Ga direct naar psalm

Zoek op tekst:

Zoek op gelegenheid:

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Verschijning BUNDEL DNP

Bundel

Samen met KokBoekencentrum zijn we gestart met het traject om de bundel van De Nieuwe Psalmberijming uit te geven. Inmiddels is bekend dat de bundel vanaf 16 maart 2021 in de boekhandel ligt.

De bundel is hier alvast te reserveren. U ontvangt dan als een van de eersten een exemplaar.

Ik ben heel erg enthousiast over DNP en laat hem vaak zingen! De oude én actuele boodschap van de psalmen komt zo weer nieuw binnen bij ouderen en spreekt ook jongeren veel directer aan! Lees meer »

Ds. W. Teeuwissen | Protestante Kerk Nederland (Hervormd) te Veenendaal

Ds. W. Teeuwissen
Protestante Kerk Nederland (Hervormd) te Veenendaal

Lees alle quotes

1. Ik houd van U, mijn HEER, U bent zo machtig.
U bent mijn schild, mijn vesting, sterk en krachtig,
een redder die zich over mij ontfermt,
die als een sterke stadsmuur mij beschermt.
U bent de God die al mijn eerbied waard is;
bescherm mij tot het strijdgewoel bedaard is.
Dan ben ik vrij; de vijand is gevlucht.
Ik kan weer leven, blij en opgelucht.

2. Door diepe doodsangst werd ik voortgedreven.
Ik bad de HEER of Hij mij hulp kon geven.
Vanuit de hemel hoorde Hij mijn klacht
en Hij verscheen met majesteit en macht.
De bergen beefden en de aarde trilde
toen Hij de hemel uit zijn voegen tilde
en in zijn woede naar beneden kwam,
in duisternis en rook en vuur en vlam.

3. De stem van God weergalmde in de wolken;
zijn vuur en hagel sloegen neer als dolken,
zijn bliksemschichten suisden door de lucht.
Toen sloeg de vijand bevend op de vlucht.
In toorn ontblootte God de diepste rotsen.
Hij liet rivieren uit hun bedding klotsen.
Zo smolt de aarde voor de majesteit
van onze HEER, de God die mij bevrijdt.

4. God redde mij uit diepten van ellende,
van vijanden die geen genade kenden.
Het was voor mij een hopeloze strijd,
maar Hij heeft mij geholpen en bevrijd.
Zo heeft de HEER zijn trouw aan mij bewezen,
mij om mijn trouw en eerlijkheid geprezen.
Mijn leven lang heb ik Hem eer betoond;
mijn reine handen heeft Hij rijk beloond.

5. Aan wie genadig zijn, geeft U genade;
met trouw beloont U alle trouwe daden.
Uw heiligheid verlicht wie heilig leeft,
maar wee degene die niets om U geeft.
U redt wie voor U staan met lege handen;
wie vol is van zichzelf, legt U aan banden.
U bent voor mij een lamp die helder schijnt,
een stralend licht, waardoor mijn nacht verdwijnt.

6. Met U, mijn God, kan ik door legers dringen.
U laat mij over hoge muren springen.
De wegen van de HEER zijn goed en recht,
Hij is volmaakt en trouw in wat Hij zegt.
Wie kent een god zo goed en vol ontferming?
Waar vindt de mens meer vrede en bescherming?
De HEER mijn God, die heel mijn leven leidt,
schenkt nieuwe kracht en vaste zekerheid.

7. Lichtvoetig als een hert kan ik nu leven,
omdat de HEER mij adem heeft gegeven.
Hij geeft mij kracht en inzicht voor de strijd;
zijn schild van redding schenkt mij veiligheid.
God geeft mij ruimte om mij te verweren,
zodat ik in de strijd het tij kan keren.
Met Hem kan ik de zwaarste veldslag aan,
kan ik de sterkste vijanden verslaan.

8. De HEER is bij mij, ik heb niets te duchten.
De vijand ziet het en probeert te vluchten.
Hij viel mij aan vervuld van haat en nijd,
maar ik ben overwinnaar in de strijd.
Hij roept om hulp, maar zal geen antwoord krijgen;
hij bidt om redding, maar de HEER blijft zwijgen.
Zo heeft de HEER mijn vijanden verjaagd
als stof dat door de wind is weggevaagd.

9. De vrede van de HEER vult nu mijn leven.
Hij heeft aan mij het koningschap gegeven.
Uit verre landen komt het eerbetoon:
de vorsten knielen bevend voor mijn troon.
Daarom zal ik de HEER, mijn rots, steeds prijzen.
Ik wil Hem al mijn dankbaarheid bewijzen.
Mijn God, die mij zo machtig heeft bevrijd,
ik zal U loven tot in eeuwigheid!

10. Ik zing voor ieder volk mijn vreugdepsalmen,
laat overal de naam van God weergalmen.
Het loflied moet door heel de wereld gaan:
de HEER heeft grote wonderen gedaan!
Zijn naam is groot en groot is zijn ontferming.
Hij gaf aan zijn gezalfde zijn bescherming.
De HEER is trouw; Hij zegent Davids troon.
Zijn liefde kroont voorgoed de koningszoon.

1. Roep ik de HEER bij tegenslagen,
Hij geeft mij antwoord op mijn vragen.
Verlos mij, HEER, van wie bedriegen,
van wie niets liever doen dan liegen.
Hoe gaat U al dit kwaad bestrijden,
mij van die leugenaars bevrijden?
Strijd met mij voor de goede zaak:
richt scherpe pijlen en schiet raak.

2. Ik voel mij eenzaam en verloren,
geen sterveling wil bij mij horen.
Een zwerver ben ik, een ontheemde.
Zo ver van huis ben ik een vreemde.
Ik leef bij wie de vrede haten;
ik hoor hen over oorlog praten.
Hoe ik hen ook tot kalmte maan,
ze blijven maar de strijd aangaan.

1. Was er geen hulp gekomen van de HEER,
– blijf, Israël, dit zeggen keer op keer –
was Hij voor ons niet in de bres gaan staan,
dan hadden wij geen hoop, geen toekomst meer;
dan zouden wij ten onder zijn gegaan.

2. Zonder Gods hulp was er een ramp gebeurd,
dan hadden vijanden ons wreed verscheurd,
dan werd hun stroom van woede onze dood;
het woeste water had ons meegesleurd.
Maar, prijs de HEER, Hij redde uit de nood!

3. Wij vluchtten uit de val die was gezet,
zoals een vogel vrijkomt uit een net.
Het net ging stuk en wij zijn losgeraakt.
In naam van Hem, de HEER, zijn wij gered;
Hij helpt ons, Hij die alles heeft gemaakt.

1. God spreekt als rechter tot de goden;
Hij heeft ze voor zijn troon ontboden.
‘Hoelang wordt er geen recht gedaan?
Wie kwaad doet, bied je vriendschap aan!
Je moest toch juist het onrecht keren?
Help wie zichzelf niet kan verweren:
maak wees en onderdrukte vrij,
sta armen en verzwakten bij!’

2. Gods recht gaat hun begrip te boven.
Zo moet het laatste licht wel doven.
Elk fundament wordt aangetast.
Daarom stelt God dit vonnis vast:
‘Al sprak Ik jullie aan als goden,
straks hoor je roemloos bij de doden!’
Sta op, o God, en oordeel nu,
want alle volken zijn van U.

1. Lof aan de HEER voor al zijn zegeningen.
Prijs Hem, mijn ziel, blijf dankbaar voor Hem zingen.
Onthoud hoe goed Hij voor je is geweest.
Hij doet niets liever dan je schuld vergeven.
Wanneer de dood dreigt, redt de HEER je leven.
Hij is het die van ziekte je geneest.

2. De HEER omringt je altijd met het goede.
Hij zal je met geluk en schoonheid voeden.
Je jeugd vernieuwt zich als een adelaar.
Wie onderdrukt wordt, laat Hij recht ervaren.
Hij wilde zich aan Mozes openbaren.
Wat Hij zijn volk beloofde, maakt Hij waar.

3. De HEER blijft ons met liefde overladen.
Bewogen is zijn hart en vol genade.
Groot is zijn trouw, immens geduld heeft Hij.
Hij laat ons niet voor elke zonde boeten,
straft niet zo zwaar als eigenlijk zou moeten.
Hij blijft niet boos, zijn woede gaat voorbij.

4. De HEER is goed voor wie in Hem geloven;
zijn trouw gaat zelfs de blauwe lucht te boven.
Hij werpt de zonden ver bij zich vandaan.
Hij troost ons met zijn vaderlijke zorgen.
Wij, zwakke mensen, zijn bij Hem geborgen;
Hij weet dat wij uit aarde zijn ontstaan.

5. Zo kwetsbaar als een grasspriet is ons leven.
De mens is als een bloem: hij bloeit maar even.
Hij kan de hitte en de storm niet aan.
Hoe levendig en sterk hij ook mag ogen,
het duurt niet lang voordat hij zal verdrogen.
Daarna weet niemand waar hij heeft gestaan.

6. De HEER telt niet in jaren, maanden, uren:
zijn liefde zal de eeuwigheid verduren.
Aan elke generatie doet Hij recht.
Hij toont zijn trouw aan wie bij Hem wil horen,
aan ieder kind dat na ons wordt geboren,
dat nazegt wat de HEER heeft voorgezegd.

7. De HEER is koning – prijs Hem, hemelingen!
Laat alle engelen zijn lof bezingen.
Kom, sterke helden, buig je voor Hem neer.
Laat heel zijn legermacht Hem eer bewijzen.
De hele schepping moet zijn daden prijzen.
Prijs Hem, mijn ziel, zing dankbaar voor de HEER.

1. God, laat de koning goed regeren,
met recht en met beleid.
Wil hem de wijze wetten leren
van uw gerechtigheid.
Dan zal uw volk in vrede leven,
dan wordt er recht gedaan:
verdrukten zal hij redding geven,
verdrukkers pakt hij aan.

2. Laat onze koning hooggeacht zijn
zolang de zon bestaat.
Moge hij eeuwen aan de macht zijn
totdat de maan vergaat.
Hij brengt nieuw leven, als de regen
die dorstig land bevloeit:
wie eerlijk leeft ervaart zijn zegen,
terwijl de vrede bloeit.

3. Van zee tot zee zal hij regeren,
van eiland tot woestijn.
Elk volk zal hem als heerser eren
en hem gehoorzaam zijn.
Geschenken zullen binnenstromen,
een schat aan eerbetoon.
Ja, alle vorsten zullen komen
en knielen voor zijn troon.

4. Wie tot hem roept zal hij bevrijden;
wie zwak is staat hij bij.
Voor wie geen hulp heeft zal hij strijden;
wie vast zit maakt hij vrij.
Wie arm zijn of door zorg gebogen,
verdrukt of diep in nood –
hun bloed is kostbaar in zijn ogen.
Hij redt hen van de dood.

5. ‘Leve de koning!’ roepen mensen;
ze geven gul hun goud.
Voortdurend klinken zegenwensen;
men bidt voor zijn behoud.
De oogst is groot, zelfs waar tevoren
geen graan ooit groeien kon.
Het bergland vol van golvend koren
lijkt op de Libanon.

6. De stad mag groei en bloei beleven
zoals een frisse plant.
De koning staat hoog aangeschreven;
zijn naam klinkt door het land.
Zolang de zon voor ons blijft rijzen
blijft ook zijn naam ons bij.
Elk volk zal hem gelukkig prijzen
en wenst te zijn als hij.

7. Laat iedereen de HEER bezingen,
de God van het verbond.
Hij, Hij alleen doet grote dingen,
bazuin zijn glorie rond!
Zijn naam gaat elke naam te boven;
breng Hem voor eeuwig eer.
Laat alles wat bestaat Hem loven.
Ja, amen, prijs de HEER!

1. Heb medelijden God! Ik roep U aan
omdat uw hart gevuld is met genade.
Wis alle schuld weg, al mijn slechte daden.
Mijn zonden blijven mij voor ogen staan.
Wat ik gedaan heb is ontstellend slecht.
ik heb mij tegenover U misdragen.
Welk vonnis U ook velt, het is terecht.
Ten einde raad wil ik vergeving vragen.

2. Vanaf de moederschoot heb ik al schuld.
Het kwaad zat in mij toen ik werd geboren.
Maar U laat diep in mij uw wijsheid horen;
U wilt dat waarheid heel mijn hart vervult.
Ontzondig mij geheel, dan ben ik rein.
Was mij, zodat ik wit zal zijn vanbinnen,
zelfs witter dan de witste sneeuw kan zijn.
Eerst brak U mij, laat nu de vreugde winnen.

3. Zuiver mijn hart, God, wis mijn fouten uit.
Vernieuw mijn geest, wil al mijn schuld vergeven.
Ik kan alleen standvastig met U leven
als U de ogen voor mijn zonden sluit.
Geef mij de blijdschap die ik heb gekend,
kracht door uw Geest om U opnieuw te eren.
Dan leer ik wie verdwaald zijn wie U bent.
Zij zullen luisteren en zich bekeren.

4. God, spreek mij vrij van mijn verdiende straf.
Vergeld geen bloed met bloed, laat mij niet boeten,
al zou dit volgens wet en recht wel moeten.
God van mijn redding, wend de dreiging af.
Wat zal ik zingen als U mij bevrijdt!
Dan ben ik, Heer, een levende getuige
van uw genade en gerechtigheid.
Open mijn mond en laat mij voor U juichen.

5. Door offers worden schulden niet voldaan.
In dode dieren schept U geen behagen.
U neemt ons hart, gebroken en verslagen,
genadig als een offergave aan.
Bouw Sion op in al haar oude pracht.
Dan wordt het offer, rein en ongeschonden,
weer naar de eisen van uw wet gebracht.
Zonder gebrek draagt het voor ons de zonden.

1. Bij God alleen kom ik tot rust.
Stil word ik mij ervan bewust
dat Hij, mijn redder, mij zal sparen.
Hij is de rots van mijn bestaan,
de burcht die ik mag binnengaan.
Voor vallen zal Hij mij bewaren.

2. Hoelang nog blijf ik op de been?
De tegenstanders om mij heen
staan klaar om mijn bestaan te breken.
Zij liegen graag; hun haat is groot.
Vanbinnen wensen ze mij dood
terwijl ze vrome woorden spreken.

3. Zoek rust bij God, mijn ziel, en zwijg.
Ik wacht tot ik verhoring krijg,
tot ik zijn redding zal ervaren.
Hij is de rots van mijn bestaan,
de burcht die ik mag binnengaan.
Voor vallen zal Hij mij bewaren.

4. In al mijn nood is God dichtbij;
mijn redding en mijn eer is Hij,
de rots, de toevlucht in mijn leven.
Mijn volk, vertrouw Hem toch altijd!
Je zorgen kun je bij Hem kwijt.
Hij zal ons zijn bescherming geven.

5. Een mensenkind is maar een zucht,
gewichtigheid niet meer dan lucht
wanneer de Heer een mens gaat wegen.
Vestig je hoop niet op geweld;
verkoop jezelf niet aan je geld,
al heb je nog zo veel gekregen.

6. God sprak tot mij dit ene woord,
zelfs tweemaal heb ik het gehoord:
‘Aan Mij is alle macht op aarde.’
Heer, U bent liefdevol en goed;
U geeft elk mens naar wat hij doet,
U kent van ieders werk de waarde.

1. HEER, denk er toch voortdurend aan
hoe David zwoegde, hoe hij leed
om zich te houden aan de eed
die hij U plechtig had gedaan.
Vergeet niet wat hij voor U deed.

2. Hij nam zich vastberaden voor:
‘Ik keer niet naar mijn woning weer,
ik leg me op mijn bed niet neer,
ik zoek bezield aan één stuk door,
tot ik een plek vind voor de HEER.

3. De ark werd eindelijk ontdekt.
Zij stond in Jaär voor ons klaar.
Wij haastten ons en haalden haar.
Ga met ons mee en toon respect;
kniel in Gods huis, aanbid Hem daar.

4. Trek op, HEER, om naar huis te gaan.
Uw priesters zijn met recht bekleed.
Uw volk staat jubelend gereed.’
Zie uw gezalfde koning aan
om wat uw dienaar David deed.

5. Tot David kwam het woord van God:
‘Jouw kind ontvangt de koningskroon,
daarna zijn zoon en dan diens zoon.
Leeft elk van hen naar mijn gebod,
dan houdt je koningshuis de troon.’

6. Gods liefde gaat naar Sion uit.
Hij koos als koning soeverein
die plaats uit om daar thuis te zijn.
De stad is, volgens zijn besluit,
zijn rustplaats in zijn rijksdomein.

7. ‘Mijn zegen daalt op Sion neer.
Ik maak de stad van honger vrij;
de armen krijgen brood van Mij.
Ik kleed de priesters met mijn eer
en mijn getrouwen juichen blij.

8. Groot aanzien geef Ik Davids rijk.
Ik heb zijn zoon de macht beloofd;
zijn lamp wordt nooit meer uitgedoofd.
Ik zet zijn vijanden te kijk:
een kroon siert zijn gezalfde hoofd.’

1. HEER, ontzagwekkend is uw kracht!
Daarover juicht de koning.
Aan U dankt hij zijn kroning.
Zijn wens hebt U tot stand gebracht.
Als machtig eerbetoon
siert hem een gouden kroon.

2. Hij vroeg een lange levenstijd.
Die hebt U hem gegeven:
voor eeuwig mag hij leven.
U geeft hem glans en majesteit.
Uw goddelijk gezicht
zet hem in stralend licht.

3. Hij wankelt niet, hij bouwt op God.
Uw liefde zal hem dragen.
Zijn vijand wordt verslagen.
Wie met de Allerhoogste spot
ontkomt niet aan zijn hand,
niet aan zijn toorn die brandt.

4. De tegenstanders wacht Gods straf:
Hij zal hen ruïneren,
zijn vuur zal hen verteren.
Het nageslacht dat Hij hun gaf
wordt door die gloed verjaagd,
volkomen weggevaagd.

5. Kwaad dat zij hebben uitgedacht –
het heeft geen kans van slagen.
Uw hand zal hen verjagen.
Verhef U, HEER, groot is uw kracht.
Dan klinkt ons mooiste lied:
uw macht verandert niet.

Laatste nieuws

Nieuwsbrief oktober 2020

Lees meer »

Nieuwsbrief september 2020

Lees meer »

Schatgraven in de psalmen

Lees meer »

Interview Family7

Lees meer »

Steun onze missie

Steun ons werk om de psalmen te herdichten in de taal van nu.

Betaal met iDEAL

of word vriend van Stichting Dicht bij de Bijbel voor € 37,50 per jaar en ontvang een uniek welkomstgeschenk.