Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

UITGANGSPUNTEN DE NIEUWE PSALMBERIJMING

Vooraf: deze uitgangspunten zijn een mengsel van harde eisen, richtlijnen en aanbevelingen. Dit blijkt vanzelf uit de bewoordingen (‘altijd/nooit...’ ‘het is aan te raden...’, ‘bij voorkeur’, ‘let op dat...’).
Voorbeelden zijn cursief gedrukt.

1. Hedendaags Nederlands
2. Rijm en andere dichterlijke zaken
3. Grondtaal
4. Getrouwheid
5. Compactheid
6. Coupletten en vorm
7. Muziek en tekst
8. Hoofdletters en spelling
9. Interpunctie

1. Hedendaags Nederlands
a. Wij streven naar eigentijdse taal, wat iets anders is dan populair taalgebruik.
Het taalgebruik is zo nu en dan plechtstatig, maar eigentijdse/ toegankelijke taal is belangrijk.
Voorbeelden hoe het niet moet: ‘heel erg’, of ‘dit trek ik niet’.

b. Verouderde woorden worden zoveel mogelijk vermeden.
Voorbeelden: ‘welzalig’, ‘goedertieren’, ‘smart’, ‘rei’, ‘onversaagd’.
Een goede graadmeter of een woord voor de hedendaagse Nederlander nog gebruikelijk is, is de woordkeus van de Nieuwe Bijbelvertaling, waar bijvoorbeeld het woord ‘goedertieren’ niet in staat, maar ‘gerechtigheid’ wel.

c. Het woord ‘gij’ met bijbehorende werkwoordvormen wordt niet gebruikt.

d. Als mensen direct worden aangesproken door God of anderen gebruiken we veelal ‘je/jij/jullie’ in plaats van ‘u’. Dit is uiteraard afhankelijk van de context.
Bijvoorbeeld: in Psalm 45 bijvoorbeeld wordt de koning met ‘u’ aangesproken, maar de bruid met ‘jij’.

e. We vermijden typische kerktaal-uitdrukkingen.
Bijvoorbeeld: ‘zijn eer zingen’ of ‘zingen van Hem’ (bedoeld is resp. ‘tot zijn eer zingen’ of ‘zijn grootheid bezingen’ en ‘zingen over Hem’).

f. De Nieuwe Psalmberijming (in het vervolg ‘DNP’) gebruikt principieel géén elisie (weglaten van onbeklemtoonde klinkers).
Bijvoorbeeld: ‘in ‘t spoor’ of ‘kindren van één vader’ of ‘genade_en liefde’.
We doen dit zelfs niet bij een woord als ‘terug’, al wordt dat vaak uitgesproken als ‘trug’. Uitzondering zijn vaste uitdrukkingen als ‘‘s ochtends’, aangezien het juist vreemd en verouderd overkomt om voluit ‘des ochtends’ te zeggen.

g. Het omgekeerde, epenthesis (het toevoegen van onbeklemtoonde lettergrepen), gebruiken we al evenmin.
Bijvoorbeeld: geen ‘weder/neder’ voor ‘weer/neer’ of dergelijke.

h. Verouderde naamvalsvormen worden niet gebruikt.
Bijvoorbeeld: geen ‘der’ en ‘des’ en ‘uwe’.
Een uitzondering zijn vaste uitdrukkingen als ‘’s morgens’, ‘te allen tijde’ en ‘zo zij het’ die tegenwoordig nog gangbaar zijn.

i. De formulering van wensen is een speciaal aandachtspunt, aangezien het moderne Nederlands daar geen vorm meer voor heeft.
Vormen als ‘God zegene u’ zijn soms nodig, maar het gevaar van ouderwetse taal ligt hier op de loer. Dan eerder ‘Moge God u zegen geven’ of iets dergelijks. Zéker gebruiken we geen vormen als ‘Hij brenge’.

j. De uitroep ‘o’, in dichterlijke taal nogal eens voorkomend, wordt slechts met de grootste terughoudendheid gebruikt. Gebruik is echter niet per se uitgesloten, want een hedendaags mens gebruikt het juist nog in een uitroep als ‘o God!’.
Zie bijvoorbeeld ook Psalm 45 waar staat ‘o koning’.

2. Rijm en andere dichterlijke zaken
a. Er wordt uitsluitend volrijm gebruikt (bijvoorbeeld ‘leven/geven’), nooit halfrijm zoals soms in de berijming van 1967 (bijvoorbeeld ‘bekropen/roepen’ in Psalm 56).
Volrijm definiëren wij strikt, als rijm dat voldoet aan:
- gelijkheid van klinkers in de laatste beklemtoonde lettergreep;
- gelijkheid van alle klanken die op de rijmende klinker volgen;
- ongelijkheid van de medeklinkers die aan de rijmende klinker voorafgaan;
- vergelijkbaarheid van de klemtoonstructuur.
(Jaap Bakker, Rijmhandboek).
‘Rijk rijm’ gebruikt DNP dus niet, d.w.z. dat geheel gelijke woorden of woorddelen op elkaar rijmen. Bijvoorbeeld: ‘zijn rijk/is rijk’ of ‘gevaren/ervaren’.

Uitzonderingen: Een slot-n mag wegvallen, als in ‘netten/zette’, aangezien die veelal niet of nauwelijks wordt uitgesproken. Een twijfelgeval is ‘dansen/glanzen’ – dit is akkoord bevonden in Psalm 104. Verder gelden er uitzonderingen voor refreinregels. Hier mag hetzelfde woord als rijmwoord gebruikt worden, zie bijvoorbeeld Psalm 118.

b. Bij vrouwelijk en slepend rijm mag het rijm uit meer dan één woord bestaan
Bijvoorbeeld: ‘dat Hij de trouwe God is/ in wiens hand mijn lot is’.

c. Er wordt zoveel mogelijk vermeden rijmparen te gebruiken die te dicht bij elkaar staan qua betekenis.
Bijvoorbeeld: huis/thuis, macht/kracht, weifelen/twijfelen, rillen/trillen, op en neer/heen en weer, weten/vergeten, etc.

d. We zijn terughoudend in het gebruik van enjambement, ofwel een zin(sdeel) over het regeleinde laten doorlopen. Dit omdat het complicerend werkt bij begrijpen, onthouden en zingen.
Het al dan niet gebruik hangt af van
- de opbouw van de dichtregel. Idealiter staat er aan het eind van een regel met een enjambement een woord dat wat meer nadruk verdient en/of waarachter een natuurlijke rustpauze valt in de zin.
Voorbeeld van hoe het niet moet: ‘Ik word wakker en/vraag me af waar ik toch ben’
- de regellengte; bij Psalm 99 is het onvermijdelijk (5 lettergrepen per regel), bij Psalm 89 (12 per regel) is het niet echt nodig.
- de plaats in het couplet, bij voorbeeld in Psalm 68 is tussen regel 1 en 2 niet zo’n probleem, maar tussen regel 6 en 7 onmogelijk, omdat de melodie daar een nieuw begin aangeeft.

e. De naam van God wordt niet gebruikt ‘ter opvulling’, maar alleen waar deze staat in de grondtekst of waar het zinvol is om deze in te voegen, bijvoorbeeld aan het begin van een nieuw couplet. De Godsnaam weglaten gebeurt alleen als dat de inhoud niet onhelder maakt, zie hieronder bij ‘compactheid’.

f. Als middelen om de taal ‘dicht’ te maken zijn speciaal te noemen assonantie en alliteratie (het laten terugkomen van resp. klinkers en medeklinkers). Bijvoorbeeld ‘Mijn herder is de HEER, zijn hand behoedt mij./ Ik heb genoeg, want...’ (Psalm 23).
Andere middelen zoals stijlfiguren, beeldspraak etc. hebben als nadeel dat ze over het algemeen niet eenvoudig te verenigen zijn met het getrouw weergeven van de grondtekst, of juist al met de grondtekst voorgegeven zijn. Ze zijn echter niet principieel uitgesloten. Het helder weergeven van de psalminhoud staat voorop, maar om de bedoeling ervan weer te geven kan in principe het gehele arsenaal aan stijlmiddelen in stelling gebracht worden dat een dichter ter beschikking staat. Zie ook hieronder bij 'getrouwheid'.

3. Grondtaal
a. Uitgangspunt van de berijming is uiteraard de Hebreeuwse grondtekst.
Dichters die het Hebreeuws niet beheersen vergelijken verschillende Bijbelvertalingen en commentaren om de betekenis en eigenaardigheden van de grondtekst helder te krijgen. Bovendien wordt elke berijming nagezien door verschillende meelezers die het Hebreeuws wel machtig zijn. Zij letten in het bijzonder op overeenstemming met de grondtekst.

b. Het is niet nodig om dezelfde grondwoorden steeds op dezelfde wijze in de berijming te laten terugkeren.
Dus als er steeds ‘wateren’ staat, kan dit ook berijmd worden als ‘zeeën’, ‘het water’, ‘de golven’ etc. al naar de context. Zie het punt ‘getrouwheid’ hieronder.

c. Hebreeuwse woorden als ‘amen’ en ‘halleluja’ kunnen onvertaald worden overgenomen, maar worden andere keren ook vertaald weergegeven (‘zo zij het’, ‘loof de HEER’).

d. Waar in de grondtekst de verbondsnaam staat (JHWH) schrijven wij ‘HEER’. Waar in de grondtekst ‘Adonai’ staat, gebruiken wij de naam ‘Heer’.

e. We gebruiken bij voorkeur de aanduidingen voor de Allerhoogste zoals de onberijmde tekst die geeft. Dus ‘God’ waar ‘God’ staat, ‘HEER’ waar ‘HEER’, etc.

4. Getrouwheid
a. Een belangrijk uitgangspunt bij De Nieuwe Psalmberijming is Bijbelgetrouwheid, waarbij gekozen wordt voor een doeltaalgerichte aanpak. Dit betekent dat ernaar gestreefd wordt om in de berijmingen dezelfde boodschap en emotie weer te geven als in de onberijmde teksten. De woorden ‘dezelfde boodschap’ geven al aan dat het niet gaat om ‘zo letterlijk mogelijk’ (dat zou eerder een vertaling opleveren dan een berijming), maar om de essentie weer te geven van wat er bedoeld is.

b. In sommige gevallen is de brontekst onhelder, zodat zelfs vakkundige exegeten het niet eens kunnen worden over wat er oorspronkelijk bedoeld is. Bijvoorbeeld: bepaalde plaatsen in Psalm 62 en 68. In zo’n geval neemt de dichter kennis van de verschillende mogelijkheden om de tekst op te vatten en maakt hij een keuze voor een bepaalde interpretatie. De gekozen interpretatie dient met minstens één gebruikelijke Nederlandse Bijbelvertaling overeen te komen, om vervreemding bij de gebruikers te voorkomen.

c. Wat betreft Messiaanse interpretaties: het is goed te beseffen dat die er zijn. Bijvoorbeeld: Psalm 2, 45 en 72. In het berijmen hoeft de dichter zich er niet door laten leiden, aangezien zulke psalmen in eerste instantie een aardse koning van Israël bezongen. Het verdient de voorkeur zo te berijmen dat deze interpretatie niet bij voorbaat wordt uitgesloten.

d. Er wordt niet ‘geactualiseerd’, zoals soms ‘Psalmen voor Nu’ doet: de ‘strijdwagens’ uit Psalm 46 werden daar ‘tanks’. Wel worden zaken die erg tijdgebonden overkomen, soms in algemenere termen gevangen, bijvoorbeeld de ‘schild/speer/strijdwagen’ uit genoemde psalm kunnen dan bijvoorbeeld weergeven worden met ‘wapens’.

e. De psalmen staan vol concrete beelden, daarom dient de berijming ook zo concreet en beeldend mogelijk te zijn. DNP berijmt niet ‘de bedoeling van de beelden’ maar de beelden zelf en houdt daarbij uiteraard rekening met welke functie een beeld heeft in het betoog. Een beeld dat vervreemdend werkt, wordt dan minder expliciet verwoord, terwijl er anderzijds een beeld kan worden ingevoegd dat de grondtekst niet heeft (bijvoorbeeld: ‘zal zijn glimlach mij begroeten’, Psalm 42). Hier speelt dichterlijke vrijheid een rol, zie 2.f en 5.g.

f. Soms zijn de psalmdichters niet erg ‘vroom’ in hun uitingen, bijvoorbeeld scherpe klachten en verwijten naar God toe. Deze worden niet al te veel af gevlakt, ze mogen doorklinken.
Bij dit punt is de wijze van verwoorden belangrijk. Bijvoorbeeld ‘help mij!’ vlakt al enigszins af als het berijmd wordt als ‘wil mij helpen’ of ‘kom mij te hulp’. Het moet echter ook niet te platvloers worden, zie 1.a, of de gebruikers afstoten. Dit blijft een lastig evenwicht bij ‘harde’ passages als Psalm 68:23-24.

5. Compactheid
a. De poëtische aanpak van DNP is meestal vrij compact. Dat wil zeggen: De dichters kiezen er liever voor om dingen uit de onberijmde versie samen te vatten en eventueel weg te laten, dan om extra gegevens toe te voegen omwille van het rijm – iets wat in oudere berijmingen nogal eens gebeurt.
E.e.a. laat zich bet best met voorbeelden illustreren. Bij Psalm 46 couplet 2/3 laatste regels voegen de dichters van het Liedboek in ‘Hij wendt ons lot’ om te kunnen rijmen op ‘een vaste burcht is onze God’. Net zo doet de berijming van 1773 in het slot van Psalm 72 ‘de wereld hoor en volg’ mijn zangen/ met amen, amen na’, waar alles behalve ‘amen, amen’ vrije toevoeging is. Zo wil DNP het niet doen.

b. Soms worden dingen weggelaten vanwege deze compactheid, maar het doel moet zijn om de hoofdgedachten van de psalmdichter helder te bewaren. Berijmen is daarom ook altijd exegetiseren: wat wil deze psalm zeggen? Wat is centraal, wat is perifeer?

c. Belangrijk punt bij het voorgaande: in de psalmen wordt vaak parallellisme aangetroffen, d.w.z. dat hetzelfde tweemaal wordt gezegd in andere woorden. Bijvoorbeeld ‘loof de HEER, alle volken / prijs Hem, alle naties’ (Psalm 117). Dit wordt niet altijd 'dubbel' berijmd. De herhaling is namelijk een Hebreeuws stijlmiddel, wij gebruiken Nederlandse stijlmiddelen: metrum en rijm. Anderzijds is het handhaven van een parallellisme in het Nederlands ook niet bij voorbaat af te wijzen, aangezien dit stijlmiddel in westerse poëzie eveneens bekend is en nadruk kan geven.

d. Binnen één psalm is de mate van verdichting zoveel mogelijk constant. Dus bepaalde delen worden niet uitgebreid berijmd en andere kort samengevat. 

e. Er is een kleine ruimte voor het invoegen van dingen die niet letterlijk in de psalmtekst staan, aangezien we nu eenmaal gehouden zijn aan de versvorm. Deze toevoegingen ‘ter vulling’ worden echter tot een minimum beperkt en er dienen geen wezenlijk nieuwe elementen toegevoegd te worden.

f. Er is enige ruimte voor dichterlijke vrijheden/welbewust poëtische interpretaties.
Bijvoorbeeld: in Psalm 42 staat ‘Wanneer zal ik hem ontmoeten/ zal zijn glimlach mij begroeten’, waar de grondtekst luidt: ‘wanneer zal ik binnengaan om voor Gods gezicht te verschijnen?’ De ‘glimlach’ is poëtische interpretatie.
Net zo kan een beeld explicieter worden gemaakt, een vergelijking kan worden omgezet in een metafoor, etc. Aangezien het hier gaat om dichterlijke vrijheid, kunnen geen exacte regels worden gegeven. 

6. Coupletten en vorm
a. Vóór het berijmen van de inhoud is het van groot belang dat de vorm van de psalm onderzocht wordt.
Bijvoorbeeld: begint en eindigt hij hetzelfde (bv. ‘halleluja’!)? Zijn er regels die herhaald worden? Zijn er duidelijke grenzen tussen gedeeltes? Signaalwoorden? (Bijbelcommentaren zijn hierin behulpzaam). Het doel moet zijn om de voornaamste vormelementen zoveel mogelijk te laten terugkomen in de berijming. Waar psalmen iets refrein-achtigs hebben (bijvoorbeeld Psalm 46, 56, 67, 107, 136) wordt daar iets mee gedaan. Wat precies verschilt per geval.

b. De inhoud van de tekst wordt zoveel mogelijk evenredig over de coupletten verdeeld. Het probleem is echter dat er enerzijds voorgegeven coupletlengtes zijn, en anderzijds de Hebreeuwse strofe-indeling. De strofe-indeling vanuit het Hebreeuws is te vinden door in de HSV of de NBV naar de witregels te kijken. De indeling in deze vertalingen is veelal gebaseerd op het werk van prof. J.P. Fokkelman, die er zijn levenswerk van maakte. Andere vertalingen (NBG, Groot Nieuws etc.) zijn minder goed op dit gebied. Ideaal zou zijn om een vast aantal Hebreeuwse strofen per couplet aan te houden. Dit is echter niet altijd haalbaar. Het is zelfs niet verplicht de bovengenoemde strofe-indeling te volgen, maar elk couplet moet wel een helder afgebakende, logische eenheid zijn.
Bijvoorbeeld: vergelijk het slot van couplet 2 en begin van couplet 3 van Psalm 116 in resp. de berijming 1773 en 1967. De eerste doet zeer vreemde dingen, de tweede doet het veel logischer.

c. Er wordt naar gestreefd dat de coupletten ‘los’ te zingen zijn.
Eigenlijk dient een psalm als geheel gezongen te worden, maar de praktijk is vaak anders. Hier wordt enigszins rekening mee gehouden i.v.m. het gebruik in de gemeente.

d. Er wordt zoveel mogelijk vermeden om een berijming te eindigen met een ‘half vers’.
Als het al gebeurt dan alleen wanneer
- het logisch is gezien de vorm/inhoud-samenhang als boven geschetst
- de psalmmelodie het toelaat om halverwege af te breken.

7. Muziek en tekst
a. DNP berijmt de psalmen om te zingen op de in Nederland vanouds gebruikelijke Geneefse melodieën, ritmisch gezongen.
Dit geeft als basis altijd een binair ritme (jambe of trochee, al naar gelang er een ‘opmaat’ is of niet. Voorbeelden: vergelijk Psalm 150 (trochee) met Psalm 89 (jambe).

b. Als het melodieritme botst met een regelmatig binair tekstritme, worden de volgende regels gehanteerd:
- Waar hedendaagse oren het melodieritme kunt opvatten als ‘gesyncopeerd’ wordt een regelmatig tekstritme gehandhaafd.
Bijvoorbeeld: Psalm 89 laatste regel, of Psalm 105 regel 3 en 4.
- Alleen in die gevallen waar ritmische onregelmatigheden in de melodie niet voor moderne oren als syncope zijn op te vatten, wordt ten behoeve van de ritmische zingbaarheid afgeweken van een regelmatig tekstritme en volgen we het melodieritme.
Bijvoorbeeld: Psalm 84 eerste regel, Psalm 141 eerste regel, Psalm 149 regel 5/6.
Wie meer wil weten van de ritme-kwestie, kan zich verdiepen in de studie van Jan van Biezen waar alle plaatsen worden opgesomd waar dit speelt.

c. In psalmen met lange regels verdient het aanbeveling de natuurlijke rustpauzes in de zin te vergelijken met de ontspanningsmomenten in de melodie.
Bijvoorbeeld Psalm 89 waar dat in de eerste regel na 6 noten het geval is.
Echter, in principe is elke psalmregel bedoeld om op één adem gezongen worden, dus er wordt niet altijd een ‘adempauze’ gegeven in DNP.

d. Soms geeft de melodie een bepaalde lettergreep extra nadruk, of haalt ze juist nadruk weg bij een beklemtoonde lettergreep. Hier wordt terdege rekening mee gehouden.

e. Het streven is dat de inhoud van de tekst niet botst met de melodie, wat in een enkel geval zou kunnen gebeuren.
Voorbeelden: Psalm 65 uit de berijming van 1773, die heeft ‘de lofzang klimt’ terwijl de melodie juist op het woord ‘klimt’ een grote sprong naar beneden maakt. Of het gezang ‘o hoogte_en diepte, looft nu God’ dat in het Liedboek voor de Kerken (1973) het woord ‘diepte’ juist op de hoogste toon plaatst.

8. Hoofdletters en spelling
a. De Nieuwe Psalmberijming volgt in haar gebruik van hoofdletters de gangbare Nederlandse regels.
Dit betekent dat eigennamen die naar God verwijzen (God, Heer) met hoofdletters worden geschreven, evenals persoonlijk voornaamwoorden (Ik, Hij, Hem, Mij). Bezittelijk voornaamwoorden worden echter met kleine letters geschreven (zijn, uw, mijn).

b. Alleen eigennamen schrijven we met een hoofdletter.
Bijvoorbeeld: In een geval als ‘de HEER is mijn herder’, wordt ‘herder’ dus niet met een hoofdletter geschreven, want het is geen eigennaam.

c. In psalmen die Messiaans geïnterpreteerd kunnen worden, wordt deze interpretatie niet ‘opgelegd’ door hoofdlettergebruik.
Bijvoorbeeld: in psalm 72 schrijven we ‘koning’, niet ‘Koning’.

d. In de spelling volgen we het Groene Boekje, en voor de Bijbelse namen en woorden de meest recente woordenlijst van het Nederlands Bijbelgenootschap. Klik hier voor deze lijst.
Bijvoorbeeld: wij schrijven ‘Betlehem’, niet ‘Bethlehem’ (wat de HSV heeft).

9. Interpunctie
Voor DNP gebruiken we de standaardregels voor interpunctie (dat wil zeggen: het gebruik van leestekens), zoals onder andere te vinden in de Schrijfwijzer van Jan Renkema. Hieronder worden zaken die voor DNP relevant zijn, met voorbeelden nader uitgewerkt.

a. Punt
De punt markeert het einde van een grammaticaal complete zin. Na een punt volgt een hoofdletter om het begin van een nieuwe zin aan te geven. Grammaticaal bezien complete zinnen worden in principe afgesloten met een punt (of een vraagteken bij vraagzinnen, of eventueel een uitroepteken). Als er aanleiding toe is, kunnen ze ook worden afgesloten met een puntkomma of met een dubbele punt. De punt volgt pas als de zin grammaticaal bezien afgerond is.

Onjuist voorbeeld:
Alle mensen neemt U aan
die hun heil van U verwachten.
Maar U laat te schande staan
die U redeloos verachten.
(Na verwachten past hier eerder een komma, of eventueel een gedachtestreep)

b. Komma
De komma dient om een rustpauze aan te geven in langere zinnen. Tussen twee persoonsvormen komt daarom in principe een komma, tenzij het een korte zin betreft die ook zonder komma prima duidelijk is. De komma, of het ontbreken ervan, kan ook betekenisverschil zichtbaar maken (namelijk het verschil tussen een uitbreidende en een beperkende bijzin).

Vergelijk:
de mensen die mij altijd lastigvallen…
de mensen, die mij altijd lastigvallen…

In het eerste geval gaat het om een specifieke groep mensen, namelijk mensen die de ik-persoon lastigvallen. In het tweede geval wordt verondersteld dat het een kenmerk is van alle mensen dat ze de ik-persoon lastigvallen.
Grammaticaal bezien complete zinnen worden niet afgesloten met een komma – tenzij het eventueel heel korte zinnen betreft, die meer als een uitroep worden ervaren dan als een zin.

Juist voorbeeld:
Help mij, God, ik kan niet zonder U.
Ik voel mij zo benauwd, wat moet ik nu?

Strikt genomen zijn dit vier grammaticaal complete zinnen, maar het zou brokkelig overkomen als ze allemaal met een punt zouden worden afgesloten. In dit geval is het dus niet de bedoeling om ook na U een komma te plaatsen: de eerste regel wordt als een zelfstandige zin ervaren, wat vraagt om een punt ter afsluiting.

c. Puntkomma
Een puntkomma dient om twee zinnen aan elkaar te koppelen die grammaticaal bezien compleet zijn én die inhoudelijk verwant zijn. In veel gevallen betekent dit laatste dat ze een parallellisme vormen. Een puntkomma is niet juist als één van de twee zinnen grammaticaal incompleet is. In zo’n geval is een komma of een gedachtestreep gepast.

Juist voorbeeld:
Laat mij in uw waarheid leven;
leer mij dienen dag aan dag.

Onjuist voorbeeld:
Laat mij in uw waarheid leven;
en U dienen dag aan dag.
In het laatste geval is een leesteken op de plek van de puntkomma niet nodig; hooguit een komma zou gepast zijn.

d. Dubbele punt
De dubbele punt kan worden gebruikt om aan te geven dat erna een nadere uitwerking/toelichting volgt. Na de dubbele punt volgt in zo’n geval een kleine letter als de toelichting slechts één grammaticale zin beslaat. Volgt er een toelichting van meerdere zinnen, dan is een hoofdletter juist. Bij twijfel wordt een kleine letter gebruikt.
De dubbele punt kan ook aangeven dat er een citaat volgt, oftewel: door iemand uitgesproken tekst. Zo’n citaat wordt dan behandeld als een zelfstandige zin en begint dus met een hoofdletter.
Bijvoorbeeld:
Hij sprak tot Mij en kondigde dit af:
‘Jij bent mijn zoon; ik geef aan jou het leven.

e. Gedachtestreep
Een gedachtestreep geeft aan dat erna qua betekenis een wending volgt.

U bent altijd om mij heen -
maar ik voel mij toch alleen.

Een gedachtestreep kan ook de functie van een komma hebben, maar dit alleen in langere zinnen – om het een beetje overzichtelijk te houden voor de lezer. (Voorgaande zin is een voorbeeld.) In zo’n geval duidt de gedachtestreep op een zwaardere rustpauze dan de komma.
Een gedachtestreep wordt alleen binnen een zin gebruikt en dus niet om twee grammaticaal complete zinnen aan elkaar te koppelen.

Onjuist voorbeeld:
U bent altijd om mij heen. -
Toch voel ik mij heel alleen.
In het laatste geval is op de plek van de gedachtestreep geen leesteken nodig.

f. Uitroepteken
Een uitroepteken dient om een zin extra nadruk te geven. Uitroeptekens worden in DNP spaarzaam gebruikt, alleen als de zin heel duidelijk bedoeld is als uitroep. Voor een voorbeeld zie hieronder.

g. Citaattekens
Citaten worden tussen enkele hoge komma’s geplaatst. Dubbele komma’s worden in DNP niet gebruikt.

Bijvoorbeeld:
De hemel en de aarde spreekt Hij aan:
‘Laat wie Mij trouw is, voor Mij komen staan,
wie met zijn offers zich aan Mij verbindt.
Ik zal verklaren wat Ik van hem vind.’

Als een citaat wordt afgesloten met een leesteken, dan volgt daarna niet nog een leesteken, ook al zou dit gedacht vanuit de hoofdzin logisch zijn. Ofwel, ter afsluiting van het voorgaande voorbeeld zou strikt genomen nog een punt nodig zijn: (… van hem vind.'.). Het uitroepteken is immers onderdeel van het citaat en niet van de hoofdzin – maar het is niet gebruikelijk om deze punt nog te plaatsen.

Steun onze missie

Steun ons werk om de psalmen te herdichten in de taal van nu.

Betaal met iDEAL

of word vriend van Stichting Dicht bij de Bijbel voor € 37,50 per jaar en ontvang een uniek welkomstgeschenk.

Laatste nieuws

Nieuwsbrief september 2020

Lees meer »

Schatgraven in de psalmen

Lees meer »

Interview Family7

Lees meer »

Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!