Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Eindelijk! Taal verandert razendsnel. Toch was de jongste officiële psalmberijming al dik 50 jaar oud. Voor de gemiddelde jongere een bijna onbegrijpelijk taalkleed. Super dat naast initiatieven als 'Psalmen voor Nu' en 'Levensliederen' er nu dit initiatief is. Lees meer »

Ds. K. de Vries | Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Ds. K. de Vries
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Lees alle quotes

Psalm 6

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, laat uw boosheid varen,
wil mij uw straf besparen;
ik overleef die niet!
Kom toch mijn hart genezen;
wil mij genadig wezen
nu U mijn bangheid ziet.

2. Hoe lang laat U mij wachten
vol angstige gedachten?
Uw goedheid, HEER, is groot.
Breng mij het graf te boven, 
want hoe kan ik U loven
of prijzen in de dood?
 
3. Moe ben ik van mijn klachten,
ik huil in lange nachten
mijn bed met tranen nat.
Mijn krachten zijn vervlogen;
gebroken zijn mijn ogen.
Mijn geest is dof en mat.
 
4. Ga weg van mij, rebellen
en jullie die mij kwellen
met onrecht en geweld.
De HEER verhoort mijn smeken.
Hij zal je hoogmoed breken:
je dagen zijn geteld.

Tekst: Arjen Vreugdenhil

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. HEER, laat uw boosheid varen,
wil mij uw straf besparen;
ik overleef die niet!
Kom toch mijn hart genezen;
wil mij genadig wezen
nu U mijn bangheid ziet.

2. Hoe lang laat U mij wachten
vol angstige gedachten?
Uw goedheid, HEER, is groot.
Breng mij het graf te boven, 
want hoe kan ik U loven
of prijzen in de dood?
 
3. Moe ben ik van mijn klachten,
ik huil in lange nachten
mijn bed met tranen nat.
Mijn krachten zijn vervlogen;
gebroken zijn mijn ogen.
Mijn geest is dof en mat.
 
4. Ga weg van mij, rebellen
en jullie die mij kwellen
met onrecht en geweld.
De HEER verhoort mijn smeken.
Hij zal je hoogmoed breken:
je dagen zijn geteld.

Tekst: Arjen Vreugdenhil

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Video-opname

1. O HEER', Gij zijt weldadig;
Straf mij niet ongenadig
In Uwen toornegloed,
Ai, matig Uw kastijden;
Sla mij met medelijden,
Gelijk een vader doet.

2. Vergeef mij al mijn zonden,
Die Uwe hoogheid schonden;
Ik ben verzwakt, o HEER',
Genees mij, red mijn leven:
Gij ziet mijn beend'ren beven;
Zo slaat Uw hand mij neer.

3. Mijn ziel, gans neergebogen,
Schrikt voor Uw heilig' ogen,
In dezen jammerstaat.
Hoe lang zal ik nog klagen?
Hoe lang Uw gramschap dragen,
O HEER', mijn toeverlaat?

4. Keer eind'lijk, HEER', toch weder;
Mijn ziel buigt zich terneder,
Ai, red haar van 't verderf.
Sla mijn ellende gade,
Tot roem van Uw genade,
En help mij, eer ik sterf.

5. Want wie kan, na 't verscheiden,
Op aarde meer verbreiden,
Uw grootheid en Uw lof?
Wie zal Uw gunstbewijzen,
In 't zwijgend graf ooit prijzen?
U zingen in het stof?

6. Uw strenge geselroede,
Maakt mij van 't zuchten moede,
Verteert geheel mijn kracht;
Ik voel Uw slagen klemmen,
En doe mijn bedde zwemmen
In tranen, al den nacht.

7. Mijn oog is rood gekreten,
Van tranen uitgebeten,
Verouderd en doorknaagd;
Daar ik, in mijn ellenden,
Door al mijns vijands benden,
Verdrukt word en gejaagd.

8. Mijn ziel grijp moed; wijkt bozen,
Vlucht van mij weg, godd'lozen;
De HEER' heeft mijne klacht,
Met toegenegen oren,
Genadig willen horen,
En al mijn smart verzacht.

9. De HEER' wild' op mijn kermen,
Zich over mij ontfermen.
Hij heeft mijn stem verhoord,
De HEER' zal, op mijn smeken,
Geen hulp mij doen ontbreken;
Hij houdt getrouw Zijn woord.

10. Hij zal mijn haters weren,
Hen straks terug doen keren,
Beschaamd, en vol van schrik;
Zijn grimmigheid, aan 't blaken,
Zal hen te schande maken,
Zelfs in een ogenblik.

1. Wil mij niet straffen, Heere,
Die misdaan heb zo zere,
In enen grammen zin;
In Uwen toorn vervaarlijk,
Kastijd mij niet zo zwaarlijk
Als ik wel waardig bin.
 
2. Maar wil U, Heer ontfermen
En over mij erbermen;
Ik ben zeer zwak altijd.
Wil mij gezondheid geven,
Want mijn ziel en lijf beven
In deze mijnen strijd.
 
3. Mijn geest hem ook ontstellet.
Zwaar verschrikken mij kwellet,
Vreze maken mij onvro.
O Heere! hoog geprezen,
Hoe lange zal 't nog wezen,
Dat ik moet blijven zo?
 
4. Ach! wil U tot mij keren,
Wil ook van mij toch weren
Deez' benauwdheid niet klein.
Zeer groot zijn mijn misdaden;
Maar uit louter genaden
Maak mij, Heer, daarvan rein.
 
5. Want in den dood zeer wrede,
Wie is 't die daar verbrede
Uw lof en eer bekwaam?
Niemand zal in der helle
Uwen prijs schoon vertellen.
Noch danken Uwen Naam.
 
6. Ik ben moed' en verslagen
Van gans den nacht te klagen.
Ik doe zwemmen voorwaar
Mijn bedde, met mijn wenen,
En mijn leger met enen
In mijn tranen eenpaar.
 
7. Mijn gedaante met allen
Is nu, Heer, gans vervallen
Door gedurig geklag;
Omdat aan alle zijden
Mijn vijanden verblijden
Voor mij met groot gelach.
 
8. Gij bozen, wilt nu wijken:
Gij wreden desgelijke;
Vertrekt nu haast van hier.
God heeft mijn treurig klagen
Naar Zijn goed welbehagen,
Verhoord zeer goedertier.
 
9. God en wil niet verachten
Mijn gebed noch mijn klachten;
Maar hoort mij t' Zijner eer.
Mijn beden Hem bewegen,
Ik heb van Hem verkregen
Mijn begeerten en meer.
 
10. Daarom zijn nu met schande
Bezwaard al mijn vijanden,
Verbaasd zijn zij gewis.
Terug moeten zij keren,
Met schaamte en onere;
Want mij God zo goed is.
 

1. Heer, toon mij uw genade,
straf mij niet naar mijn daden,
ik was in kwaad verblind.
Komt mij uw hand kastijden,
sla mij met medelijden
als uw weerspannig kind.

2. Ik word verteerd door vrezen,
o Heer, kom mij genezen,
mijn hart is droef en bang.
hoe lang al zijn de nachten
een luisteren en wachten?
Ach Here, tot hoe lang?

3. Keer weder, red mijn leven!
Wil mij toch uitkomst geven:
uw goedheid is zeer groot.
Want wie kan U gedenken,
wie kan U ere schenken
in 't donker van de dood?

4. De slaap is mij ontnomen,
ik laat mijn tranen stromen
in nachten van verdriet.
Hoe lang moet ik aanschouwen
die steeds mijn ziel benauwen?
O Heer, verlaat mij niet!

5. Wijkt, werkers van het kwade!
De Heer heeft in genade
mijn smekingen verstaan.
De Heer heeft in ontfermen
geluisterd naar mijn kermen
en neemt mijn bidden aan.

6. Waar zijn zij die mij jaagden,
die mij ter dood belaagden?
God sloeg ze met zijn schrik!
Zij werden zelfs als doden,
zij zijn beschaamd gevloden
als in een ogenblik!

1. O Here, sla mij gade.
Denk aan mij in genade.
Hoe is uw toorn ontbrand!
Wil mij niet hard kastijden,
schenk mij uw medelijden.
Ik vrees uw slaande hand.

2. Wil, Here, mij genezen
en mij genadig wezen.
Ik ben verschrikt en bang.
Zie, al mijn leden beven,
doodsangst verteert mijn leven.
Ach, Here, tot hoelang?

3. Keer weer en red mijn leven.
Heer, wil mij uitkomst geven,
uw trouw is immers groot.
Wie kan uw naam nog noemen,
uw grote daden roemen,
U loven in de dood?

4. In lange, bange nachten
vergaan mijn levenskrachten.
Mijn kussen is doorweekt.
Mijn oog, verzwakt van lijden
door hen die mij bestrijden,
is dof, zijn glans ontbreekt.

5. Wijkt, werkers van het kwade!
De Heer heeft in genade
mijn jammerklacht verstaan.
Hij hoorde naar mijn kermen
en wilde Zich ontfermen.
Hij neemt mijn bidden aan.

6. God zal mijn haters weren,
vol schaamte om doen keren,
hen treffen door zijn schrik.
Hij slaat hen met zijn plagen,
zijn hand zal hen verjagen
als in een ogenblik.