Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

De Geneefse Psalmen liggen me na aan het hart, maar de huidige vertaling uit het Gereformeerd Kerkboek is sterk verouderd. Soms is dat niet erg, want herkenbaarheid is voor ouderen erg belangrijk. Maar vanaf de kansel zie ik jongeren en masse hun mond houden; ze weten niet meer wat ze zingen. Lees meer »

Matthijs van der Welle| Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Matthijs van der Welle
Kandidaat binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt

Lees alle quotes

Psalm 7

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, U alleen beschermt mijn leven;
mijn God, wil mij bevrijding geven!
Verlos mij! Ik ben vogelvrij;
mijn achtervolger jaagt op mij.
Hij wil mijn ziel aan stukken scheuren.
Mijn God, laat dat toch niet gebeuren.
Ik lig hier hulpeloos, als wild,
waarmee een leeuw zijn honger stilt.

Rest volgt na afronding

Tekst: Arjen Vreugdenhil

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, U alleen beschermt mijn leven;
mijn God, wil mij bevrijding geven!
Verlos mij! Ik ben vogelvrij;
mijn achtervolger jaagt op mij.
Hij wil mijn ziel aan stukken scheuren.
Mijn God, laat dat toch niet gebeuren.
Ik lig hier hulpeloos, als wild,
waarmee een leeuw zijn honger stilt.

Rest volgt na afronding

Tekst: Arjen Vreugdenhil

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm kan ook gezongen worden op de melodie van Psalm 46, 59 en 82

1. O HEER', mijn God, volzalig Wezen,
'k Betrouw op U, wien zou ik vrezen?
Red mij hulpvaardig uit den nood,
Eer mij mijn vijand breng' ter dood.
Geef mij ten roof niet in zijn handen,
Die mij, met felle leeuwentanden,
Verscheuren zou door wond op wond,
Wanneer ik geen verlosser vond.

2. Mijn God, zo 'k immer hebb' bedreven,
Het boze stuk, mij aangewreven,
't Onkreukbaar recht ooit hebb' gefnuikt,
En een oneven schaal gebruikt;
Of kwaad voor goed hebb' toegewogen;
En mijnen vreegenoot bedrogen;
Hem heb ik zelfs 't gevaar ontrukt,
Die mij ten onrecht' had verdrukt.

3. Zo moet mijn vijand op de hielen,
Mij volgen, ja geheel vernielen,
Hij roov' mijn leven en mijn eer,
En werp' mijn kroon ter aarde neer.
Sta op, o HEER', wil mij behoeden,
Uw gramschap straff', mijns vijands woeden,
Ontwaak voor mij, en keer 't geweld;
't Gericht hebt Gij zelf ingesteld.

4. Zo zullen zich gehele scharen,
Van volk'ren om U heen vergaren
Beklim dan, boven dit gewoel,
Uw hemeltroon, Uw rechterstoel,
De HEER' zal al de volken richten,
En 't onrecht voor het recht doen zwichten;
Geef dan, o HEER', dat voor elks oog,
Mijn recht en vroomheid blijken moog'.

5. Laat toeh het kwaad der goddelozen
Een einde nemen, straf de bozen.
Maar sterk Uw volk, dat hulp behoeft,
Gij, die elks hart en nieren proeft,
Laat vrij voor U mijn vijand vrezen,
Voor U, rechtvaardig Opperwezen;
Bij U, mijn Bondgod, is mijn schild,
Die 't vroom gemoed behouden wilt.

6. God, die op 't recht Zijn troon wil stichten,
God is rechtvaardig in Zijn richten.
En toont Zijn gramschap dag aan dag.
Bestrijdt de mens Zijn hoog gezag,
Blijft hij zich tegen Hem verzetten;
God zal Zijn glinst'rend wraakzwaard wetten;
Hij kromt en spant alree Zijn boog;
En dreigt met pijlen van omhoog.

7. God heeft de waap'nen aangegrepen,
Tot 's vijands wissen dood geslepen;
Hij legt de pijlen op hem aan.
Wie hittig woedt, zal niet bestaan;
De boze wringt en kromt de leden,
ln arbeid van onzinnigheden.
Hij gaat van dwaze moeite zwaar;
Verwacht dan, dat hij leugen baar'.

8. Hij heeft een diepen kuil doen delven,
Maar 't was, bij d' uitkomst, voor zichzelven.
Schoon hij, met zoveel loos beleid,
Dien had tot mijn verderf bereid.
De moeite, die hij dorst verwekken,
Zal zijnen kop eerlang bedekken.
En zijnen schedel al 't geweld,
Waarmee hij and'ren had gekweld.

9. Ik zal het eeuwig Wezen prijzen,
Zijn recht de schuldig' eer bewijzen,
En zingen 's Allerhoogsten lof,
Met psalmen, tot in 't hemelhof.

1. Op U hoop ik, Heer, t' alle tijden;
Wil mij toch voor al die bevrijden,
Die mij haten met onverstand;
Dat ik hun niet vall' in de hand.
Dat haar overste mij niet vange,
En mij, als ene leeuwe strange,
Niet verniel' en make te schand',
Bloot zijnde van Uwen bijstand.

2. God, op Wien ik hoop met verlangen,
Heb ik mijn dagen zulks begangen,
Als zij toeschrijven Uwen knecht?
Is in mijn hand enig onrecht?
Heb ik kwaad vergolden met kwade?
Ofte gezocht der vromen schade?
Heb ik dien vergramd met een woord,
Die t' onrecht op mij was gestoord?

3. Zo moet mijn vijand mij najagen,
Van hem werd' ik nedergeslagen,
Hij brenge mijn leven te niet
En mijn ere daar men op ziet.
Sta op, Heer! wil opstaan in eren,
Uwen toorn tegen hen wil keren.
Die mij haten. Help mij gelijk
Aan dat beloofde koninkrijk.

4. Dat volk kome met grote hopen
Tot Uwe Majesteit gelopen.
En opdat wij ons recht ontvaan,
Wil op Uwen rechterstoel gaan.
Daar zult Gij des volks Rechter wezen.
En zult (Heer! mijn toevlucht geprezen)
Mij naar mijne gerechtigheid
Richten, en naar mijn vromigheid.

5. Van der boosheid wil een eind maken
Der bozen, en neem aan de zaken
Der vromen; Gij, die t' aller stond
Elks hart ende nieren doorgrondt.
God is mijn schild en mijn borcht krachtig,
Op Hem is 't dat ik hoop aandachtig,
Die de vromen helpt en behoedt
Ende die overwinnen doet.

6. God is een oprecht Richter machtig.
Des vromen mans, die Hem valt klachtig,
Hij is ook dier Richter bekend,
Die Hem vertoornen zonder end,
Is 't dat hij, die mij zoekt t' onteren
Niet wil afstaan noch hem bekeren,
God zal scherpen zijn zwaard zeer fel
En schieten met den boge snel.

7. Van nu heeft bereid God almachtig,
Dood'lijk geschut en wapen krachtig;
Hij maakt pijlen ter straf bekwaam
Dergenen, die mij haten t' zaam;
Een ander heeft kwaad in zijn zinnen,
Hij is zwanger met onrecht binnen.
Dies zal hij baren anders niet,
Dan enkel leugen met verdriet.

8. Om enen diepen put te graven,
Ziet men hem naarstelijken slaven.
Maar in den put zal hij vergaan,
Dien hij mij te graven vangt aan.
Dat kwaad, dat hij heeft voorgenomen
Mij te doen, zal op zijn hoofd komen;
Ja 't kwaad dat hij doet overal,
Op zijnen kop haast vallen zal.

9. Dies mijn hart God daarom nu prijzet,
Dat Hij gerechtigheid bewijzet;
En zo lang als ik leve vrij,
Zal ik den Heere zingen blij.

1. Here mijn God, Gij hoedt mijn leven,
ik heb het in uw hand gegeven,
breid over mij uw vleugels uit,
de vijand is belust op buit:
hij wil mij als een leeuw verslinden.
laat, Heer, zijn klauwen mij niet vinden,
niet slepen naar zijn woest gebied,
terwijl geen mens mij bijstand biedt.

2. Wanneer het waar is dat mijn handen
bevlekt zijn met geweld en schande,
wanneer ik goed vergeld met kwaad,
dan treffe mij des vijands haat.
Ben ik een schenner van de vrede,
dan mag hij mij in 't stof vertreden.
Maar, Heer mijn God, ik heb behoed
de man die dorstte naar mijn bloed.

3. Sta op, Heer, laat uw toorn ontbranden,
ontruk mij aan des vijands handen.
Betoom zijn woede, help uw knecht,
handhaaf, o Heer, het hoogste recht.
Laat dan de volken U omringen,
en beven voor uw rechtsgedingen.
En Gij die aller Koning zijt,
troon boven hen in heerlijkheid.

4. God zal der volken rechter wezen.
Zou ik zijn oordeel moeten vrezen?
Rechtvaardig sta ik voor 't gericht.
Heer, breng mijn onschuld aan het licht.
Stel paal en perk aan die U tarten,
Gij die doorschouwt der mensen harten.
Houd uwer knechten werk in stand,
rechtvaardig God, met eigen hand.

5. God is mijn schild en mijn betrouwen,
de reine zal zijn heil aanschouwen.
Hij richt met goddelijk gezag,
Hij toont zijn gramschap elke dag.
Hij wet zijn zwaard en zal het heffen
om de hardnekkigen te treffen.
En op de boog der wrake legt
de Heer de vlammen van zijn recht.

6. Zij die bevrucht zijn door het kwade
gaan zwanger aan verkeerde daden,
bedrog en onrecht baart hun mond.
Zij tasten in onwaarheid rond.
Zij zullen in de kuil geraken
die zij voor and're mensen maken.
Al hun verderf keert tot hen weer,
komt op hun eigen hoofd eens neer.

7. God zal ik loven, de Gerechte,
Hij zal voor mij het pleit beslechten.
Nu looft mijn lied in eeuwigheid
des Heren naam en majesteit.

1. Here mijn God, Gij hoedt mijn leven,
ik heb het in uw hand gegeven,
breid over mij uw vleugels uit,
de vijand is belust op buit:
hij wil mij als een leeuw verslinden.
Laat, Heer, zijn klauwen mij niet vinden,
niet slepen naar zijn woest gebied,
terwijl geen mens mij bijstand biedt.

2. Wanneer het waar is dat mijn handen
bevlekt zijn met geweld en schande,
wanneer ik goed vergeld met kwaad,
dan treffe mij des vijands haat.
Ben ik een schenner van de vrede,
dan mag hij mij in 't stof vertreden.
Maar, Heer mijn God, ik heb behoed
de man die dorstte naar mijn bloed.

3. Sta op, Heer, laat uw toorn ontbranden,
ontruk mij aan des vijands handen.
Betoom zijn woede, help uw knecht,
handhaaf, o Heer, het hoogste recht.
Laat dan de volken U omringen,
en beven voor uw rechtsgedingen.
En Gij die aller Koning zijt,
troon boven hen in heerlijkheid.

4. God zal der volken rechter wezen.
Zou ik zijn oordeel moeten vrezen?
Rechtvaardig sta ik voor't gericht.
Heer, breng mijn onschuld aan het licht.
Stel paal en perk aan die U tarten,
Gij die doorschouwt der mensen harten.
Houd uwer knechten werk in stand,
rechtvaardig God, met eigen hand.

5. God is mijn schild en mijn betrouwen,
de reine zal zijn heil aanschouwen.
Hij richt met goddelijk gezag,
Hij toont zijn gramschap elke dag.
Hij wet zijn zwaard en zal het heffen
om de hardnekkigen te treffen.
En op de boog der wrake legt
de Heer de vlammen van zijn recht.

6. Zij die bevrucht zijn door het kwade
gaan zwanger aan verkeerde daden,
bedrog en onrecht baart hun mond.
Zij tasten in onwaarheid rond.
Zij zullen in de kuil geraken
die zij voor andre mensen maken.
Al hun verderf keert tot hen weer,
komt op hun eigen hoofd eens neer.

7. God zal ik loven, den Gerechte,
Hij zal voor mij het pleit beslechten.
Nu looft mijn lied in eeuwigheid
des Heren naam en majesteit.