Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Ga direct naar psalm

Zoek op tekst:

Zoek op gelegenheid:

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

 

Psalm 56

De nieuwe psalmberijming

1. Mijn God, de vijand drijft mij in het nauw.
Hij is naar mij op jacht voor dag en dauw.
Totdat de avond valt is hij in touw
om tegen mij te strijden.
Ik ben zo bang, God, kom toch tussenbeide!
Wie kan mij dan nog langer laten lijden?
Ik prijs uw woord, want U zult mij bevrijden,
mijn God, die ik vertrouw.

2. Hun woorden krenken mij de hele dag.
Ik ben het mikpunt van hun hoongelach.
Wanhopig ben ik: door hun wangedrag
kan ik geen stap meer zetten.
Om mij te vangen spannen zij hun netten.
Ze zitten op hun post op mij te letten.
U maakt met hen, God, toch wel korte metten?
Geef de genadeslag!

3. U kent mijn zwerftocht door het hele land.
U vangt, wanneer verdriet mij overmant,
mijn tranen in uw kruik - met eigen hand
hebt U ze opgeschreven.
U hebt aan mijn geroep gehoor gegeven:
de vijand vluchtte, U hebt hem verdreven.
Dit weet ik: U geeft ruimte om te leven.
God, U staat aan mijn kant.

4. Ik prijs uw woord, dat altijd vast zal staan.
Ik prijs U, God, voor wat U hebt gedaan.
Ik ben niet bang meer, wie doet mij iets aan?
Mijn dank wil ik betalen!
Bevrijd door U kan ik weer ademhalen.
U wijst de weg, ik kan niet meer verdwalen.
Uw licht zal in mijn leven blijven stralen.
Met U, God, mag ik gaan.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Mijn God, de vijand drijft mij in het nauw.
Hij is naar mij op jacht voor dag en dauw.
Totdat de avond valt is hij in touw
om tegen mij te strijden.
Ik ben zo bang, God, kom toch tussenbeide!
Wie kan mij dan nog langer laten lijden?
Ik prijs uw woord, want U zult mij bevrijden,
mijn God, die ik vertrouw.

2. Hun woorden krenken mij de hele dag.
Ik ben het mikpunt van hun hoongelach.
Wanhopig ben ik: door hun wangedrag
kan ik geen stap meer zetten.
Om mij te vangen spannen zij hun netten.
Ze zitten op hun post op mij te letten.
U maakt met hen, God, toch wel korte metten?
Geef de genadeslag!

3. U kent mijn zwerftocht door het hele land.
U vangt, wanneer verdriet mij overmant,
mijn tranen in uw kruik - met eigen hand
hebt U ze opgeschreven.
U hebt aan mijn geroep gehoor gegeven:
de vijand vluchtte, U hebt hem verdreven.
Dit weet ik: U geeft ruimte om te leven.
God, U staat aan mijn kant.

4. Ik prijs uw woord, dat altijd vast zal staan.
Ik prijs U, God, voor wat U hebt gedaan.
Ik ben niet bang meer, wie doet mij iets aan?
Mijn dank wil ik betalen!
Bevrijd door U kan ik weer ademhalen.
U wijst de weg, ik kan niet meer verdwalen.
Uw licht zal in mijn leven blijven stralen.
Met U, God, mag ik gaan.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm (opent in nieuw tabblad)

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux. Gebruik voor deze psalm liednummer 7071273 bij uw rapportage aan CCLi.

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Gena, o God, bescherm mij door Uw hand.
Zie, hoe ik ben omringd aan allen kant.
Zie, hoe de mens zijn boze netten spant,
Om mij daarin te jagen.
Den gansen dag is 't oog op mij geslagen;
Zijn list legt mij op al mijn wegen lagen;
Zijn macht vergroot mijn ongeluk en plagen;
Ontroert mijn ingewand.

2. Maar word' ik ooit met bange vrees belaan,
Dan zal op U mijn vast betrouwen staan.
Ik prijs in God Zijn woord; ik steun voortaan
Op Hem; zou vlees mij deren?
Ik vrees hen niet, die mijne smart vermeren;
Mij, dag op dag, door lastertaal onteren
Mijn woorden in een valsen zin verkeren;
Arglistig mij verraan.

3. Zij rotten saam, en houden bozen raad,
Terwijl mij elk in 't heim'lijk gadeslaat,
Mijn schreden volgt, en mij naar 't leven staat;
Door ramp noch klacht bewogen.
Zoudt Gij, o God, nog met Uw heilig' ogen,
Hun boosheid zien, en straffeloos gedogen?
Neen ; stort hen neer door Uw geducht vermogen.
Uw gramschap straff' hun kwaad.

4. Gij weet, o God, hoe 'k zwerven moet op aard';
Mijn tranen hebt G' in Uwe fles vergaard.
Is hun getal niet in Uw boek bewaard,
Niet op Uw rol geschreven?
Gewis, dan zal mijn wreev'le vijand beven,
En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven.
Dit weet ik vast; God zal mij nooit begeven;
Niets maakt mijn ziel vervaard.

5. Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord;
Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.
'k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord;
Wat sterv'ling zou mij schenden?
Ik heb beloofd, wanneer G' in mijn ellenden
Mij bijstand boodt, en 't onheil af zoudt wenden;
Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden,
Door ijver aangespoord.

6. Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood;
Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot;
Gij zijt voor mij een schild in allen nood;
Gij hebt mijn smart verdreven.
Uw dierb're gunst is m' altoos bijgebleven.
'k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven.
Zo word' door mij Zijn Naam altoos verheven;
Zo word' Zijn lof vergroot.

1. Ontferm U mijns, die nu benauwd ben zeer;
Want ik ben schier half verslonden, ja meer,
Van den schalk die mij belegert, o Heer,
Die mij steeds wil bestrijden.
Mijn vijanden schenden mij met verblijden;
Veel zijn daar mij tegen aan alle zijden;
Maar als mij, Heer, vreze kwelt in mijn lijden,
Tot U zal ik dan gaan.

2. Ik zal God lofzangen zingen voortaan
Van Zijn beloft' en op Hem zal ik staan;
Zo kan mij niet doen vrezen noch verslaan,
Wat de mensen voorstellen.
Mijn woorden al verkeren deez' gezellen;
't Voornaamste daarvan, dat ze zamen rellen,
Is hoe zij mij plagen zullen en kwellen,
Met al haar sterkt' en kracht.

3. Zij rotten zaam met geweld onbedacht.
Zij loeren en bespieden dag en nacht
Mijn gangen, en zoeken in hare macht
Te hebben mijn ziel reine.
Op haar listigheid staat haar hoop alleine,
Zij menen daardoor t' ontkomen gemeine;
Maar Gij, Heere, door Uw straffe niet kleine,
Dezulken toch verslaat.

4. Gij hebt geteld mijn vluchten vroeg en spaad';
In een flesse mijn tranen Gij ontvaat;
Mijn lijden, mijn benauwdheid ende smaad,
Hebt Gij, Heer, opgeschreven.
Als ik U bidde, zo lopen en beven
Mijn vijanden, zijnde van U verdreven;
Dit's zeker, want door U, o God verheven,
Zal ik wezen bevrijd.

5. Gods beloften roem ik breed ende wijd,
Dies zal ik Hem loven, zijnde verblijd;
Want Hij zal mij geven, na dezen tijd.
Wat Hij belooft waarachtig.
Mijn hope staat op mijnen God almachtig;
Ik vreze geen listen der mensen krachtig
Maar ik heb Heer, mijn beloften eendrachtig,
U gedaan met ootmoed.

6. Dies zal ik betalen haast met der spoed
En U prijzen, zo Gij waard zijt, Heer goed;
Omdat Gij mij genadiglijk behoedt
Voor den val, zonder sterven.
Gij bewaart mij voor 't schandelijk verderven;
Dies wandel ik met dat volk Uwer erven
Voor U, ja met hen, die Gij laat verwerven
O Heer! Uw klaarheid zoet.

1. Wees mij genadig, Heer, want een geweld
van vijanden staat rondom opgesteld
om, als ik machteloos lig neergeveld,
over mij heen te lopen.
Maar altoos als de angst mij heeft bekropen,
geprezen zij Gods woord dat mij doet hopen!
Wat zou een mens mij doen als ik kan roepen;
de Here is mijn held!

2. Mijn woord verleugenen zij voor en na,
scheppen hun vreugde in mijn schand' en scha,
leggen mij hinderlagen waar ik ga
en loeren op mijn leven.
Maar treft het kwaad niet, wie het kwaad bedreven?
Zal niet wie doodt, zichzelf de doodsteek geven?
Stort, God, de volken die voor U niet beven
neer in uw ongena!

3. Gij hebt mijn omzwerving te boek gesteld
en al de tranen, in mijn oog geweld,
bijeengegaard en in uw boek geteld:
alles ligt voor U open.
Geprezen zij Gods woord dat mij deed hopen!
Mijn vijanden zijn haastig afgedropen.
Wat zou een mens mij doen als ik kan roepen;
De Here is mijn held!

4. Geloften heb ik toegezegd, mijn God,
U die van aanstoot hebt verlost mijn voet,
laat mij nu voor de redding van de dood
lofoffers U betalen.
Geprezen zijt Gij, Heer, die telkenmale
de zon van uw gelaat voor mij deed stralen,
dat ik mag wandelen en ademhalen
in 't licht dat leven doet!

1. Ontferm U, God, zij maken op mij jacht.
Bestrijders jagen op mij dag en nacht,
vertrappen mij met heel hun overmacht.
Zie hoe zij mij benauwen.
In 't bangste uur blijf ik toch op U bouwen.
Ik vrees hen niet, want God is mijn betrouwen.
Ik zal op Hem, wiens woord ik prijs, vertrouwen.
Wat baat dan mensenkracht?

2. De hele dag verdraait men wat ik zeg.
Zij spannen saam in duister overleg,
bespieden zelfs mijn schreden op de weg,
zij loeren op mijn leven.
Zult U, o God, aan hen ontkoming geven?
Stort in uw toorn terneer wie U weerstreven,
de volkeren die zoveel kwaad bedreven,
stoot hen voor altijd weg.

3. Mijn ballingschap hebt U te boek gesteld,
laat in uw kruik mijn tranen zijn geteld.
Mijn vijand wordt, wanneer ik roep, geveld.
Mijn God zal met mij wezen.
Ik loof mijn God, hoe is zijn roem gerezen.
Het woord des Heren wordt door mij geprezen.
'k Vertrouw op God, ik zal geen mensen vrezen.
Wat doet mij hun geweld!

4. Ik heb, o God, geloften U gewijd.
Ik breng het offer van mijn dankbaarheid
en prijs U om uw goedertierenheid,
uw hand kwam mij bevrijden.
Ik zal in 't licht uws aanschijns mij verblijden,
zodat ik U mijn leven kan gaan wijden,
daar U mijn voet bewaarde tegen glijden,
naar 't licht mij hebt geleid.

Bijbelteksten

Het uitgangspunt van De Nieuwe Psalmberijming is de Hebreeuwse grondtekst, niet een specifieke vertaling.

Ter referentie vindt u hieronder de links naar de tekst van de psalm in diverse Nederlandse vertalingen.