Bundel De NieuwepsalmberijmingDe steun van een vrienden- kring die elk jaar een be- scheiden steentje bijdraagt is onmisbaar voor ons.

Word daarom vriend van stichting Dicht bij de Bijbel en ontvang het boek 'Alleen Uw liefde laat mij leven' t.w.v. € 18,99 geheel gratis!

Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

In onze gemeente willen we graag de psalmen blijven zingen. Het zijn prachtige liederen waarin allerlei aspecten van het leven met God bezongen worden. Helaas was de mooie inhoud soms in lastige of ouderwetse taal verstopt. De Nieuwe Psalmberijming helpt om te begrijpen wat we zingen. Lees meer »

Ds. E.C. Vreugdenhil | Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Ds. E.C. Vreugdenhil
Gereformeerde Kerk Katwijk aan Zee

Lees alle quotes

Psalm 105

De nieuwe psalmberijming

1. Prijs God! Verkondig van de daken
hoe Hij zijn naam weet waar te maken. 
Zing vrolijk bij je instrument.
Maak overal zijn macht bekend.
Wees opgetogen, geef Hem eer,
jij die je heil zoekt bij de HEER.

2. Vraag naar de HEER en naar zijn daden.
Verwacht voortdurend zijn genade.
Volk door de HEER apart gezet,
zorg dat je op zijn almacht let.
Laat altijd worden doorverteld
hoe wijs Hij vonnis heeft geveld.

3. God, die ons als zijn volk aanvaardde,
is rechter van de hele aarde.
Voor altijd blijft zijn woord van kracht,
voor ons en voor ons nageslacht.
De God van Abraham verbindt
zich liefdevol aan ieder kind.

4. Aan Izak heeft de HEER gezworen
dat hij altijd bij Hem mocht horen.
Met Jakob deelde Hij zijn plan:
‘Jouw erfenis is Kanaän; 
dat land wordt helemaal van jou
als teken van mijn grote trouw.’

5. Toen zij, een handvol vreemdelingen,
door onbekende landen gingen,
stond God hen als hun redder bij.
Wie aan zijn volk kwam, strafte Hij:
‘Laat mijn gezalfden veilig gaan
en raak hen met geen vinger aan!’

6. De HEER trof de Egyptenaren
met zeven zware hongerjaren. 
Hij had zijn plan al uitgedacht
en Jozef naar hun land gebracht. 
Maar die kwam in de cel terecht,
tot uitkwam wat God had voorzegd.

7. Nadat de koning hem bevrijdde
mocht hij het koninkrijk gaan leiden.
Hij kreeg de schatkist in beheer.
De volken bogen voor hem neer.
Ministers deden wat hij zei
en wijzen adviseerde hij.

8. Toen kwamen Jakob en zijn zonen
bij Jozef in Egypte wonen.
De HEER heeft daar hun nageslacht 
tot ongekende bloei gebracht.
Egypte gaf hen op Gods tijd
uit angst en afgunst dwangarbeid.

9. God droeg, toen Hij zijn volk zag lijden,
aan Mozes op hen te bevrijden.
Aäron vroeg Hij mee te gaan.
Zij kondigden Gods straffen aan.
Een tiental rampen overkwam 
de mensen in het land van Cham.

10. God liet de lucht geheel betrekken;
er viel geen licht meer te ontdekken.
Hij kleurde al het water rood
en alle vissen gingen dood.
Een leger kikkers kwam brutaal 
tot in de koninklijke zaal.

11. God liet een horde muggen komen,
verwoestte land en vijgenbomen. 
Zwaar noodweer richtte schade aan. 
De sprinkhaan liet geen plantje staan.
God doodde met zijn eigen hand 
de oudste zonen van het land.

12. Het was de HEER die hen bevrijdde
en schatrijk uit Egypte leidde. 
Na wat God hen had aangedaan
zag men het slavenvolk graag gaan.
De HEER trok mee en hield de wacht: 
een wolk bij dag, een vuur bij nacht.

13. Nooit heeft de HEER zijn volk vergeten.
Als zij het vroegen, gaf Hij eten.
Fris water stroomde uit een steen,
meer dan genoeg voor iedereen.
God dacht aan Abraham, zijn knecht,
aan wat Hij hem had toegezegd.

14. Blij mochten zij het land verlaten 
waarin zij lang gevangen zaten.
God gaf hun bouw- en weidegrond
en akkers waar al graan op stond -
om daar te leven tot zijn eer,
om Hem te dienen. Prijs de HEER!

Tekst: Jan Boom/Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

De nieuwe psalmberijming

1. Prijs God! Verkondig van de daken
hoe Hij zijn naam weet waar te maken. 
Zing vrolijk bij je instrument.
Maak overal zijn macht bekend.
Wees opgetogen, geef Hem eer,
jij die je heil zoekt bij de HEER.

2. Vraag naar de HEER en naar zijn daden.
Verwacht voortdurend zijn genade.
Volk door de HEER apart gezet,
zorg dat je op zijn almacht let.
Laat altijd worden doorverteld
hoe wijs Hij vonnis heeft geveld.

3. God, die ons als zijn volk aanvaardde,
is rechter van de hele aarde.
Voor altijd blijft zijn woord van kracht,
voor ons en voor ons nageslacht.
De God van Abraham verbindt
zich liefdevol aan ieder kind.

4. Aan Izak heeft de HEER gezworen
dat hij altijd bij Hem mocht horen.
Met Jakob deelde Hij zijn plan:
‘Jouw erfenis is Kanaän; 
dat land wordt helemaal van jou
als teken van mijn grote trouw.’

5. Toen zij, een handvol vreemdelingen,
door onbekende landen gingen,
stond God hen als hun redder bij.
Wie aan zijn volk kwam, strafte Hij:
‘Laat mijn gezalfden veilig gaan
en raak hen met geen vinger aan!’

6. De HEER trof de Egyptenaren
met zeven zware hongerjaren. 
Hij had zijn plan al uitgedacht
en Jozef naar hun land gebracht. 
Maar die kwam in de cel terecht,
tot uitkwam wat God had voorzegd.

7. Nadat de koning hem bevrijdde
mocht hij het koninkrijk gaan leiden.
Hij kreeg de schatkist in beheer.
De volken bogen voor hem neer.
Ministers deden wat hij zei
en wijzen adviseerde hij.

8. Toen kwamen Jakob en zijn zonen
bij Jozef in Egypte wonen.
De HEER heeft daar hun nageslacht 
tot ongekende bloei gebracht.
Egypte gaf hen op Gods tijd
uit angst en afgunst dwangarbeid.

9. God droeg, toen Hij zijn volk zag lijden,
aan Mozes op hen te bevrijden.
Aäron vroeg Hij mee te gaan.
Zij kondigden Gods straffen aan.
Een tiental rampen overkwam 
de mensen in het land van Cham.

10. God liet de lucht geheel betrekken;
er viel geen licht meer te ontdekken.
Hij kleurde al het water rood
en alle vissen gingen dood.
Een leger kikkers kwam brutaal 
tot in de koninklijke zaal.

11. God liet een horde muggen komen,
verwoestte land en vijgenbomen. 
Zwaar noodweer richtte schade aan. 
De sprinkhaan liet geen plantje staan.
God doodde met zijn eigen hand 
de oudste zonen van het land.

12. Het was de HEER die hen bevrijdde
en schatrijk uit Egypte leidde. 
Na wat God hen had aangedaan
zag men het slavenvolk graag gaan.
De HEER trok mee en hield de wacht: 
een wolk bij dag, een vuur bij nacht.

13. Nooit heeft de HEER zijn volk vergeten.
Als zij het vroegen, gaf Hij eten.
Fris water stroomde uit een steen,
meer dan genoeg voor iedereen.
God dacht aan Abraham, zijn knecht,
aan wat Hij hem had toegezegd.

14. Blij mochten zij het land verlaten 
waarin zij lang gevangen zaten.
God gaf hun bouw- en weidegrond
en akkers waar al graan op stond -
om daar te leven tot zijn eer,
om Hem te dienen. Prijs de HEER!

Tekst: Jan Boom/Jan Pieter Kuijper

© Small Stone Media t/a Dicht bij de Bijbel
Alle rechten voorbehouden

Geef feedback op deze psalm

Gebruik in diensten

Wij willen u aanmoedigen de liederen binnen uw kerkelijke gemeenschap te zingen, uit te voeren, teksten af te drukken en/of liedteksten te projecteren. Wij verwachten hierbij echter wel dat u een CCLi Licentie heeft afgesloten. Voor meer informatie CCLi Benelux.

Beamsheets

Van alle psalmen zijn beamsheets beschikbaar, zie de downloadlink hieronder. De beamsheets hebben een transparante achtergrond. U kunt uw eigen achtergrond gebruiken.
Wij raden u af om van de beamsheets een eigen database op te bouwen, omdat er op detail nog wel eens een wijziging wordt doorgevoerd in de tekst. Download dus bij de voorbereidingen van uw beamerpresentatie altijd de meest recente sheets van onze website.

Download hier de beamsheets

Audio-opname

Gespeeld door Dick Sanderman (via: PCorgel.nl)

Alternatieve melodieën

Deze psalm kan ook gezongen worden op de melodie van:
- Psalm 80
- Psalm 94

1. Looft, looft, verheugd den HEER' der Heren;
Aanbidt Zijn Naam, en wilt Hem eren.
Doet Zijne glorierijke daan
Alom den volkeren verstaan,
En spreekt, met aandacht en ontzag,
Van Zijne wond'ren dag aan dag.

2. Juicht elk om strijd met blijde galmen;
Zingt, zingt den Hoogste vreugdepsalmen!
Beroemt u in Zijn heil'gen Naam;
Dat die Hem zoeken, nu te zaam
Hun hart verenen tot Zijn eer,
En zich verblijden in den HEER'!

3. Vraagt naar den HEER' en Zijne sterkte,
Naar Hem, die al uw heil bewerkte.
Zoekt dagelijks Zijn aangezicht,
Gedenkt aan 't geen Hij heeft verricht,
Aan Zijn doorluchte wonderdaan;
En wilt Zijn straffen gadeslaan.

4. Gij volk, uit Abraham gesproten,
Dat zoveel gunsten hebt genoten,
Gij Jakobs kind'ren', die de HEER'
Heeft uitverkoren, meldt Zijn eer.
De HEER' is onze God, die d' aard'
Alom door Zijn gericht vervaart.

5. God zal Zijn waarheid nimmer krenken,
Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,
Tot in het duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham, Zijn vrind,
Bevestigt Hij van kind tot kind.

6. Al wat Hij Izak heeft gezworen,
Heeft Hij ook aan Zijn uitverkoren',
Aan Jakob, tot een wet gesteld,
Van al 't beloofde heil verzeld,
En aan gans Isrel toegezeid
Tot Zijn verbond in eeuwigheid.

7. Hij sprak: "Ik zal de schoonste landen,
'k Zal Kanan leev'ren in uw handen,
't Welk 't snoer uws erfdeels wezen zal."
Het volk was weinig in getal,
't Verkeerde daar als vreemdeling,
Toen 't zulk een gunstrijk woord ontving.

8. Geleid door 's HEEREN alvermogen,
Zijn zij van volk tot volk getogen,
Van 't een naar 't ander rijksgebied.
Hij duldde hun verdrukking niet,
Maar heeft zelfs vorsten op dien tocht,
Om hunnentwil, met straf bezocht.

9. God sprak, en deed den vorsten weten:
"Tast Mijn gezalfden, Mijn profeten,
Niet aan door enig leed of schand'!"
Hij riep een honger in het land,
Hij brak vergramd den staf des broods,
En 't volk kwam in gevaar des doods'

10. Wie kan Gods wijs beleid doorgronden?
Een man werd voor hen heengezonden:
De vrome Jozef, rijk in deugd,
Tot slaaf verkocht in zijne jeugd,
In ijz'ren boeien wreed gekneld,
Werd, hun tot heil, in eer gesteld.

11. Toen hij door 't Godd'lijk alvermogen,
Beproefd was: toen voor aller ogen
Zijn woord in 't helder daglicht scheen;
Toen bood de koning, om zijn reen
Verbaasd, hem straks de vrijheid aan;
Der volken HEER' deed hem ontslaan.

12. Hij kreeg van Farao in handen
't Bestier van huis en goed en landen;
Dies bond hij vorsten naar zijn lust.
Van zijn verstand en deugd bewust,
Deed gans Egypte's opperheer,
Al d' oudsten luist'ren naar zijn leer.

13. Daarna toog Israel, gedreven
Door nooddruft, tot behoud van 't leven,
Naar 't rijk Egypte; Jakob kwam
Als vreemdeling in 't land van Cham.
Daar groeid' en bloeide zijn geslacht,
En overtrof zijn vijands macht.

14. De harten der Egyptenaren,
Die eertijds Isrel gunstig waren,
Verkeerden toen in bitt'ren haat.
Des HEEREN volk werd bits versmaad;
Men smeedde lagen tot hun val,
Verdrukking trof hun overal.

15. Maar God zond Mozes, die tevoren
Door Hem met Aron was verkoren;
Zij beiden voerden Gods besluit
Door tekenen en wond'ren uit,
En toonden in Egypteland
De plagen van Zijn strenge hand.

16. 't Werd alles door Zijn groot vermogen
Met duisternissen overtogen.
Niets wederstreefde 't hoog bevel
Van God, den God van Israel,
Die beek en bron verkeerd' in bloed,
Den vis deed sterven in dien vloed.

17. Ook deed God uit de waterstromen
Een machtig heir van vorsen komen,
Dat doordrong tot in 's konings hof.
De luizen kwamen voort uit stof.
God sprak en een ontelb're drom
Van ongedierte zweefd' alom.

18. Hij zond in plaats van vruchtb'ren regen,
Zijn hagel neer, die allerwegen,
Met een verslindend vuur gepaard,
Den frissen wijnstok sloeg ter aard',
Den vijgeboom, met kruin en tak,
En al het vruchtgeboomte brak.

19. De sprinkhaan en de kever kwamen,
Gelijk een talloos leger, samen;
Verslonden wat het aardrijk gaf.
Toen heeft God, als de zwaarste straf,
Al d' eerstelingen hunner kracht,
Hun eerstgeboor'nen omgebracht.

20. God deed Zijn volk met wisse treden,
Daar niemand struikeld' in zijn schreden,
Met zilver en met goud belaan,
Blijmoedig uit Egypte gaan.
Toen juicht' om hun vertrek al 't land,
Daar 't al door schrik was overmand.

21. God breidd' een wolk uit, om Zijn scharen,
Bij dag te hoeden voor gevaren.
Hij gaf hun, door Zijn hoog bestuur,
Des nachts ten licht een wondervuur.
Zij baden en hun Opperheer;
Zond straks een heir van kwakk'len neer.

22. Zij werden daag'lijks begenadigd,
Met manna, hemels brood, verzadigd.
Gods hand bracht, in dat dorre oord,
Rivieren uit een steenrots voort.
Hij dacht aan 't geen Hij aan Zijn knecht,
Aan Abraham, had toegezegd.

23. Dus toog 't verkoren volk des HEEREN
Al juichend uit, op Gods begeren.
Het land der heid'nen van rondom,
Schonk Hij hun tot een eigendom.
Der volken arbeid werd geheel
Aan Israel ten erf'lijk deel.

24. Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,
Opdat het altoos Hem zou vrezen,
Zijn wet betrachten, en voortaan
Volstandig op Zijn wegen gaan.
Men roem' dan d' Oppermajesteit
Om zoveel gunst, in eeuwigheid.

1. Een ieder moet tot deze tijden
De hoogheid des Heeren belijden,
En prijzen Zijnen Name goed.
Elk verkondige met der spoed
Allen volkeren nu voortaan
De werken, die Hij heeft gedaan.

2. Wilt Hem loven en van Hem zingen,
En Zijn wonderwerken voortbringen;
Roemt zeer Zijnen heiligen Naam,
Gij, die Hem zoekt van harten zaam,
Wilt ook wezen tot dezen tijd
In Hem verheugd en zeer verblijd.

3. Zoekt den Heer en Zijn wonderwerken,
Zoekt Zijn aanschijn, daarop wilt merken;
Vergeet Zijn grote daden niet;
Vertelt Zijn wonderen met vliet.
Roemt Zijn oordelen en Zijn woord,
Die de Heer Zelf gebracht heeft voort.

4. Gij dat zaad Abrahams al voren,
't Welke Hem God heeft uitverkoren;
En desgelijks gij Jakobs zaad,
't Welk God zeer liefheeft met der daad.
God is onz' God, en blijven zal;
Hij heerset met kracht overal.

5. Want God gedenkt altijd genadig
Aan Zijn verbond, 't welk blijft gestadig,
En aan dat woord, dat Hij heeft klaar
Toegezeid, en wil 't houden waar
In 't duizendste geslacht dat leeft,
Zo Hij Abraham belooft heeft.

6. Die eed en zal niet zijn verloren,
Dien Hij Izaäk heeft gezworen,
En ook Jakob; maar hij zal fijn
Eeuwiglijk vast en zeker zijn,
In Israël zal dit verbond
Vast blijven staan tot aller stond.

7. Ik zal Mijn volk, sprak God verheven,
't Schone land Kanaän ingeven;
Dat zal gewis en voor een slot
Uwes erfdeels wezen dat lot;
Al waren zij weinig en klein,
En vreemdelingen in 't gemein.

8. Van 't een rijke tot 't ander krachtig
Trokken zij, en tot volken machtig.
Maar God wilde toelaten niet,
Dat men hen aandede verdriet;
Ja zelfs de koningen Hij niet
Om harentwil ongestraft liet.

9. Mijn gezalfden (sprak Hij) niet schadet,
Mijn profeten toch niet versmadet.
Hij liet honger komen in 't land,
Dat men schier daar geen brood en vand;
Maar Hij zond voor hen een man groot.
Die Zijn volk hielp uit 's hongers nood.

10. Dat was Jozef, die daar behendig
Verkocht was tot een knecht ellendig;
Die in stokken vast lag en stijf
Met veel ijzers rondom aan 't lijf;
Tot de tijd kwam, was hij gekweld,
Dien God daartoe hadde gesteld.

11. Toen hem genoeg hadde, ja zere
Doorlouterd en beproefd de Heere,
Toen zond de koning tot hem zaan,
En liet Jozef los en vrij gaan;
Hij was een groot heer, toch liet hij
Jozef halen en maken vrij.

12. Hij maakte hem zijner dienaren
Een meester, hoe hoog dat zij waren;
Hij maakte hem regeerder vroed,
Van al zijn rijkdom en zijn goed;
Om te geven een recht verstand
Den wijzen in Egypteland.

13. Toen reisd' in Egypteland spoedig
Met zijn kinderen Jakob goedig;
Als een vreemdeling hij daar kwam
In 't land van den vervloekten Cham;
Daar zijn vijanden zeer vol pracht
Gesteld werden onder zijn macht.

14. God, Die daar is de hoogst geëerde,
Der vijanden harten verkeerde;
Zodat zij gram werden en fel
Over Gods lieve knechten snel;
Zij versierden veel listen kwaad,
Om die te verdrukken met smaad.

15. Mozes en Aäron geprezen
Zond God, die Hij had uitgelezen
Tot Zijn knechten die t' zaam gelijk
Al Zijn wonderwerken zeer rijk
Zouden doen en laten geschiên,
Dat ieder man die konde zien.

16. Hij liet hun duisterheid toekommen,
En maakte 't gans donker rondomme;
Deze twee waren ook voortaan
De stemme Gods gans onderdaan
Haar water werd bloed overal,
Dies stierf veel vis in groot getal.

17. Hij maakte der vorsen zeer vele,
Dat de stank kwam tot in de kele,
Ja tot in 's konings kamer rein,
God sprak, en daar werden gemein
Luizen ende wormen zeer wreed,
Over 't ganse land wijd en breed.

18. Hij gaf hagel in steed' van regen;
Met vuurvlammen was 't land geslegen;
Den vijg'boom en den wijngaard teer
Sloeg God, en ook veel bomen neer.
Hij sprak en haast kwamen daar bloot
Kevers en veel sprinkhanen groot.

19. Zo werd dat gras alle vereten;
De vrucht des velds werd ook verbeten;
D' eerstegeboren' zijn vergaan,
De sterksten waren ook verdaan.
God voerd' uit Zijn volk menigvoud
Geladen met zilver en goud.

20. Daar was onder den hoop gemeine
Gans geen krankheid, noch groot noch kleine.
Egypte was tot dezen tijd,
Door des volks uittrekken verblijd;
Want zij allen minst ende meest
Voor dit volk zeer waren bevreesd.

21. Met een wolke God Zijn volk dekte;
Om 's nachts te lichten, Hij verwekte
Een vuur, 't welk brandde met geweld,
En verlichtte dat ganse veld.
Zij baden God, Die hun haast gaf
Veel kwakkelen van bovenaf.

22. Met hemels brood spijsd' Hij ze allen,
En met dorst hard zijnd' overvallen,
Gaf Hij uit den steen water zoet
In de woestijn met overvloed.
Want Hij heeft bij Hem overleid,
Wat Abraham was toegezeid.

23. Hij voerde Zijn volk uit met vreugden;
Zijn kind'ren op den weg verheugden,
En zongen Zijn daden zeer schoon;
Totdat God hun tot enen loon,
Der heidenen erfgoed gaf in,
Ende meteen al haar gewin.

24. Opdat z' als Zijn trouwe dienaren
Zijn geboden zouden bewaren,
En bereid zouden zijn eenpaar,
Om te houden Gods wet zeer klaar.
Dies moet Zijn lof wezen verbreid
Met lofzang in der eeuwigheid.

1. Looft God den Heer, en laat ons blijde
zijn glorierijke naam belijden.
Meldt ieder volk en elk geslacht
de wonderen die God volbracht.
Gij die van harte zoekt den Heer,
verblijdt u, geeft zijn naam de eer.

2. Vraagt naar des Heren grote daden;
zoekt zijn nabijheid, zijn genade.
Gedenkt hoe Hij zijn oordeel velt,
zijn wonderen ten teken stelt,
volk dat op Abram u beroemt,
met Jakobs nieuwe naam genoemd.

3. God, die aan ons zich openbaarde,
regeert en oordeelt heel de aarde.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht
tot in 't duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham zijn vrind
bevestigt Hij van kind tot kind.

4. De Heer heeft Izak uitverkoren,
aan Jakob zijn verbond bezworen,
aan Israël zijn trouw verpand;
Uw kind'ren breng Ik naar dit land,
naar Kana„n dat eeuwig is
uw toegemeten erfenis.

5. Toen zij door vreemde landen gingen,
een kleine schare vreemdelingen,
van volk tot volk, van land tot land,
toen ging Hij aan hun rechterhand.
Volken en vorsten zei Hij aan;
Laat mijn gezalfden veilig gaan.

6. Hoe wonderbaarlijk zijn Gods wegen.
Toen Hij de deur sloot van de regen,
met hongersnood het land bezocht,
was Jozef reeds als slaaf verkocht
en in gevangenschap geraakt,
maar door Gods woorden vrijgemaakt.

7. Egypte 's koning, die bespeurde
dat al wat Jozef zei gebeurde,
bevrijdde hem, gaf heel zijn land
en heel zijn huis hem in de hand.
Rijksgroten zelfs vereerden hem,
en oudsten hoorden naar zijn stem.

8. Zo kwamen Jakob en zijn zonen
als gasten in Egypte wonen.
God gaf hun bloei in 't vreemde land,
zij namen bijna d' overhand.
Doch niemand vreesde voor hun macht,
zolang men nog aan Jozef dacht.

9. De harten der Egyptenaren,
die Israël genegen waren,
zijn door de Heer die alles leidt
vervuld met afgunst, haat en nijd.
toen heeft Egypte hen gekweld
met sluwe list en bruut geweld.

10. Maar Mozes liet Gods woorden horen,
A„ron kwam, door God verkoren,
en tekenen van 's Heren hand
geschiedden in Egypteland.
De duisternis verslond de dag,
zo triomfeerde Gods gezag.

11. Water werd bloed, met witte lijven
kwamen de vissen bovendrijven.
De kikvors kwaakt' in land in stad,
tot waar de koning sliep en at.
En weer sprak Mozes en terstond
krioelde 't ongedierte rond.

12. De hagel sloeg de rijke landen,
en in het koren woedden branden.
Het ooft viel onrijp van de tak,
die door 't geweld der vlagen brak.
Hij sprak: een sprinkhaanvolk verscheen,
het allerlaatste groen verdween.

13. Toen kwam de grote nacht der nachten,
verschrikking voor wie God verachtten.
Egypte 's koning zag ontsteld
zijn eerstelingen neergeveld.
De doodsheraut ging door het land,
maar God hield Israël in stand.

14. Gods volk trok uit langs effen paden,
met zilver en met goud beladen.
De rijen door weerklonk hun lied.
Wie God vertrouwt, die struikelt niet.
Bekomen van verslagenheid
was zelfs Egypte 's volk verblijd.

15. God gaf een wolk die hen geleidde,
een vuur in 't duister aan hun zijde.
Zo trokken zij in vrede voort,
en steeds heeft God hun wens verhoord.
Hij zond hun kwakkels in de nood,
en uit de hemel hemels brood.

16. God laafde hen in dorre streken,
deed water uit de rotsen breken,
't werd een rivier en stroomde voort,
want Hij gedacht zijn heilig woord,
de trouw die Hij had toegezegd
aan vader Abraham, zijn knecht.

17. Hij was het die zijn volk bevrijdde,
zijn uitverkoornen veilig leidde.
Zo trokken zij het diensthuis uit
met dans en zang bij trom en fluit,
en erfden het beloofde land,
de arbeid van der heid'nen hand.

18. Die gunst heeft God zijn volk bewezen,
opdat het altoos Hem zou vrezen,
zijn wet betrachten en voortaan
volstandig op zijn wegen gaan.
Prijs God om al zijn majesteit.
Hij leidt ons tot in eeuwigheid.

1. Looft, looft verheugd de Heer der heren,
aanbidt zijn naam en wilt Hem eren.
Laat alle volken nu verstaan
de wondren, die Hij heeft gedaan.
En spreekt met eerbied en ontzag
van al zijn werken dag aan dag.

2. Zingt, zingt de Heer uw vreugdezangen,
laat onze God uw lof ontvangen.
Beroemt u in zijn heilge naam.
Laat wie Hem zoeken nu tezaam
hun hart verheffen tot zijn eer
en zich verblijden in de Heer.

3. Vraagt naar de Heer en naar zijn sterkte,
naar Hem die al uw heil bewerkte.
Zoekt dagelijks zijn aangezicht,
gedenkt al wat Hij heeft verricht.
Slaat acht op 't oordeel van zijn mond
en vreest Hem, volk van Gods verbond.

4. O volk, uit Abraham gesproten,
dat zoveel gunsten hebt genoten,
o Jakobs kindren, die de Heer
heeft uitverkoren, meldt zijn eer.
De Heer is onze God; zijn mond
spreekt recht op heel het wereldrond.

5. God zal zijn waarheid nimmer krenken,
maar eeuwig zijn verbond gedenken.
Wat Hij beloofd heeft, blijft van kracht
tot in het duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham, zijn vrind,
bevestigt Hij van kind tot kind.

6. Wat God aan Abraham deed horen,
heeft Hij aan Isaäk gezworen,
aan Jakob tot een wet gesteld,
als een verbond dat eeuwig geldt:
'k heb Kanaän u toegedacht
als erfdeel voor uw nageslacht.

7. Zij trokken als een kleine schare,
toen zij nog vreemdelingen waren,
van volk tot volk door vreemd gebied.
God duldde hun verdrukking niet.
Zelfs koningen zei Hij dit aan:
Laat mijn profeten veilig gaan.

8. Toen God de honger zond op aarde,
geen mens voor broodgebrek bewaarde,
had Hij in zijn voorzienigheid
voor Israël reeds brood bereid,
want Jozef was in slavernij.
Zo bracht God redding naderbij.

9. In boeien had men hem geslagen,
hij moest een zware keten dragen.
Dit duurde voort tot op de dag
dat hij zijn woord geschieden zag.
Wat eens de Heer hem had onthuld,
werd op het onverwachts vervuld.

10. De koning toch liet hem bevrijden
en maakt' een einde aan zijn lijden.
Hij gaf geheel Egypteland
en ook zijn huis in Jozefs hand.
Hij bond de vorsten, hoog van staat,
met al de oudsten aan diens raad.

11. Toen kwamen Jakob en zijn zonen
als vreemdling in Egypte wonen.
Zij werden talrijk, kregen macht,
maar God verhardde Chams geslacht.
Hun gunst van vroeger werd tot haat.
Zij deden toen Gods knechten kwaad.

12. God deed zijn woord door Mozes horen.
Aäron werd naast hem verkoren.
Zij voerden naar Gods hoog besluit
zijn tekenen en wondren uit.
Zo straften zij Egypteland
met vele plagen uit Gods hand.

13. God heeft de duisternis gezonden,
toen vorst en volk zijn wil weerstonden.
Het licht verdween op het bevel
van Hem, de God van Israël.
Hij maakte van het water bloed,
de vissen stierven in die vloed.

14. God liet uit beken en uit stromen
een menigte van kikkers komen.
Tot in 't paleis drong deze plaag,
zij kwelde 't volk van hoog tot laag.
God sprak - en steekvlieg en muskiet
doorzwermden Farao's gebied.

15. Gods hagel kwam in plaats van regen,
maar Farao ging zijn eigen wegen.
Een laaiend vuur joeg door het land,
dat werd geteisterd door die brand.
God zond als straf dit zware weer,
sloeg vijgeboom en wijnstok neer.

16. God sprak - daar kwam met oostenwinden
een sprinkhaanzwerm hun oogst verslinden.
Toen zond God van de hemel af
zijn engel met de zwaarste straf:
Hij doodde in de laatste nacht
de eerstelingen van hun kracht.

17. Het was God zelf die hen bevrijdde.
Zij trokken uit, daar Hij hen leidde.
Hij voerde hen met rijke buit,
een schat aan goud en zilver, uit.
Egypte zag met vreugd hen gaan,
door schrik voor Gods gericht ontdaan.

18. God zond een wolk om hen te dekken
en aan de hitte te onttrekken.
Hij gaf een vuurzuil door zijn macht
om hen te leiden in de nacht.
Zij vroegen vlees - en God, de Heer,
zond kwakkels rond hun tenten neer.

19. God gaf op wonderbare wijze
brood uit de hemel hun tot spijze.
Hij spleet de rots door Mozes' hand:
het water stroomde door het zand.
God dacht aan Abraham, zijn knecht,
aan 't heilig woord hem toegezegd.

20. Heel Israël trok uit in vreugde,
een volk dat zich in God verheugde,
een juichend volk, door God bevrijd,
een volk vervuld van dankbaarheid.
Het erfde uit Gods eigen hand
de schatten van het heidenland.

21. Die gunst heeft God zijn volk bewezen,
opdat het altijd Hem zou vrezen,
zijn wet betrachten en voortaan
standvastig op zijn wegen gaan
en zingen zou: Aan God de eer.
Looft, halleluja, looft de Heer.