Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Eindelijk! Taal verandert razendsnel. Toch was de jongste officiële psalmberijming al dik 50 jaar oud. Voor de gemiddelde jongere een bijna onbegrijpelijk taalkleed. Super dat naast initiatieven als 'Psalmen voor Nu' en 'Levensliederen' er nu dit initiatief is. Lees meer »

Ds. K. de Vries | Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Ds. K. de Vries
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Lees alle quotes

Psalm 31

De nieuwe psalmberijming

1. Ik schuil bij U met al mijn zorgen.
Beschaam mij niet, o HEER.
Spreek recht, help ook dit keer.
In U, mijn rots, ben ik geborgen.
U zult mij zorgzaam leiden,
mij uit het net bevrijden.

2. Mijn leven leg ik in uw handen.
U, trouwe God, maakt vrij.
Ik haat afgoderij,
maar voel voor U mijn liefde branden,
voor U die mijn ellende
en zielsbenauwdheid kende.

3. Schep ruimte, HEER, heb mededogen.
Ik zit in diepe nood.
De afbraak is zo groot!
Zwak is mijn lijf, dof zijn mijn ogen.
Mijn zonden - zij verzwaren
mijn moeitevolle jaren.

4. Ik word bespot door mijn belagers,
door buren nog het meest.
Wie vrienden zijn geweest
zijn nu veranderd in beklagers.
Om wat ik heb te lijden
gaan mensen mij vermijden.

5. Voor velen ben ik afgeschreven,
een stukgebroken pot,
voor dood verklaard, bespot.
HEER, ik moet vrezen voor mijn leven,
omdat mijn haters samen
een moord op mij beramen.

6. Op U, mijn HEER, blijf ik vertrouwen.
Ik zeg: U bent mijn God,
in uw hand ligt mijn lot.
Laat niet de vijand mij benauwen.
Doe liefdevolle daden;
betoon me uw genade.

7. Maak toch uw dienaar niet te schande,
want, HEER, U roep ik aan,
maar laat te schande staan
en zwijgend in het graf belanden
wie zelfgenoegzaam liegen,
wie heiligen bedriegen.

8. Hoe groot is, HEER, wat U zult geven
aan wie bij U als kind
zijn troost en toevlucht vindt.
Bij U geborgen is zijn leven.
Hij vindt bij U ontferming.
Uw tent geeft hem bescherming.

9. God zij gedankt, want door een wonder
heeft Hij zijn kind ontzet,
uit doodsgevaar gered.
Ik dacht: ‘Mijn leven gaat ten onder.’
Te snel sprak ik die woorden:
U was het die mij hoorde.

10. Bewijs God eerbied, jullie allen
die trouw zijn aan de HEER.
Hij zorgt voor je verweer,
maar goddelozen laat Hij vallen.
Wees sterk en vastberaden
en hoop op zijn genade.

Tekst: Bob Vuijk

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Ik schuil bij U met al mijn zorgen.
Beschaam mij niet, o HEER.
Spreek recht, help ook dit keer.
In U, mijn rots, ben ik geborgen.
U zult mij zorgzaam leiden,
mij uit het net bevrijden.

2. Mijn leven leg ik in uw handen.
U, trouwe God, maakt vrij.
Ik haat afgoderij,
maar voel voor U mijn liefde branden,
voor U die mijn ellende
en zielsbenauwdheid kende.

3. Schep ruimte, HEER, heb mededogen.
Ik zit in diepe nood.
De afbraak is zo groot!
Zwak is mijn lijf, dof zijn mijn ogen.
Mijn zonden - zij verzwaren
mijn moeitevolle jaren.

4. Ik word bespot door mijn belagers,
door buren nog het meest.
Wie vrienden zijn geweest
zijn nu veranderd in beklagers.
Om wat ik heb te lijden
gaan mensen mij vermijden.

5. Voor velen ben ik afgeschreven,
een stukgebroken pot,
voor dood verklaard, bespot.
HEER, ik moet vrezen voor mijn leven,
omdat mijn haters samen
een moord op mij beramen.

6. Op U, mijn HEER, blijf ik vertrouwen.
Ik zeg: U bent mijn God,
in uw hand ligt mijn lot.
Laat niet de vijand mij benauwen.
Doe liefdevolle daden;
betoon me uw genade.

7. Maak toch uw dienaar niet te schande,
want, HEER, U roep ik aan,
maar laat te schande staan
en zwijgend in het graf belanden
wie zelfgenoegzaam liegen,
wie heiligen bedriegen.

8. Hoe groot is, HEER, wat U zult geven
aan wie bij U als kind
zijn troost en toevlucht vindt.
Bij U geborgen is zijn leven.
Hij vindt bij U ontferming.
Uw tent geeft hem bescherming.

9. God zij gedankt, want door een wonder
heeft Hij zijn kind ontzet,
uit doodsgevaar gered.
Ik dacht: ‘Mijn leven gaat ten onder.’
Te snel sprak ik die woorden:
U was het die mij hoorde.

10. Bewijs God eerbied, jullie allen
die trouw zijn aan de HEER.
Hij zorgt voor je verweer,
maar goddelozen laat Hij vallen.
Wees sterk en vastberaden
en hoop op zijn genade.

Tekst: Bob Vuijk

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

1. Op U betrouw ik, HEER' der heren,
Op U, gelijk 't betaamt.
Ai, laat mij nooit beschaamd,
Van Uwen troon teruggekeren.
Help mij, op mijn gebeden,
Door Uw gerechtigheden.

2. Och, neig tot mij Uw gunstig' oren,
Schiet haastig toe; dat mij
Uw Naam een rotssteen zij;
Een huis, een welgesterkte toren,
Die, op een klip verheven,
Mij veiligheid kan geven.

3. Gij zijt alleen-wat zou ik vrezen-
Mijn rots, mijn burcht, o HEER'.
Ja, Uwen Naam ter eer,
Zult Gij mij tot een Herder wezen,
Mijn Helper, scheur de netten,
Die z' in 't verborgen zetten.

4. 'k Beveel mijn geest in Uwe handen;
Gij, God der waarheid, Gij,
O HEER', verlostet mij.
Ik haat hen, die het reukwerk branden
Ter eer van valse goden;
Op U steun ik in noden.

5. 'k Zal in Uw goedheid mij verblijden!
Gij hebt mij aangezien,
En hulpe willen bien,
In mijn verdrukking en mijn lijden;
Toen, in mijn zielsellende,
Uw aangezicht mij kende.

6. Ook hebt Ge mij niet weggestoten,
Noch mij, van allen kant,
Benauwd door 's vijands hand;
Neen, 'k heb Uw trouwe hulp genoten.
Gij deedt met vaste schreden,
Mij in de ruimte treden.

7. Bewijs, o HEER', Uw mededogen,
Verhoed mijn ondergang:
Ik ben beklemd en bang.
Het zwaar verdriet doorknaagt mijn ogen.
Het doet mijn ziel bezwijken,
En 's lichaams krachten wijken.

8. De bitt're smart verteert mijn leven:
Mijn tijd wordt dag aan dag,
Versleten in geklag.
Ik voel mijn krachten mij begeven;
Door zonden, die met plagen
Mijn beend'ren fel doorknagen.

9. Mijn weerpartijders, zeer te duchten,
Verwekken mij elks haat
En mijner buren smaad.
'k Ben tot een schrik; mijn vrienden vluchten;
Daar z' om mijn blaam en lijden,
Mij op de straten mijden.

10. Ik ben als dood in 't hart vergeten,
En word niet meer geschat,
Dan een verdorven vat.
'k Hoor hoeveel kwaads mij wordt verweten;
Waar zou ik veilig wezen?
'k Heb van rondom te vrezen.

11. Terwijl zij samen zich verbinden,
Besluiten zij mijn dood.
Maar, HEER', 'k betrouw in nood
Op U; dit doet mij sterkte vinden
'k Mag met gelovig roemen,
U mijn Verbondsgod noemen.

12. In Uwe hand zijn mijne tijden;
'k Verlaat mij in mijn leed,
Op U alleen, Die weet
De maat m en 't einde van mijn lijden.
Red mij van wie verbolgen
Ter dood toe mij vervolgen!

13. Laat over mij Uw aanschijn lichten;
Zie op Uw dienstknecht neer,
Verlos mij toch, o HEER'.
Doe mij nooit voor mijn haat'ren zwichten.
Beschaam niet, laat niet zuchten,
Dien Gij tot U ziet vluchten.

14. Beschaam, verschrik de goddelozen,
Verstom hen in den dood.
Och, of Uw almacht sloot;
De valse lippen van die bozen,
Die, stout en trots, verachten,
Hen, die Uw wet betrachten.

15. Hoe groot is 't goed, dat Gij zult geven
Hem, wiens oprechte geest
Op U betrouwt, U vreest!
Hoe groot is 't heil, dat G' in dit leven,
Ver boven ' en wensen,
Reeds wrocht voor 't oog der mensen!

16. Gij zult uw volk een schuilplaats wezen;
Gij bergt hen in het licht,
Van 't Godd'lijk aangezicht,
Daar zij geen leed van trotsen vrezen:
Een hut, waarin zij 't woelen,
Den twist der tong niet voelen.

17. Geloofd zij God, Die Zijn genade
Aan mij heeft groot gemaakt,
Die voor mijn welstand waakt!
Zijn oog slaat mij in liefde gade,
Hij wil mij heil bereiden,
Mij in een vesting leiden.

18. Ik heb, te moed'loos neergebogen
En door de vrees gejaagd,
Weleer te ras geklaagd:
"'k Ben afgesneen van voor Uw ogen".
Dan nog woudt G' U ontfermen,
Toen Gij mij hoordet kermen.

19. Bemint den HEER', Gods gunstgenoten,
Den HEER', Die vromen hoedt
En straft het trots gemoed.
Zijt sterk, Hij zal u niet verstoten;
Hun geeft Hij moed en krachten,
Die hopend op Hem wachten.

1. Ik stel op U vast mijn betrouwen;
En laat mij nimmermeer
Tot schande komen, Heer!
Verlos mij toch uit dit benauwen,
Naar Uw gerechtigheden,
Bekend in alle steden.

2. Neig U tot mij, die nu ben klachtig,
En om mij bij te staan
Wil U haasten voortaan;
Wees mij, Heer, een steenrotse krachtig;
Wil mijn ziel in dit lijden,
Als in een burcht bevrijden.

3. Gij zijt mijn burcht zonder versagen;
Dies om Uwes Naams wil
Voer mij uit dit geschil;
En uit de strikken voorgeslagen
Trek mij, o God almachtig,
Gij zijt mijn kracht waarachtig.

4. Den geest geef ik in Uwe handen,
Want Gij hebt mij bevrijd,
God, Die zo getrouw zijt.
Op U alleen heb ik gestanden.
Ik hate dat bedriegen,
IJdelheid en dat liegen.

5. Ik zal eens met vreugd mij verblijden
En zingen overbreid'
Heer, van Uwe goedheid.
Als Gij mij, die ben in dit lijden
En in een groot bezwaren,
Zult aanzien en bewaren.

6. Gij geeft mij niet in der vijanden
Geweld, want zij zijn wreed,
Zonder enig bescheed;
Maar Gij geeft mij, Heer, in deez' landen
Ruimte, die mij verkwikket,
Dat ik niet zij verstikket.

7. Laat mij sterkte van U verwerven;
Want overvallen gaar
Ben ik met angst en vaar;
Men ziet mijn gedaante versterven;
Mijn buik is ingevallen,
't Leven smelt mij met allen.

8. Door benauwdheid vergaat mijn leven.
Ik heb met zuchten zwaar
Versleten menig jaar.
Door smaad, van mijn haters bedreven,
Vergaat mijn kracht met enen,
Ja verdwijnen mijn benen.

9. Bij hen, die mij om niet verachten,
Zijn mijn naburen vrij.
Die hen schamen van mij.
Mijn vrienden, die mij t' eren plachten,
Vlieden en mij verlaten,
Zij schuwen mij op straten.

10. Zij hebben mij geheel vergeten,
Als waar ik dood verrot,
Ja een gebroken pot.
Zij smaden daar ze zijn gezeten;
Zodat aan alle zijden
Alle mensen mij mijden.

11. T' zamen zij naarstelijk raadplegen
Hoe dat zij klein en groot
Mij eens brengen ter dood.
Toch hoop ik op U allerwegen;
Dus spreekt mijn hart aandachtig:
Gij zijt mijn God almachtig.

12. In Uw hand staat mijn leven tere.
Van mijn vijanden kwaad.
Verlos mij met der daad.
Bevrijd mij van hen, die mij zere
Vervolgen en beladen.
Ja zoeken te verraden.

13. Laat over mij Uw aanschijn lichten,
Dat mij Uw goedigheid
Bewaar voor tegenheid.
Wil mij van Uwen weg berichten;
Behoed mij voor onere,
Dat bid ik U, o Heere!

14. Beschaamd en stom moeten zij wezen
De leugensprekers al,
Met haar nijdig geschal;
Die tegen den vromen geprezen
Zijn stout, fier en hoogmoedig,
In 't spotten overvloedig.

15. Hoe groot is 't, dat Gij hem wilt geven,
Die U met hart en geest,
O Heer, ten rechten vreest!
Heerlijk is 't en hoge verheven,
Dat Gij hem geeft genadig,
Die op U hoopt gestadig.

16. Bij U in Uwe woning schone
Verbergt Gij dien man goed
Voor der bozen hoogmoed.
Gij bewaart ook zijnen persone
Vrij en gans onbeladen
Voor de tongen, die schaden.

17. Ik wil U prijzen onverdroten,
Omdat Gij, Heer, altijd
Mij goed en vriend'lijk zijt,
En mij in een stad vast besloten
Bewaard hebt, zo 't mag blijken,
En beschermd desgelijken.

18. Zolang ik was in mijn versagen,
Sprak ik: Gij hebt mij gaar
Nu verstoten voorwaar.
Doch Gij hebt, Heer, verhoord mijn klagen,
Als ik in tegenheden
Geschreid heb en gebeden.

19. Hebt God lief, gij zijn uitverkoren,
Die de vromen behoedt,
En de wreden verdoet.
Zijt kloek, geeft den moed niet verloren;
Want God wil die aanschouwen,
Die op Hem vast betrouwen.

1. Op U vertrouw ik, Heer der Heren,
Gij die mijn sterkte zijt.
Om uw gerechtigheid
wil nimmer mij de rug toekeren.
Betoon mij uw nabijheid
en stel mij in de vrijheid.

2. Hoor toch mijn roepen, hoor mijn klagen,
snel mij te hulp, o God,
maak niet uw knecht ten spot.
De vijand dreigt en legt zijn lagen,
wees mij dan, Gij geduchte,
een burcht om in te vluchten.

3. Gij zijt mijn rots, Gij wilt mij wezen,
om uwen naam, o Heer,
toevlucht en tegenweer.
Gij leidt mij uit, ik zal niet vrezen.
Al spannen zij hun netten,
Gij zelf zult mij ontzetten.

4. In uwe handen, God almachtig,
beveel ik nu mijn geest.
Mijn hart is onbevreesd.
Ik ben altijd uw trouw indachtig,
mijn God, die als ik schreide
mij troostte en bevrijdde.

5. Ik haat ze, die hun wierook branden
voor leugengoden, Heer:
zij roven U de eer.
Maar ik leg in uw trouwe handen
mijn aangevochten leven.
Gij zult mij nooit begeven.

6. Ik wil mij, Heer, in U verblijden,
die hulp bood in de dag
dat ik geen uitkomst zag,
die steeds mij uit de engte leidde;
dan mocht met lichte schreden
ik in de ruimte treden.

7. Doe mij genadig weer aanschouwen
uw liefelijk gelaat,-
ik ben ten einde raad.
Wek in mijn ziel een nieuw vertrouwen.
Hoe is mijn moed geslonken,
het hart is mij ontzonken.

8. Mijn dagen teren op in klachten,
mijn jaren gaan voorbij
met zuchten en geschrei;
Door eigen schuld vergaan mijn krachten,
de schaamte knaagt van binnen,-
doe mij uw gunst herwinnen!

9. Voor hen die tegen mij zich wendden,
werd ik een smaad o God,
het mikpunt van hun spot.
Ik werd een schrik voor mijn bekenden:
komt men op straat mij tegen
dan kiest men and're wegen.

10. Ik ben voor hen gelijk een dode,
weg uit hun oog en hart,
om mij heeft niemand smart.
O God, wie heeft mij nog van node?
Ik ben door elk vergeten,
als afval weggesmeten.

11. Ik hoor hun lachen en gefluister,
zij loeren op mijn val
altijd en overal.
Zie, zij verbergen zich in 't duister,
zij zijn met velen samen
die mijn verderf beramen.

12. Maar ik vertrouw op U, mijn tijden,
o Heer, zijn in uw hand;
maak mij dan niet te schand!
Ach, kom mij uit de hand bevrijden
van wie, op mij verbolgen,
mij totterdood vervolgen.

13. Doe over mij genadig lichten
uw liefelijk gelaat,
verlos mij van hun haat.
Kom om uw knecht weer op te richten,
hem die in zijn ellende
zich altijd tot U wendde.

14. Beschaam wie zich aan U niet storen,
stoot in het graf hen neer,
met stomheid sla ze, Heer!
Bescherm wie aan U toebehoren,
dat niet de hoon hen treffe
van wie zich hoog verheffen.

15. Hoe groot is 't goed, dat Gij, o Heer,
hebt weggelegd voor hem,
die acht slaat op uw stem.
Gij zijt voor wie zich tot U keren
een schuilplaats uit den hoge
voor aller mensen ogen.

16. Gij doet in 't licht hen toevlucht vinden,
dat van uw aanschijn straalt.
Geen die hen achterhaalt.
Wie zich ook tegen hen verbinden,
geen laster kan ze deren
die bij U schuilen, Here.

17. Geprezen zij de Heer, mijn Koning,
Hij die zijn knecht ontmoet
met gaven groot en goed.
Toen 't kwaad zich saamtrok om mijn woning,
kwam Hij mijn val beletten,
was Hij 't die mij ontzette.

18. Ik voelde mij wel afgesneden,
gebannen uit uw oog,
Gij waart zo ver, zo hoog.
Maar, Heer, Gij hoorde mijn gebeden.
Gij laat toch wie U smeken
uw bijstand niet ontbreken.

19. God slaat de trotsen die Hem griefden,
maar steunt met raad en daad
wie zich op Hem verlaat.
Hoopt op den Heer, gij zijn geliefden,
houdt moed, blijft Hem verwachten,
hij schenkt u nieuwe krachten.

1. Bij U, o Heer, zoek ik bescherming.
Beschaam mijn hoop dan niet,
als U mijn noden ziet.
Hoor mijn gebed en toon ontferming.
Wil uitkomst mij bereiden,
mij naar uw recht bevrijden.

2. Wees mij een schuilplaats in gevaren,
een toevlucht in mijn leed,
waar ik mij veilig weet.
U zult mij leiden en bewaren,
behoeder van mijn leven,
mijn steenrots, hoog verheven.

3. Heer, U maakt los de sterke banden
en trekt mij uit het net,
verborgen uitgezet.
Mijn geest beveel ik in uw handen.
U, Here, wilt uit lijden
mij door uw trouw bevrijden.

4. De afgodsdienaars zal ik haten.
Mijn toevlucht is de Heer,
die ik met blijdschap eer.
U hebt mij nooit, o God, verlaten.
U zag al mijn ellende,
toen niemand mij meer kende.

5. U hebt geweten van mijn zuchten.
U hebt mijn ziel gespaard,
mij wonderlijk bewaard.
Nu ik de vijand mocht ontvluchten,
zult U mij verder leiden,
U, die mijn voet bevrijdde.

6. Wees mij genadig in gevaren,
daar ik van angst en pijn
benauwd ben en verkwijn.
In smart vervliegen al mijn jaren.
Mijn schuld doet mij bezwijken,
ik voel mijn krachten wijken.

7. Ik word gesmaad door wie mij haten.
Ik ben, waar ik mij wend,
een schrik voor wie mij kent.
Ik word gemeden op de straten,
voor dood verklaard, vergeten,
als scherven weggesmeten.

8. Ik hoor hoe velen samenspannen.
Zij sluiten zich aaneen,
staan dreigend om mij heen.
Mijn dood is 't oogmerk van hun plannen.
Maar ik blijf op U bouwen,
op U, mijn God, vertrouwen.

9. 'k Weet in uw vaderhand mijn tijden.
Red mij uit 's vijands hand
en breek zijn tegenstand.
Laat uw gelaat mij weer verblijden.
Wil mij verlossing geven.
Uw trouw doet mij herleven.

10. Beschaam mij niet naar al mijn smeken.
Breng bozen door uw straf
tot zwijgen in het graf.
Beschaam wie leugenachtig spreken,
wie vromen trots bestrijden,
bespotten in hun lijden.

11. Hoe groot is 't goed dat U wilt geven
aan elk die U bemint,
bij U zijn toevlucht vindt.
Dit goed bewerkt U in het leven
voor hen die U verhogen
voor aller mensen ogen.

12. U wilt voor hen een schuilplaats wezen,
verbergt hen in het licht
nabij uw aangezicht,
waar zij geen kwaad van bozen vrezen,
een hut waarin zij 't woelen
van twist en strijd niet voelen.

13. Geloofd zij God, die zijn genade
mij wonderlijk bewees
in dodelijke vrees.
Ik dacht: U slaat mij niet meer gade.
Maar U liet op mijn smeken
uw bijstand niet ontbreken.

14. Bemint de Heer, Gods gunstgenoten,
Hem, die getrouwen hoedt,
maar trotsen boeten doet.
Weest sterk, Hij zal u niet verstoten.
Want Hij geeft nieuwe krachten
aan wie de Heer verwachten.