Ga direct naar psalm

Zoek op tekst:

Zoek op gelegenheid:

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

VOORBEREIDINGEN PRESENTATIE BUNDEL DNP

Samen met KokBoekencentrum zijn we gestart met het traject om de bundel van De Nieuwe Psalmberijming uit te geven. Inmiddels is bekend dat wij de bundel aan u mogen presenteren op zaterdag 20 maart 2021.

BundelWij hopen van harte op een presentatieavond met koor-, samenzang en uw aanwezigheid. Echter leven we nu in een onzekere tijd en is het onbekend of in het voorjaar van volgend jaar de coronamaatregelen het toestaan zo’n avond te kunnen organiseren. In onze voorbereiding houden wij rekening met verschillende scenario's om invulling te geven aan deze avond. 

De psalmbundel zal na 20 maart 2021 beschikbaar komen. Deze is hier alvast te reserveren. U ontvangt dan als een van de eersten een exemplaar.

De psalmen staan onder druk. In oudere berijmingen raken ze nauwelijks aan het gewone leven. In Opwekking versies gaat het vaak om een paar favoriete versregels. De Nieuwe Psalmberijming biedt de psalmen de kans om hun eigen verhaal te vertellen aan mensen van deze tijd. Lees meer »

Ds. R. Stigter | Protestante Gemeente te Pijnacker en Delfgauw

Ds. R. Stigter
Protestante Gemeente te Pijnacker en Delfgauw

Lees alle quotes

1. Kom, trouwe dienaars van de HEER,
die altijd klaar staan tot zijn eer,
hef jullie handen op naar Hem.
Zegen de HEER met hart en stem.

2. Zijn zegen wensen wij voor jou:
vrede uit Sion, liefde, trouw
van Hem die jou tot leven riep,
die hemel, zee en aarde schiep.

1. Gods volk kan op zijn liefde aan.
Hij helpt wie op zijn wegen gaan.
Toch ben ik bijna uitgegleden,
want ik was boos en ontevreden.
Ik keek met afgunst naar het lot
van hen die leven zonder God.
Zij zijn gezond en eten goed,
terwijl een ander lijden moet.

2. Verwaandheid is hun halssieraad
en grof geweld is hun gewaad;
een jas die zij hooghartig dragen,
opzichtig om zich heen geslagen.
De hoogmoed druipt van hun gezicht;
ze zijn slechts op zichzelf gericht.
De hemel krijgt een grote mond;
op aarde gaat hun spotlach rond.

3. Nooit staan de dwazen onder druk.
Het kan niet op met hun geluk.
Gods volk staat voor hun zonden open,
begint hen achterna te lopen.
De goddelozen gaan hun gang,
verrijken zich en zijn niet bang.
In hoe ze praten klinkt de spot:
‘Niets weet die Allerhoogste God.’

4. Ik heb voor niets mijn best gedaan
om op het rechte pad te gaan,
want elke dag moet ik verdragen
dat ik gestraft word en geslagen.
Maar als ik dat geloven zou,
dan was ik aan uw volk ontrouw.
Toch gaat het dwazen voor de wind,
terwijl ik lijden ondervind.

5. Dit zag ik in Gods heiligdom:
de goddelozen komen om.
U zult hen eens voorgoed verdrijven;
niets zal er van hen overblijven.
Hun einde zal ontstellend zijn;
ze storten neer in een ravijn.
Als beelden uit een angstdroom, Heer,
vaagt U hen weg, slaat U hen neer.

6. Mijn hart was vol verbittering
toen ik mijn eigen wegen ging.
Ik heb me boos, terneergeslagen,
als een stompzinnig dier gedragen.
Maar nu weet ik U dicht bij mij;
U neemt mijn hand, U staat mij bij.
U bent het die mij veilig leidt
en opneemt in uw heerlijkheid.

7. Wie heb ik in het hier en nu
en in de hemel buiten U?
Geen ander kan mij vreugde geven;
U bent de liefde van mijn leven.
Al zou mijn lichaam ook vergaan,
U bent de rots van mijn bestaan.
U biedt mij troost en veiligheid;
U bent mijn God, nu en altijd.

8. Wie U ontrouw is, U verlaat,
snelt naar zijn einde en vergaat.
Bij U te zijn is mijn verlangen;
U zult mij liefdevol ontvangen.
U bent de HEER op wie ik bouw,
die ik met hart en ziel vertrouw.
Aan iedereen maak ik bekend
hoe machtig, groot en goed U bent.

1. Wat sta jij het kwaad te bezingen,
jij zogenaamde held?
Gods goedheid laat zich niet verdringen,
al schuw jij geen geweld.
Jouw tong brengt pijn en ongeluk;
hij maakt de mensen stuk.

2. God zelf zal je grijpen en breken.
Je einde is nabij.
Wie goed doen zullen ervan spreken
met diep ontzag en blij:
‘De rijkdom die zijn redding leek,
laat hem nu in de steek.’

3. Ik ben als een boom, ik zal groeien
in Gods aanwezigheid.
Zijn liefde laat mijn leven bloeien;
zijn trouw steunt mij altijd.
Met allen die U dienen, Heer,
breng ik uw naam de eer.

1. Laat iedereen Gods goedheid prijzen;
zijn liefde houdt voor eeuwig stand.
Laat Israël Hem eer bewijzen:
‘Zijn liefde houdt voor eeuwig stand.’
Herhaal het zingend, priesterkoren:
‘Zijn liefde houdt voor eeuwig stand.’
Als je de HEER dient, laat het horen:
‘Zijn liefde houdt voor eeuwig stand.’

2. In mijn benauwdheid, in mijn lijden,
riep ik het uit: ‘HEER, help mij toch!’
Hij luisterde en Hij bevrijdde;
wat doet een sterveling mij nog?
Op Hem, mijn helper, kan ik bouwen;
ik kijk op mijn belagers neer.
In plaats van mensen te vertrouwen,
zoek ik een schuilplaats bij de HEER.

3. Ik was door vijanden omgeven –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Een leger stond mij naar het leven –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Als wespen zijn ze neergestreken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Haast was ik in de strijd bezweken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.

4. Ik zal van Hem, mijn sterkte, zingen.
Het legerkamp stemt met mij in:
‘Zijn rechterhand doet grote dingen;
ja, onweerstaanbaar grijpt Hij in.’
Ik zal niet sterven, ik zal leven!
Al kwam de HEER wel met zijn straf,
Hij heeft mij toch niet prijsgegeven
aan de verschrikking van het graf.

5. Zet nu de tempeldeuren open,
de poort van de gerechtigheid.
Dan zal ik blij naar binnen lopen,
op weg naar Hem die mij bevrijdt.
Daar gaan rechtvaardigen naar binnen;
ze gaan de poort al zingend door.
Met U, HEER, mocht ik overwinnen;
daar dank ik U van harte voor!

6. De steen waar bouwers niets in zagen,
die werd de cruciale steen,
door God als hoeksteen aangedragen.
Zijn werk verwondert iedereen!
Dit is de dag van Hem gekregen,
een dag van blijdschap en gezang.
Wij bidden, HEER, geef ons uw zegen;
geef voorspoed, HEER, ons leven lang.

7. Wij zegenen de grote koning
die komt in naam van God, de HEER.
Vier nu het feest mee in zijn woning;
leg offergaven voor Hem neer.
Mijn God, ik zal U dank bewijzen,
met groene twijgen in de hand.
Laat iedereen zijn goedheid prijzen;
zijn liefde houdt voor eeuwig stand.

1. De dwazen denken dat God niet bestaat,
terwijl ze zijn gebod met voeten treden.
God kijkt vanuit de hemel naar beneden
en zoekt of er een mens is die het kwaad
hartgrondig haat.

2. Maar iedereen is bij Hem weggegaan.
Waar is het inzicht van de goddelozen?
Zij gaan, zonder verblikken of verblozen,
hun eigen gang en trekken zich niets aan
van Gods bestaan.

3. Mijn volk verslinden zij als stukken brood.
Nog even, dan zal angst hen overvallen.
God zal hen treffen: Hij verstrooit hen allen.
Lach hen maar uit, omdat Hij hen verstoot,
straft met de dood.

4. Ach, keerde toch voor Israël het tij,
zodat de mensen weer in vrede leven.
Als God uit Sion eerherstel zal geven,
is Israëls gevangenschap voorbij,
juicht Jakob blij.

1. HEER, luister naar mijn bange klachten.
Mijn God en koning, sta mij bij.
Vroeg in de morgen hoort U mij.
Ik blijf op U na lange nachten
verlangend wachten.

2. U zult de misdaad niet belonen,
want U verafschuwt al het kwaad.
U bent een God die leugens haat.
U laat wie wangedrag vertonen
niet bij U wonen.

3. U overlaadt mij met uw zegen.
Ik dank U als ik bij U kom
en neerkniel in uw heiligdom.
HEER, houd mijn tegenstanders tegen;
wijs mij uw wegen.

4. Hun mond kan enkel kwaad verspreiden;
hun keel is als een open graf.
Stoot die bedriegers van U af.
God, gun wie tegen U blijft strijden
geen medelijden.

5. Maar vrolijk zijn de vluchtelingen,
omdat U hun een schuilplaats biedt.
Er komt geen einde aan hun lied.
U zult hen die uw naam bezingen
met trouw omringen.

1. Dat God u mag verhoren, koning,
als u het moeilijk heeft,
dat Hij u steunt vanuit zijn woning
en u bescherming geeft,
dat Hij uw offers zal gedenken
en geeft wat u zult vragen,
dat Hij u veel geluk zal schenken
en ieder plan laat slagen.

2. Wij zullen juichen, God verhogen,
wanneer u winnen zult.
De vlag gaat uit voor ieders ogen,
als Hij uw wens vervult.
God houdt de vijand zeker tegen,
Hij heeft u uitverkoren!
Zijn sterke hand geeft u de zege,
want Hij zal u verhoren.

3. Wie op hun wapentuig vertrouwen,
zijn zwak en vallen neer.
Maar wij die op Gods almacht bouwen,
staan sterk dankzij de HEER!
Wij zijn, toen anderen bezweken,
recht overeind gebleven.
HEER, wil de koning als wij smeken
de overwinning geven.

1. God is onze kracht!
Laat je stem maar schallen.
Speel uit alle macht
op bazuin en fluit,
tamboerijn en luit.
Feest is het voor allen.

2. God roept Israël
blijvend als getuige.
Zeg op zijn bevel
hoe je bent bevrijd
uit de dienstbaarheid.
Farao moest buigen!

3. ‘Ik heb alle last
van je afgenomen,
want Ik hield je vast.
Op je smeekgebed
heb Ik je gered,
is mijn hulp gekomen.

4. Uit een donderwolk
liet Ik antwoord klinken.
Eigenzinnig volk,
je hebt Mij bedroefd.
Ik heb jou beproefd
toen je wilde drinken.

5. Luister, volk van Mij,
knoop het in je oren:
haat afgoderij!
Dien geen god van steen,
buig voor Mij alleen
om bij Mij te horen.

6. Ik ben God, de HEER,
die jou heeft gedragen
en die altijd weer
vorstelijk en mild,
je verlangen stilt,
wat je ook zult vragen.

7. Maar dat volk van Mij
wilde Me vergeten,
schoof Mij steeds opzij,
ging zijn eigen gang,
soms een leven lang,
koppig en verbeten.

8. Ach, had Israël
Mij maar willen horen,
dan verbrak Ik snel
alle tegenstand
en geen aartsvijand
zou hen ooit nog storen.’

9. Haters van de HEER
zouden voor Hem kruipen.
Maar zijn volk kreeg weer
van het fijnste graan.
Honing zou spontaan
uit de rotsen druipen.

1. HEER, ik hef naar U beide handen
en roep U om mij bij te staan.
Neem mijn gebed als offer aan,
als wierook die voor U mag branden.

2. HEER, bewaak mijn mond, laat mij weten
wanneer het wijs is dat ik zwijg.
Geef dat ik niet naar onrecht neig,
met slechte mensen niet zal eten.

3. Graag leer ik van eerlijke mensen,
als zij mij straffen is het goed.
Als een slecht mens hetzelfde doet,
blijf ik het beste voor hem wensen.

4. Bijna dood, verspreid en verdreven
ligt heel uw volk al voor het graf.
Mijn oog wend ik niet van U af;
ik schuil bij U, houd mij in leven!

5. HEER, laat mij de val toch ontlopen
door slechte mensen klaargezet.
Verstrik hen in hun eigen net
en houd voor mij een uitweg open.

1. Gelukkig wie door God is vrijgesproken,
wie met bedrog en ontrouw heeft gebroken.
Gelukkig als de HEER zijn schuld vergeeft,
als in zijn geest geen onoprechtheid leeft.
Mijn misdaad bleef aan mijn geweten knagen.
Ik leed voortdurend, kreunde hele dagen.
Uw hand lag op mij, tot ik niet meer kon;
mijn kracht smolt weg als in de zomerzon.

2. Toen ik was vastgelopen in mijn zonden
kwam ik tot inkeer; ik zei onomwonden:
‘O HEER, ik was ontrouw, vergeef het mij’ –
mijn schuldenlast verdween, U sprak mij vrij.
Laat allen die zichzelf aan U verbinden,
U zoeken, HEER, zolang U zich laat vinden.
U bent mijn schuilplaats, onheil raakt mij niet;
ik juich het uit omdat U redding biedt.

3. ‘Mijn raad helpt jou om richting te bepalen.
Ik zie je gaan, Ik laat je niet verdwalen.
Verzet je niet zoals een paard dat doet,
zoals een ezel die men dwingen moet.’
Wie kwaad doet kampt met onheil en gevaren,
maar wie op God vertrouwt, zal Hij bewaren.
Rechtvaardigen, verheug je in de HEER,
Oprechten, zing het uit en breng Hem eer.

Laatste nieuws

Nieuwsbrief oktober 2020

Lees meer »

Nieuwsbrief september 2020

Lees meer »

Schatgraven in de psalmen

Lees meer »

Interview Family7

Lees meer »

Steun onze missie

Steun ons werk om de psalmen te herdichten in de taal van nu.

Betaal met iDEAL

of word vriend van Stichting Dicht bij de Bijbel voor € 37,50 per jaar en ontvang een uniek welkomstgeschenk.