlichtte vlammend vuur het volk.

5. God liet vanuit een steenrots water komen;
in de woestijn gingen rivieren stromen.
Toch riepen zij Hem toe: ‘Dit is geen leven!
U mag ons eerst wel iets te eten geven!
Het kan wel zijn dat U ons water wees,
maar waarom komt U niet met brood en vlees?’

6. God werd witheet omdat zij Hem verachtten
en hun verlossing niet van Hem verwachtten.
Hij gaf bevel, Hij liet de wolken scheuren.
Het manna stroomde door de hemeldeuren.
Zo werd op weg naar het beloofde land
dit brood van engelen hun proviand.

7. Uit oost en zuid liet God de wind opsteken;
als wolken zand zijn vogels neergestreken.
Zo gaf Hij voedsel dat hun honger stilde;
ze aten van het vlees zoveel ze wilden.
Hun buik was nog maar nauwelijks gevuld
toen er een einde kwam aan Gods geduld..

8. De Heer vernietigde wie gulzig aten;
de sterksten moesten ook het leven laten.
Omdat het volk zijn redder niet erkende
vergingen ze in doelloze ellende.
Als het zo uitkwam zochten zij de Heer,
maar snel daarna bedrogen zij Hem weer.

9. Al was hun hart maar half met Hem verbonden,
de Heer bedekte keer op keer hun zonden.
Zijn grote woede moest Hij vaak bedwingen;
Hij wilde niet dat zij ten onder gingen.
Dan dacht Hij: ‘Ach, ze zijn maar zwak en klein;
laat Ik ook nu maar weer genadig zijn’.

10. Ze bleven zich in de woestijn misdragen:
ze kwetsten God door Hem steeds uit te dagen.
Ze wilden van zijn heiligheid niets weten.
Wat Hij gedaan had waren ze vergeten:
hoe Hij hen hielp met uitgestoken hand,
hoe Hij hen redde uit het slavenland.

11. De Heer liet bloed door de rivieren stromen.
De steekvlieg liet Hij als een kwelling komen.
Hij stuurde kikkers die het land bedekten.
De oogst werd kaalgevreten door insecten.
De wijnstok brak door het natuurgeweld.
De bliksem trof de schapen op het veld.

12. God was zo boos op de Egyptenaren
dat zij door niemand meer te redden waren.
Ze moesten zelfs na negen zware plagen
hun eerstgeborenen ten grave dragen.
God liet zijn kudde gaan naar de woestijn.
Daar wilde Hij hun trouwe herder zijn.

13. Het volk was veilig onder zijn geleide
toen Hij het water van de Rietzee scheidde.
Hij bracht hen naar de berg van zijn verlangen.
Wat hun beloofd was, hebben ze ontvangen:
Hij joeg de volken weg met sterke hand
en gaf aan alle stammen een stuk land.

14. Ook in het land dat vloeit van melk en honing
verlieten zij de allerhoogste koning.
Niet erger konden zij de Heer kleineren
dan door hun godenbeelden te vereren.
Boos en beledigd door dit overspel
keerde de Heer zich af van Israël.

15. Gekwetst zocht Hij zijn woonplaats ergens anders.
De ark belandde bij zijn tegenstanders.
Met Israël kon Hij niet langer leven;
zijn volk werd aan de vijand prijsgegeven.
De jonge mannen overleefden niet;
geen meisje hoorde nog een bruiloftslied.

16. De priesters stortten uitgeput ter aarde;
ze stierven door vijandelijke zwaarden.
Zo ongenadig diep sloeg God de wonden
dat weduwen zelfs niet meer huilen konden.
Maar toen ontwaakte Hij zoals een held;
Hij sloeg voorgoed de vijand uit het veld.

17. In Efraïm bleef God niet langer wonen;
aan Juda wilde Hij zijn liefde tonen.
Hij koos de Sionsberg om van te houden,
waar Hij een huis, zijn eigen woning, bouwde:
een tempel voor de eeuwigheid gemaakt,
een heiligdom dat aan de hemel raakt.

18. God haalde David, die de schapen weidde.
Hij koos hem uit om Israël te leiden.
Als herder moest hij zijn bezit bewaken,
de eigenwijze kudde volgzaam maken.
David hield hen in het beloofde land
oprecht van hart met wijsheid in de hand.

Psalm 89

Jan Pieter Kuijper

1. Ik wil uw liefde, HEER, bezingen voor altijd
en van uw trouw getuigen tot in eeuwigheid.
U hebt uw dienaar David liefdevol gezworen:
‘Wij sluiten een verbond, Ik heb jou uitverkoren.
Mijn goedheid blijft in stand: je kunt erop vertrouwen
dat Ik je koninkrijk de eeuwen door zal bouwen.’

2. Het loflied op uw werk klinkt heel de hemel door.
De engelen bejubelen uw trouw in koor.
Want wie van hen daarboven kan zich met U meten?
Wie kan behalve U ‘Heer van de goden’ heten?
Uw macht is zo bekend bij alle hemelingen
dat zij met diep ontzag uw koningstroon omringen.

3. U bent almachtig, HEER, God van het hemelrijk.
Wie is zo trouw als U, wie is aan U gelijk?
De zee gehoorzaamt U wanneer de golven stijgen:
het woeste water wijkt, de stormen moeten zwijgen.
Het monster in de zee is door uw vuist verdreven.
Uw vijand zag uw kracht en vluchtte voor zijn leven.

4. Hemel en aarde zijn van U, met al wat leeft.
U bent het die de wereld vast verankerd heeft.
U schiep het warme zuiden en het koude noorden.
De bergen prijzen U, zij juichen zonder woorden.
Uw arm is krachtig en uw rechterhand verheven.
Door liefde en door waarheid is uw troon omgeven.

5. Gelukkig is het volk dat de bazuin herkent.
Zij juichen voor uw naam omdat U bij hen bent.
Zij wandelen met U; uw licht beschijnt hun ogen.
Uw glorie maakt hen sterk, U zult hen weer verhogen.
U bent voor hen een schild, U leidt hen naar de zege.
Hun koning hebben zij van U, de HEER, gekregen.

6. Dit hebt U ons eens in een visioen verteld:
‘Op David valt mijn keus, een jonge, sterke held.
Ik zal mijn dienaar zalven en slagvaardig maken.
Ook maakt mijn arm hem sterk, geen vijand zal hem raken.
Wie hem met kwaad en onrechtvaardigheid belagen
zal Ik met kracht verslaan en voor zijn oog verjagen.

7. Met liefde en met trouw sta Ik hem altijd bij.
Groot zal zijn aanzien zijn, gezag krijgt hij van Mij.
Hij heerst van west tot oost, Ik maak hem wereldleider.
‘U bent mijn God’, roept hij, ‘mijn vader, mijn bevrijder.’
Hij is mijn oudste zoon: hij vindt bij Mij zijn woning.
Ik geef hem alle macht, hij wordt de hoogste koning.

8. Zielsveel houd Ik van hem, daar komt geen einde aan.
Ik blijf hem altijd trouw, zijn troon zal blijven staan.
Zolang de hemel duurt mag hij mijn volk regeren –
maar als zijn kinderen Mij ooit de rug toekeren,
mijn wet niet houden en zich tegen Mij misdragen,
bestraf Ik hun gedrag met zware tegenslagen.

9. Toch neem Ik David niet mijn trouw en liefde af.
Ik handhaaf mijn verbond, mijn woord dat Ik hem gaf.
Zo waar Ik heilig ben, Ik zal de waarheid spreken.
Ik kan, Ik zal mijn eed aan hem gedaan niet breken.
Zijn nageslacht regeert zolang de zon zal schijnen.
Zoals de maan zal nooit zijn koninkrijk verdwijnen.’

10. Maar toch verwierp U woedend uw gezalfde zoon.
Ontrouw aan uw verbond vertrapte U zijn kroon.
Zijn stad sloeg U aan puin, U sloopte al zijn muren.
Hij werd op straat beroofd, bespot door al zijn buren.
Hij had niets aan zijn zwaard, werd in de strijd verslagen.
Moe en verzwakt moest hij vernedering verdragen.

11. Hoelang nog, HEER, hoelang blijft U ondraaglijk boos?
Wanneer laat U zich zien – of duurt dit eindeloos?
Denk toch aan mij, aan wie U adem hebt gegeven.
U kent mijn broos bestaan; mijn leven duurt maar even.
Kan ooit een sterveling de grafkuil overwinnen?
Wie van de mensen gaat het dodenrijk niet binnen?

12. Waar is uw liefde, waar uw goedheid van weleer?
Waar blijft de trouw die U aan ons beloofd had, HEER?
U ziet hoe volken ons met schande overladen,
hoe zij bij elke voetstap uw gezalfde smaden.
Toch prijzen wij de HEER, toch danken wij Hem samen:
Gezegend is zijn naam, voor altijd. Amen, amen.

Psalm 103

Jan Pieter Kuijper

1. Lof aan de HEER voor al zijn zegeningen.
Prijs Hem, mijn ziel, blijf dankbaar voor Hem zingen.
Onthoud hoe goed Hij voor je is geweest.
Hij doet niets liever dan je schuld vergeven.
Wanneer de dood dreigt, redt de HEER je leven.
Hij is het die van ziekte je geneest.

2. De HEER omringt je altijd met het goede.
Hij zal je met geluk en schoonheid voeden.
Je jeugd vernieuwt zich als een adelaar.
Wie onderdrukt wordt, laat Hij recht ervaren.
Hij wilde zich aan Mozes openbaren.
Wat Hij zijn volk beloofde, maakt Hij waar.

3. De HEER blijft ons met liefde overladen.
Bewogen is zijn hart en vol genade.
Groot is zijn trouw, immens geduld heeft Hij.
Hij laat ons niet voor elke zonde boeten,
straft niet zo zwaar als eigenlijk zou moeten.
Hij blijft niet boos, zijn woede gaat voorbij.

4. De HEER is goed voor wie in Hem geloven;
zijn trouw gaat zelfs de blauwe lucht te boven.
Hij werpt de zonden ver bij zich vandaan.
Hij troost ons met zijn vaderlijke zorgen.
Wij, zwakke mensen, zijn bij Hem geborgen;
Hij weet dat wij uit aarde zijn ontstaan.

5. Zo kwetsbaar als een grasspriet is ons leven.
De mens is als een bloem: hij bloeit maar even.
Hij kan de hitte en de storm niet aan.
Hoe levendig en sterk hij ook mag ogen,
het duurt niet lang voordat hij zal verdrogen.
Daarna weet niemand waar hij heeft gestaan.

6. De HEER telt niet in jaren, maanden, uren:
zijn liefde zal de eeuwigheid verduren.
Aan elke generatie doet Hij recht.
Hij toont zijn trouw aan wie bij Hem wil horen,
aan ieder kind dat na ons wordt geboren,
dat nazegt wat de HEER heeft voorgezegd.

7. De HEER is koning – prijs Hem, hemelingen!
Laat alle engelen zijn lof bezingen.
Kom, sterke helden, buig je voor Hem neer.
Laat heel zijn legermacht Hem eer bewijzen.
De hele schepping moet zijn daden prijzen.
Prijs Hem, mijn ziel, zing dankbaar voor de HEER.

Psalm 104

Titia Lindeboom

1. Met diep ontzag prijs ik U, hoogste HEER.
Uw grootheid, God, verbaast mij telkens weer.
Door majesteit en glans bent U omgeven.
Uw mantel is uit zuiver licht geweven.
U spant de hemel uit zoals een tent;
daar is uw troon, voorbij het firmament.
U rijdt op wind – en wolken zijn uw wagen;
bliksem en storm zijn dienaars die U dragen.

2. Op pijlers zette U de aarde vast;
ze wankelt nooit, geen schok die haar verrast.
De oerzee wilde haar totaal bedekken,
maar U beval het water weg te trekken.
Het kolkte weg: de bergen rezen hoog
de dalen daalden en het land viel droog.
U trok een grens tot waar de vloed mag komen,
zodat de aarde nooit zal overstromen.

3. Een bron ontspringt, U leidt het water voort
langs berg en veld, precies naar waar het hoort.
Het drenkt de dieren, die verzadigd raken;
de wilde ezels laten het zich smaken.
Daarboven in de bomen klinkt het lied
van vele vogels; dit is hun gebied.
Hoog in de bergen valt royaal de regen.
U overspoelt de aarde met uw zegen.

4. HEER, voor het vee plant U het malse gras,
de mens bewerkt het eetbare gewas.
Brood geeft hem kracht, wijn doet hem vrolijk dansen,
geurige olie laat zijn lichaam glanzen.
U plantte trotse bomen in het woud,
daar hebben ooievaars hun nest gebouwd.
Steenbokken klimmen op de hoge bergen,
waarin zich schuw de klipdassen verbergen.

5. De maanden laat U tellen door de maan,
de zon geeft voor de dag het einde aan.
Het bos wordt donker, jonge leeuwen brullen;
zij vragen God hun lege maag te vullen
en gaan op jacht. Dan keert het zonlicht weer,
loom leggen zij zich in hun holen neer.
Het licht roept mensen op om te ontwaken
en voor hun dagtaak zich weer klaar te maken.

6. De werken die U schiep zijn nooit geteld,
HEER, van uw wijsheid sta ik steeds versteld.
U hebt de aarde kunstig vormgegeven.
Ook in de zeeën wemelt het van leven;
talloze dieren mogen er bestaan,
bedrijvig varen schepen af en aan.
Het monster Leviatan duikt eronder,
U speelt met dit enorme scheppingswonder.

7. Elk schepsel wacht op uw vrijgevigheid,
U geeft hun eten op de juiste tijd.
Mensen en dieren zoeken U doorlopend,
worden gevoed wanneer uw hand zich opent.
Verbergt U zich, dan is hun onrust groot;
neemt U hun adem weg, dan gaan zij dood
en worden aan de aarde prijsgegeven.
Maar als U ademt komt het nieuwe leven.

8. Laat onze HEER voorgoed verheven zijn,
laat Hem verheugd over het leven zijn.
Eén blik van Hem laat heel de aarde beven.
Hij wijst – en bergen zijn door rook omgeven.
Voor God zing ik zolang ik leef mijn lied
en ik hoop echt dat het Hem vreugde biedt.
Hij zal de zondaars van de aarde weren.
Met hart en ziel wil ik mijn schepper eren.

Psalm 105

Jan Boom/Jan Pieter Kuijper

1. Lof aan de HEER, elk volk moet weten
hoe groot Hij is, hoe Hij wil heten!
Zing voor zijn naam en maak muziek;
zijn werk is groot, zijn naam uniek.
Wie hulp verwachten van de HEER,
wees blij van hart en geef Hem eer.

2. Vraag naar de HEER te allen tijde;
zoek Hem en blijf dicht aan zijn zijde.
Hij toonde Jakobs nageslacht
zijn wonderen, zijn grote macht.
Volk door de HEER apart gezet,
denk aan de woorden van zijn wet.

3. God, die ons als zijn volk aanvaardde,
is rechter van de hele aarde.
Voor altijd blijft zijn woord van kracht,
voor ons en voor ons nageslacht.
De God van Abraham verbindt
zich liefdevol aan ieder kind.

4. Aan Isaak heeft de HEER gezworen
dat hij altijd bij Hem mocht horen.
Met Jakob deelde Hij zijn plan:
‘Je erfenis is Kanaän;
dat hele land is straks van jou,
als teken van mijn grote trouw.’

5. Toen zij, een handvol vreemdelingen,
door onbekende landen gingen,
stond God hen als hun redder bij.
Wie aan zijn volk kwam, strafte Hij:
‘Laat mijn gezalfden veilig gaan
en raak hen met geen vinger aan!’

6. Al gaf de HEER geen kruimel eten,
zijn volk was Hij toch niet vergeten.
Hij stuurde één van hen vooruit.
Als slaaf werd Jozef uitgebuit;
die kwam toen in de cel terecht
tot waar bleek wat hem was gezegd.

7. Nadat de koning hem bevrijdde
mocht Jozef heel het land gaan leiden.
Hij kreeg de schatkist in beheer.
De mensen bogen voor hem neer.
Ministers deden wat hij zei,
geleerden adviseerde hij.

8. Toen kwamen Jakob en zijn zonen
bij Jozef in Egypte wonen.
De HEER heeft daar hun nageslacht
tot ongekende bloei gebracht.
Maar daarna kwam een zware tijd
van haat en harde dwangarbeid.

9. God droeg, toen Hij zijn volk zag lijden,
aan Mozes op hen te bevrijden.
Aäron vroeg Hij mee te gaan.
Zij kondigden Gods straffen aan.
Een tiental rampen overkwam
de mensen in het land van Cham.

10. God liet de lucht geheel betrekken;
er viel geen licht meer te ontdekken.
Rivieren kleurden bloedig rood
en alle vissen gingen dood.
Een leger kikkers kwam brutaal
tot in de koninklijke zaal.

11. God liet een horde muggen komen,
verwoestte land en vijgenbomen.
Zwaar noodweer richtte schade aan.
De sprinkhaan liet geen plantje staan.
God doodde met zijn eigen hand
de oudste zonen van het land.

12. Het was de HEER die hen bevrijdde,
met schatten uit Egypte leidde.
Egypte zag het volk graag gaan
na wat God hun had aangedaan.
De HEER trok mee en hield de wacht:
een wolk bij dag, een vuur bij nacht.

13. Nooit heeft de HEER zijn volk vergeten.
Als zij het vroegen, gaf Hij eten.
Zijn hand bracht in het dorre oord
vanuit een rots fris water voort.
Hij dacht aan Abraham, zijn knecht,
aan wat Hij hem had toegezegd.

14. Blij mochten zij het land verlaten
waar zij zolang gevangen zaten.
God gaf hun bouw- en weidegrond
en akkers waar al graan op stond –
om daar te leven tot zijn eer,
om Hem te dienen. Prijs de HEER!

Psalm 106

Jan Pieter Kuijper

1. Eer aan de HEER om wat Hij doet,
want Hij is altijd trouw en goed.
Wie kan zijn grote macht beschrijven?
Wie geeft Hem ooit voldoende eer?
Gelukkig wie dicht bij Hem blijven
en doen wat goed is, telkens weer.

2. HEER, denk aan mij, kijk naar mij om.
Verlos uw volk, uw eigendom.
Kom mij ook liefdevol bevrijden.
Dan zie ik zegen net als zij;
dan zal ik blij zijn met de blijden;
dan welt er dank op diep in mij.

3. De zonde zit ons in het bloed.
Wij zijn verblind voor wat U doet,
zoals ook onze vaders waren.
Zij sloegen op uw werk geen acht.
Al hadden zij uw trouw ervaren,
ze dachten niet meer aan uw macht.

4. De Rietzee gaf aan God gehoor.
Droog ging zijn volk de diepten door;
Hij liet geen achtervolger leven.
Ja, toen vertrouwden zij Hem wel.
Hij kreeg de eer, ze zongen even;
daarna vergaten zij Hem snel.

5. Ze wachtten niet geduldig af
tot God hun vlees te eten gaf,
maar bleven er brutaal om vragen.
Uit boosheid gaf de HEER zo veel
dat niemand dit nog kon verdragen;
het bleef hun steken in de keel.

6. Ze waren uit op eigen eer
en keken op hun leiders neer.
De bende muiters werd verslonden
toen plots de aarde zich ontsloot.
Verzwolgen door een vuurzee vonden
hun medeschuldigen de dood.

7. Bij Horeb dienden ze massaal
een blinkend stierkalf van metaal –
alweer vergaten ze Gods daden.
Was Mozes niet voor God gaan staan
met een beroep op zijn genade,
dan was het hele volk vergaan.

8. Het volk vertrouwde ook niet meer
op de belofte van de HEER
dat Hij een prachtig land zou geven.
Hij zwoer met opgeheven hand:
‘Ik straf hen, laat hen niet in leven;
dat volk verdient geen eigen land.’

9. Ze trapten God weer op het hart:
door Baäldienst werd Hij getart.
Gekwetst liet Hij hen hevig lijden.
Maar Pinechas bezwoer het kwaad;
hij kwam verzoenend tussenbeide.
Goed en oprecht was deze daad.

10. Ze maakten God bijzonder boos;
hun drammen duurde eindeloos:
ze wilden water, ze vergingen!
Ze hebben zo lang doorgezeurd
dat Mozes zich niet kon bedwingen:
hij sprak verbitterd voor zijn beurt.

11. Geen volk werd door hen weggevaagd,
hoewel de HEER dat had gevraagd.
Ze deden wat Hij had verboden:
ze bogen voor demonen neer,
voor wie ze zelfs hun baby’s doodden.
Ze waren ontrouw aan de HEER.

12. De HEER werd woest, Hij was het zat!
Hij had zijn volk zo liefgehad,
maar walgde nu van wat zij deden.
Voorlopig deed Hij troonsafstand.
Hij liet de vreemde mogendheden
zijn volk verdrukken in het land.

13. Ze zonken weg door eigen schuld,
maar telkens toonde God geduld.
Als Hij hun luide roepen hoorde,
hun tranen zag en hun berouw,
dan dacht Hij aan zijn eigen woorden,
dan bleef Hij toch zijn volk weer trouw.

14. HEER, red ons, breng ons weer bijeen
uit zoveel landen om ons heen;
breng Israël, uw volk, weer samen.
Dan klinkt voor U ons gloria;
dan zal het hele volk beamen:
groot is uw naam! Halleluja!

Psalm 107

Jan Pieter Kuijper

1. ‘Gods liefde kent geen grenzen,
duurt tot in eeuwigheid.’
Dit zingen alle mensen
die door Hem zijn bevrijd.
Voor hen is het gevaar
en alle angst geweken.
Hij bracht hen bij elkaar
vanuit de verste streken.

2. Ze hebben rondgezworven,
doodmoe en opgebrand.
Ze waren haast gestorven
in onherbergzaam land.
Ze riepen tot de HEER,
wanhopig als ze waren.
Dan luisterde Hij weer
en hielp hen uit gevaren.

3. God wees de goede wegen
en bracht hen naar een stad.
Hij zorgde met zijn zegen
voor wie geen kracht meer had.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem loven.
Het wonder dat Hij doet
gaat ons verstand te boven.

4. Ze zaten vastgebonden
in diepten van de dood.
Ze torsten door hun zonden
een last, te zwaar, te groot.
Ze riepen tot de HEER,
wanhopig als ze waren.
Dan luisterde Hij weer
en hielp hen uit gevaren.

5. De HEER verbrak hun sloten
door ze kapot te slaan.
Hij is te hulp geschoten,
ze konden vrijuit gaan.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem loven.
Het wonder dat Hij doet
gaat ons verstand te boven.

6. Ze leefden, ziek van zonden,
ver bij de HEER vandaan.
Ze teerden weg en konden
zelfs voedsel niet meer aan.
Ze riepen tot de HEER,
wanhopig als ze waren.
Dan luisterde Hij weer
en hielp hen uit gevaren.

7. God hoefde slechts te spreken,
– één woord kwam uit zijn mond –
en al hun ziekten weken;
ze waren weer gezond.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem loven.
Het wonder dat Hij doet
gaat ons verstand te boven.

8. Ze werden met hun schepen
door golven meegesleurd.
Gods storm had hen gegrepen;
het leek met hen gebeurd.
Ze riepen tot de HEER,
wanhopig als ze waren.
Dan luisterde Hij weer
en hielp hen uit gevaren.

9. De zee werd voor hun ogen
op Gods bevel weer stil.
De hoge golven bogen
eerbiedig voor zijn wil.
Dank Hem, want Hij is goed;
laat iedereen Hem loven.
Het wonder dat Hij doet
gaat ons verstand te boven.

10. Hij maakt van waterbeken
een droog en dorstig land,
van frisse, groene streken
gebied met zout en zand.
Maar waar geen plantje leeft
laat Hij weer water stromen.
Wie dorst of honger heeft
mag naar die bronnen komen.

11. Ze wonen daar en zaaien
royaal hun akkers in.
Ze planten en ze maaien;
ze groeien als gezin.
Talrijk wordt zelfs hun vee
wanneer het zegen regent.
Het wel slaat om in wee
wanneer God niet meer zegent.

12. Aanzienlijken ontdoet Hij
van al hun eer en pracht.
Eenvoudigen behoedt Hij;
aan armen geeft hij macht.
Wie eerlijk is, wordt blij.
Wie onrecht doet, zal zwijgen.
Wie is er wijs? Laat hij
oog voor Gods liefde krijgen.

Psalm 109

Jan Pieter Kuijper

1. God van mijn lof, blijf toch niet zwijgen!
Hoor hoe bedriegers mij bedreigen.
Ik word belasterd en bedrogen;
de vijandschap spat uit hun ogen.
Ik bid voor hen, maar krijg als dank
een plaats in de beklaagdenbank.

2. ‘Ga aan een goddeloze vragen
of die mijn vijand aan wil klagen.
Dat ondanks al zijn bange smeken,
de rechter eerlijk recht zal spreken.
Dat snel zijn laatste uur zal slaan,
zijn taak naar anderen zal gaan.

3. Dat zijn gezin, alleen gelaten,
voedsel zal zoeken op de straten.
Dat alle schuldeisers zijn spullen
onder elkaar verdelen zullen.
Dat niemand hem nog bij zal staan,
zijn naam voor altijd zal vergaan.

4. Dat God de schuld uit het verleden,
de zonden die zijn ouders deden,
nooit zal vergeten en vergeven.
Die man stond armen naar het leven,
bezorgde zwakken veel verdriet;
aan naastenliefde dacht hij niet.

5. Dat onheil hem kapot zal maken,
hij met zijn vloek zichzelf zal raken.
Dat hij een jas van tegenslagen
voor altijd om zich heen zal dragen.
Dat alle vloeken hem compleet
bedekken zullen als een kleed.’

6. Laat zó, God, mijn belagers lijden,
die over mij slechts kwaad verspreiden.
Verlos mij van mijn tegenstanders.
Ik ken U, HEER: U wilt niet anders!
U die uw naam aan mij verbond,
red mij – mijn hart is zwaar gewond.

7. Kort als een schaduw is mijn leven;
als een insect word ik verdreven.
Ik heb geen vet meer op mijn botten.
Hoor hoe de mensen met mij spotten!
HEER, help mij, dan beseffen zij
hoe groot uw liefde is voor mij.

8. Hun vloeken zullen mij niet raken
want U zult mij gelukkig maken.
Laat wie mij voor de rechter dagen
nu op hun beurt het spotkleed dragen.
Ik prijs de HEER, mijn dank is groot.
Hij helpt de armen in hun nood.

Psalm 118

Jan Pieter Kuijper

1. Laat iedereen Gods goedheid prijzen;
zijn liefde houdt voor eeuwig stand.
Laat Israël Hem eer bewijzen:
‘Zijn liefde houdt voor eeuwig stand.’
Herhaal het zingend, priesterkoren:
‘Zijn liefde houdt voor eeuwig stand.’
Als je de HEER dient, laat het horen:
‘Zijn liefde houdt voor eeuwig stand.’

2. In mijn benauwdheid, in mijn lijden,
riep ik het uit: ‘HEER, help mij toch!’
Hij luisterde en Hij bevrijdde;
wat doet een sterveling mij nog?
Op Hem, mijn helper, kan ik bouwen;
ik kijk op mijn belagers neer.
In plaats van mensen te vertrouwen,
zoek ik een schuilplaats bij de HEER.

3. Ik was door vijanden omgeven –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Een leger stond mij naar het leven –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Als wespen zijn ze neergestreken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Haast was ik in de strijd bezweken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.

4. Ik zal van Hem, mijn sterkte, zingen.
Het legerkamp stemt met mij in:
‘Zijn rechterhand doet grote dingen;
ja, onweerstaanbaar grijpt Hij in.’
Ik zal niet sterven, ik zal leven!
Al kwam de HEER wel met zijn straf,
Hij heeft mij toch niet prijsgegeven
aan de verschrikking van het graf.

5. Zet nu de tempeldeuren open,
de poort van de gerechtigheid.
Dan zal ik blij naar binnen lopen,
op weg naar Hem die mij bevrijdt.
Daar gaan rechtvaardigen naar binnen;
ze gaan de poort al zingend door.
Met U, HEER, mocht ik overwinnen;
daar dank ik U van harte voor!

6. De steen waar bouwers niets in zagen,
die werd de cruciale steen,
door God als hoeksteen aangedragen.
Zijn werk verwondert iedereen!
Dit is de dag van Hem gekregen,
een dag van blijdschap en gezang.
Wij bidden, HEER, geef ons uw zegen;
geef voorspoed, HEER, ons leven lang.

7. Wij zegenen de grote koning
die komt in naam van God, de HEER.
Vier nu het feest mee in zijn woning;
leg offergaven voor Hem neer.
Mijn God, ik zal U dank bewijzen,
met groene twijgen in de hand.
Laat iedereen zijn goedheid prijzen;
zijn liefde houdt voor eeuwig stand.

Psalm 119

Adriaan Molenaar/Bob Vuijk

1. Als je de weg van Gods geboden gaat,
je voeten in het rechte spoor blijft zetten,
naar Hem blijft zoeken en het kwade laat,
vind je geluk dankzij zijn goede wetten.
Een zegen is wat in uw regels staat;
U vraagt van ons dat wij er steeds op letten.

2. Ach, was mijn leven maar zo wetsgetrouw
dat ik nooit met uw wet de hand zou lichten.
Als ik die houd, raak ik niet in het nauw.
Ik zal mij zingend op uw regels richten.
Verlaat mij niet voorgoed, want vol berouw
doe ik waartoe uw woorden mij verplichten.

3. Bijzonder heilzaam is wat U ons zegt;
het houdt je zuiver in je jonge jaren.
Laat mij niet dwalen, U zoek ik oprecht.
Ik blijf uw woord diep in mijn hart bewaren;
ik wil niet ongehoorzaam zijn en slecht.
HEER die ik eer, wil mij uw wet verklaren.

4. Breedvoerig spreek ik over heel uw wet.
Al mag bezit een bron van blijdschap heten,
toch wint de vreugde om uw woorden het.
Van uw bevelen wil ik alles weten.
Ik juich als ik op uw geboden let.
Wat U gezegd hebt zal ik nooit vergeten.

5. Dit vraag ik van U, HEER: wees goed voor mij,
zodat ik levenslang uw pad zal kiezen.
Breng mij de schoonheid van uw wetten bij;
laat mij ze nooit meer uit het oog verliezen.
Ik ben niet thuis in deze maatschappij.
Wat snak ik naar uw eerlijke adviezen!

6. De trotse dwaas die uw gebod veracht
ontvangt zijn straf, maar ik blijf U vereren.
Geef dat geen vijand spottend om mij lacht,
want ik wil doen wat uw bevelen leren.
Word ik bedreigd door leiders met hun macht –
uw wet weet raad, dus blijf ik haar waarderen.

7. Ernstig verzwakt vraag ik U levenskracht;
blijf mij in uw geboden onderwijzen.
Toen ik U aanriep, hebt U hulp gebracht.
Laat mij het wonder zien achter uw eisen.
U ziet mijn tranen en U hoort mijn klacht.
HEER, houd uw woord en laat mij weer herrijzen.

8. Eerlijk en echt zijn, leven in uw spoor,
dat is mijn wens; verleen mij uw genade.
Ik houd mijzelf uw levensregels voor;
daaraan klem ik mij vast bij al mijn daden.
Beschaam mij niet, maar geef dat ik daardoor
kan lopen, ja kan rennen op uw paden.

9. Fluister mij in, HEER, wat uw wet verlangt,
dan zal ik op uw wegen blijven lopen.
Geef dat mijn hart aan uw geboden hangt.
Wijs mij uw pad, dan bloeit mijn leven open.
Geef dat de zucht naar geld mij nooit bevangt;
maak dat ik op uw rijke woord blijf hopen.

10. Fraai lijkt wat leeg blijkt – houd mij daar vandaan.
Laat mij uw wegen gaan, dan zal ik leven.
Houd uw belofte, zie uw dienaar aan!
Goed is elk voorschrift dat U hebt gegeven.
Al ben ik bang dat ik voor schut zal staan,
ik word door liefde voor uw wet gedreven.

11. Geef wat U mij beloofd hebt, trouwe HEER!
Laat mij uw goedheid en uw trouw ervaren.
Tegen de spotters heb ik dan verweer.
Uw woord vertrouw ik, dat zal mij bewaren.
Versterk in mij uw waarheid, meer en meer.
Uw wet geeft hoop voor al mijn levensjaren.

12. Groot is de ruimte die uw woord mij biedt,
royaal en ruim genoeg om te getuigen
voor koningen. Nee, HEER, ik schaam mij niet
dat ik voor uw geboden graag wil buigen.
Ik heb ze lief, ze zijn mijn levenslied;
ik heb ze lief, en daarom zal ik juichen.

13. Hoopgevend is wat U mij hebt gezegd.
Vergeet het niet, HEER, daardoor kan ik leven.
U houdt uw woord. Al heb ik het ook slecht,
ik weet dat U mij troost en rust zult geven.
Hooghartig lachen spotters, onterecht:
uw goede wet heb ik nooit afgeschreven.

14. Hoe kan het toch, HEER, dat men U verlaat,
dat zondaars van uw wet niets willen weten?
Uw woord, dat troostend mij voor ogen staat,
heb ik in vreemde landen nooit vergeten.
Zelfs in de nacht heb ik uw naam paraat.
Uw regels zijn mijn drinken en mijn eten.

15. Ik kies voor U, ik heb U toegezegd
dat ik uw wetten stipt zal onderhouden.
Wees mij genadig, HEER; ik volg oprecht
de goede koers, wat mij nog nooit berouwde.
Ik haast mij, heb de twijfels afgelegd
die mijn gehoorzaamheid verstoren zouden.

16. In hinderlagen lokt de vijand mij.
Toch blijft uw goede wet in mijn gedachten.
’s Nachts zing ik: uw geboden maken vrij!
Ik ben een vriend van hen die U verwachten.
Wat U gebiedt eerbiedigen ook zij.
Vol is de aarde van uw goede krachten.

17. Ja, U bent voor uw dienaar goed geweest;
U hield uw woord. Leer mij te onderscheiden
waarop het voor mij aankomt allermeest.
Als houvast staat uw wet me steeds ter zijde.
Ooit dwaalde ik, ik was verward van geest.
Uw goedheid wilde mij tot inzicht leiden.

18. Juist wettelozen liegen dat ik dwaal,
terwijl ik zielsveel geef om uw bevelen.
Lijden moest ik – U weet het allemaal –
om in de wijsheid van uw woord te delen.
Uw wet, mijn allergrootste kapitaal,
laat ik door niets of niemand mij ontstelen.

19. Kunstig, met eigen hand, gaf U mij vorm.
Maak mij gevoelig voor uw levenswetten.
Wat U bepaald hebt is voor mij de norm.
Tot ieders vreugde zal ik daarop letten.
U hebt mij laten kruipen als een worm,
maar wilde mij weer in de ruimte zetten.

20. Kom met uw liefde in mijn leven, HEER.
Wat arrogante mensen ook beramen –
ik zoek uw wil, zij liegen keer op keer.
Uw wet maakt blij. Met hen die dat beamen
zoek ik naar de volmaaktheid, meer en meer.
Dan zal ik mij voor niemand hoeven schamen.

21. Lang denk ik al aan wat U hebt beloofd.
Wanneer geeft U mij troost? Ik blijf maar hopen!
Al huil ik haast de ogen uit mijn hoofd,
al teer ik weg, ik houd uw wetboek open.
Hoelang nog tot mijn licht wordt uitgedoofd?
Hoelang kan wie mij haat zijn straf ontlopen?

22. Laaghartig graven zij voor mij een kuil,
de trotse mensen die mij steeds bestoken.
Uw woord is goed, hun woord is vals en vuil.
Ik heb in nood niet met uw wet gebroken.
Geef mij weer leven, God bij wie ik schuil,
dan houd ik mij aan wat U hebt gesproken.

23. Mijn God, hoog in de hemel staat uw woord
onwrikbaar vast; uw trouw zal eeuwig duren.
Door uw bevel bestaat de aarde voort;
uw regels blijven heel de schepping sturen.
Ik ben in mijn ellende niet gesmoord:
uw wet gaf blijdschap in benauwde uren.

24. Mijn hart houdt altijd vast aan wat U zegt;
daar leef ik van. Steeds speur ik naar uw woorden.
Ik ben van U. Kom snel en red uw knecht,
want slechte mensen willen mij vermoorden.
Oneindig is de ruimte van uw recht,
ruimer dan alles wat mij ooit bekoorde.

25. Niets anders dan uw wet vervult mijn geest.
Ik heb haar lief, bewaar haar diep vanbinnen.
Steeds is uw wijze woord in mij geweest,
daarom kan wie mij haat niets meer beginnen.
Al weet mijn leraar veel, ik weet het meest.
Van grijze wijsheid zelfs kan ik het winnen.

26. Nooit volg ik wat verdorven is of slecht,
oprecht wil ik mij houden aan uw wetten.
U hebt mij onderwezen in uw recht;
dat laat mij op de juiste richting letten.
Zoeter dan honing is wat U mij zegt.
Ik zal geen stap op slinkse paden zetten.

27. Over mijn pad verspreidt uw woord zijn licht;
het is een lamp die mij de weg blijft wijzen.
Ik heb mijzelf tot trouw aan U verplicht.
Laat mij uit mijn ellende toch herrijzen.
Aanvaard de woorden die ik tot U richt.
Leer mij wat uw geboden van mij eisen.

28. Onafgebroken ben ik in gevaar;
toch heb ik uw geboden niet vergeten,
al zetten zondaars vallen voor mij klaar.
Met recht mag uw bevel mijn vreugde heten,
uw woord dat ik als erfbezit bewaar.
Voor altijd geldt: uw wet is mijn geweten.

29. Passie voor uw geboden maakt mij fel:
halfslachtigen kan ik geen vriendschap geven.
U bent mijn schild, ik let op uw bevel.
Uw woord is steeds mijn bron van hoop gebleven.
Zondaars, ga weg! Nooit zeg ik God vaarwel.
Houd uw belofte, HEER, dan zal ik leven.

30. Plaats mij op vaste grond, dan ben ik vrij.
Ik vind mijn kracht in uw verordeningen.
Wie dwaalt en liegt, veegt U als schuim opzij.
Uw richtlijn heb ik lief, ik kan wel zingen!
Maar soms vervult een diepe huiver mij:
streng is de wet die wij van U ontvingen.

31. Recht en gerechtigheid heb ik gedaan;
bescherm mij toch, bewijs mij mededogen.
Beloof me, HEER, dat het mij goed zal gaan.
Naar uw verlossing hunkeren mijn ogen.
Uw trouw en liefde dragen mijn bestaan;
geef dat uw wetten mijn begrip verhogen.

32. Richt mij op U, ik wil U dienen, HEER.
Leer mij vol ijver naar uw woord te leven.
Grijp in! Men legt uw wetten naast zich neer.
Ik heb ze lief, zou alles ervoor geven;
zelfs goud, het puurste goud, boeit mij niet meer.
Ik haat de leugen, heb die uitgedreven.

33. Sprakeloos overpeins ik wat U zegt;
met heel mijn hart bewonder ik uw wetten.
Zij zullen als ze worden uitgelegd
eenvoudigen in licht en luister zetten.
Vurig verlang ik naar uw heilig recht.
Wees mij genadig, leer mij op U letten.

34. Stuur stap voor stap mijn voeten, dat doet goed.
Bewaar mij voor de machten van het kwade.
Verlicht mijn weg, wijs waar ik lopen moet,
dan zal ik kiezen voor de juiste paden.
Mijn tranen, HEER, huil ik in overvloed,
omdat uw wet door velen wordt verraden.

35. Trouw en rechtvaardig bent U altijd, HEER.
Door U wordt met de juiste maat gemeten.
Mijn vijand doet mij diep vanbinnen zeer:
uw goede wet is hij totaal vergeten.
Uw woord is puur, gelouterd keer op keer.
Ik heb het lief, dien U naar beste weten.

36. Trots is mij vreemd, ik stel maar weinig voor;
toch houd ik uw bevelen in gedachten.
Rechtvaardig is uw wet, de eeuwen door.
Uw woord geeft rust in slapeloze nachten.
Het is mijn bron van blijdschap. In dat spoor
is inzicht, ja, is leven te verwachten.

37. U roep ik, HEER, ik roep uit alle macht.
Geef antwoord – naar uw wetten wil ik leven.
Zie hoe ik ’s morgens op uw woorden wacht;
hulpzoekend ben ik op mijn post gebleven.
Met open ogen heb ik in de nacht
uw woord mijn aandacht en mijn hart gegeven.

38. Uw goedheid garandeert mij dat U hoort.
U bent rechtvaardig, HEER, laat mij toch leven.
Mijn sluwe achtervolgers zijn ontspoord,
strijdig met al uw wetten is hun streven.
U bent dichtbij, betrouwbaar is uw woord.
Voor eeuwig hebt U uw gebod gegeven.

39. Verlos mij, HEER, zie mijn ellende aan.
Uw wet vergeet ik niet; wil voor mij strijden.
HEER, geef mij kracht zodat ik sterk kan staan.
Houd mij in leven, houd mij aan uw zijde.
Wie U verwerpen moeten wel vergaan.
Uw liefde wil mij van de dood bevrijden.

40. Vijandigheid valt mij volop ten deel,
toch houd ik vast aan wat U hebt geschreven.
De wetteloosheid grijpt mij naar de keel:
men haat uw regels, zo is er geen leven.
Betrouwbaar is uw woord, een kroonjuweel:
rechtvaardig en voor eeuwig ons gegeven.

41. Wat machtigen mij aandoen, raakt mij niet,
maar ik voel schroom als U begint te spreken.
De vreugde, HEER, die uw belofte biedt
is kostbaar, rijke buit voor mij gebleken.
Ik haat bedrog. Voor U zing ik mijn lied:
zevenmaal daags een klinkend uitroepteken!

42. Wie van U houdt, vindt vrede en geluk;
hij komt geen steen, geen struikelblok meer tegen.
U kunt mij, HEER, bevrijden van de druk.
Ik doe uw wil, verwacht van U de zegen.
Uw regels zijn mij dierbaar, stuk voor stuk.
Een open boek, HEER, zijn voor U mijn wegen.

43. Zuchtend zoek ik uw aandacht, sta mij bij;
schenk inzicht, HEER, ik houd U aan uw woorden.
Red mij zoals beloofd, dan zing ik blij
een lied voor U met vrolijke akkoorden.
U onderwijst uw wet, U maakt mij vrij.
Rechtvaardig zijn de regels die ik hoorde.

44. Zonder uw hulp heb ik geen vaste grond.
Dat ik uw kant koos, heeft mij nooit gespeten.
Red mij, dan klinkt een loflied uit mijn mond.
Dicht bij uw woord mag ik mij veilig weten.
Ik ben een schaap; dwaal ik verloren rond –
zoek mij, want nooit zal ik uw wet vergeten.

Psalm 139

Jan Pieter Kuijper/Arie Maasland

1. HEER, U doorgrondt mij, U ontwart
al de geheimen van mijn hart.
U ziet mij thuis en onderweg;
U hoort de woorden die ik zeg.
Waar ik ook ga, ik kom U tegen;
U bent vertrouwd met al mijn wegen.

2. Geen ogenblik ben ik alleen,
want U bent altijd om mij heen.
Ik, nietig mens, kan er niet bij
dat U uw handen legt op mij.
Ik weet dat U naar mij blijft kijken;
hoe kan ik ooit uw Geest ontwijken?

3. Al klim ik naar de hemel, HEER,
al lig ik bij de doden neer,
al vlieg ik met het daglicht mee
en woon ik ver voorbij de zee –
zelfs dan kan niets mij van U scheiden;
uw hand zal mij voortdurend leiden.

4. Probeer ik ook uit alle macht
mij te verschuilen in de nacht,
verlang ik dat de duisternis
mij opslokt en mijn schuilplaats is –
dan nog zou mij uw licht beschijnen;
nooit kan ik uit uw zicht verdwijnen.

5. U vormde mij tot één geheel;
U weefde ieder lichaamsdeel.
Het is te groot voor mijn verstand:
ik ben een wonder van uw hand.
Ik prijs U, HEER, het blijft mij raken
hoe kunstig U mij wilde maken.

6. Toen U mij schiep, onooglijk klein,
doorzag U al wie ik zou zijn.
Mijn toekomst was een open boek.
God die mij vindt, God die ik zoek,
uw denken is voor mij verborgen,
toch ben ik bij U, elke morgen.

7. God, spaar de goddelozen niet;
dood iedereen die bloed vergiet.
Zou ik niet haten wie U haat?
Ik walg van wie uw wil weerstaat.
Ik haat hen, HEER, ik kan niet anders.
Zij zijn mijn grootste tegenstanders.

8. Doorgrond mijn hartsgeheimen, HEER,
ik leg ze eerlijk voor U neer.
Toets alles wat ik denk en zeg;
bewaar mij voor een foute weg.
Laat mij in uw nabijheid leven;
wil mij voor eeuwig richting geven.

Psalm 145

Arie Maasland

1. Mijn God en koning, ik wil toegewijd
uw naam verhogen tot in eeuwigheid.
Ik breng U dankbaar hulde, elke dag;
ik prijs uw naam zolang ik leven mag:
‘Hij is de lofzang waard! Laat heel de aarde
Hem eren en zijn koningschap aanvaarden.
De HEER is groot, door niets wordt Hij gebonden;
geen mens die ooit zijn grootheid kan doorgronden.’

2. De mensen loven U de eeuwen door.
Wat U gedaan heeft, prijzen zij in koor.
Zij zeggen dat U indrukwekkend bent;
ook ik maak graag uw wonderen bekend.
Zij zullen vol ontzag uw daden roemen;
ook ik wil uw verhevenheid benoemen.
Laat iedereen uw goedheid luid bezingen;
U bent volmaakt, U doet de juiste dingen.

3. Genadig en vol liefde is de HEER.
Hij heeft geduld, Hij redt ons keer op keer.
Hij deelt zijn gaven uit aan groot en klein;
zijn schepping mag bij Hem geborgen zijn.
Laat alles wat U maakte voor U buigen,
U prijzen, van uw koningschap getuigen.
Laat ieder uw gezag en daden eren,
verkondigen dat U steeds zult regeren.

4. De eeuwen door bezit U alle macht;
uw heerschappij omvat het nageslacht.
Wie onderuitgaat, helpt U overeind;
verdrukten richt U op, hun last verdwijnt.
U houdt uw handen vol ontferming open;
U zegent boven bidden, boven hopen.
Gul deelt U uit aan mensen en aan dieren;
zij mogen dag aan dag het leven vieren.

5. Rechtvaardig is de HEER in wat Hij doet.
Hij blijft zijn schepping trouw en doet haar goed.
Hij wijst de wens niet af van wie Hem eert;
wie redding zoekt bij Hem blijft ongedeerd.
Aan wie Hem liefheeft, blijft de HEER verbonden,
maar wie in zonde leeft, richt Hij te gronde.
Ik zal zijn naam voortdurend eer bewijzen.
Laat alles wat bestaat Hem altijd prijzen.

Psalm 147

Jan Pieter Kuijper

1. Goed is het onze God te eren,
om blij voor Hem te musiceren.
De HEER maakt van zijn stad van vrede
de mooiste stad van alle steden.
Zijn volk, van huis en haard verdreven,
zal Hij een nieuwe toekomst geven.
Hij heelt het hart dat is geschonden,
verbindt de pijnlijk diepe wonden.

2. Hij telt de sterren, de planeten,
bepaalt hun plaats en hoe ze heten.
Wat Hij geschapen heeft is prachtig;
wijs is de Heer en oppermachtig!
Hij ondersteunt wie onrecht lijden;
met liefde staat Hij hun ter zijde.
Wie trots verkeerde wegen kiezen
vernedert Hij, zij gaan verliezen.

3. Zing voor de HEER om Hem te danken.
Haal uit de harp de mooiste klanken
voor Hem die luchten laat betrekken,
het blauw met wolken kan bedekken,
die lenteregens neer laat stromen,
zodat het gras weer op kan komen,
die ieder dier genoeg laat eten;
geen vogeltje zal Hij vergeten.

4. Hij vindt geen vreugde, ziet geen waarde
in de robuuste kracht van paarden.
Hij wordt niet vrolijk van soldaten
die paraderen door de straten.
Wel wordt Hij blij van wie Hem eren,
van mensen die Hem respecteren.
Hij houdt van wie op Hem vertrouwen
en op zijn liefde blijven bouwen.

5. Jeruzalem, prijs God, je koning,
vanuit je hart, vanuit zijn woning.
De HEER zal jou, zijn stad, besturen,
bewaakt je poort, versterkt je muren.
Hij zal zijn zegen aan je geven.
Hij laat je in zijn vrede leven.
Je zult je veilig bij Hem weten.
Hij geeft je heerlijk brood te eten.

6. De sneeuw daalt neer als Hij gaat spreken;
Hij maakt een witte wollen deken.
Hij strooit met rijp op gure dagen.
Wie kan zijn barre kou verdragen?
Zijn machtswoord laat de zon weer schijnen,
de hagel en de sneeuw verdwijnen.
Als Hij een warme wind laat komen,
begint het water weer te stromen.

7. Hij laat zijn wijze woorden horen
aan wie uit Jakob zijn geboren.
Hij heeft alleen met deze natie
een vast verbond, een hartsrelatie.
Zijn wet, zorgvuldig opgeschreven,
heeft Hij aan Israël gegeven.
Geen ander volk heeft die historie.
Halleluja, aan God de glorie.