Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

We zingen in onze gemeente uit De Nieuwe Psalmberijming. Deze is fris, nieuw en bij de tijd, b.v. Psalm 116, de openingszin 'Ik hou van God'. Met de klassieke Geneefse melodie blijven ze toch voor de gemiddelde kerkganger vertrouwd. Lees meer »

Ds. E.J. van der Linde | Samenwerkingsgemeente Alexanderpolder te Rotterdam

Ds. E.J. van der Linde
Samenwerkingsgemeente Alexanderpolder te Rotterdam

Lees alle quotes

Psalm 18

De nieuwe psalmberijming

1. Ik houd van U, mijn God, zo sterk en heilig.
Als ik bij U mijn heil zoek, ben ik veilig.
Mijn Redder, die zich over mij ontfermt,
die als een sterke toren mij beschermt,
ik schuil bij u, die al mijn eerbied waard is:
bescherm mij tot het strijdgewoel bedaard is,
totdat de laatste vijand is geveld,
totdat de doodsangst mij niet meer beknelt.

2. Ik werd door pijn en wanhoop voortgedreven.
Toen riep ik tot de Heer, de God van leven.
Hoog in de hemel hoorde Hij mijn klacht
en Hij verscheen in majesteit en macht.
De bergen schudden en de aarde scheurde
toen Hij de hemel naar beneden sleurde,
toen Hij in dikke rook en vuur en vlam
in wolken van zijn toorn op de aarde kwam.

3. De stem van God weergalmde in de donder;
de hele aarde ging eraan ten onder.
Daar bliksemde zijn felle hemelspeer,
de scherpe hagel sloeg de vijand neer.
Zijn hete woede ploegde door de rotsen
zodat de zeeën uit hun bekkens klotsten.
Geen bergpiek was te hoog, geen zee te diep
voor Hem, mijn Redder, toen ik om Hem riep.

4. God redde mij uit diepten van ellende,
van vijanden die geen genade kenden.
Ik was omsingeld door hun haat en nijd,
maar in zijn liefde heeft Hij mij bevrijd.
Zo heeft de Heer mijn onschuld uitgewezen,
mij om mijn trouw en eerlijkheid geprezen.
Mijn leven lang heb ik Hem eer betoond;
daarom heeft Hij mij rijkelijk beloond.

5. Aan wie genadig zijn, geeft U genade;
met trouw beloont U alle trouwe daden;
een zuiver mens behandelt U als rein,
maar wie onrein is, wordt gekweld door pijn.
Nederigheid beloont U met genade,
U maakt een eind aan arrogante daden.
Wanneer de schemer valt, bent U mijn licht,
wanneer de nacht komt, schijnt uw aangezicht.

6. Van God leer ik de vijand terug te dringen
en over hoge muren heen te springen.
Hij is volmaakt, zijn wegen lopen recht;
trouw is de Heer in alles wat Hij zegt.
Wie kent een god zo goed en vol ontferming?
Er is geen schuilplaats met zoveel bescherming
als God de Heer, die heel mijn leven leidt.
Mijn schild, mijn rots geeft mij geborgenheid.

7. Lichtvoetig als een hert kan ik nu leven,
want God, mijn gids, zal mij bescherming geven.
Hij geeft mij kracht en inzicht voor de strijd,
zijn schild van redding geeft mij veiligheid.
God ondersteunt mij; niets kan mij gebeuren,
geen vijand kan mij naar beneden sleuren.
Nee, ik heb hen verslagen en geveld
en zo een eind gemaakt aan hun geweld.

8. Doordat de Heer mij redding heeft geboden
heb ik de sterke vijand kunnen doden.
Hij viel mij aan met diepe haat en nijd,
maar werd verslagen na een lange strijd.
Toen schreeuwde hij, maar kon geen redding krijgen;
hij bad tot God, maar ook de Heer bleef zwijgen.
Zo heeft de Heer mijn vijanden verjaagd
als stof dat door de wind wordt weggevaagd.

9. De vrede van de Heer vult nu mijn leven.
Hij heeft het koningschap aan mij gegeven.
Uit verre landen komt het eerbetoon
en bevend knielen vorsten voor mijn troon.
Daarom zal ik de Heer, mijn rots, steeds prijzen.
Ik wil mijn dankbaarheid aan Hem bewijzen.
Mijn God, die mij zo machtig heeft bevrijd
zal ik bezingen tot in eeuwigheid.

10. Voor ieder volk zing ik mijn vreugdepsalmen;
in alle landen moet Gods lof weergalmen.
Het loflied moet door heel de wereld gaan:
luister naar alles wat God heeft gedaan!
Groot is zijn naam, en groot is zijn ontferming,
Hij gaf aan zijn gezalfde zijn bescherming.
In trouw verdedigde Hij Davids troon,
zijn liefde kroont voorgoed de koningszoon.

Tekst: Arjen Vreugdenhil

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Ik houd van U, mijn God, zo sterk en heilig.
Als ik bij U mijn heil zoek, ben ik veilig.
Mijn Redder, die zich over mij ontfermt,
die als een sterke toren mij beschermt,
ik schuil bij u, die al mijn eerbied waard is:
bescherm mij tot het strijdgewoel bedaard is,
totdat de laatste vijand is geveld,
totdat de doodsangst mij niet meer beknelt.

2. Ik werd door pijn en wanhoop voortgedreven.
Toen riep ik tot de Heer, de God van leven.
Hoog in de hemel hoorde Hij mijn klacht
en Hij verscheen in majesteit en macht.
De bergen schudden en de aarde scheurde
toen Hij de hemel naar beneden sleurde,
toen Hij in dikke rook en vuur en vlam
in wolken van zijn toorn op de aarde kwam.

3. De stem van God weergalmde in de donder;
de hele aarde ging eraan ten onder.
Daar bliksemde zijn felle hemelspeer,
de scherpe hagel sloeg de vijand neer.
Zijn hete woede ploegde door de rotsen
zodat de zeeën uit hun bekkens klotsten.
Geen bergpiek was te hoog, geen zee te diep
voor Hem, mijn Redder, toen ik om Hem riep.

4. God redde mij uit diepten van ellende,
van vijanden die geen genade kenden.
Ik was omsingeld door hun haat en nijd,
maar in zijn liefde heeft Hij mij bevrijd.
Zo heeft de Heer mijn onschuld uitgewezen,
mij om mijn trouw en eerlijkheid geprezen.
Mijn leven lang heb ik Hem eer betoond;
daarom heeft Hij mij rijkelijk beloond.

5. Aan wie genadig zijn, geeft U genade;
met trouw beloont U alle trouwe daden;
een zuiver mens behandelt U als rein,
maar wie onrein is, wordt gekweld door pijn.
Nederigheid beloont U met genade,
U maakt een eind aan arrogante daden.
Wanneer de schemer valt, bent U mijn licht,
wanneer de nacht komt, schijnt uw aangezicht.

6. Van God leer ik de vijand terug te dringen
en over hoge muren heen te springen.
Hij is volmaakt, zijn wegen lopen recht;
trouw is de Heer in alles wat Hij zegt.
Wie kent een god zo goed en vol ontferming?
Er is geen schuilplaats met zoveel bescherming
als God de Heer, die heel mijn leven leidt.
Mijn schild, mijn rots geeft mij geborgenheid.

7. Lichtvoetig als een hert kan ik nu leven,
want God, mijn gids, zal mij bescherming geven.
Hij geeft mij kracht en inzicht voor de strijd,
zijn schild van redding geeft mij veiligheid.
God ondersteunt mij; niets kan mij gebeuren,
geen vijand kan mij naar beneden sleuren.
Nee, ik heb hen verslagen en geveld
en zo een eind gemaakt aan hun geweld.

8. Doordat de Heer mij redding heeft geboden
heb ik de sterke vijand kunnen doden.
Hij viel mij aan met diepe haat en nijd,
maar werd verslagen na een lange strijd.
Toen schreeuwde hij, maar kon geen redding krijgen;
hij bad tot God, maar ook de Heer bleef zwijgen.
Zo heeft de Heer mijn vijanden verjaagd
als stof dat door de wind wordt weggevaagd.

9. De vrede van de Heer vult nu mijn leven.
Hij heeft het koningschap aan mij gegeven.
Uit verre landen komt het eerbetoon
en bevend knielen vorsten voor mijn troon.
Daarom zal ik de Heer, mijn rots, steeds prijzen.
Ik wil mijn dankbaarheid aan Hem bewijzen.
Mijn God, die mij zo machtig heeft bevrijd
zal ik bezingen tot in eeuwigheid.

10. Voor ieder volk zing ik mijn vreugdepsalmen;
in alle landen moet Gods lof weergalmen.
Het loflied moet door heel de wereld gaan:
luister naar alles wat God heeft gedaan!
Groot is zijn naam, en groot is zijn ontferming,
Hij gaf aan zijn gezalfde zijn bescherming.
In trouw verdedigde Hij Davids troon,
zijn liefde kroont voorgoed de koningszoon.

Tekst: Arjen Vreugdenhil

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de psalmen van De Nieuwe Psalmberijming binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren.

Wij verwachten wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Melodie

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 144

Deze psalm kan ook gezongen worden op de melodie van:
- Psalm 32
- Psalm 45

1. 'k Betrouw op God, Hij is mijn schild in 't strijden,
De hoorn mijns heils, mijn hoog vertrek in lijden,
'k Aanriep den HEER', Wiens lof mijn harp vermeldt,
En werd verlost van 's vijands boos geweld,
De dood bracht mij, geboeid, in nare streken,
Bij Belials verschrikkelijke beken.
Een helse band was om mijn heup gehecht,
En door den dood mij strik op strik gelegd.

2. 'k Riep tot den HEER', in 't midden dier ellenden,
Tot mijnen God, opdat Hij hulp zou zenden.
Mijn klaagstem drong tot in Zijn troonzaal door,
Aan mijn geroep gaf Hij in gunst gehoor.
Toen beefde d' aard', al golvend als de baren;
Het hoogst gebergt' werd op zijn grondpilaren;
Beroerd, geschokt, gerukt uit zijn gewricht,
Door 't vrees'lijk vuur van Gods ontvlamd gezicht.

3. Een dikke rook ging op, waar Hij Zich keerde,
Uit Zijnen neus; het vuur Zijns monds verteerde;
Stak kolen aan, en wat Hem tegenstond.
Hij boog het zwerk, en daalde neer; de grond
Waarop Hij trad, was, in het oog der volken,
Gans zwart door dicht opeengepakte wolken.
Zijn wagen was een Cherub, ja gezwind
Voer Hij en vloog op vleug'len van den wind.

4. In Zijne tent, rondom Hem zo vol luister,
Hield Hij Zich schuil, verborg Zich in het duister;
Door wolk op wolk, met kracht te zaam geprest,
En opgehoopt in 't bruine luchtgewest.
Zijn gloed ontbond der wolken vaste banden,
Toen daalde vuur en hagel op de landen.
De donder klonk door gans den hemel heen:
God gaf Zijn stem, en 't vuur viel naar beneen.

5. Hij deed vol kracht hen voor Zijn pijlen zwichten,
Verschrikte hen door bliksemschicht op schichten,
De diepste kolk droogd' op een ogenblik,
en 't hart der aard' ontblootte zich van schrik,
Wanneer Gij scholdt, Uw adem, fel ontstoken,
Deed dus, o HEER', en land en water roken.
Hij zond mij hulp, Hij nam mij, op mijn bee,
En trok mij uit een grote jammerzee.

6. Ik werd verlost van 's vijands legerscharen,
En 's haters hand, wijl zij te machtig waren.
Men viel mij aan ten dage van mijn smart,
Maar toen was God het steunsel van mijn hart.
Hij trok mij uit, en bracht m' in ruimer wegen.
Want Hij had lust aan mij, Zijn knecht, gekregen.
De HEER' vergold mijn onschuld naar het recht,
En schonk mij 't loon, den reinen toegezegd.

7. Want 's HEEREN weg heb ik getrouw bewandeld,
En niet godd'loos met mijnen God gehandeld.
Ik hield gestaag Zijn rechten in het oog,
Terwijl Zijn wet mijn ziel tot deugd bewoog.
Ik werd oprecht en vroom bij Hem bevonden,
Ik wachtte mij zorgvuldig van mijn zonden.
Dies liet mij God ook naar mijn recht geschien,
En heeft in gunst mijn onschuld aangezien.

8. Hun zijt Gij goed, die goedertieren hand'len;
Oprecht bij hen, die in oprechtheid wand'len.
Gij houdt U rein bij hen, die rein zijn, maar
Verkeerden toont Gij U een worstelaar.
Want Gij verlost het volk, door druk gebogen,
Maar werpt ter neer, die groot zijn in hun ogen.
Door U, o HEER', geeft mijne lamp haar licht.
Mijn God verdrijft den nacht uit mijn gezicht.

9. Ik kan met U door sterke benden dringen;
Met mijnen God zelfs over muren springen.
Des HEEREN weg is gans volmaakt en recht,
Doorlouterd, rein en trouw al wat Hij zegt.
Hij is een schild en schutsheer voor den vrome,
Voor wie tot Hem de toevlucht heeft genomen,
Wie is een God, als Hij, in tegenheen?
Wie is een rots, dan onze God alleen?

10. 't Is God, die mij met sterkte wil omgorden;
Hij doet mijn weg volkomen effen worden.
Maakt, dat mijn voet als die der hinden snelt,
Terwijl Hij mij op mijne hoogten stelt,
Hij leert mijn hand heldhaftig orelogen.
Mijn strijdbaar' arm verbreekt zelfs stalen bogen,
Mij gaaft G' Uw schild, Uw hand heeft mij gesterkt.
Uw goedheid heeft mijn grootheid uitgewerkt.

11. Mijn voet hebt Gij doen in de ruimte treden;
Mijn gang werd vast, ik ben niet uitgegleden.
De vijand week; ik volgd', en trof hem aan,
En keerde niet, tot ik hem had verdaan.
Mijn spies doorstak al wie mij tegenstonden,
Zodat zij zich niet meer herstellen konden.
Dus zag ik door Uw bijstand hen verplet,
En mijnen voet hun op den nek gezet.

12. Gij hebt mij, HEER', met kracht omgord tot strijden.
Mijn vijand moest, vernederd, straffen lijden.
Hij vlood vol schrik, wijl hij geen kracht behield;
Mijn hater werd door mijne hand vernield.
Zij riepen wel, maar zonder hulp te krijgen.
Zelfs tot den HEER', maar Hij vond goed te zwijgen,
Toen heb ik hen als stof vergruisd, verjaagd,
En als het slijk der straten weggevaagd.

13. Gij hebt mij uit den twist des volks verheven,
En tot een hoofd den heidenen gegeven.
Ik stelde 't volk, mij onbekend, de wet;
Zo ras ik sprak, werd op mijn wil gelet.
De vreemde zelfs zag mij vol schrik naar d' ogen,
Lag voor mijn troon geveinsd'lijk neergehogen.
Zij vielen neer, zij sidderden van schrik,
In burg en slot, op ieder ogenblik.

14. Zo leeft de HEER', mijn rotssteen zij geprezen;
De God mijns heils moet steeds verheerlijkt wezen;
Die God, die mij volkomen wraak verschaft,
En volk op volk mij onderwerpt en straft,
Die mij verlost uit mijns vervolgers handen;
Die mij verhoogt, mijn vijand slaat in banden.
Ja, Gij verhoogt mij boven al 't geweld,
Daar G' op den troon van roem en eer mij stelt.

15. Daarom, o HEER', zal ik U eer bewijzen,
Bij 't heidendom Uw Naam eerbiedig prijzen,
Met psalmgezang, daar 't hart door wordt geraakt,
Hij heeft het heil Zijns Konings groot gemaakt;
Hij wil Zijn gunst aan Zijn Gezalfde schenken;
Aan David en zijn nakroost eeuwig denken.

1. Mijn hope staat alleen op God geprezen,
Hij wil mijn wapen en mijn toevlucht wezen.
Als ik Hem grootmaak en bid naar Zijn woord,
Mijn vijanden Hij haastelijk verstoort.
's Doods nood omving mij deez' voorleden dagen,
Stromen der bozen maakten 't hart verslagen;
De angst des grafs hadde mij gans bevaân,
Met de strikken des doods was ik belaân.

2. Zo benauwd zijnde, heb ik God gebeden,
En Hem aangeroepen van hier beneden,
Mijn geschrei tot Hem in den hemel kwam,
En mijn stem tot Zijnen oren opklam.
Van stonden aan beefde dat gans aardrijke,
De bergen werden beweegd desgelijke,
Verschrikt waren zij bovenmate zeer,
Want met ernst groot vertoornde Hem de Heer.

3. Uit Zijn neusgaten ging damp tot dier stonde,
En een schrikkelijk vuur uit Zijnen monde,
Hij was ontsteken met toorne zo groot,
Dat Hij alzins hete kolen uitgoot,
Hij boog de lucht en daalde tot de volken,
Onder Zijn voeten waren duist're wolken;
Hij zat op den wind die hem krachtig roert,
En Hij werd op Zijn vleugelen gevoerd.

4. Duist're wolken Hem ganselijk bedekten,
En als een tente rondom Hem zij strekten;
Door Zijnen glans zijn ook de wolken zaan
Verdeeld ende hebben haar opgedaan.
Hij heeft hagel en bliksem toebereidet,
En in de lucht donderslagen gebreidet,
De hoogste God, liet zijnen donder gaan,
En liet d' aarde met hagel en vuur slaan.

5. Met Zijne pijlen schoot Hij de booz' allen;
Veel bliksems en angst heeft hen overvallen,
Door Uw dreigen en Uwen sterken wind,
En Uwen toorne, die 't alles verslindt,
Zijn de waterstromen gedroogd in 't ronde,
Ontdekt was den aardbodem in den gronde,
Hij heeft mij met Zijn hand goedig bezocht,
En uit dat diep water gezond gebrocht.

6. Hij verloste mij van alle de scharen
Der vijanden, die mij veel te sterk waren;
In nood Hij mij voorkomt ende bijstaat,
Ter rechter tijd is God mijn toeverlaat,
Hij voerde mij in 't breed' ende verzinde,
Hoe Hij mij bewaarde, dien Hij beminde;
Dies dede Hij mij, naar mijn vromigheid,
Ende naar mijner handen reinigheid.

7. Want ik behield altijd des Heeren wegen,
Zonder afwijken, zo de vromen plegen.
Ik hield Zijn wet, die ik hadde gehoord,
Zonder daarvan te verwerpen een woord;
Zodat mij de Heer oprecht heeft bevonden,
In al mijn doen bewaard' ik mij voor zonden;
Dies heeft mij God naar mijn eenvoudigheid
Vergeven en naar mijn oprechtigheid.

8. Voorwaar Heer, Gij Die mijn doen kent alleine,
Gij zijt den goeden goed en rein den reine,
Den oprechten zijt Gij, o Heer, oprecht,
En keert U af van den verkeerden knecht,
Den ootmoedigen bewaart Gij zeer goedig;
Gij maakt ook haast de stout' ogen deemoedig;
Mijn gezicht hebt Gij verlicht; Heer! vermaard,
In duisterheid hebt Gij mij wel verklaard.

9. Door uw kracht heb ik dat krijgsvolk verslagen,
En spring over den muur zonder versagen.
Onz' God is bevonden oprecht en goed;
Zijn woord is gelouterd in des vuurs gloed.
Hij is den mensen een schild in 't benauwen,
Ja dengene, die op Hem vast betrouwen.
Waar is er een God zonder onze Heer?
En zonder Hem enige sterkte meer?

10. God wapent mij met sterkheid zeer vrijmoedig.
En maakt mijn wegen zeker en voorspoedig;
Hij maakt mij gelijk de herten zijn t' zaam,
Om de bergen op te klimmen bekwaam.
En hij leert mijn handen ook krachtig strijden,
Dat mijnen arm kan spannen t' allen tijden
Den stalen boog; Hij is mijn heil, mijn schild,
Die in den nood mij onderhouden wilt.

11. Uw goedheid daar ik op hoop al mijn leven,
Heeft mij nu meer dan ooit te voor verheven.
Gij maakt den weg onder mijn voeten slecht,
Opdat Heer! niet en struikel' Uwen knecht.
Mijn vijanden kan ik grijpen en jagen,
Totdat ze vernield zijn door vele plagen.
Ik sla ze dat ze niet kunnen bestaan,
Maar ter schande onder mijn voeten gaan.

12. Gij rustet mij tot den strijd, Heer doorluchtig!
Gij maakt mijn vijanden alle veldvluchtig,
Gij breekt ook met een al haar grote kracht.
Door mij werden zij tot den val gebracht.
Zij roepen, ja ook tot God, zo zij menen.
Die hen geen troost noch hulpe wil verlenen,
Als stof en slijk dat op de straten leit,
Heb ik ze verjaagd en verstrooid in 't breid.

13. Van 't oproerig volk vrijdt Gij mij met ere,
En gij maakt mij over veel volks een here;
Want dat volk dat mij nooit en heeft bekend,
Heeft hem van zelfs tot mijnen dienst gewend.
Veel vreemden (zijnde door vreze gedreven)
Geveinsdelijk hen tot mijnen dienst geven;
Veel hebben in haar sloten vast gebeefd,
Als men hen van mijn kracht gesproken heeft.

14. Mijn God leeft, Die mij sterkt en maakt geduldig.
Hij is mijn heil, prijs waard zeer menigvuldig.
Die mij sterkheid om mij te wreken geeft;
En doet dat 't volk vreed'lijk onder mij leeft.
Hij doet dat mijn vijanden mij niet schaden,
En verhoogt mij boven all' die mij smaden.
Hij verlost mij door Zijn genade groot,
Van der stouten geweld en wederstoot.

15. Daarom Heer, zal ik U met lofzang prijzen,
Onder vreemden zal ik U eer bewijzen;
Ja U, Heer! Die met een heerlijk geweld,
Uwen koning wel bewaard hebt in 't veld;
Die David, den gezalfden, zeer weldadig,
En zijn kind'ren altijd wil zijn genadig.

1. Ik heb U lief van ganser harte, Here.
Gij immers zult het onheil van mij weren.
Gij zijt mijn steenrots, mijn bevrijder Gij,
Gij zijt een muur, een vestingwal om mij.
Mijn God, mijn schild, mijn schuilplaats in gevaren,
mijn rots die mij beschermd en blijft bewaren,
o hoorn des heils, U loof ik voor altijd,
ik roep het uit, want gij hebt mij bevrijd.

2. Met banden van de dood was ik omgeven,
dood en verderf verstikten mij het leven;
toen zocht ik in mijn angst Gods aangezicht.
Hij hoorde mij van waar Hij woont in 't licht.
Toen werd God toornig en de landen dreunden,
de bergen daverden, de aarde kreunde.
Gods adem rookte, zijn verbolgen mond
ontstak een vuur, dat onverhoeds verslond.

3. Hij daalde neer in wind en wilde luister,
rondom zijn voeten woelden storm en duister.
Hij zweefde op een cherub en Hij vloog
op vleug'len van de stormwind van omhoog,
het duister als een mantel omgeslagen,
door waat'ren en door wolken voortgedragen.
Hij zond een hagelstorm en bliksemlicht
als bodem voor zijn blinkend aangezicht.

4. Toen deed een donderslag de hemel beven,
verschrikkelijk heeft God zijn stem verheven.
Hij schoot zijn pijlen uit de hoge lucht,
zijn bliksem joeg de vijand op de vlucht.
Gij deed het hart der aarde bovenkomen,
Gij bracht aan 't licht de beddingen der stromen,
ja, rampen troffen land en stroomgebied,
't is door uw adem, door uw toorn geschied.

5. God boog zich neer, zijn hand heeft mij gevonden
toen mij de waat'ren aan de lippen stonden.
Hij redde mij, toen 's vijands overmacht
mij totterdood in d' engte had gebracht.
Te kwader ure traden zij mij tegen,
maar God geleidde mij op goede wegen,
maakte ruim baan hoezeer ik werd benauwd.
Hij is het die in liefde mij behoudt.

6. De Heer heeft mij vergolden naar mijn daden,
omdat ik nooit geheuld heb met het kwade,
omdat ik steeds zijn wegen ben gegaan,
omdat ik naar zijn wetten heb gedaan.
Al zijn bevelen stonden mij voor ogen,
zijn wetten die het kwade niet gedogen.
Ja, ik heb onberisp'lijk dag en nacht
mij voor de ongerechtigheid gewacht.

7. De Heer heeft mij vergolden naar mijn daden,
mijn reine handen en mijn rechte paden.
Getrouw zult Gij voor de getrouwe zijn,
goed voor de goede, voor de reine rein.
Wie wel doet aan Gods knechten, aan Gods zonen,
zult Gij als knecht, zult Gij als zoon belonen.
Maar wie zich afwendt en uw stem niet hoort,
Gij treedt hem tegen met uw toornig woord.

8. Gij immers zult het arme volk verhogen,
en Gij vernedert, Heer, de trotse ogen.
Gij zijt mijn licht, de lamp die voor mij schijnt,
waarvoor de dichte duisternis verdwijnt.
Met U durf ik mij in de strijd te wagen,
de legerbenden op de vlucht te jagen.
Met U ga ik door water en door vuur,
en met mijn God spring ik over een muur.

9. Alleen Gods weg kan tot het doel geleiden,
zijn woord is waar en zuiver t' allen tijde.
Hij is een schild, een schuilplaats in de strijd,
voor al wie bij hem zoekt naar veiligheid.
Want wie is God, dan deze onze Here?
Wie is de rots die alles kan trotseren?
Alleen die God die mij met kracht omgordt,
bij wie mijn levenspad een heilsweg wordt.

10. Hij maakt mijn voeten licht als die der hinden
en doet ze op de steilt' een steunpunt vinden.
Hij is mijn oefenmeester van omhoog,
door Hem geschoold span ik de koperen boog.
Omdat Gij mij het schild uws heils wilt reiken,
zal ik door U gesteund voor niemand wijken.
Als Gij U tot mij wendt en mij geleidt
word ik een held geharnast in de strijd.

11. Uw grote kracht bevleugelde mijn schreden,
met vaste gang kon ik in 't strijdperk treden.
De vijand joeg ik rust'loos na, totdat
ik hem vernietigend geslagen had.
Ik sloeg hen neer, dat zij niet opstaan konden,
zij vielen voor mijn voeten wijd in 't ronde.
Zo hebt Gij mij ten strijd gegord met kracht,
't opstandig volk doen bukken voor zijn macht.

12. Gij hebt mijn vijand op de vlucht gedreven,
ik heb verdelgd wie stonden voor mijn leven.
Zij zochten hulp, geen mens koos hun partij,
riepen tot God. Die zweeg en streed voor mij.
Mijn leger joeg de vijand voor zich henen,
hij werd vermaald als tussen molenstenen.
Stof in de wind werd ieder die mij haat,
ik vaag hen weg zoals het slijk der straat.

13. Gij hebt mij boven burgertwist verheven
en vreemde volken in mijn hand gegeven.
Nauwelijks hadden zij van mij gehoord,
of bevend bogen zij zich voor mijn woord.
Zij smeekten mij om hen niet te vertreden,
zij vleiden mij, zij jammerden om vrede.
Zij kwamen uit hun sterke vestingwal,
het verste volk zelfs maakt' ik tot vazal.

14. De Here leeft en zij alleen geprezen.
Hij is mijn rots en ik heb niets te vrezen.
Hij is de God die mij voldoening geeft
en volken aan mij onderworpen heeft.
Hij heeft het altijd voor mij opgenomen,
Hij deed mij aan mijn vijanden ontkomen.
Van haat en opstand hebt Gij mij bevrijd
en mij verlost van der tirannen nijd.

15. Ik loof U, Heer, ik loof uw zegeningen,
onder de volken zal ik psalmen zingen.
De Heer heeft mij gered uit elk gevaar.
Hoe groot, hoe onuitspreek'lijk wonderbaar!
Hij die zijn koning met zijn glorie kroonde,
zijn grote trouw aan zijn gezalfde toonde,
zal door de tijden met ons verder gaan,
met David en zijn huis nu en voortaan.

1. Ik heb U lief van ganser harte, Here.
Gij immers zult het onheil van mij weren.
Gij zijt mijn steenrots, mijn bevrijder Gij,
Gij zijt een muur, een vestingwal om mij.
Mijn God, mijn schild, mijn schuilplaats in gevaren,
mijn rots die mij beschermd en blijft bewaren,
o hoorn des heils, U loof ik voor altijd,
ik roep het uit, want gij hebt mij bevrijd.

2. Met banden van de dood was ik omgeven,
dood en verderf verstikten mij het leven;
toen zocht ik in mijn angst Gods aangezicht.
Hij hoorde mij van waar Hij woont in 't licht.
Toen werd God toornig en de landen dreunden,
de bergen daverden, de aarde kreunde.
Gods adem rookte, zijn verbolgen mond
ontstak een vuur, dat onverhoeds verslond.

3. Hij daalde neer in wind en wilde luister,
rondom zijn voeten woelden storm en duister.
Hij zweefde op een cherub en Hij vloog
op vleug'len van de stormwind van omhoog,
het duister als een mantel omgeslagen,
door waat'ren en door wolken voortgedragen.
Hij zond een hagelstorm en bliksemlicht
als bodem voor zijn blinkend aangezicht.

4. Toen deed een donderslag de hemel beven,
verschrikkelijk heeft God zijn stem verheven.
Hij schoot zijn pijlen uit de hoge lucht,
zijn bliksem joeg de vijand op de vlucht.
Gij deed het hart der aarde bovenkomen,
Gij bracht aan 't licht de beddingen der stromen,
ja, rampen troffen land en stroomgebied,
't is door uw adem, door uw toorn geschied.

5. God boog zich neer, zijn hand heeft mij gevonden
toen mij de waat'ren aan de lippen stonden.
Hij redde mij, toen 's vijands overmacht
mij totterdood in d' engte had gebracht.
Te kwader ure traden zij mij tegen,
maar God geleidde mij op goede wegen,
maakte ruim baan hoezeer ik werd benauwd.
Hij is het die in liefde mij behoudt.

6. De Heer heeft mij vergolden naar mijn daden,
omdat ik nooit geheuld heb met het kwade,
omdat ik steeds zijn wegen ben gegaan,
omdat ik naar zijn wetten heb gedaan.
Al zijn bevelen stonden mij voor ogen,
zijn wetten die het kwade niet gedogen.
Ja, ik heb onberisp'lijk dag en nacht
mij voor de ongerechtigheid gewacht.

7. De Heer heeft mij vergolden naar mijn daden,
mijn reine handen en mijn rechte paden.
Getrouw zult Gij voor de getrouwe zijn,
goed voor de goede, voor de reine rein.
Wie wel doet aan Gods knechten, aan Gods zonen,
zult Gij als knecht, zult Gij als zoon belonen.
Maar wie zich afwendt en uw stem niet hoort,
Gij treedt hem tegen met uw toornig woord.

8. Gij immers zult het arme volk verhogen,
en Gij vernedert, Heer, de trotse ogen.
Gij zijt mijn licht, de lamp die voor mij schijnt,
waarvoor de dichte duisternis verdwijnt.
Met U durf ik mij in de strijd te wagen,
de legerbenden op de vlucht te jagen.
Met U ga ik door water en door vuur,
en met mijn God spring ik over een muur.

9. Alleen Gods weg kan tot het doel geleiden,
zijn woord is waar en zuiver t' allen tijde.
Hij is een schild, een schuilplaats in de strijd,
voor al wie bij hem zoekt naar veiligheid.
Want wie is God, dan deze onze Here?
Wie is de rots die alles kan trotseren?
Alleen die God die mij met kracht omgordt,
bij wie mijn levenspad een heilsweg wordt.

10. Hij maakt mijn voeten licht als die der hinden
en doet ze op de steilt' een steunpunt vinden.
Hij is mijn oefenmeester van omhoog,
door Hem geschoold span ik de koperen boog.
Omdat Gij mij het schild uws heils wilt reiken,
zal ik door U gesteund voor niemand wijken.
Als Gij U tot mij wendt en mij geleidt
word ik een held geharnast in de strijd.

11. Uw grote kracht bevleugelde mijn schreden,
met vaste gang kon ik in 't strijdperk treden.
De vijand joeg ik rust'loos na, totdat
ik hem vernietigend geslagen had.
Ik sloeg hen neer, dat zij niet opstaan konden,
zij vielen voor mijn voeten wijd in 't ronde.
Zo hebt Gij mij ten strijd gegord met kracht,
't opstandig volk doen bukken voor zijn macht.

12. Gij hebt mijn vijand op de vlucht gedreven,
ik heb verdelgd wie stonden voor mijn leven.
Zij zochten hulp, geen mens koos hun partij,
riepen tot God. Die zweeg en streed voor mij.
Mijn leger joeg de vijand voor zich henen,
hij werd vermaald als tussen molenstenen.
Stof in de wind werd ieder die mij haat,
ik vaag hen weg zoals het slijk der straat.

13. Gij hebt mij boven burgertwist verheven
en vreemde volken in mijn hand gegeven.
Nauwelijks hadden zij van mij gehoord,
of bevend bogen zij zich voor mijn woord.
Zij smeekten mij om hen niet te vertreden,
zij vleiden mij, zij jammerden om vrede.
Zij kwamen uit hun sterke vestingwal,
het verste volk zelfs maakt' ik tot vazal.

14. De Here leeft en zij alleen geprezen.
Hij is mijn rots en ik heb niets te vrezen.
Hij is de God die mij voldoening geeft
en volken aan mij onderworpen heeft.
Hij heeft het altijd voor mij opgenomen,
Hij deed mij aan mijn vijanden ontkomen.
Van haat en opstand hebt Gij mij bevrijd
en mij verlost van der tirannen nijd.

15. Ik loof U, Heer, ik loof uw zegeningen,
onder de volken zal ik psalmen zingen.
De Heer heeft mij gered uit elk gevaar.
Hoe groot, hoe onuitspreek'lijk wonderbaar!
Hij die zijn koning met zijn glorie kroonde,
zijn grote trouw aan zijn gezalfde toonde,
zal door de tijden met ons verder gaan,
met David en zijn huis nu en voortaan.