Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

In onze gemeente willen we graag de psalmen blijven zingen. Het zijn prachtige liederen waarin allerlei aspecten van het leven met God bezongen worden. Helaas was de mooie inhoud soms in lastige of ouderwetse taal verstopt. De Nieuwe Psalmberijming helpt om te begrijpen wat we zingen. Lees meer »

Ds. E.C. Vreugdenhil | Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Ds. E.C. Vreugdenhil
Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Lees alle quotes

Psalm 118

De nieuwe psalmberijming

1. De HEER is goed, Hem moet je eren;
zijn liefde houdt voor altijd stand.
Laat Israël het proclameren:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’
Herhaal het zingend, priesterkoren:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’
Al wie de HEER dient, laat het horen:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’

2. In mijn benauwdheid, in mijn lijden
riep ik het uit: ‘HEER, help mij toch!’
Hij luisterde en Hij bevrijdde;
wat doet een sterveling mij nog?
Op Hem, mijn helper, kan ik bouwen;
ik kijk op mijn belagers neer.
In plaats van mensen te vertrouwen
vind ik een schuilplaats bij de HEER.

3. Ik was door volken ingesloten –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Ze stonden klaar om door te stoten – 
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Als wespen zijn ze neergestreken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Haast was ik in de strijd bezweken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.

4. Ik zal van Hem, mijn sterkte, zingen.
Het legerkamp stemt met mij in:
‘Zijn rechterhand doet grote dingen;
ja, onweerstaanbaar grijpt Hij in.’
Ik zal niet sterven, ik zal leven!
De HEER gaf wel een zware straf,
maar heeft mij toch niet prijsgegeven
aan het genadeloze graf.

5. Zet nu de tempelpoort wijd open,
de poort van de gerechtigheid,
zodat ik blij het pad kan lopen
dat naar de HEER, mijn redder, leidt.
Hier gaan rechtvaardigen naar binnen;
ze gaan de poort al zingend door.
Met U, HEER, mocht ik overwinnen;
daar dank ik U van harte voor!

6. De steen waar bouwers niets in zagen
was in Gods ogen cruciaal.
Die steen mag zijn gebouw nu dragen;
zijn werk verbaast ons allemaal!
Dit is de dag van Hem gekregen,
een dag van blijdschap en gezang.
Wij bidden, HEER, geef ons uw zegen;
geef voorspoed, HEER, ons leven lang.

7. Wij zegenen de grote koning
die komt in naam van God, de HEER.
Vier nu het feest mee in zijn woning;
leg offergaven voor Hem neer.
Mijn God, ik zal U dank bewijzen
met groene twijgen in de hand.
De HEER is goed, Hem moet je prijzen;
zijn liefde houdt voor altijd stand.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. De HEER is goed, Hem moet je eren;
zijn liefde houdt voor altijd stand.
Laat Israël het proclameren:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’
Herhaal het zingend, priesterkoren:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’
Al wie de HEER dient, laat het horen:
‘Zijn liefde houdt voor altijd stand.’

2. In mijn benauwdheid, in mijn lijden
riep ik het uit: ‘HEER, help mij toch!’
Hij luisterde en Hij bevrijdde;
wat doet een sterveling mij nog?
Op Hem, mijn helper, kan ik bouwen;
ik kijk op mijn belagers neer.
In plaats van mensen te vertrouwen
vind ik een schuilplaats bij de HEER.

3. Ik was door volken ingesloten –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Ze stonden klaar om door te stoten – 
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Als wespen zijn ze neergestreken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.
Haast was ik in de strijd bezweken –
dankzij de HEER versloeg ik hen.

4. Ik zal van Hem, mijn sterkte, zingen.
Het legerkamp stemt met mij in:
‘Zijn rechterhand doet grote dingen;
ja, onweerstaanbaar grijpt Hij in.’
Ik zal niet sterven, ik zal leven!
De HEER gaf wel een zware straf,
maar heeft mij toch niet prijsgegeven
aan het genadeloze graf.

5. Zet nu de tempelpoort wijd open,
de poort van de gerechtigheid,
zodat ik blij het pad kan lopen
dat naar de HEER, mijn redder, leidt.
Hier gaan rechtvaardigen naar binnen;
ze gaan de poort al zingend door.
Met U, HEER, mocht ik overwinnen;
daar dank ik U van harte voor!

6. De steen waar bouwers niets in zagen
was in Gods ogen cruciaal.
Die steen mag zijn gebouw nu dragen;
zijn werk verbaast ons allemaal!
Dit is de dag van Hem gekregen,
een dag van blijdschap en gezang.
Wij bidden, HEER, geef ons uw zegen;
geef voorspoed, HEER, ons leven lang.

7. Wij zegenen de grote koning
die komt in naam van God, de HEER.
Vier nu het feest mee in zijn woning;
leg offergaven voor Hem neer.
Mijn God, ik zal U dank bewijzen
met groene twijgen in de hand.
De HEER is goed, Hem moet je prijzen;
zijn liefde houdt voor altijd stand.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 66 en 98

Deze psalm kan ook gezongen worden op de melodie van:
- LvdK 26 'Daar is uit 's werelds duistre wolken'
- LvdK 390 ''k wil u, o God mijn dank betalen'
- LvdK 118 'Op u, mijn Heiland, blijf ik hopen'
- LvdK 330 'Heb dank, o God van alle leven'
- NLB 91a 'Wie in de schaduw Gods mag wonen'
- NLB 601 'Licht dat ons aanstoot in de morgen'

1. Laat ieder 's HEEREN goedheid loven;
Want goed is d' Oppermajesteit:
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!
Laat Isrel nu Gods goedheid loven,
En zeggen; "Roemt Gods majesteit;
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!"

2. Laat Arons huis Gods goedheid loven,
En zeggen: "Roemt Gods majesteit!
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!"
Laat die God vrezen, Hem nu loven,
En zeggen; "Roemt Gods majesteit!
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!"

3. Ik werd benauwd van alle zijden,
En riep den HEER' ootmoedig aan.
De HEER' verhoorde mij in 't lijden,
En deed mij in de ruimte gaan.
De HEER' is bij mij; 'k zal niet vrezen;
De HEER' zal mij getrouw behoen.
Daar God mijn schild en hulp wil wezen,
Wat zal een nietig mens mij doen?

4. De HEER' is aan de spits getreden
Dergenen, die mij hulpe bien.
Ik zal, gered uit zwarigheden,
Mijn lust aan mijne haat'ren zien.
't Is beter, als w' om redding wensen,
Te vluchten tot des HEEREN macht,
Dan dat men ooit vertrouw, op mensen,
Of zelfs van prinsen hulp verwacht'.

5. Toen ik de heid'nen aan zag rukken,
Heb ik in 's HEEREN kracht gestreen;
Ik hieuw z' in 's HEEREN Naam aan stukken,
Vertrouwend, op dien Naam alleen.
Ik kon noch voor- noch rugwaarts keren,
Omringd, ja gans omringd ter dood;
Ik sloeg hen in den Naam des HEEREN,
Die mij goedgunstig bijstand bood.

6. Zij hadden mij omringd als bijen,
Maar zijn als doornenvuur vergaan.
'k Mocht hen in 's HEEREN kracht bestrijen,
In 's HEEREN Naam hen gans verslaan.
Gij hadt m', o vijand, hard gestoten,
Tot vallens toe mij onderdrukt.
De HEER' bewaart Zijn gunstgenoten;
De HEER' heeft Zelf mij uitgerukt.

7. De HEER' is mij tot hulp en sterkte:
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.
Hij was het, die mijn heil bewerkte,
Dies loof ik Hem mijn leven lang.
Men hoort der vromen tent weergalmen
Van hulp en heil, ons aangebracht;
Daar zingt men blij, met dankb're psalmen:
"Gods rechterhand doet grote kracht."

8. Gods rechterhand is hoog verheven;
Des HEEREN sterke rechterhand
Doet door haar daan de wereld beven,
Houdt door haar kracht Gods volk in stand.
Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven,
Maar leven, en des HEEREN daan,
Waardoor wij zoveel heil verwerven,
Elk, tot Zijn eer, doen gadeslaan.

9. De HEER' wou mij wel hard kastijden,
Maar stortte mij niet in den dood;
Verzachtte vaderlijk mijn lijden,
En redde mij uit allen nood.
Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden,
De poorten der gerechtigheid;
Door deze zal ik binnen treden,
En loven 's HEEREN majesteit.

10. Dit is, dit is de poort des HEEREN:
Daar zal 't rechtvaardig volk door treen,
Om hunnen God ootmoedig t' eren,
Voor 't smaken Zijner zaligheen.
Ik zal Uw Naam en goedheid prijzen:
Gij hebt gehoord ; Gij zijt mijn geest,
Door Uw ontelb're gunstbewijzen,
Tot hulp en heil en vreugd geweest.

11. De steen, dien door de tempelbouwers
Veracht'lijk was een plaats ontzegd,
Is, tot verbazing der beschouwers,
Van God ten hoofd des hoeks gelegd.
Dit werk is door Gods alvermogen,
Door 's HEEREN hand alleen geschied;
Het is een wonder in onz' ogen:
Wij zien het, maar doorgronden 't niet.

12. Dit is de dag, de roem der dagen,
Dien Isrels God geheiligd heeft.
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, die ons blijdschap geeft.
Och HEER', geef thans Uw zegeningen;
Och HEER', geef heil op dezen dag;
Och, dat men op deez' eerstelingen
Een rijken oogst van voorspoed zag.

13. Gezegend zij de grote Koning,
Die tot ons komt in 's HEEREN Naam;
Wij zeeg'nen u uit 's HEEREN woning;
Wij zegenen u al te zaam.
De HEER' is God, door Wien w' aanschouwen
Het vrolijk licht, na bang gevaar.
Bindt d' offerdieren dan met touwen
Tot aan de hoornen van 't altaar.

14. Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
Verhogen Uwe majesteit.
Mijn God, niets gaat Uw roem te boven;
U prijz' ik tot in eeuwigheid.
Laat ieder 's HEEREN goedheid loven,
Want goed is d' Oppermajesteit:
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!

1. Danket den Heer zeer hoog geprezen,
Want groot is Zijn vriendelijkheid;
Zijn goedertierenheid zal wezen
Bestendig in der eeuwigheid.
Israël moet hem nu begeven
Om te verkonden met bescheid,
Dat Gods barmhartigheid verheven
Geduurt tot in der eeuwigheid.

2. Dat huis Aärons al te zame
Moet nu bekennen wijd en breid,
Dat des Heeren goedheid bekwame
Geduurt tot in der eeuwigheid.
Zij al die God vrezen ootmoedig
Moeten spreken met vlijtigheid,
Dat onzes Gods genade goedig
Geduurt tot in der eeuwigheid.

3. Als ik, Heer, in angst was gestadig,
Zo riep ik God den Heere aan,
En Hij verhoorde mij genadig,
Met troost heeft Hij mij bijgestaan.
De Heer is met mij t' allen tijden,
Dies vrees ik niet wat mensen koen,
Die mij haten ende benijden,
Voor kruis en verdriet mij aandoen.

4. God is met mij, Dien ik betrouwe
Met allen die mij gunstig zijn;
Dies zal ik mijnen lust nog schouwen
Aan alle de vijanden mijn.
Het is beter op God te hopen,
Dan op mensen die haast vergaan;
Veel beter is 't tot God te lopen
In nood, dan op prinsen te staan.

5. Veel mensen mij listig omringen,
Aan alle zijden openbaar;
Doch ik wil ze t' zamen ombringen
In des Heeren Name voorwaar.
Zij omringen mij nu ten tijden
Met grote kracht ende geweld;
Maar God zal mij voor hen bevrijden,
Zij worden haast nedergeveld.

6. Als van bijen, was ik besloten
Van de dwazen, die met der schand'
Gedempt zijn, 't welk hen heeft verdroten,
Als vuur 't welk de doornen afbrandt.
Gij vijand, gij hebt mij versteken
En gezocht te brengen ten val;
Maar God heeft mij ('t heeft wel gebleken)
Onderstand gedaan overal.

7. God zeer sterk is mijn kracht alleine.
Mijn roem ende mijn ere groot.
Ende mijn lofzang in 't gemeine,
Mijn Zaligmaker in den nood.
De vroom' in hare hutten zingen,
Zijnde verblijd en verheugd zeer,
Van Uw hand sterk, die alle dingen
Krachtiglijk overwint, o Heer.

8. De sterke rechterhand des Heeren
Is zeer verhoogd tot dezer tijd,
En behoudt 't veld met kracht en ere;
Zulks zingt dat volk zijnde verblijd
Maakt u van hier al mijn vijanden,
Ik zal niet sterven noch vergaan,
Maar leven, en in alle landen
Van Gods weldaden doen vermaan.

9. God heeft mij, 't is waar gekastijdet
En vaderlijk getuchtigd wel;
Doch Hij heeft mij tot nu bevrijdet
Genadiglijk van den dood fel.
De grote poorten doet toch open
Des tempels, daar de vroom' in zijn;
Opdat ik vrij daarin mag lopen,
En heerlijk loven den God mijn.

10. De poorten schoon, kost'lijk verheven,
Zijn des Heeren poorten voortaan;
De vromen tot deugden begeven
Zullen al t' zaam daardoor ingaan.
Daar wordt Gij, Heer, van mij beleden,
Ende groot gemaakt van nu voort;
Want in mijn meeste tegenheden
Hebt Gij mij verlost en verhoord.

11. De steen, die de bouwheren t' zame
Verworpen hebben en veracht,
Is geworden zere bekwame
De hoeksteen, die 't huis houdt met kracht.
Dit wonder is door Gods vermogen
En door Zijn macht alzo geschied;
Dit is voorwaar in onze ogen
Een wonderwerk, 't welk men hier ziet.

12. Dit is de dag schoon uitgelezen,
Dien de Heer Zelf nu gemaakt heeft;
Dies moeten wij zeer verheugd wezen
En verblijd zijn, want God zulks geeft.
Ik bid U Heer, in mijn verdrukken,
Uwen koning toch hulpe doet,
Ende laat toch nu wel gelukken
's Konings ingang en hem behoedt.

13. Geloofd zij Hij, Die komt gereden
Tot ons in des Heeren Naam rein;
Zegen zij over U in vrede.
Gij Gods huisgenoten gemein.
De Heer is een God vol genaden,
Die ons allen verlicht zeer klaar;
Bindt den slachtoffer onbeladen
Aan de hoornen van den altaar.

14. Gij zijt mijn God, Dien ik doe ere
Met lofzangen van zoeten toon;
U alleen aanbid ik, o Heere;
En prijs U steeds met psalmen schoon.
Danket den Heer zeer hoog geprezen,
Want groot is Zijn vriendelijkheid;
Zijn goedertierenheid zal wezen
Bestendig in der eeuwigheid.

1. Laat ieder 's Heren goedheid prijzen,
zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Laat, Israël, uw lofzang rijzen;
Zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Dit zij het lied der priesterkoren;
Zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Gij, die den Heer vreest, laat het horen;
Zijn liefde duurt in eeuwigheid.

2 Ik werd benauwd van alle zijden
en riep den Heer ootmoedig aan.
De Heer verhoorde en bevrijdde,
Hij deed mij in de ruimte staan.
De Heer is met mij, 'k zal niet vrezen.
Geen sterveling verschrikt mij meer.
De Heer wil mij tot helper wezen;
ik zie op al mijn haters neer.

3. 't Is beter bij den Heer te schuilen
dan dat men bouwt op man en macht.
't Is beter bij den Heer te schuilen
dan dat men hulp van vorsten wacht.
Toen ik mij wenden kon nog keren,
omsloten door der volken ring,
doorbrak ik in de naam des Heren
de knellende omsingeling.

4. Zij zwermden om mij heen als bijen,
zij waren dreigend om mij heen.
In Gods naam brak ik door hun rijen,
als strovuur sloeg ik hen uiteen.
O vijand, die met felle stoten
mij bijna hebt ten val gebracht,
de Heer had tot mijn heil besloten,
Hij redde mij, Hij schonk mij kracht.

5. De Heer is mij tot hulp en sterkte,
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.
Hij is het, die mijn heil bewerkte.
Ik loof den Heer mijn leven lang.
Hoort in hun kamp Gods knechten zingen
nu Hij de zege heeft gebracht;
Gods rechterhand doet grote dingen,
Gods rechterhand heeft grote kracht!

6. Des Heren hand is hoog verheven,
des Heren rechterhand is sterk.
Ik zal niet sterven, ik zal leven
en zingen van des Heren werk.
De Heer heeft mij wel zwaar geslagen,
maar niet verlaten in mijn nood,
en zijn genadig welbehagen
gaf mij niet over aan de dood.

7. Ontsluit, ontsluit nu voor mijn schreden
de poorten der gerechtigheid.
Laat mij de voorhof binnentreden
en loven 's Heren majesteit.
Dit is de poort, de poort des Heren,
Gods knechten zullen binnengaan.
God van mijn heil, U wil ik eren,
nu ik uw antwoord heb verstaan.

8. De steen, dien door de tempelbouwers
veracht'lijk was een plaats ontzegd,
werd tot verbazing der beschouwers
ten hoeksteen door God zelf gelegd.
Dit werk is door Gods alvermogen,
door 's Heren hand alleen geschied.
Het is een wonder in onz' ogen.
Wij zien het, maar doorgronden 't niet.

9. Dit is de dag, die God deed rijzen,
juicht nu met ons en weest verblijd.
O God, geef thans uw gunstbewijzen,
geef thans het heil door ons verbeid.
Gezegend zij de grote koning
die tot ons komt in 's Heren naam.
Wij zeeg'nen u uit 's Heren woning,
wij zegenen u al tezaam.

10. De Heer is God, zijn gunst verheugde
ons oog en hart met vrolijk licht.
Nu worde 't offer onzer vreugde
op zijn altaren aangericht.
Gij zijt mijn God, U zal ik prijzen,
o God, U roemen wijd en zijd.
Laat aller lof ten hemel rijzen;
Gods liefde duurt in eeuwigheid.

1. Laat ieder 's Heren goedheid prijzen,
zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Laat, Israël, uw lofzang rijzen;
Zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Dit zij het lied der priesterkoren;
Zijn liefde duurt in eeuwigheid.
Gij, die den Heer vreest, laat het horen;
Zijn liefde duurt in eeuwigheid.

2 Ik werd benauwd van alle zijden
en riep den Heer ootmoedig aan.
De Heer verhoorde en bevrijdde,
Hij deed mij in de ruimte staan.
De Heer is met mij, 'k zal niet vrezen.
Geen sterveling verschrikt mij meer.
De Heer wil mij tot helper wezen;
ik zie op al mijn haters neer.

3. 't Is beter bij den Heer te schuilen
dan dat men bouwt op man en macht.
't Is beter bij den Heer te schuilen
dan dat men hulp van vorsten wacht.
Toen ik mij wenden kon nog keren,
omsloten door der volken ring,
doorbrak ik in de naam des Heren
de knellende omsingeling.

4. Zij zwermden om mij heen als bijen,
zij waren dreigend om mij heen.
In Gods naam brak ik door hun rijen,
als strovuur sloeg ik hen uiteen.
O vijand, die met felle stoten
mij bijna hebt ten val gebracht,
de Heer had tot mijn heil besloten,
Hij redde mij, Hij schonk mij kracht.

5. De Heer is mij tot hulp en sterkte,
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.
Hij is het, die mijn heil bewerkte.
Ik loof den Heer mijn leven lang.
Hoort in hun kamp Gods knechten zingen
nu Hij de zege heeft gebracht;
Gods rechterhand doet grote dingen,
Gods rechterhand heeft grote kracht!

6. Des Heren hand is hoog verheven,
des Heren rechterhand is sterk.
Ik zal niet sterven, ik zal leven
en zingen van des Heren werk.
De Heer heeft mij wel zwaar geslagen,
maar niet verlaten in mijn nood,
en zijn genadig welbehagen
gaf mij niet over aan de dood.

7. Ontsluit, ontsluit nu voor mijn schreden
de poorten der gerechtigheid.
Laat mij de voorhof binnentreden
en loven 's Heren majesteit.
Dit is de poort, de poort des Heren,
Gods knechten zullen binnengaan.
God van mijn heil, U wil ik eren,
nu ik uw antwoord heb verstaan.

8. De steen, dien door de tempelbouwers
veracht'lijk was een plaats ontzegd,
werd tot verbazing der beschouwers
ten hoeksteen door God zelf gelegd.
Dit werk is door Gods alvermogen,
door 's Heren hand alleen geschied.
Het is een wonder in onz' ogen.
Wij zien het, maar doorgronden 't niet.

9. Dit is de dag, die God deed rijzen,
juicht nu met ons en weest verblijd.
O God, geef thans uw gunstbewijzen,
geef thans het heil door ons verbeid.
Gezegend zij de grote koning
die tot ons komt in 's Heren naam.
Wij zeeg'nen u uit 's Heren woning,
wij zegenen u al tezaam.

10. De Heer is God, zijn gunst verheugde
ons oog en hart met vrolijk licht.
Nu worde 't offer onzer vreugde
op zijn altaren aangericht.
Gij zijt mijn God, U zal ik prijzen,
o God, U roemen wijd en zijd.
Laat aller lof ten hemel rijzen;
Gods liefde duurt in eeuwigheid.