Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Ga direct naar psalm

Zoek op tekst:

Zoek op gelegenheid:

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

 

Psalm 141

1. HEER, ik hef naar U beide handen
en roep U om mij bij te staan.
Neem mijn gebed als offer aan,
als wierook die voor U mag branden.

2. HEER, bewaak mijn mond, laat mij weten
wanneer het wijs is dat ik zwijg.
Geef dat ik niet naar onrecht neig,
met slechte mensen niet zal eten.

3. Graag leer ik van eerlijke mensen,
als zij mij straffen is het goed.
Als een slecht mens hetzelfde doet,
blijf ik het beste voor hem wensen.

4. Bijna dood, verspreid en verdreven
ligt heel uw volk al voor het graf.
Mijn oog wend ik niet van U af;
ik schuil bij U, houd mij in leven!

5. HEER, laat mij de val toch ontlopen
door slechte mensen klaargezet.
Verstrik hen in hun eigen net
en houd voor mij een uitweg open.

1. HEER, ik hef naar U beide handen
en roep U om mij bij te staan.
Neem mijn gebed als offer aan,
als wierook die voor U mag branden.

2. HEER, bewaak mijn mond, laat mij weten
wanneer het wijs is dat ik zwijg.
Geef dat ik niet naar onrecht neig,
met slechte mensen niet zal eten.

3. Graag leer ik van eerlijke mensen,
als zij mij straffen is het goed.
Als een slecht mens hetzelfde doet,
blijf ik het beste voor hem wensen.

4. Bijna dood, verspreid en verdreven
ligt heel uw volk al voor het graf.
Mijn oog wend ik niet van U af;
ik schuil bij U, houd mij in leven!

5. HEER, laat mij de val toch ontlopen
door slechte mensen klaargezet.
Verstrik hen in hun eigen net
en houd voor mij een uitweg open.

Tekst: Ria Borkent /Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, ik hef naar U beide handen
en roep U om mij bij te staan.
Neem mijn gebed als offer aan,
als wierook die voor U mag branden.

2. HEER, bewaak mijn mond, laat mij weten
wanneer het wijs is dat ik zwijg.
Geef dat ik niet naar onrecht neig,
met slechte mensen niet zal eten.

3. Graag leer ik van eerlijke mensen,
als zij mij straffen is het goed.
Als een slecht mens hetzelfde doet,
blijf ik het beste voor hem wensen.

4. Bijna dood, verspreid en verdreven
ligt heel uw volk al voor het graf.
Mijn oog wend ik niet van U af;
ik schuil bij U, houd mij in leven!

5. HEER, laat mij de val toch ontlopen
door slechte mensen klaargezet.
Verstrik hen in hun eigen net
en houd voor mij een uitweg open.

1. HEER, ik hef naar U beide handen
en roep U om mij bij te staan.
Neem mijn gebed als offer aan,
als wierook die voor U mag branden.

2. HEER, bewaak mijn mond, laat mij weten
wanneer het wijs is dat ik zwijg.
Geef dat ik niet naar onrecht neig,
met slechte mensen niet zal eten.

3. Graag leer ik van eerlijke mensen,
als zij mij straffen is het goed.
Als een slecht mens hetzelfde doet,
blijf ik het beste voor hem wensen.

4. Bijna dood, verspreid en verdreven
ligt heel uw volk al voor het graf.
Mijn oog wend ik niet van U af;
ik schuil bij U, houd mij in leven!

5. HEER, laat mij de val toch ontlopen
door slechte mensen klaargezet.
Verstrik hen in hun eigen net
en houd voor mij een uitweg open.

Tekst: Ria Borkent /Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux. Gebruik voor deze psalm liednummer 7071330 bij uw rapportage aan CCLi.

Beamsheets

Download hieronder de beamsheets van deze psalm.

Beamsheets witte achtergrond
Beamsheets zwarte achtergrond

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. 'k Roep, HEER', in angst tot U gevloden,
Ai, haast U tot mijn hulp en red;
Hoor naar de stem van mijn gebed,
Daar ik U aanroep in mijn noden.

2. Mijn bee, met opgeheven handen,
Klimm' voor Uw heilig aangezicht,
Als reukwerk, voor U toegericht,
Als offers, die des avonds branden.

3. Zet, HEER', een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond,
Opdat ik mij, tot genen stond,
Iets onbedachtzaams laat' ontglippen.

4. Neig' nooit mijn hart tot kwade zaken,
Om tot godd'loosheid mij te spoen,
Met mannen, die verkeerdheid doen;
Laat mij hun lekkernij niet smaken.

5. D'oprechte sla mij zonder vrezen,
Ik reken zulks weldadigheid;
En zijn bestraffing, die niet vleit,
Zal olie op mijn schedel wezen.

6. Dat slaan zal mij het hoofd niet breken;
'k Zal, door dat liefdeblijk vermaakt,
Als een uit hen in rampspoed raakt,
Te vuur'ger om zijn redding smeken.

7. 'k Heb hunne rechters vrij gelaten;
De rots getuigt; elk heeft gehoord,
Hoe aangenaam mijn vriend'lijk woord
Was ingericht tot die mij haten.

8. Men heeft ons wreed vaneen gereten,
Verstrooid als beend'ren aan het graf,
Als iets, waar niemand acht op gaf,
Gekloofd, verdeeld, en weggemeten.

9. Doch op U zien mijn schreiend' ogen;
Op U betrouw ik in 't verdriet.
Verlaat, ontbloot mijn ziel toch niet,
O HEER', o eeuwig Alvermogen.

10. Bewaar mij voor 't geweld der strikken,
Die tot mijn val mij zijn gelegd,
Door hen, die wars van 't heilig recht,
Het boze doen all' ogenblikken.

11. Dat, die godd'loos zijn sidd'rend vrezen,
Elk hunner in zijn garen vall',
Totdat ik onverhinderd zal
Voorbijgegaan en veilig wezen.

1. Ik roep U, Heer, aan in nood niet klein,
Haast U genadelijk tot mij;
Open mij nu Uw oren vrij,
Dewijl ik roepe tot U allein.

2. Tot U klimme mijn gebed gemein,
Evenals van reukwerk zeer zoet;
Mijn handen gestrekt in ootmoed,
Ontvang als een spaad' offer zeer rein.

3. Houd altijd o Heer, toe mijnen mond;
Regeer ook mijn lippen nu meer;
Dat niets kwaads tot Uwer oneer
Daaruit komme tot eniger stond.

4. Neig mijn harte niet tot stukken loos,
Dat ik niet en hebbe te doen
Met de mensen in boosheid koen,
En niet en smake haren roof boos.

5. Dat mij de vrome vermaan eenpaar,
Ik wil 't vriendelijk dulden fijn;
Zulks zal mij op mijn hoofd ook zijn
Als een balsem liefelijk en klaar.

6. Maar zeer haast zal ik zien onverwacht
De godd'lozen in zulk ellend',
Dat ik voor hen nog in het end
Zal God moeten bidden met aandacht.

7. Als haar overheren boos en fel
Van bovenaf worden gestoord,
Dan worden mijn woorden gehoord,
Als die goed zijn en gesproken wel.

8. Gelijk 't hout en steen zijn uitgespreid,
Als men ze klieft en breekt zeer klein,
Alzo zijn onz' benen gemein
Omtrent onze graven uitgebreid.

9. O Heer! in mijn lijden en verdriet
Tot U hef ik mijn ogen vrij;
Mijn troost en mijn hope zijt Gij,
En laat mijn harte versagen niet.

10. Hoed mij, dat ik niet worde gevaan
In de strikken mij voorgesteld;
En met banden niet zij gekweld,
Die mij de bozen stedes voorslaan.

11. Zij moeten zelve wezen verstrikt
In haar eigen netten al t' zaam;
Opdat ik gezond en bekwaam,
Daarvan vrij zij en worde verkwikt.

1. U, Heer, roep ik, U geldt mijn smeken,
snel mij te hulp en hoor mij aan,
U roep ik, wil mij gadeslaan,
laat mij uw bijstand niet ontbreken.

2. Laat, Heer, mijn gebed en mijn handen
geheven zijn, tot U gericht
als reukwerk voor uw aangezicht,
als offers die des avonds branden.

3. Doe mij, Heer, te rechter tijd zwijgen,
laat mij niet spreken zonder grond,
bewaak de deuren van mijn mond,
laat niet mijn hart tot kwaad zich neigen.

4. Laat, o Heer mijn hart zich niet hechten
aan 't laag bedrijf van boos gespuis,
laat mij niet eten in hun huis
van hun verleid'lijke gerechten.

5. Slaat men mij in trouw aan de Here,
als olie op mijn hoofd zal 't zijn,
een liefdedaad, een zoete pijn
waarvan ik mij niet af zal keren.

6. Onder 't lijden zal ik nog bidden.
Gestrenge rechters, hard als steen,
Gij oordeelt hen. Ik spreek alleen
lieflijke woorden in hun midden.

7. Evenals men bij 't openbreken
der aarde 't puin terzijde gooit,
ligt ons gebeente wijd verstrooid
tussen de graven te verbleken.

8. Zo aan dood en graf prijsgegeven
hef ik tot U mijn smachtend oog,
ik schuil bij U: trek mij omhoog,
verzamel weer mijn vege leven.

9. Hoed mij voor de strik die zij spanden,
de val door bozen opgezet.
Laat zelf hen vallen in hun net
en mij ontkomen aan hun handen.

1. U, Heer, roep ik, U geldt mijn smeken,
snel mij te hulp en hoor mij aan,
U roep ik, wil mij gadeslaan,
laat mij uw bijstand niet ontbreken.

2. Laat, Heer, mijn gebed en mijn handen
geheven zijn, tot U gericht
als reukwerk voor uw aangezicht,
als offers die des avonds branden.

3. Doe mij, Heer, te rechter tijd zwijgen,
laat mij niet spreken zonder grond,
bewaak de deuren van mijn mond,
laat niet mijn hart tot kwaad zich neigen.

4. Laat, o Heer mijn hart niet hechten
aan 't laag bedrijf van boos gespuis,
laat mij niet eten in hun huis
van hun verleidlijke gerechten.

5. Slaat men mij in trouw aan de Here,
als olie op mijn hoofd zal 't zijn,
een liefdedaad, een zoete pijn
waarvan ik mij niet af zal keren.

6. Onder 't lijden zal ik nog bidden.
Gestrenge rechters, hard als steen,
Gij oordeelt hen. Ik spreek alleen
lieflijke woorden in hun midden.

7. Evenals men bij 't openbreken
der aarde 't puin terzijde gooit,
ligt ons gebeente wijd verstrooid
tussen de graven te verbleken.

8. Zo aan dood en graf prijsgegeven
hef ik tot U mijn smachtend oog,
ik schuil bij U: trek mij omhoog,
verzamel weer mijn vege leven.

9. Hoed mij voor de strik die zij spanden,
de val door bozen opgezet.
Laat zelf hen vallen in hun net
en mij ontkomen aan hun handen.

Bijbelteksten

Het uitgangspunt van De Nieuwe Psalmberijming is de Hebreeuwse grondtekst, niet een specifieke vertaling.

Ter referentie vindt u hieronder de links naar de tekst van de psalm in diverse Nederlandse vertalingen.