Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

UITGANGSPUNTEN VAN DE NIEUWE PSALMBERIJMING

1. Hedendaags Nederlands
2. Rijm en andere dichterlijke zaken
3. Grondtaal
4. Getrouwheid
5. Compactheid
6. Coupletten en vorm
7. Muziek en tekst
8. Hoofdletters en spelling

1. Hedendaags Nederlands
a. De Nieuwe Psalmberijming (in het vervolg DNP) streeft naar hedendaagse taal, wat iets anders is dan populair taalgebruik. De basis van deze berijming is het gebruik van eigentijdse en toegankelijke taal, zonder daarbij platvloers te worden.

b. Verouderde woorden zijn zoveel mogelijk vermeden.
Voorbeelden: ‘welzalig’, ‘goedertieren’, ‘smart’, ‘rei’, ‘onversaagd’.
Als maatstaf voor wat nog hedendaags is, dient voor DNP de Nieuwe Bijbelvertaling, waar bijvoorbeeld het woord ‘goedertieren’ niet in staat, maar ‘gerechtigheid’ wel.

c. Het woord ‘gij’ met bijbehorende werkwoordvormen is niet gebruikt.

d. Als mensen direct worden aangesproken door God of anderen, gebruikt DNP veelal ‘je/jij/jullie’ in plaats van ‘u’. Dit is uiteraard afhankelijk van de context. Bijvoorbeeld: in Psalm 45 wordt de koning met ‘u’ aangesproken, maar de bruid met ‘jij’.

e. DNP gebruikt geen elisie (weglaten van onbeklemtoonde klinkers). Bijvoorbeeld: ‘in ‘t spoor’ of ‘kindren' of ‘genade_en liefde’.

f. Het omgekeerde, epenthesis (het toevoegen van onbeklemtoonde lettergrepen), gebruikt DNP evenmin. Bijvoorbeeld: geen ‘neder’ voor ‘neer’ en ‘weder’ voor ‘weer’.

g. Verouderde naamvalsvormen zijn niet gebruikt.
Bijvoorbeeld: geen 'der', 'des' en 'uwe'.
Een uitzondering zijn vaste uitdrukkingen als ‘te allen tijde’ en ‘zo zij het’ die tegenwoordig nog gangbaar zijn.

h. De formulering van wensen is een speciaal aandachtspunt, aangezien het moderne Nederlands daar geen aparte vorm meer voor heeft. Voorheen was hiervoor de aanvoegende wijs gebruikelijk: 'God zegene U', 'Hij brenge U...' Dit klinkt tegenwoordig verouderd, vandaar dat zoveel mogelijk is gezocht naar varianten als: 'Laat God U zegen geven'.

2. Rijm en andere dichterlijke zaken
a. Er is uitsluitend volrijm gebruikt (bijvoorbeeld ‘leven/geven’), nooit halfrijm. Bijvoorbeeld ‘bekropen/roepen’ (Psalm 56 uit Het Liedboek voor de Kerken).
Volrijm is rijm met de volgende kernmerken:
- gelijkheid van klinkers in de laatste beklemtoonde lettergreep;
- gelijkheid van alle klanken die op de rijmende klinker volgen;
- ongelijkheid van de medeklinkers die aan de rijmende klinker voorafgaan;
- vergelijkbaarheid van de klemtoonstructuur.

Er gelden enkele uitzonderingen:
- Een slot-n mag wegvallen, als in ‘netten/zette’, aangezien deze klank veelal niet of nauwelijks wordt uitgesproken.
- In enkele gevallen is het klankverschil tussen s en z genegeerd, zodat bijvoorbeeld ‘dansen/glanzen’ en ‘eisen/verrijzen’ een rijmpaar kunnen vormen.

‘Rijk rijm’ is niet gebruikt, dat wil zeggen dat geheel gelijke woorden of woorddelen op elkaar zouden rijmen. Bijvoorbeeld: ‘zijn rijk/is rijk’ of ‘gevaren/ervaren’.
Een uitzondering geldt voor herhaalde refreinregels. Bijvoorbeeld Psalm 118 waar de regel ‘zijn liefde houdt voor eeuwig stand’ met zichzelf rijmt.

b. Bij vrouwelijk (slepend) rijm kan het rijm uit meer dan één woord bestaan.
Voorbeeld: 'de weduwen behoedt Hij/ de hongerige voedt Hij' (Psalm 68).

c. DNP is terughoudend met het gebruik van enjambement, ofwel het laten doorlopen van een zin of zinsdeel over het einde van de versregel heen. Het gebruik van enjambementen komt de toegankelijkheid meestal niet ten goede.
Het al dan niet gebruik hangt af van:
- de opbouw van de dichtregel. Idealiter staat er aan het eind van een regel met een enjambement een woord dat wat meer nadruk verdient en/of waarachter een natuurlijke rustpauze valt in de zin.
- de regellengte; bij Psalm 99 is het onvermijdelijk (5 lettergrepen per regel), bij Psalm 89 (12 lettergrepen per regel) zijn enjambementen eerder te vermijden.
- de plaats in het couplet. Bijvoorbeeld in Psalm 68 is een enjambement tussen regel 1 en 2 niet zo’n probleem, maar tussen regel 6 en 7 onmogelijk, omdat de melodie daar een nieuw begin aangeeft.

d. Als middel tot dichterlijke verfraaiing zijn speciaal te noemen assonantie en alliteratie (het laten terugkomen van respectievelijk klinkers en medeklinkers). Voorbeeld ‘Mijn herder is de HEER, zijn hand behoedt mij' (Psalm 23).

3. Grondtaal
a. Het uitgangspunt van de berijming is de Hebreeuwse grondtekst. Dichters die het Hebreeuws niet beheersen hebben verschillende Bijbelvertalingen en commentaren vergeleken om de betekenis en eigenaardigheden van de grondtekst helder te krijgen. Bovendien is elke berijming nagezien door verschillende meelezers die het Hebreeuws machtig zijn. Zij hebben in het bijzonder op overeenstemming met de grondtekst gelet.

b. Het is niet nodig om dezelfde grondwoorden steeds op dezelfde wijze in de berijming te laten terugkeren. Dus als er een aantal keer ‘wateren’ in een psalm staat, kan uiteenlopend 'zeeën’, ‘water’, ‘golven’ enzovoorts gebruikt zijn, afhankelijk van de context. 

c. Hebreeuwse woorden als ‘amen’ en ‘halleluja’ zijn soms onvertaald overgenomen en andere keren vertaald weergegeven (‘zo zij het’, ‘loof de HEER’).

d. Waar in de grondtekst de verbondsnaam staat (JHWH), schrijft DNP ‘HEER’. Waar in de grondtekst ‘Adonai’ staat, gebruikt DNP de naam ‘Heer’.

e. DNP gebruikt bij voorkeur de aanduidingen voor de Allerhoogste zoals de onberijmde tekst die geeft. Dus ‘God’ waar ‘God’ staat, ‘HEER’ waar ‘HEER’.

4. Getrouwheid
a. DNP heeft ernaar gestreefd de berijmingen dezelfde boodschap en emotie mee te geven als de onberijmde teksten. De woorden ‘dezelfde boodschap’ geven al aan dat het niet gaat om ‘zo letterlijk mogelijk’ berijmen (dat zou eerder een vertaling opleveren dan een berijming), maar om zorgvuldig weergeven van de strekking.

b. In sommige gevallen is de brontekst onhelder, zodat exegeten het niet eens kunnen worden over wat er oorspronkelijk bedoeld is. Bijvoorbeeld: bepaalde plaatsen in Psalm 68. In zo’n geval heeft de dichter kennis genomen van de verschillende mogelijkheden om de tekst op te vatten en heeft hij een keuze gemaakt voor een bepaalde interpretatie.

c. Wat betreft Messiaanse interpretaties: het is goed te beseffen dat die er zijn. Bijvoorbeeld: Psalm 2, 45 en 72. Bij het berijmen heeft de dichter zich er niet door laten leiden, aangezien zulke psalmen in eerste instantie een aardse koning van Israël bezongen, maar er is gestreefd naar verwoordingen die een messiaanse  interpretatie niet bij voorbaat is uitgesloten.

d. Er is niet geactualiseerd. De ‘strijdwagens’ uit Psalm 46 zijn in DNP geen ‘tanks’. Wel zijn zaken die erg tijdgebonden overkomen soms in algemenere termen gevangen. Bijvoorbeeld ‘schild, speer en strijdwagen’ kunnen weergeven zijn met ‘wapens’.

e. Soms zijn de psalmdichters niet erg vroom in hun uitingen; ze uiten scherpe klachten en verwijten naar God toe. Er is in DNP gestreefd om deze niet al te veel af te vlakken, ze mogen doorklinken. Bij dit punt is de wijze van verwoorden belangrijk. Het moet echter ook niet te platvloers worden, zie 1.a, of afstoten. Dit blijft een lastig evenwicht bij ‘harde’ passages, zoals Psalm 68:23-24.

5. Compactheid
a. De poëtische aanpak van DNP is meestal vrij compact. Dat wil zeggen: liever de onberijmde tekst samenvatten en eventueel details weglaten dan uitweidingen toevoegen – iets wat in oudere berijmingen nogal eens gebeurt.
De berijming van 1773 heeft als slot van Psalm 72 ‘de wereld hoor en volg’ mijn zangen/ met amen, amen na’. Van deze woorden is alles behalve het ‘amen, amen’ vrije toevoeging. In de berijming van Psalm 150 in het Liedboek voor de Kerken staat ‘cither, cimbel, tamboerijn,/ laat uw maat de maatslag zijn/ van Gods ongemeten wezen’. Hoe poëtisch dit ook klinkt, de laatste twee regels zijn niet in de grondtekst terug te vinden. DNP heeft ernaar gestreefd om dergelijke uitweidingen te voorkomen.

b. De psalmen bevatten veel parallelismen; dat wil zeggen dat ongeveer dezelfde gedachte tweemaal wordt uitgedrukt in andere woorden. Bijvoorbeeld ‘loof de HEER, alle volken / prijs Hem, alle naties’ (Psalm 117). Een dergelijk parallellisme is niet altijd 'dubbel' berijmd. De herhaling is namelijk een Hebreeuws stijlmiddel, wij gebruiken Nederlandse stijlmiddelen zoals metrum en rijm. Anderzijds bevat DNP wel parallelismen, omdat dit stijlmiddel nog altijd bruikbaar is.

c. Binnen één psalm is de mate van verdichting zoveel mogelijk constant. Vermeden is dus dat in één psalm bepaalde passages uitgebreid zijn berijmd, terwijl andere beknopt zijn samengevat.

d. Er is enige ruimte voor dichterlijke vrijheden/welbewust poëtische interpretaties.
Bijvoorbeeld: in Psalm 42 staat ‘Wanneer zal ik Hem ontmoeten/ zal zijn glimlach mij begroeten’, waar de grondtekst luidt: ‘wanneer zal ik binnengaan om voor Gods gezicht te verschijnen?’ De ‘glimlach’ is poëtische interpretatie.
Net zo kan een beeld explicieter worden gemaakt, kan een vergelijking kan worden omgezet in een metafoor, enzovoorts.

6. Coupletten en vorm
a. Alvorens een dichter met een nieuwe berijming aan de slag ging, heeft hij of zij de vorm van de psalm goed bestudeerd. Bijvoorbeeld: begint en eindigt de psalm hetzelfde (bijvoorbeeld ‘halleluja’!)? Zijn er regels die herhaald worden? Zijn er duidelijke grenzen tussen gedeeltes? Signaalwoorden? Het doel is dat de voornaamste vormelementen zoveel mogelijk in de berijming terugkomen. Waar psalmen een (soort van) refrein hebben (bijvoorbeeld Psalm 46, 67, 80, 107, 136), is daar zo mogelijk iets mee gedaan.

b. Ideaal zou zijn om een vast aantal Hebreeuwse strofen per couplet aan te houden. Dit is echter niet altijd haalbaar. Er is wel naar gestreefd om elk couplet een helder afgebakende, logische eenheid te laten zijn.
Voorbeeld: vergelijk het slot van couplet 2 en begin van couplet 3 van Psalm 116 in respectievelijk de berijming 1773 en die uit het Liedboek voor de Kerken. De tweede scheidt de coupletten op een veel logischer punt.

c. Er is gestreefd naar het schrijven van coupletten die zelfstandig bruikbaar zijn voor de samenzang. Eigenlijk dient een psalm als geheel gezongen te worden, maar de praktijk is vaak anders. Hier is rekening mee gehouden in verband met het gebruik in de gemeente.

d. Er is zoveel mogelijk vermeden om een berijming te eindigen met een half vers.
Als het al gebeurt, dan alleen wanneer:
- het logisch is gezien de vorm/inhoud/samenhang;
- de psalmmelodie het toelaat om halverwege af te breken.

7. Muziek en tekst
a. DNP heeft de psalmen berijmd naar het stramien van de Geneefse melodieën, ritmisch gezongen.
Dit geeft als basis altijd een binair ritme (jambe of trochee, al naar gelang er een opmaat is of niet. Voorbeeld: vergelijk Psalm 150 (trochee) met Psalm 89 (jambe).

b. Als het melodieritme botst met een regelmatig binair tekstritme, zijn de volgende regels gehanteerd:
- Waar hedendaagse oren het melodieritme kunnen opvatten als ‘gesyncopeerd’ is een regelmatig tekstritme gehandhaafd. Bijvoorbeeld: Psalm 89 laatste regel, of Psalm 105 regel 3 en 4.
- Alleen waar ritmische onregelmatigheden in de melodie niet voor moderne oren als syncope zijn op te vatten, is ten behoeve van de ritmische zingbaarheid afgeweken van een regelmatig tekstritme en is het melodieritme gevolgd. Bijvoorbeeld: Psalm 141 eerste regel, Psalm 149 regel 5/6.

c. Soms geeft de melodie een bepaalde lettergreep extra nadruk, of haalt ze juist nadruk weg bij een beklemtoonde lettergreep. Hier is waar mogelijk rekening mee gehouden bij het berijmen.

d. Er is naar gestreefd dat de inhoud van de tekst niet botst met de melodie, maar dat de melodie de tekst waar mogelijk juist versterkt. Voorbeeld: In de regel 'De bergen plant U in de aarde' (Psalm 65) daalt de melodie bij 'plant' wat de beweging van het planten benadrukt.

8. Hoofdletters en spelling
a. DNP volgt in haar gebruik van hoofdletters de gangbare Nederlandse regels.
Dit betekent dat eigennamen die naar God verwijzen (God, Heer) met hoofdletters zijn geschreven, evenals persoonlijk voornaamwoorden (Ik, Hij, Hem, Mij). Bezittelijk voornaamwoorden zijn met kleine letters geschreven (zijn, uw, mijn).

b. Alleen eigennamen schrijven we met een hoofdletter.
Voorbeeld: In een geval als ‘de HEER is mijn herder’, is ‘herder’ niet met een hoofdletter geschreven, want het is geen eigennaam.

c. In psalmen die Messiaans geïnterpreteerd kunnen worden, is deze interpretatie niet opgelegd door hoofdlettergebruik.
Voorbeeld: in Psalm 72 schrijft DNP ‘koning’, niet ‘Koning’.

d. In de spelling volgt DNP het Groene Boekje, en voor de Bijbelse namen en woorden de meest recente woordenlijst van het Nederlands Bijbelgenootschap.

Steun onze missie

Steun ons werk om de psalmen te herdichten in de taal van nu.

Betaal met iDEAL

of word vriend van Stichting Dicht bij de Bijbel voor € 37,50 per jaar en ontvang een uniek welkomstgeschenk.

Laatste nieuws

Nieuwsbrief oktober 2020

Lees meer »

Nieuwsbrief september 2020

Lees meer »

Schatgraven in de psalmen

Lees meer »

Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!