Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Ga direct naar psalm

Zoek op tekst:

Zoek op gelegenheid:

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

 

Psalm 79

De nieuwe psalmberijming

1. O God, de vreemde volken zijn gekomen.
Jeruzalem is door hen ingenomen;
de heiligheid is uit uw huis verdwenen.
Wat overbleef zijn slechts gebroken stenen.
De straten kleuren rood.
Uw knechten zijn gedood;
voer zijn ze voor de gieren.
Dit troosteloze oord
is na de massamoord
een thuis voor wilde dieren.

2. De volken uit nabijgelegen landen
beschimpen ons, ze maken ons te schande.
Hoelang nog blijft U ons de rug toekeren?
HEER, gaat uw boosheid ons voorgoed verteren?
Laat wie U niet erkent
zien dat U woedend bent.
Treed op als onze koning!
De vijand steekt ons land
al plunderend in brand,
vernietigt Jakobs woning.

3. Vergeet de zonden die wij vroeger deden.
Help snel, o God, want wij zijn moegestreden;
denk aan uw naam, toon ons uw medelijden.
Wis onze zonden uit, kom ons bevrijden.
Hoor hoe de vijand spot:
‘Waar is nu jullie God;
geeft Hij geen levensteken?’
Laat zien dat U geweld
tegen uw volk vergeldt,
vergoten bloed zult wreken.

4. Hoor ons, houd uw gevangen volk in leven.
Red ons, wij zijn ten dode opgeschreven.
Straf alle heidenvolken die U smaden.
Wreek zevenmaal hun schandelijke daden.
Dan zullen wij altijd
- de schapen die U weidt -
U prijzen, trouwe herder.
Dan maken wij bekend
hoe groot en goed U bent.
Zo reikt uw roem steeds verder.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. O God, de vreemde volken zijn gekomen.
Jeruzalem is door hen ingenomen;
de heiligheid is uit uw huis verdwenen.
Wat overbleef zijn slechts gebroken stenen.
De straten kleuren rood.
Uw knechten zijn gedood;
voer zijn ze voor de gieren.
Dit troosteloze oord
is na de massamoord
een thuis voor wilde dieren.

2. De volken uit nabijgelegen landen
beschimpen ons, ze maken ons te schande.
Hoelang nog blijft U ons de rug toekeren?
HEER, gaat uw boosheid ons voorgoed verteren?
Laat wie U niet erkent
zien dat U woedend bent.
Treed op als onze koning!
De vijand steekt ons land
al plunderend in brand,
vernietigt Jakobs woning.

3. Vergeet de zonden die wij vroeger deden.
Help snel, o God, want wij zijn moegestreden;
denk aan uw naam, toon ons uw medelijden.
Wis onze zonden uit, kom ons bevrijden.
Hoor hoe de vijand spot:
‘Waar is nu jullie God;
geeft Hij geen levensteken?’
Laat zien dat U geweld
tegen uw volk vergeldt,
vergoten bloed zult wreken.

4. Hoor ons, houd uw gevangen volk in leven.
Red ons, wij zijn ten dode opgeschreven.
Straf alle heidenvolken die U smaden.
Wreek zevenmaal hun schandelijke daden.
Dan zullen wij altijd
- de schapen die U weidt -
U prijzen, trouwe herder.
Dan maken wij bekend
hoe groot en goed U bent.
Zo reikt uw roem steeds verder.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux. Gebruik voor deze psalm liednummer 7071290 bij uw rapportage aan CCLi.

Beamsheets

Download hieronder de beamsheets van deze psalm.

Beamsheets witte achtergrond
Beamsheets zwarte achtergrond

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Getrouwe God, de heid'nen zijn gekomen,
Zij hebben stout Uw erfland ingenomen:
Jeruzalem, de tempel, Uw altaren,
't Ligt al verwoest door die geweldenaren!
Uw knechten zijn geveld
Door hun verwoed geweld.
Hun lijken, onbegraven,
Verzaden na hun dood
't Gediert' in hongersnood:
En gier en kraai en raven.

2. Het kost'lijk bloed van Uwe gunstgenoten,
Als water om Jeruzalem vergoten,
Doet wijd en zijd des vijands woede blijken;
Het ganse veld is nu bezaaid met lijken,
Van d' eer des grafs beroofd.
De nabuur schudt het hoofd
En lacht met onz' ellenden.
Ons deerniswekkend lot,
Stelt ons ten smaad, ten spot
Van vreemden en bekenden.

3. Hoe lang zult Gij in gramschap zijn ontstoken;
Zal 't hevig vuur Uws ijvers eeuwig roken?
Stort Uwe wraak op hen, die ons verteren,
Op volken, die Uw groten Naam niet eren;
Want Isrel, door hun macht
Verschrikk'lijk omgebracht,
Ligt in zijn bloed verdronken;
Zijn woning, al de troost
En lust van Jakobs kroost,
Gelijkt thans naar spelonken.

4. Gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven,
Onz' euveldaad word' ons uit gunst vergeven.
Waak op, o God, en wil van verder lijden
Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.
Help ons, barmhartig HEER',
Uw groten Naam ter eer;
Uw trouw koom' ons te stade;
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult,
Bewijs ons eens genade!

5. Waarom zou zich der heid'nen macht vermeeren,
Uw hoog gezag door bitt'ren schimp onteren,
En vragen door hun trotsen waan bedrogen:
"Waar is hun God, waar blijkt nu Zijn vermogen?"
Vergeld hun overmoed,
Wreek Uwer knechten bloed,
O God van ons betrouwen;
Verdedig onze zaak,
Doe 't heidendom uw wraak
Zelfs voor ons oog aanschouwen!

6. Ai, hoor naar hen, die in gevang'nis kwijnen,
Laat hun gekerm voor Uw gezicht verschijnen.
Bevrijd hen, die gedreigd met doodsgevaren,
Op Uwe hulp met smekend' ogen staren.
Vergeld den wreden smaad,
Waarmee des nabuurs haat,
Uw mogendheid dorst schenden.
Geef hun, o Opperheer,
Die zevenvoudig weer;
Zie neer op onz' ellenden.

7. Zo zullen wij de schapen Uwer weiden,
In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,
En zingen van geslachten tot geslachten;
Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb're krachten.

1. De heid'nen zijn in Uw erfdeel gevallen;
Zij hebben ontheiligd onder hen allen
Den tempel schoon, en daartoe afgelopen
Jeruzalem, ja gemaakt tot steenhopen.
De lichamen daarnaar
Uwer knechten eerbaar
Den raven zij voorstelden;
't Vlees Uwer knechten goed
Wierpen ze met hoogmoed
Den dieren op de velden.

2. Zij hebben, Heer! Uwe knechten verstoten,
En 't bloed rondom Jeruzalem vergoten
Als water klaar, hetwelk klein is van waarde;
Niemand heeft ze dragen willen ter aarde.
Wij zijn een spot en smaad
Onzen naburen kwaad;
Zij schimpen zeer vermeten,
En spotten zonder end,
Zij, die ons zijn omtrent
Met woninge gezeten.

3. Ach, hoe lang zult Gij nog, o Heer geprezen,
Op ons alzo vergramd en verstoord wezen?
Hoe lang zal nog Uwen toorn zijn ontsteken,
Als een vuur, 't welk men met kracht ziet uitbreken?
Stort Uwen toorne zwaar
Over 't volk, dat voorwaar
U niet wil kenne, Heere!
De koninkrijken t' zaam
Sla Heer, die Uwen naam
Niet aanroepen met ere.

4. Zij hebben schier Jakobs huis gans vereten,
En zijn nakomelingen al verbeten;
Zijn woningen ook geworpen ten gronde,
Ja gans verwoest, als 't blijkt tot dezer stonde,
Wil Heer! gedenken niet
De zonden die geschied
Voor U zijn in voortijden;
Haast U, Heer, kom toch voort,
En help ons naar Uw woord
Want wij zijn in groot lijden.

5. Help ons, Heer, Gij zijt onz' toevlucht alleine;
Opdat geëerd word' Uwen Name reine;
Verlos ons en wil ons t' zamen vergeven
Onz' zonden, door Uw goedheid hoog verheven.
Dat men tot Uwen spot
Niet zegg': Waar is haar God?
De bozen wil benauwen,
En wraak overal doet
Van Uwer knechten bloed,
Dat wij 't mogen aanschouwen.

6. Laat tot U komen dat zuchten en klagen
Dergenen, die in banden zijn geslagen;
Laat die vrij zijn, schenk hun o Heer! dat leven,
Die tot den dood geëigend zijn en beven.
Onzen naburen fier,
In haren schoot wil schier
Zevendubbel vergelden,
Den smaad ende den blaam,
Daarmee zij Uwen Naam
Steeds lasteren en schelden.

7. Dan zullen wij, die schapen Uwer weiden
En Uw volk zijn, met blijdschap groot uitbreiden
Uwes Naams eer; ook werden Uwe krachten
Altijd verteld, van geslacht tot geslachten.

1. O God, nu zijn de heidenen gekomen,
hebben uw erfdeel in bezit genomen,
uw huis ontwijd, hebben uw stad van vrede
geplunderd en verbrand, uw volk vertreden.
Bloed kleurt de velden rood.
Uw knechten zijn gedood.
Zij liggen onbegraven.
Jeruzalem is stom
en op het land rondom
verzaam'len zich de raven.

2. Hoe lang, Heer, moeten wij die smaad verduren?
Hoe lang zijn wij tot spot voor onze buren?
Zal dan uw toorn uw eigen volk verteren?
Tref met uw gramschap die uw naam niet eren.
Zij zijn in overmoed
belust op Jakobs bloed.
Zij maken woest en ledig
het land door ons bewoond.
Zij hebben U gehoond,
uw grote naam beledigd.

3. Het kwaad dat onze vaderen bedreven,
reken het ons niet toe, schenk ons het leven.
Zie onze zwakheid aan, God van genade,
en doe verzoening over onze daden.
O Heilige, beschaam
ter wille van uw naam
die Israël schofferen.
Moet dan hun drieste spot
zeggen: Waar is hun God?
Waar is Hij nu, de Here?

4. Doe voor ons oog de volkeren ervaren
dat Gij het bloed hoort roepen van de aarde.
Die zijn gekerkerd, Heer, verneem hun klachten,
strek uit uw arm naar wie hun vonnis wachten.
God Israëls, zie aan
de hoon U aangedaan
door wat wij lijden moeten.
Zij hebben U gesmaad:
vergeld het hun en laat
hen zevenvoudig boeten.

5. O Heer, wij zijn het volk door U verkoren,
wij zijn de schapen die uw roepstem horen,
Gij, onze herder, zult ons veilig leiden
aan stille waat'ren en in groene weiden.
Geslacht meldt aan geslacht
uw goedheid en uw kracht,
de grootheid van uw daden.
Zo gaat een blinkend spoor
van lof de eeuwen door.
Wij prijzen uw genade

1. O God, nu zijn de heidenen gekomen,
zij hebben heel uw erfdeel ingenomen,
uw heilig huis ontwijd en afgebroken,
Jeruzalem, uw stad, in brand gestoken.
Uw knechten zijn geveld,
gevallen door geweld,
tot voedsel voor de gieren.
Zij liggen wijd en zijd
rondom uw stad verspreid,
een prooi voor wilde dieren.

2. Hoe vloeide 't bloed van zoveel duizendtallen.
En niemand groef een rustplaats voor die allen.
Wij zijn een smaad voor wie rondom ons wonen,
die kunnen ons nu ongehinderd honen.
Hoe lang nog duurt die spot?
Hoe lang uw toorn, o God?
Tref met uw straf de zonden
van 't volk dat U niet eert,
dat Jakob heeft verteerd
en heel zijn land geschonden.

3. Gedenk niet meer het kwaad van voorgeslachten.
Zie, hoe wij uw barmhartigheid verwachten.
God van ons heil, wij zijn verzwakt door lijden.
Het geldt uw eer, kom spoedig ons bevrijden.
Verzoen het grote kwaad
dat ons voor ogen staat,
laat U door ons verbidden.
Het geldt uw naam, o God,
wanneer de heiden spot:
Is God niet in hun midden?

4. Wil voor ons oog nog onze zaak beslechten
en wreek het bloed van uw verslagen knechten.
O Here, hoor gevangenen die zuchten,
red wie tot U in doodsgevaren vluchten.
Die smaad, U aangedaan,
het kwaad dat werd begaan,
vergeld het zevenvuldig.
Aan U de wraak, o Heer!
Hoe schonden zij uw eer.
Houd hen toch niet onschuldig.

5. Dan zullen wij, de schapen van uw weide,
in eeuwigheid uw roem, uw eer verbreiden.
Geslachten lang klinkt dan het lied naar boven
van hen die blij uw naam en grootheid loven.

Bijbelteksten

Het uitgangspunt van De Nieuwe Psalmberijming is de Hebreeuwse grondtekst, niet een specifieke vertaling.

Ter referentie vindt u hieronder de links naar de tekst van de psalm in diverse Nederlandse vertalingen.