Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Ga direct naar psalm

Zoek op tekst:

Zoek op gelegenheid:

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

 

Psalm 55

1. Luister, mijn God, naar mijn gebeden.
Ik heb al veel te lang geleden.
Keer eindelijk mijn lot ten goede.
De vijand scheldt, gebruikt geweld.
Steeds als hij dreigt en kansen krijgt
voel ik zijn haat en blinde woede.

2. Door grote angst ben ik bevangen
en in mij leeft een sterk verlangen
met vleugels op te kunnen stijgen,
hoog in de lucht: een duif die vlucht
naar de woestijn, om vrij te zijn;
ver weg van hen die mij bedreigen.

3. Heer, U kunt hun geweld doorbreken;
verwar hun denken en hun spreken.
De stad, haar pleinen en haar muren,
zijn het terrein van leed en pijn:
terreur op straat van vroeg tot laat.
Hoelang nog zal die rampspoed duren?

4. Werd ik gehoond door wie mij haten,
het zou me onverschillig laten.
Maar jij was het, op wie ik bouwde,
mijn beste vriend, nu nietsontziend.
Ooit, een van geest, vierden we feest.
Jij was de man die ik vertrouwde.

5. Laat ze maar boeten, maar betalen;
laat ze maar in de grafkuil dalen.
Ze zijn een werktuig van het kwade.
Maar ik, ik klaag bij God vandaag,
op wie ik wacht bij dag en nacht.
Hij geeft mij redding en genade.

6. Mijn tegenstanders zijn met velen,
toch mag ik in Gods vrede delen.
Hij geeft mij antwoord op mijn klagen.
Mijn vijand groet mij honingzoet;
zijn gladde praat verhult zijn haat.
Maar God vaagt weg wie mij belagen.

7. Laat God de HEER je lasten dragen.
Hij helpt wie om verlichting vragen,
houdt overeind wie op Hem bouwen.
Wie haat verspreidt sterft voor zijn tijd.
Een moordenaar – God straft hem zwaar.
Maar ik, ik blijf op Hem vertrouwen.

1. Luister, mijn God, naar mijn gebeden.
Ik heb al veel te lang geleden.
Keer eindelijk mijn lot ten goede.
De vijand scheldt, gebruikt geweld.
Steeds als hij dreigt en kansen krijgt
voel ik zijn haat en blinde woede.

2. Door grote angst ben ik bevangen
en in mij leeft een sterk verlangen
met vleugels op te kunnen stijgen,
hoog in de lucht: een duif die vlucht
naar de woestijn, om vrij te zijn;
ver weg van hen die mij bedreigen.

3. Heer, U kunt hun geweld doorbreken;
verwar hun denken en hun spreken.
De stad, haar pleinen en haar muren,
zijn het terrein van leed en pijn:
terreur op straat van vroeg tot laat.
Hoelang nog zal die rampspoed duren?

4. Werd ik gehoond door wie mij haten,
het zou me onverschillig laten.
Maar jij was het, op wie ik bouwde,
mijn beste vriend, nu nietsontziend.
Ooit, een van geest, vierden we feest.
Jij was de man die ik vertrouwde.

5. Laat ze maar boeten, maar betalen;
laat ze maar in de grafkuil dalen.
Ze zijn een werktuig van het kwade.
Maar ik, ik klaag bij God vandaag,
op wie ik wacht bij dag en nacht.
Hij geeft mij redding en genade.

6. Mijn tegenstanders zijn met velen,
toch mag ik in Gods vrede delen.
Hij geeft mij antwoord op mijn klagen.
Mijn vijand groet mij honingzoet;
zijn gladde praat verhult zijn haat.
Maar God vaagt weg wie mij belagen.

7. Laat God de HEER je lasten dragen.
Hij helpt wie om verlichting vragen,
houdt overeind wie op Hem bouwen.
Wie haat verspreidt sterft voor zijn tijd.
Een moordenaar – God straft hem zwaar.
Maar ik, ik blijf op Hem vertrouwen.

Tekst: Bob Vuijk

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Luister, mijn God, naar mijn gebeden.
Ik heb al veel te lang geleden.
Keer eindelijk mijn lot ten goede.
De vijand scheldt, gebruikt geweld.
Steeds als hij dreigt en kansen krijgt
voel ik zijn haat en blinde woede.

2. Door grote angst ben ik bevangen
en in mij leeft een sterk verlangen
met vleugels op te kunnen stijgen,
hoog in de lucht: een duif die vlucht
naar de woestijn, om vrij te zijn;
ver weg van hen die mij bedreigen.

3. Heer, U kunt hun geweld doorbreken;
verwar hun denken en hun spreken.
De stad, haar pleinen en haar muren,
zijn het terrein van leed en pijn:
terreur op straat van vroeg tot laat.
Hoelang nog zal die rampspoed duren?

4. Werd ik gehoond door wie mij haten,
het zou me onverschillig laten.
Maar jij was het, op wie ik bouwde,
mijn beste vriend, nu nietsontziend.
Ooit, een van geest, vierden we feest.
Jij was de man die ik vertrouwde.

5. Laat ze maar boeten, maar betalen;
laat ze maar in de grafkuil dalen.
Ze zijn een werktuig van het kwade.
Maar ik, ik klaag bij God vandaag,
op wie ik wacht bij dag en nacht.
Hij geeft mij redding en genade.

6. Mijn tegenstanders zijn met velen,
toch mag ik in Gods vrede delen.
Hij geeft mij antwoord op mijn klagen.
Mijn vijand groet mij honingzoet;
zijn gladde praat verhult zijn haat.
Maar God vaagt weg wie mij belagen.

7. Laat God de HEER je lasten dragen.
Hij helpt wie om verlichting vragen,
houdt overeind wie op Hem bouwen.
Wie haat verspreidt sterft voor zijn tijd.
Een moordenaar – God straft hem zwaar.
Maar ik, ik blijf op Hem vertrouwen.

1. Luister, mijn God, naar mijn gebeden.
Ik heb al veel te lang geleden.
Keer eindelijk mijn lot ten goede.
De vijand scheldt, gebruikt geweld.
Steeds als hij dreigt en kansen krijgt
voel ik zijn haat en blinde woede.

2. Door grote angst ben ik bevangen
en in mij leeft een sterk verlangen
met vleugels op te kunnen stijgen,
hoog in de lucht: een duif die vlucht
naar de woestijn, om vrij te zijn;
ver weg van hen die mij bedreigen.

3. Heer, U kunt hun geweld doorbreken;
verwar hun denken en hun spreken.
De stad, haar pleinen en haar muren,
zijn het terrein van leed en pijn:
terreur op straat van vroeg tot laat.
Hoelang nog zal die rampspoed duren?

4. Werd ik gehoond door wie mij haten,
het zou me onverschillig laten.
Maar jij was het, op wie ik bouwde,
mijn beste vriend, nu nietsontziend.
Ooit, een van geest, vierden we feest.
Jij was de man die ik vertrouwde.

5. Laat ze maar boeten, maar betalen;
laat ze maar in de grafkuil dalen.
Ze zijn een werktuig van het kwade.
Maar ik, ik klaag bij God vandaag,
op wie ik wacht bij dag en nacht.
Hij geeft mij redding en genade.

6. Mijn tegenstanders zijn met velen,
toch mag ik in Gods vrede delen.
Hij geeft mij antwoord op mijn klagen.
Mijn vijand groet mij honingzoet;
zijn gladde praat verhult zijn haat.
Maar God vaagt weg wie mij belagen.

7. Laat God de HEER je lasten dragen.
Hij helpt wie om verlichting vragen,
houdt overeind wie op Hem bouwen.
Wie haat verspreidt sterft voor zijn tijd.
Een moordenaar – God straft hem zwaar.
Maar ik, ik blijf op Hem vertrouwen.

Tekst: Bob Vuijk

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux. Gebruik voor deze psalm liednummer 7124293 bij uw rapportage aan CCLi.

Beamsheets

Download hieronder de beamsheets van deze psalm.

Beamsheets witte achtergrond
Beamsheets zwarte achtergrond

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. O God, neem mijn gebed ter oren;
Gij, die 't geroep Uws volks wilt horen,
Verberg U niet voor al mijn smeken!
Verhoor mij, HEER', geef gunstig acht,
Op mijn misbaar en jammerklacht,
Waarin de nood mij uit doet breken.

2. 't Geroep des vijands doet mij beven,
Ik word door angst en schrik gedreven,
En fel geperst door goddelozen.
Men schuift op mij, met snood beleid,
Een last van ongerechtigheid.
Hoe vinnig treft de wraak dier bozen!

3. Mijn hart voelt ween en bange nepen;
De doodschrik heeft mij aangegrepen.
De vrees heeft mijne ziel bevangen.
Een kille beving komt mij aan,
En sidd'ring doet mijn leden slaan.
Dies roep ik uit met sterk verlangen:

4. "Och gaf mij iemand duivenvleug'len!
Gewis, mijn drift waar' niet te teug'len.
Ik vloog, tot waar ik kon verwachten
Mijn veiligheid, waar 't ook mocht zijn:
In 't barste zelfs der zandwoestijn,
Waar ik in stilte zou vernachten."

5. Welhaast had ik de vlucht genomen,
Om dezen wind, deez' storm t' ontkomen.
O HEER', laat hen Uw vuur verslinden,
Verdeel hun tong, verwar hun spraak,
Want twist en wrevel, haat en wraak
Zijn in de stad alom te vinden.

6. Bij dag, bij nacht, ja, t' aller uren,
Omringen die haar op haar muren.
Geen recht, geen onschuld kan er baten;
Maar binnen in haar heerst de twist,
Het wreed verderf, de snode list.
't Bedrog wijkt nimmer van haar straten.

7. Zag ik mij door een vijand jagen,
Dan kon, dan zou ik dit verdragen;
Maar 't was mijn hater niet voor dezen,
Die tegen mij zich thans verheft;
'k Had anders wel 't gevaar beseft,
En zou voor hem verborgen wezen.

8. Neen, gij, gij zijt het, dien ik eerde,
Dien ik, gelijk mij zelf, waardeerde;
Met wien 'k gemeenzaam placht te hand'len:
Mijn leidsman, met mij eensgezind,
Met wien ik raadpleegd', als mijn vrind,
En samen naar Gods huis mocht wand'len.

9. Dat hen de dood als schuldheer velle
En levend stort' in 't diepst der helle;
Want boosheid huisvest in de harten
En tenten van dit boze rot.
Maar ik zal roepen tot mijn God,
Die mij zal redden uit mijn smarten.

10. God zal mij horen, en hen plagen,
Die God, die reeds van oude dagen,
Als rechter zat, om 't kwaad te weren;
Dewijl dit volk, der tucht ontwend,
In 't minste geen verand'ring kent,
En God noch vrezen wil, noch eren.

11. Zo zacht als olie is zijn spreken;
Maar spies noch zwaard kan scherper steken.
Mijn ziel, God zal u onderhouden;
Werp uwe zorgen op den HEER'
Zijn trouwe gunst duldt nimmermeer,
Dat die Hem vrezen, wank'len zouden.

12. Gij, HEER', Gij zet den bozen palen,
En zult hen doen ten afgrond dalen.
Wie op bedrog zijn hoop wil bouwen,
En dorst naar bloed, dien kort Uw straf
De helft van zijne dagen af;
Maar ik, ik zal op U vertrouwen.

1. O Heer, wil mijn gebed verhoren,
Keer niet van mijn smeken Uw oren,
Dat ik U, o God, doe gestadig.
Zie mij toch aan, hoor mijn gewag;
Want ik zucht en doe mijn geklag;
Tot U schrei ik, wees mij genadig.

2. Mijn haters mij dreigen en plagen
Met de bozen, die mij najagen;
Haar giftig hart, vol loze treken,
Op mijn schade naarstig bedenkt,
Ik ben van hen vervolgd, gekrenkt;
Haar gemoed is met toorn ontsteken.

3. Mijn hart is vol van angst en beven,
Vol dood'lijke vrees is mijn leven,
Ik ben verbaasd en zeer verslagen:
Met schrikken en benauwdheid groot
Ben ik nu bedekt in den nood;
Dies moet ik U, Heer, alzo klagen:

4. Och! of mij vleugelen toekwamen,
Als duifkens die daar vliegen t' zamen!
Opdat ik nu mocht weggeraken
En haast ergens wel bevrijd zijn;
Ik zou vliegen in een woestijn
Ende daar mijnen leger maken.

5. Ik zou mij haast verzien ter zijden,
En voor dezen stormwind mij vrijden,
Totdat hij waar voorbij gegleden.
Maak Heer, oneens haar tongen snel,
Verderf ze; want van geweld fel,
En van onrecht zijn vol haar steden.

6. Moedwillig geweld t' allen stonden,
Is binnen haar muren gevonden;
Moeit', arbeid en al zulke werken,
Onrecht en ook grote boosheid,
Liegen, bedriegen, listigheid,
Heersen bij hen, zo men kan merken.

7. Waar 't dat mijn vijand, dien ik kende,
Mij vervolgd' en mij alzo schende;
Of dat, die mij merk'lijk benijden,
Mij benauwden; ik zou 't voorwaar
Beter lijden, of hier of daar
Voor hen mij bergen en hen mijden.

8. Maar gij, die alleen pleegt te wezen
Mijn gezel en vriend uitgelezen;
Die mij waart lief en aangename,
En wist bovendien mijn secreet.
Wij wandelden fijn met bescheed;
Ja gingen in Gods huis te zamen.

9. De dood moet z' al haastelijk halen,
En dat ze ook levende dalen
Ter helle; want onrecht en schade
Woont onder deze boze rot;
Maar ik aanroepe mijnen God,
Die mij beschermt door Zijn genade.

10. Des morgens vroeg voor den daag'rade,
's Middags en ook des avonds spade,
Bid ik God en Hij zal mij horen,
En ik zal door Hem zijn bevrijd
Van dezen voorgestelden strijd,
En van hen al, die mij verstoren;

11. D' onwankelbare God genadig,
Wiens rijk eeuwiglijk blijft gestadig,
Zal ze straffen van hare zonden;
Want zij God niet en vrezen gaar,
Maar zijn verhard, verstokt voorwaar
In haar ergheid en loze vonden.

12. Des schalks handen staan met verlangen,
Om zijnen vriend listig te vangen;
Tegen 't geen dat hij heeft gezworen,
Zijn woorden zijn als boter zoet;
Nochtans neemt hij in zijn gemoed
Niet dan twist en onvrede voren.

13. Zijn woorden zijn zoet t' allen tijden
Als olie, maar nochtans zij snijden;
Als zwaarden scherp zijn zij geraden.
Werp uw zorg op God, zo zal Hij
U helpen en niet dulden vrij,
Dat gij met onrust wordt beladen.

14. Gij zult de bozen, Heer almachtig,
In den kuil diep werpen zeer krachtig;
De bloeddorstige wrede honden
Komen voorwaar tot de helft niet
Harer dagen, alzo men ziet;
Maar ik hoop op God t' allen stonden.

1. God, laat mij smekend tot U treden,
verberg U niet voor mijn gebeden,
maar geef mij antwoord op mijn zuchten!
Zie mij gebukt door 's vijands druk;
hij stort mij in het ongeluk
en ik kan nergens hem ontvluchten.

2. Ik zit verschrikt ineengedoken,
de doodsangst heeft mijn hart bekropen,
de boosheid weet mij wel te vinden.
O kon ik als de duiven zijn
en in het diepst van de woestijn
wegschuilen voor de wilde winden.

3. Verwar hen, Heer, die met hun woorden
de vrede van de stad verstoorden.
Die dag en nacht, te allen ure,
vol onrecht en verdrukking zijn,
arglistig fluist'rend op het plein
en spiedend rondgaan op de muren.

4. Was het een vijand die mij tergde,
ik zou mij zwijgende verbergen,
maar gij, mijn vriend, mijn evennaaste,
met wie ik opging naar Gods huis
en vrolijk was bij feestgedruis,
wat deed g' u tegen mij te plaatsen?

5. Bozen van hart, u moge allen
de vloek des hemels overvallen,
dat leven u tot dood gedije!
Maar ik, ik roep tot God de Heer.
Als ik mij kreunend tot Hem keer
zal Hij mij horen en bevrijden.

6. O Heer, van al wie mij bestreden
verlost Gij nu mijn ziel in vrede!
Gij zijt het die ze neer zult stoten,
de schenders van het trouwverbond,
die uit de schede van hun mond
de dolk van het verraad ontblootten.

7. O, werp nu op de Heer uw zorgen!
Wie recht doet blijft in Hem geborgen
en zal niet dalen ten verderve,
maar mannen van bedrog en bloed
die zullen in hun overmoed
in 't midden van hun dagen sterven.

1. O God, neem mijn gebed ter ore,
wil naar mijn bange smeking horen,
sla acht op mij, wil antwoord geven.
Bang zwerf ik rond, door hoon gewond.
De vijand scheldt en pleegt geweld.
In toorn belagen zij mijn leven.

2. Mijn hart krimpt, Heer, in doodsangst samen,
omdat de bozen kwaad beramen.
Ik word bestookt van alle zijden,
mijn vrees is groot in al mijn nood,
elk ogenblik beef ik van schrik,
mij overstelpen angst en lijden.

3. Kon iemand mij maar vleugels geven,
dan vloog ik heen, 'k verborg mijn leven.
Ik vluchtte weg om rust te vinden,
liet de woestijn mijn woonplaats zijn,
de wildernis waar 't veilig is,
een wijkplaats tegen storm en winden.

4. Verwar hun spraak, verdeel hen, Here,
laat niet de stad door hen regeren.
Geweld en twist zijn op haar muren,
op plein en straat heerst enkel kwaad,
bedriegerij voert heerschappij,
verdrukking moet zij steeds verduren.

5. Was het een vijand die mij smaadde,
van hem verdroeg ik wel het kwade,
maar 't is mijn vriend, die ik vertrouwde.
Wij prezen saam Gods grote naam
bij 't feestgedruis in 's Heren huis.
Het is de man op wie ik bouwde.

6. Laat dood en oordeel hen verdelgen,
het rijk der doden hen verzwelgen.
Sla wie zich boven mij verheffen.
Want in hun huis is boosheid thuis,
hun hart is slecht, aan 't kwaad gehecht.
Moge de vloek hen levend treffen.

7. Ik roep mijn God aan al mijn dagen,
Hij luistert naar mij in mijn klagen.
Want Hij verlost en geeft mij vrede.
Van zware strijd word ik bevrijd.
Hij geeft mij kracht, zodat de macht
van velen mij niet zal vertreden.

8. God troont van oudsher, Hij doet allen
die onbekeerlijk zijn, eens vallen.
De boze breekt al zijn verbonden,
tot kwaad gereed schendt hij zijn eed,
zijn hart zoekt strijd, zijn tong misleidt
en is een zwaard om te verwonden.

9. Werpt op Here al uw zorgen:
uw leven is bij Hem geborgen.
Hij zal de zijnen staande houden.
Hij die u schraagt, uw leven draagt,
laat nimmer toe, wat men ook doe,
dat wie Hem vrezen wanklen zouden.

10. Maar, God, uw oordeel zal hen treffen
die zich op hun bedrog verheffen.
Geen levensavond zal aanschouwen
wie bloed vergiet, geen mens ontziet,
want U vergeldt al hun geweld.
Ik echter zal op U vertrouwen.

Bijbelteksten

Het uitgangspunt van De Nieuwe Psalmberijming is de Hebreeuwse grondtekst, niet een specifieke vertaling.

Ter referentie vindt u hieronder de links naar de tekst van de psalm in diverse Nederlandse vertalingen.