Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Eindelijk! Taal verandert razendsnel. Toch was de jongste officiële psalmberijming al dik 50 jaar oud. Voor de gemiddelde jongere een bijna onbegrijpelijk taalkleed. Super dat naast initiatieven als 'Psalmen voor Nu' en 'Levensliederen' er nu dit initiatief is. Lees meer »

Ds. K. de Vries | Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Ds. K. de Vries
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, Tituskapel te Amsterdam Zuid/West

Lees alle quotes

Psalm 71

De nieuwe psalmberijming

1. Ik schuil bij U met al mijn zorgen.
Beschaam mij niet, o HEER.
Spreek recht, help ook dit keer.
In U, mijn rots, ben ik geborgen.
U hebt mij niet vergeten;
ik mag me veilig weten.

2. God, wil de plunderaars verjagen,
hun schrikbewind verslaan.
U bent van jongs af aan
mijn toeverlaat in bange dagen.
Voordat ik was geboren
mocht ik al bij U horen.

3. Dat U uw trouw aan mij laat blijken
ontgaat de mensen niet.
Tot U vlucht ik, U biedt
een plek waar ik naar uit kan wijken.
Geen dag laat ik passeren
zonder uw naam te eren.

4. Wil mij toch niet de rug toekeren
nu ik, bejaard en zwak,
naar uw bescherming snak.
Kijk hoe die schurken samenzweren.
Hoor hoe ze spottend praten:
‘zijn God heeft hem verlaten.’

5. God, haast U, red mij uit de handen
van hen die zelfvoldaan
mij naar het leven staan.
Laat hen beschaamd staan en te schande.
Wil wie mijn welzijn schaden
met schaamte overladen.

6. Voortdurend blijf ik op U hopen.
Uw trouw prijs ik steeds weer;
ik breng U alle eer.
Uw hart staat altijd voor mij open.
‘Mijn God’ mag ik U noemen.
Ik zal uw goedheid roemen.

7. U onderwees mij heel mijn leven;
uw lessen waren wijs.
Al is mijn haar nu grijs,
ik blijf, als U mij kracht wilt geven,
voor mijn nakomelingen
uw wonderen bezingen.

8. U laat, o God, uw goedheid rijzen.
Wie is als U zo groot?
Geef dat, na al mijn nood,
de mensen mij weer eer bewijzen.
Wil toch mijn naam verhogen
en al mijn tranen drogen.

9. Dan klinkt mijn loflied bij de klanken
van vrolijk snarenspel.
U, God van Israël,
zal ik voor mijn verlossing danken.
Wie uit is op mijn schande
staat met een mond vol tanden.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Ik schuil bij U met al mijn zorgen.
Beschaam mij niet, o HEER.
Spreek recht, help ook dit keer.
In U, mijn rots, ben ik geborgen.
U hebt mij niet vergeten;
ik mag me veilig weten.

2. God, wil de plunderaars verjagen,
hun schrikbewind verslaan.
U bent van jongs af aan
mijn toeverlaat in bange dagen.
Voordat ik was geboren
mocht ik al bij U horen.

3. Dat U uw trouw aan mij laat blijken
ontgaat de mensen niet.
Tot U vlucht ik, U biedt
een plek waar ik naar uit kan wijken.
Geen dag laat ik passeren
zonder uw naam te eren.

4. Wil mij toch niet de rug toekeren
nu ik, bejaard en zwak,
naar uw bescherming snak.
Kijk hoe die schurken samenzweren.
Hoor hoe ze spottend praten:
‘zijn God heeft hem verlaten.’

5. God, haast U, red mij uit de handen
van hen die zelfvoldaan
mij naar het leven staan.
Laat hen beschaamd staan en te schande.
Wil wie mijn welzijn schaden
met schaamte overladen.

6. Voortdurend blijf ik op U hopen.
Uw trouw prijs ik steeds weer;
ik breng U alle eer.
Uw hart staat altijd voor mij open.
‘Mijn God’ mag ik U noemen.
Ik zal uw goedheid roemen.

7. U onderwees mij heel mijn leven;
uw lessen waren wijs.
Al is mijn haar nu grijs,
ik blijf, als U mij kracht wilt geven,
voor mijn nakomelingen
uw wonderen bezingen.

8. U laat, o God, uw goedheid rijzen.
Wie is als U zo groot?
Geef dat, na al mijn nood,
de mensen mij weer eer bewijzen.
Wil toch mijn naam verhogen
en al mijn tranen drogen.

9. Dan klinkt mijn loflied bij de klanken
van vrolijk snarenspel.
U, God van Israël,
zal ik voor mijn verlossing danken.
Wie uit is op mijn schande
staat met een mond vol tanden.

Tekst: Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm heeft dezelfde melodie als Psalm 31

1. 'k Betrouw op U, hoor mijn gebeden:
Dat mij geen schaamt', o HEER',
In eeuwigheid verneer'.
Red mij, door Uw gerechtigheden,
Bevrijd mij, neig Uw oren;
Verlos mij; wil mij horen.

2. Wees mij een rots, om in te wonen;
Een schuilplaats, waar mijn hart
Steeds toevlucht vind', in smart.
Uw hoog bevel zal blijkbaar tonen,
Dat Gij, o groot' Ontfermer,
Mijn burg zijt en beschermer.

3. Bevrijd mij van 't geweld des snoden,
Die 't heilig recht verkracht;
Wiens trotsheid mij veracht.
Ik wacht op U, o God der goden,
Op Wien ik vast vertrouwde,
Van dat ik 't licht aanschouwde.

4. Zo Gij, van dat ik werd geboren,
Ja, van mijn eerst begin,
Mij niet, uit teed're min,
Hadt ondersteund, 'k waar' lang verloren;
Dies doe ik, in gezangen,
U steeds mijn lof ontvangen.

5. 'k Was als een wonder in elks ogen;
Doch Gij, mijn toevlucht, Gij
Stondt mij met sterkte bij;
Laat dan mijn mond Uw Naam verhogen,
En al mijn levensdagen
Van Uwen roem gewagen.

6. Verwerp mij niet in hoger jaren;
Laat bij den ouderdom,
Dien 'k in Uw gunst beklom,
Uw voorzorg over mij niet varen;
Laat met de kracht van 't leven,
Uw hulp mij niet begeven.

7. Hen, die op mijne ziele loeren,
Hoort men in hunnen raad,
Uit onverzoenb'ren haat,
Een goddeloze schimptaal voeren,
En tegen recht, te zamen
Mijn ondergang beramen.

8. "Ziet", zeggen zij, "hij ligt verschoven;
God staat niet aan zijn zij;
Jaagt, jaagt hem; grijpt hem vrij;
Hij kan geen uitkomst zich beloven."
O God, toon m' Uw ontferming,
En haast U ter bescherming.

9. Doe hen beschaamd staan en bezwijken,
Wier woede mij bestrijdt,
Wier haat mijn rust benijdt;
Doe hen met smaad en schande wijken,
Die tegen mij zich sterken,
En mijne ramp bewerken.

10. Mijn hart zal steeds op U vertrouwen;
Mijn mond vindt tot Uw lof
Gedurig ruimer stof
En zal Uw recht en heil ontvouwen,
Schoon ik de reeks dier schatten
Kan tellen noch bevatten.

11. Ik zal blijmoedig henen treden
In 's HEEREN mogendheid;
Mijn hart is uitgebreid,
O HEER', om Uw gerechtigheden,
Ja die alleen, te prijzen,
Op aangename wijzen.

12. Gij hebt mij van mijn kindse dagen
Geleid en onderricht;
Nog blijf ik naar mijn plicht,
Van Uwe wond'ren blij gewagen.
O God, wil mij bewaren
Bij 't klimmen mijner jaren.

13. Blijf mij in mijne grijsheid sterken;
Verkwik mijn ouderdom;
Bewaak mij van rondom;
Zo meld' ik dit geslacht Uw werken;
Zo zal 'k Uw grootheid zingen
Voor hun nakomelingen.

14. Ik roem, o eeuwig Alvermogen,
'k Roem Uw gerechtigheid,
Die zoveel glans verspreidt,
Zo heerlijk schittert uit den hoge,
O HEER' der legerscharen,
Wie kan U evenaren?

15. Gij deedt mij veel benauwdheid smaken
En drukkend harteleed,
Maar tot mijn hulp gereed
Zult Gij mij weder levend maken;
Mij uit den afgrond trekken,
En met Uw vleug'len dekken.

16. Gij zult met luister mij omringen,
Mij troosten in mijn smart.
Dan zal ik, blij van hart,
Met luit en harp Uw goedheid zingen,
O heilig Opperwezen,
Door Israel geprezen.

17. Mijn lippen zullen juichend roemen,
In psalmen, U gewijd,
Dat Gij mijn helper zijt;
Mijn tong zal U mijn redder noemen,
Uw gunst den Godgetrouwen
Den gansen dag ontvouwen.

18. 'k Zal Uw gerechtigheid verheffen,
Die mij in eer herstelt,
Die al mijn haters velt.
'k Zie hen door schand' en schaamte treffen;
Ik zie hen schaamrood vluchten,
Die mijne ziel doen zuchten.

1. Mijn hoop stel ik op U gestadig;
Wil mij bewaren, Heer,
Voor een eeuwig oneer;
Verlos mij, o mijn God genadig,
Door Uw goedheid geprezen;
Wil mij bijstandig wezen.

2. Help mij en neig tot mij Uw oren;
Wees toch mijn toeverlaat
In den nood mij bijstaat,
Gij hebt mij te helpen gezworen:
Geen sterkten groot noch kleine,
Heb ik dan U alleine.

3. Uit der bozen handen onreine,
Uit der tirannen hand,
Die geweld doen in 't land,
Help mij; want troost noch hulpe gene,
En had ik al mijn leven,
Dan U, o Heer verheven!

4. Zo haast als ik hier was geboren
Uit mijn moeders lichaam,
Heb ik op Uwen Naam
Mijn hoop gesteld, Heer uitverkoren!
Uwen Naam t' allen tijden
Verbreid ik met verblijden.

5. Men houdt mij voor een zeer vreemd wonder!
Doch Gij zijt, Heer! mijn kracht,
Mijn toevlucht dag en nacht.
Maak, dat ik mag zijn een verkonder
Uws lofs en Uwer ere,
En die steeds mag vermeren.

6. Als ik, Heer! oud en koud zal wezen,
En zwak vol van verdriet,
Wil mij verwerpen niet;
Als ik ook zal zijn, Heer geprezen!
Ellendig bovenmate,
Wil mij dan niet verlaten.

7. Want tegen mij houden te zamen,
Mijn vijanden zeer kwaad
Enen listigen raad;
En tegen mij, wreed en gruwzame,
Met een zij hen verbinden,
Die mij willen verslinden.

8. Zij spreken: Haast laat ons hem vangen,
Want geen hulpe voorwaar.
Vindt hij verre nog naar.
Dies wil van mij in dit verlangen
Niet wijken; maar u Heere,
Tot mijn hulp haasten zere.

9. De haters die mij staan naar 't leven,
Moeten beschaamd zijn al,
En haast komen ten val;
Die tot mijn schanden hen begeven,
Laat z' o Heer! zijn misprezen
En met spot bedekt wezen.

10. Boven de daag'lijkse lofzangen,
Zal van mij zijn verbreid,
Heer, Uw gerechtigheid.
De gaven, die ik heb ontvangen,
Die niet zijn om doorgronden,
Zal ik altijd verkonden.

11. Ik zal vrijmoediglijk daar treden
En zien de werken aan,
Die Gij Heer, hebt gedaan.
Van mij werden altijd beleden
Uw oprechte voetpaden
En Uw grote weldaden.

12. Van jongs aan heb ik, Heer geprezen,
Uwe werken verstaan,
Daarvan doende vermaan.
Dies als ik oud en grijs zal wezen,
Wijk dan niet van mij, Heere,
Dien ik alleen verere.

13. Totdat ik allen, die nu leven,
En ook haren geslacht
Verklaard heb Uwe macht.
Uw oordelen zijn hoog verheven,
Daardoor Gij, zo wij merken,
Doet zeer veel wonderwerken.

14. Wie is met U te vergelijken?
Die mij proeft met angst groot,
Kruis en allerlei nood;
Die mij geeft van nieuws, zo 't mag blijken,
't Leven tot zijn oorboren,
't Welk scheen te zijn verloren.

15. Uit den diepen put onder d' aerde,
Hebt Gij mij gevoerd, Heer,
En mijn rijk verbreid zeer.
En als ik overweldigd werde,
Met Uw aangezicht krachtig,
Troost Gij mij, Heer almachtig.

16. Dies zal ik op den psalter spelen
En zingen met bescheid
Van Uw getrouwigheid.
God Israëls; zonder vervelen
Zal ik Uw lof voortbringen
Op de harp en U zingen.

17. Mijn lippen haar in U verblijden
En prijzen ook eenpaar
Uwe heerlijkheid klaar.
Mijn ziel, die Gij hebt uit dat lijden
Gebracht, die is ontsteken
Met vreugd', Heer, onbezweken.

18. Mijn tong wil ik U overgeven,
Om Uw gerechtigheid
Te melden overbreid.
Gij verderft de booz' ongenadig,
Dat ze met schande sterven,
Die zoeken mijn verderven.

1. Heer, laat mij schuilen in uw hoede,
begeef mij niet o God,
maak nimmer mij ten spot.
Leid in uw trouw mijn weg ten goede,
verleen mij uw nabijheid
en stel mij in de vrijheid.

2. Wees mij een burcht, waarheen ik vluchten,
waarin ik nacht en dag
mij veilig bergen mag.
Mijn Rots, bij U is niets te duchten,
Gij hebt in al mijn noden
redding en heil geboden.

3. Bevrijd mij van den goddeloze
en laat toch nimmer toe
dat hij mij onrecht doe.
Verlos mijn leven van den boze.
Op U, Heer, blijf ik bouwen
met kinderlijk vertrouwen.

4. Sinds mij mijn moeder had ontvangen
en vormde in haar schoot,
waart Gij mijn hulp in nood.
U Heer, U loven mijn gezangen;
verlosser van mijn leven,
uw naam zij hoog verheven.

5. Het was voor velen tot een teken,
Heer, dat ik staande bleef, -
een wonder dat ik leef.
Want steeds zijt Gij mijn Rots gebleken,
steeds wil mijn mond U noemen,
Grootmachtige, U roemen.

6. Laat nu ik oud word mij niet vallen,
mijn krachten nemen af,
reeds delft men mij het graf.
Ik hoor rondom de vijand brallen:
Grijp toe, niets kan hem baten,
want God heeft hem verlaten.

7. Wees mij nabij en kom mij helpen,
verlos mij, Heer, met spoed
en keer hun overmoed.
Kom hen met schande overstelpen,
kom hen met smaad bedekken
die niets dan kwaad verwekken.

8. Maar ik blijf, Here, op U wachten
en ik gewaag altijd
van uw gerechtigheid.
Uw heil is nooit uit mijn gedachten;
want wat Gij mij kunt schenken
is meer dan ik kan denken.

9. Ik roem de grootheid van uw daden,
ik meld aan iedereen
uw recht, uw recht alleen.
Gij weest mij reeds als kind uw paden;
nog prijs ik U, ik zegen,
o Heer, uw wond're wegen.

10. Maak m' in mijn grijsheid niet onmondig.
Verlaat mij niet te zeer,
maar gun mij stem, o Heer,
dat ik een nieuw geslacht verkondig
uw grootheid en uw sterkte,
al wat uw arm bewerkte.

11. Ik zie, o Heer, uw trouw oprijzen
tot in de hemel hoog,
zij blinkt voor ieders oog.
Gij toont uw macht in gunstbewijzen,
voor U moet alles wijken, -
Heer, wie is uw gelijke!

12. Gij die mij onheil en veel noden
deedt zien, Gij laat mij niet
in donker en verdriet.
Gij hebt het dodenrijk geboden
mij heelhuids weer te geven,
Gij wilt dat ik zal leven.

13. Vermeerder Gij mijn kracht, o Here,
geef dat ik dag aan dag
uw troost ervaren mag.
Dan zal ik vrolijk musiceren,
uw trouw, uw zegeningen,
o Heilige, bezingen.

14. Ja, mijn verloste hart zal juichen
en met mijn lippen saam
verheffen 's Heren naam.
Mijn tong zal van uw trouw getuigen,
mijn lied zal hen beschamen
die mijn verderf beramen.

1. Bij U, o Heer, berg ik mijn leven.
Beschaam in mijn verdriet
mijn vast vertrouwen niet,
want U alleen kunt uitkomst geven.
Kom mij door recht bevrijden,
verhoor mij in mijn lijden.

2. Wees mij een rots tot mijn bescherming,
zodat ik altijd weer
bij U kan schuilen, Heer.
Want U, mijn God, U bent mijn vesting,
U zult in al mijn vrezen
mijn rots en redder wezen.

3. Bevrijd mij van de goddelozen,
o God, red door uw kracht
mij uit der bozen macht.
Verlos mij van die trouwelozen.
Zie, hoe ik vol vertrouwen
op U mijn hoop blijf bouwen.

4. Want U bent mijn verwachting, Here.
Vanaf de moederschoot
bent U mijn steun in nood.
U geldt mijn lof, U zal ik eren,
U, die mijn hele leven
mijn helper bent gebleven.

5. Een wonder was ik in elks ogen,
daar U mij hebt gespaard,
beveiligd en bewaard.
Nu wil ik U, mijn God, verhogen,
uw luister steeds bezingen
om al uw zegeningen.

6. Wil aan het einde van mijn dagen
mij niet verwerpen, Heer.
Mijn kracht vergaat steeds meer.
Reeds zeggen zij die mij belagen:
sla toe, hem zal niets baten,
hij is door God verlaten.

7. Haast U, mijn God, kom mij toch helpen.
Houd U niet ver van mij,
maar stel U aan mijn zij.
Kom hen met schande overstelpen,
die op mijn leven jagen,
met onheil mij belagen.

8. Ik hoop op U en zal U loven,
uw recht van dag tot dag
vermelden met ontzag.
Uw heil gaat elk begrip te boven.
Ik kan die grote schatten
niet tellen of bevatten.

9. Uw grote daden zal ik prijzen.
Heer, uw gerechtigheid
verkondig ik altijd.
U wilde mij steeds onderwijzen.
Van jongsaf mocht ik leren
uw wonderen te eren.

10. Blijf in mijn laatste levensjaren
mij steunen als voorheen.
Heer, laat mij niet alleen.
Ik meld, als U mij nog wilt sparen,
aan komende geslachten
uw werk, uw grote krachten.

11. Ten hemel reikt voor ieders ogen,
Heer, uw gerechtigheid
en grote majesteit.
Hoe machtig bent U in vermogen!
Wie kan U evenaren,
uw wonderen verklaren?

12. U die mij rampen deed ervaren,
schenkt mij het leven weer.
Maak U nu op, o Heer,
wil mij voor verder onheil sparen,
mij troosten en mij geven
dat ik in eer mag leven.

13. Ik zal aan U mijn psalmen wijden,
o God van Israël,
bij harp- en citerspel.
Mijn mond zal juichend U belijden,
mijn ziel zal blij bezingen
uw trouw en zegeningen.

14. Mijn tong zal heel de dag gewagen
van uw gerechtigheid,
waarin ik mij verblijd.
Want U beschaamd wie mij belagen.
De vijand is verdreven.
U prijs ik heel mijn leven.