Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Ga direct naar psalm

Zoek op tekst:

Zoek op gelegenheid:

DE NIEUWE PSALMBERIJMING IS KLAAR

Dichters voltooien na zes jaar werken de revisieronde

APELDOORN, 4 juni 2020. De Nieuwe Psalmberijming (DNP) is voltooid. Alle 150 berijmingen zijn na een intensieve laatste revisieronde afgerond.

Sinds 2014 heeft een groep dichters hard gewerkt aan een nieuwe, eigentijdse berijming van het hele psalter. Oktober 2019 was de concept-berijming klaar, waarna een intensieve periode van revisie werd ingezet. Deze revisie is nu afgerond.

De teksten van DNP zijn te vinden op www.denieuwepsalmberijming.nl. Van elke psalm zijn beamsheets te downloaden met muzieknotatie. Tevens zijn de teksten beschikbaar in de presentatieprogramma’s voor de kerken. Ook verschijnt er een bundel.

De Nieuwe Psalmberijming is een initiatief van Stichting Dicht bij de Bijbel. Jan Pieter Kuijper startte met de eerste berijmingen op de Geneefse melodieën. Andere dichters sloten zich bij het project aan: Arie Maasland, Adriaan Molenaar, Bob Vuijk, Arjen Vreugdenhil, Titia Lindeboom, Jan Boom, Ria Borkent en René Barkema. Zij namen allen één of meer berijmingen voor hun rekening.
Daarnaast verleende een aantal (andere) dichters, theologen, neerlandici en musici hun medewerking als meelezer en revisor.

Al snel bleek de berijming in een behoefte te voorzien. In veel gemeenten binnen onder andere de Protestantse Kerk in Nederland, de Christelijk Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en de Nederlands Gereformeerde Kerken wordt regelmatig uit DNP gezongen.
Diverse voorgangers delen hun ervaringen op de site van DNP.

De tekst van Psalm 119 heeft mij blij verrast. Tijdens de voorbereiding van een kleine preekserie uit deze lange maar zo leeswaardige psalm heb ik met genoegen het lied in De Nieuwe Psalmberijming gezongen. Fijn te weten dat het lied van de eerste Hebreeuwse letter tot en met de laatste de Here j... Lees meer »

Ds. G. (Gerrit) de Klein | Vrije Evangelische Gemeenten

Ds. G. (Gerrit) de Klein
Vrije Evangelische Gemeenten

Lees alle quotes

1. Hoor naar ons bidden, trouwe herder,
en leid uw Israël weer verder.
U troont in heiligheid en pracht.
Sta op en red uw volk met macht.
God, toon uw vriendelijk gezicht;
verschijn met uw bevrijdend licht.

2. Heer van de sterke hemelmachten,
laat ons niet langer biddend wachten.
Met tranen eten wij ons brood;
de vijand spot met onze nood.
God, toon uw vriendelijk gezicht,
verschijn met uw bevrijdend licht.

3. Eens hebt U ons, Egyptes slaven,
als kleine wijnstok uitgegraven.
en op een ruime plek geplant.
Daar vulde hij het hele land.
Van oost tot west, van noord tot zuid,
hing overal zijn verse fruit.

4. Waarom brak U zijn muur aan stukken,
kon iedereen zijn vruchten plukken?
Hij viel ten prooi aan het geweld
van dieren uit het open veld.
De wilde zwijnen uit het bos
vraten er ongestraft op los.

5. God van de sterke hemelmachten,
laat toch uw wijnstok niet versmachten.
Denk aan uw kind, die mooie plant
die U gebracht hebt naar dit land,
maar nu als straf voor eigen kwaad
geveld is en in vuur vergaat.

6. Kom aan uw volk uw vrede geven.
Laat uw geliefde zoon weer leven.
Dan roepen wij uw naam weer aan,
gaan wij nooit meer bij U vandaan.
God, toon uw vriendelijk gezicht,
verschijn met uw bevrijdend licht.

1. Verlos mij, God, uw naam is groot.
Doe recht door krachtig op te treden.
Schenk aandacht, God, aan mijn gebeden;
hoor hoe ik roep in grote nood.
Mijn tegenstanders staan paraat
om mij met grof geweld te doden.
Ze denken niet aan uw geboden;
ze doen alsof U niet bestaat.

2. U, God, mijn helper, staat mij bij.
Ik weet mij, Heer, door U gedragen.
Breng hen die op mijn leven jagen
tot zwijgen, toon uw trouw aan mij.
Dan dank ik U met mijn gezang;
bezield zal ik uw naam belijden.
U, goede God, wilt mij bevrijden.
De vijand maakt mij niet meer bang.

1. God van mijn lof, blijf toch niet zwijgen!
Hoor hoe bedriegers mij bedreigen.
Ik word belasterd en bedrogen;
de vijandschap spat uit hun ogen.
Ik bid voor hen, maar krijg als dank
een plaats in de beklaagdenbank.

2. ‘Ga aan een goddeloze vragen
of die mijn vijand aan wil klagen.
Dat ondanks al zijn bange smeken,
de rechter eerlijk recht zal spreken.
Dat snel zijn laatste uur zal slaan,
zijn taak naar anderen zal gaan.

3. Dat zijn gezin, alleen gelaten,
voedsel zal zoeken op de straten.
Dat alle schuldeisers zijn spullen
onder elkaar verdelen zullen.
Dat niemand hem nog bij zal staan,
zijn naam voor altijd zal vergaan.

4. Dat God de schuld uit het verleden,
de zonden die zijn ouders deden,
nooit zal vergeten en vergeven.
Die man stond armen naar het leven,
bezorgde zwakken veel verdriet;
aan naastenliefde dacht hij niet.

5. Dat onheil hem kapot zal maken,
hij met zijn vloek zichzelf zal raken.
Dat hij een jas van tegenslagen
voor altijd om zich heen zal dragen.
Dat alle vloeken hem compleet
bedekken zullen als een kleed.’

6. Laat zó, God, mijn belagers lijden,
die over mij slechts kwaad verspreiden.
Verlos mij van mijn tegenstanders.
Ik ken U, HEER: U wilt niet anders!
U die uw naam aan mij verbond,
red mij – mijn hart is zwaar gewond.

7. Kort als een schaduw is mijn leven;
als een insect word ik verdreven.
Ik heb geen vet meer op mijn botten.
Hoor hoe de mensen met mij spotten!
HEER, help mij, dan beseffen zij
hoe groot uw liefde is voor mij.

8. Hun vloeken zullen mij niet raken
want U zult mij gelukkig maken.
Laat wie mij voor de rechter dagen
nu op hun beurt het spotkleed dragen.
Ik prijs de HEER, mijn dank is groot.
Hij helpt de armen in hun nood.

1. Mijn God, bevrijd mij van de mensen
die onrecht doen en mij verwensen.
Bloeddorstig staan ze om mij heen;
bescherm mij, laat mij niet alleen.
Ze loeren, leggen hinderlagen,
hoewel ik mij niet heb misdragen.
Word wakker, HEER, zie naar mij om;
ze vallen aan, sta op en kom!

2. Ontwaak, Heer van de hemelmachten;
God van uw volk, laat mij niet wachten.
Vecht tegen onrechtvaardigheid;
straf ieder volk dat U bestrijdt.
Verraders zwerven rond als honden;
een stroom venijn komt uit hun monden.
Scherp als een mes is ieder woord.
Ze denken dat U het niet hoort.

3. Al zijn hun woorden scherp als dolken,
U lacht om alle heidenvolken.
U, HEER, mijn vesting, sterke God,
drijft met uw vijanden de spot.
Vernietig hen, maar wacht nog even;
laat hen een tijdlang dakloos leven,
zodat mijn volk hun lijden ziet -
en spaar daarna hun leven niet.

4. Ze blijven trots het kwaad verspreiden.
Gun niemand van hen medelijden.
Sla woedend toe, maak zo bekend
dat U de God van Jakob bent.
Verraders zwerven rond als honden;
een stroom venijn komt uit hun monden.
Ze janken in de duisternis
wanneer er niets te halen is.

5. Ik zing voor U, Heer, elke morgen,
want U zult altijd voor mij zorgen.
U bent de rots op wie ik bouw;
mijn sterke God, U blijft mij trouw.

1. Als je de weg van Gods geboden gaat,
je voeten in het rechte spoor blijft zetten,
naar Hem blijft zoeken en het kwade laat,
vind je geluk dankzij zijn goede wetten.
Een zegen is wat in uw regels staat;
U vraagt van ons dat wij er steeds op letten.

2. Ach, was mijn leven maar zo wetsgetrouw
dat ik nooit met uw wet de hand zou lichten.
Als ik die houd, raak ik niet in het nauw.
Ik zal mij zingend op uw regels richten.
Verlaat mij niet voorgoed, want vol berouw
doe ik waartoe uw woorden mij verplichten.

3. Bijzonder heilzaam is wat U ons zegt;
het houdt je zuiver in je jonge jaren.
Laat mij niet dwalen, U zoek ik oprecht.
Ik blijf uw woord diep in mijn hart bewaren;
ik wil niet ongehoorzaam zijn en slecht.
HEER die ik eer, wil mij uw wet verklaren.

4. Breedvoerig spreek ik over heel uw wet.
Al mag bezit een bron van blijdschap heten,
toch wint de vreugde om uw woorden het.
Van uw bevelen wil ik alles weten.
Ik juich als ik op uw geboden let.
Wat U gezegd hebt zal ik nooit vergeten.

5. Dit vraag ik van U, HEER: wees goed voor mij,
zodat ik levenslang uw pad zal kiezen.
Breng mij de schoonheid van uw wetten bij;
laat mij ze nooit meer uit het oog verliezen.
Ik ben niet thuis in deze maatschappij.
Wat snak ik naar uw eerlijke adviezen!

6. De trotse dwaas die uw gebod veracht
ontvangt zijn straf, maar ik blijf U vereren.
Geef dat geen vijand spottend om mij lacht,
want ik wil doen wat uw bevelen leren.
Word ik bedreigd door leiders met hun macht –
uw wet weet raad, dus blijf ik haar waarderen.

7. Ernstig verzwakt vraag ik U levenskracht;
blijf mij in uw geboden onderwijzen.
Toen ik U aanriep, hebt U hulp gebracht.
Laat mij het wonder zien achter uw eisen.
U ziet mijn tranen en U hoort mijn klacht.
HEER, houd uw woord en laat mij weer herrijzen.

8. Eerlijk en echt zijn, leven in uw spoor,
dat is mijn wens; verleen mij uw genade.
Ik houd mijzelf uw levensregels voor;
daaraan klem ik mij vast bij al mijn daden.
Beschaam mij niet, maar geef dat ik daardoor
kan lopen, ja kan rennen op uw paden.

9. Fluister mij in, HEER, wat uw wet verlangt,
dan zal ik op uw wegen blijven lopen.
Geef dat mijn hart aan uw geboden hangt.
Wijs mij uw pad, dan bloeit mijn leven open.
Geef dat de zucht naar geld mij nooit bevangt;
maak dat ik op uw rijke woord blijf hopen.

10. Fraai lijkt wat leeg blijkt – houd mij daar vandaan.
Laat mij uw wegen gaan, dan zal ik leven.
Houd uw belofte, zie uw dienaar aan!
Goed is elk voorschrift dat U hebt gegeven.
Al ben ik bang dat ik voor schut zal staan,
ik word door liefde voor uw wet gedreven.

11. Geef wat U mij beloofd hebt, trouwe HEER!
Laat mij uw goedheid en uw trouw ervaren.
Tegen de spotters heb ik dan verweer.
Uw woord vertrouw ik, dat zal mij bewaren.
Versterk in mij uw waarheid, meer en meer.
Uw wet geeft hoop voor al mijn levensjaren.

12. Groot is de ruimte die uw woord mij biedt,
royaal en ruim genoeg om te getuigen
voor koningen. Nee, HEER, ik schaam mij niet
dat ik voor uw geboden graag wil buigen.
Ik heb ze lief, ze zijn mijn levenslied;
ik heb ze lief, en daarom zal ik juichen.

13. Hoopgevend is wat U mij hebt gezegd.
Vergeet het niet, HEER, daardoor kan ik leven.
U houdt uw woord. Al heb ik het ook slecht,
ik weet dat U mij troost en rust zult geven.
Hooghartig lachen spotters, onterecht:
uw goede wet heb ik nooit afgeschreven.

14. Hoe kan het toch, HEER, dat men U verlaat,
dat zondaars van uw wet niets willen weten?
Uw woord, dat troostend mij voor ogen staat,
heb ik in vreemde landen nooit vergeten.
Zelfs in de nacht heb ik uw naam paraat.
Uw regels zijn mijn drinken en mijn eten.

15. Ik kies voor U, ik heb U toegezegd
dat ik uw wetten stipt zal onderhouden.
Wees mij genadig, HEER; ik volg oprecht
de goede koers, wat mij nog nooit berouwde.
Ik haast mij, heb de twijfels afgelegd
die mijn gehoorzaamheid verstoren zouden.

16. In hinderlagen lokt de vijand mij.
Toch blijft uw goede wet in mijn gedachten.
’s Nachts zing ik: uw geboden maken vrij!
Ik ben een vriend van hen die U verwachten.
Wat U gebiedt eerbiedigen ook zij.
Vol is de aarde van uw goede krachten.

17. Ja, U bent voor uw dienaar goed geweest;
U hield uw woord. Leer mij te onderscheiden
waarop het voor mij aankomt allermeest.
Als houvast staat uw wet me steeds ter zijde.
Ooit dwaalde ik, ik was verward van geest.
Uw goedheid wilde mij tot inzicht leiden.

18. Juist wettelozen liegen dat ik dwaal,
terwijl ik zielsveel geef om uw bevelen.
Lijden moest ik – U weet het allemaal –
om in de wijsheid van uw woord te delen.
Uw wet, mijn allergrootste kapitaal,
laat ik door niets of niemand mij ontstelen.

19. Kunstig, met eigen hand, gaf U mij vorm.
Maak mij gevoelig voor uw levenswetten.
Wat U bepaald hebt is voor mij de norm.
Tot ieders vreugde zal ik daarop letten.
U hebt mij laten kruipen als een worm,
maar wilde mij weer in de ruimte zetten.

20. Kom met uw liefde in mijn leven, HEER.
Wat arrogante mensen ook beramen –
ik zoek uw wil, zij liegen keer op keer.
Uw wet maakt blij. Met hen die dat beamen
zoek ik naar de volmaaktheid, meer en meer.
Dan zal ik mij voor niemand hoeven schamen.

21. Lang denk ik al aan wat U hebt beloofd.
Wanneer geeft U mij troost? Ik blijf maar hopen!
Al huil ik haast de ogen uit mijn hoofd,
al teer ik weg, ik houd uw wetboek open.
Hoelang nog tot mijn licht wordt uitgedoofd?
Hoelang kan wie mij haat zijn straf ontlopen?

22. Laaghartig graven zij voor mij een kuil,
de trotse mensen die mij steeds bestoken.
Uw woord is goed, hun woord is vals en vuil.
Ik heb in nood niet met uw wet gebroken.
Geef mij weer leven, God bij wie ik schuil,
dan houd ik mij aan wat U hebt gesproken.

23. Mijn God, hoog in de hemel staat uw woord
onwrikbaar vast; uw trouw zal eeuwig duren.
Door uw bevel bestaat de aarde voort;
uw regels blijven heel de schepping sturen.
Ik ben in mijn ellende niet gesmoord:
uw wet gaf blijdschap in benauwde uren.

24. Mijn hart houdt altijd vast aan wat U zegt;
daar leef ik van. Steeds speur ik naar uw woorden.
Ik ben van U. Kom snel en red uw knecht,
want slechte mensen willen mij vermoorden.
Oneindig is de ruimte van uw recht,
ruimer dan alles wat mij ooit bekoorde.

25. Niets anders dan uw wet vervult mijn geest.
Ik heb haar lief, bewaar haar diep vanbinnen.
Steeds is uw wijze woord in mij geweest,
daarom kan wie mij haat niets meer beginnen.
Al weet mijn leraar veel, ik weet het meest.
Van grijze wijsheid zelfs kan ik het winnen.

26. Nooit volg ik wat verdorven is of slecht,
oprecht wil ik mij houden aan uw wetten.
U hebt mij onderwezen in uw recht;
dat laat mij op de juiste richting letten.
Zoeter dan honing is wat U mij zegt.
Ik zal geen stap op slinkse paden zetten.

27. Over mijn pad verspreidt uw woord zijn licht;
het is een lamp die mij de weg blijft wijzen.
Ik heb mijzelf tot trouw aan U verplicht.
Laat mij uit mijn ellende toch herrijzen.
Aanvaard de woorden die ik tot U richt.
Leer mij wat uw geboden van mij eisen.

28. Onafgebroken ben ik in gevaar;
toch heb ik uw geboden niet vergeten,
al zetten zondaars vallen voor mij klaar.
Met recht mag uw bevel mijn vreugde heten,
uw woord dat ik als erfbezit bewaar.
Voor altijd geldt: uw wet is mijn geweten.

29. Passie voor uw geboden maakt mij fel:
halfslachtigen kan ik geen vriendschap geven.
U bent mijn schild, ik let op uw bevel.
Uw woord is steeds mijn bron van hoop gebleven.
Zondaars, ga weg! Nooit zeg ik God vaarwel.
Houd uw belofte, HEER, dan zal ik leven.

30. Plaats mij op vaste grond, dan ben ik vrij.
Ik vind mijn kracht in uw verordeningen.
Wie dwaalt en liegt, veegt U als schuim opzij.
Uw richtlijn heb ik lief, ik kan wel zingen!
Maar soms vervult een diepe huiver mij:
streng is de wet die wij van U ontvingen.

31. Recht en gerechtigheid heb ik gedaan;
bescherm mij toch, bewijs mij mededogen.
Beloof me, HEER, dat het mij goed zal gaan.
Naar uw verlossing hunkeren mijn ogen.
Uw trouw en liefde dragen mijn bestaan;
geef dat uw wetten mijn begrip verhogen.

32. Richt mij op U, ik wil U dienen, HEER.
Leer mij vol ijver naar uw woord te leven.
Grijp in! Men legt uw wetten naast zich neer.
Ik heb ze lief, zou alles ervoor geven;
zelfs goud, het puurste goud, boeit mij niet meer.
Ik haat de leugen, heb die uitgedreven.

33. Sprakeloos overpeins ik wat U zegt;
met heel mijn hart bewonder ik uw wetten.
Zij zullen als ze worden uitgelegd
eenvoudigen in licht en luister zetten.
Vurig verlang ik naar uw heilig recht.
Wees mij genadig, leer mij op U letten.

34. Stuur stap voor stap mijn voeten, dat doet goed.
Bewaar mij voor de machten van het kwade.
Verlicht mijn weg, wijs waar ik lopen moet,
dan zal ik kiezen voor de juiste paden.
Mijn tranen, HEER, huil ik in overvloed,
omdat uw wet door velen wordt verraden.

35. Trouw en rechtvaardig bent U altijd, HEER.
Door U wordt met de juiste maat gemeten.
Mijn vijand doet mij diep vanbinnen zeer:
uw goede wet is hij totaal vergeten.
Uw woord is puur, gelouterd keer op keer.
Ik heb het lief, dien U naar beste weten.

36. Trots is mij vreemd, ik stel maar weinig voor;
toch houd ik uw bevelen in gedachten.
Rechtvaardig is uw wet, de eeuwen door.
Uw woord geeft rust in slapeloze nachten.
Het is mijn bron van blijdschap. In dat spoor
is inzicht, ja, is leven te verwachten.

37. U roep ik, HEER, ik roep uit alle macht.
Geef antwoord – naar uw wetten wil ik leven.
Zie hoe ik ’s morgens op uw woorden wacht;
hulpzoekend ben ik op mijn post gebleven.
Met open ogen heb ik in de nacht
uw woord mijn aandacht en mijn hart gegeven.

38. Uw goedheid garandeert mij dat U hoort.
U bent rechtvaardig, HEER, laat mij toch leven.
Mijn sluwe achtervolgers zijn ontspoord,
strijdig met al uw wetten is hun streven.
U bent dichtbij, betrouwbaar is uw woord.
Voor eeuwig hebt U uw gebod gegeven.

39. Verlos mij, HEER, zie mijn ellende aan.
Uw wet vergeet ik niet; wil voor mij strijden.
HEER, geef mij kracht zodat ik sterk kan staan.
Houd mij in leven, houd mij aan uw zijde.
Wie U verwerpen moeten wel vergaan.
Uw liefde wil mij van de dood bevrijden.

40. Vijandigheid valt mij volop ten deel,
toch houd ik vast aan wat U hebt geschreven.
De wetteloosheid grijpt mij naar de keel:
men haat uw regels, zo is er geen leven.
Betrouwbaar is uw woord, een kroonjuweel:
rechtvaardig en voor eeuwig ons gegeven.

41. Wat machtigen mij aandoen, raakt mij niet,
maar ik voel schroom als U begint te spreken.
De vreugde, HEER, die uw belofte biedt
is kostbaar, rijke buit voor mij gebleken.
Ik haat bedrog. Voor U zing ik mijn lied:
zevenmaal daags een klinkend uitroepteken!

42. Wie van U houdt, vindt vrede en geluk;
hij komt geen steen, geen struikelblok meer tegen.
U kunt mij, HEER, bevrijden van de druk.
Ik doe uw wil, verwacht van U de zegen.
Uw regels zijn mij dierbaar, stuk voor stuk.
Een open boek, HEER, zijn voor U mijn wegen.

43. Zuchtend zoek ik uw aandacht, sta mij bij;
schenk inzicht, HEER, ik houd U aan uw woorden.
Red mij zoals beloofd, dan zing ik blij
een lied voor U met vrolijke akkoorden.
U onderwijst uw wet, U maakt mij vrij.
Rechtvaardig zijn de regels die ik hoorde.

44. Zonder uw hulp heb ik geen vaste grond.
Dat ik uw kant koos, heeft mij nooit gespeten.
Red mij, dan klinkt een loflied uit mijn mond.
Dicht bij uw woord mag ik mij veilig weten.
Ik ben een schaap; dwaal ik verloren rond –
zoek mij, want nooit zal ik uw wet vergeten.

1. Ik loof U, HEER, met hart en ziel.
Terwijl ik kniel zal ik U eren.
Mijn loflied hef ik dankbaar aan
ten overstaan van wie regeren.
Ik buig mij richting uw paleis.
Uitbundig prijs ik al uw werken.
Toen ik U riep, hebt U verhoord.
U hield uw woord door mij te sterken.

2. Laat vorsten zien, HEER, wie U bent;
maak U bekend op heel de aarde.
Wie eens uw stem gehoord heeft, kan
niet anders dan uw macht aanvaarden.
Laat leiders zingen, wereldwijd:
‘Zijn majesteit is hoogverheven.
Hij is dichtbij voor wie Hem eert,
maar Hij negeert wie koppig leven.’

3. Als ik in groot gevaar verkeer
helpt U mij, HEER, te overleven.
U redt mij van de tegenstand;
uw rechterhand zal redding geven.
Bij U ben ik in veiligheid.
U laat altijd uw liefde blijken.
Uw werk voor mij, HEER, wordt voltooid.
Ik bid dat nooit uw trouw zal wijken.

1. HEER, luister naar mijn bange klachten.
Mijn God en koning, sta mij bij.
Vroeg in de morgen hoort U mij.
Ik blijf op U na lange nachten
verlangend wachten.

2. U zult de misdaad niet belonen,
want U verafschuwt al het kwaad.
U bent een God die leugens haat.
U laat wie wangedrag vertonen
niet bij U wonen.

3. U overlaadt mij met uw zegen.
Ik dank U als ik bij U kom
en neerkniel in uw heiligdom.
HEER, houd mijn tegenstanders tegen;
wijs mij uw wegen.

4. Hun mond kan enkel kwaad verspreiden;
hun keel is als een open graf.
Stoot die bedriegers van U af.
God, gun wie tegen U blijft strijden
geen medelijden.

5. Maar vrolijk zijn de vluchtelingen,
omdat U hun een schuilplaats biedt.
Er komt geen einde aan hun lied.
U zult hen die uw naam bezingen
met trouw omringen.

1. Zing blij een loflied voor de HEER,
verschijn voor Hem en breng Hem eer;
bejubel Hem in je gezangen.
Laat Hij, de rots van het behoud,
nu van het volk dat op Hem bouwt
een dankbaar eerbetoon ontvangen.

2. Groot is de HEER en vol van kracht.
Hij heeft als koning alle macht,
is boven elke god verheven.
De diepe zee, het vasteland,
de hoogste berg rust in zijn hand;
Hij heeft de wereld vormgegeven.

3. Kom in Gods huis en buig je neer
voor onze schepper, voor de HEER;
Hij wilde zich met ons verbinden.
Hij gaat ons als een herder voor,
weidt ons als schapen in zijn spoor,
leert ons zijn goede wegen vinden.

4. Weersta God niet, blijf dicht bij Hem.
Luister vandaag nog naar zijn stem:
‘Daag Mij niet uit met al je zonden,
zoals voorheen je voorgeslacht:
het bleef, al wist het van mijn macht,
toch onbeschaamd mijn hart verwonden.

5. Je ouders met hun harde hart
hebben mij veertig jaar getart;
niets kon Ik meer met hen beginnen.
Beledigd heb Ik toen bepaald:
Wie koppig van mijn weg af dwaalt,
komt het beloofde land niet binnen.’

1. Hoor mij, HEER, blijf toch niet zwijgen.
Roep ik, laat me antwoord krijgen.
Ik ben uitgeput en arm,
radeloos sla ik alarm.
Ik ben U toch trouw gebleven?
Breng dan vreugde in mijn leven.
Zie mij aan - die ene vraag
stijgt voortdurend op vandaag.

2. Goed bent U, aanbiddenswaardig,
graag vergevend en hulpvaardig.
Luister, luister naar mij, HEER,
want ik zie geen uitweg meer.
Geen god kan zich met U meten.
Alle volken zullen weten,
schepper, wat U hebt gedaan
als zij door de knieën gaan.

3. Groot bent U, uw wonderdaden
laten zich door niemand raden.
Geef dan dat ik op uw weg
mijn ontzag U niet ontzeg.
Ja, U loof ik hier op aarde
die mijn leven steeds bewaarde
voor de diepte van de dood.
In uw liefde bent U groot.

4. HEER, een terroristenbende
stort mijn leven in ellende.
God, zij hebben U ontkend,
U die trouw en liefde bent.
Help mij, HEER, geef mij een teken,
laat uw goedheid niet ontbreken:
laat mijn vijanden toch zien
wie de God is die ik dien.

1. Luister, mijn God, naar mijn gebeden.
Ik heb al veel te lang geleden.
Keer eindelijk mijn lot ten goede.
De vijand scheldt, gebruikt geweld.
Steeds als hij dreigt en kansen krijgt
voel ik zijn haat en blinde woede.

2. Door grote angst ben ik bevangen
en in mij leeft een sterk verlangen
met vleugels op te kunnen stijgen,
hoog in de lucht: een duif die vlucht
naar de woestijn, om vrij te zijn;
ver weg van hen die mij bedreigen.

3. Heer, U kunt hun geweld doorbreken;
verwar hun denken en hun spreken.
De stad, haar pleinen en haar muren,
zijn het terrein van leed en pijn:
terreur op straat van vroeg tot laat.
Hoelang nog zal die rampspoed duren?

4. Werd ik gehoond door wie mij haten,
het zou me onverschillig laten.
Maar jij was het, op wie ik bouwde,
mijn beste vriend, nu nietsontziend.
Ooit, een van geest, vierden we feest.
Jij was de man die ik vertrouwde.

5. Laat ze maar boeten, maar betalen;
laat ze maar in de grafkuil dalen.
Ze zijn een werktuig van het kwade.
Maar ik, ik klaag bij God vandaag,
op wie ik wacht bij dag en nacht.
Hij geeft mij redding en genade.

6. Mijn tegenstanders zijn met velen,
toch mag ik in Gods vrede delen.
Hij geeft mij antwoord op mijn klagen.
Mijn vijand groet mij honingzoet;
zijn gladde praat verhult zijn haat.
Maar God vaagt weg wie mij belagen.

7. Laat God de HEER je lasten dragen.
Hij helpt wie om verlichting vragen,
houdt overeind wie op Hem bouwen.
Wie haat verspreidt sterft voor zijn tijd.
Een moordenaar - God straft hem zwaar.
Maar ik, ik blijf op Hem vertrouwen.

Laatste nieuws

Interview Family7

Lees meer »

Interview Groot Nieuws Radio

Lees meer »

RD: De Nieuwe Psalmberijming: eigentijdse taal, maar niet populair of plat

Lees meer »

De Nieuwe Psalmberijming is klaar!

Lees meer »

Steun onze missie

Steun ons werk om de psalmen te herdichten in de taal van nu.

Betaal met iDEAL

of word vriend van Stichting Dicht bij de Bijbel voor € 37,50 per jaar en ontvang een uniek welkomstgeschenk.